Ke
govern
3 2044
HARVARD UNIVERSITY
LIBRARY 5 Sn
GRAY HERBARIUM - TN
Received 2% E he el
S Agt Se
Radson Lo Marg 1 ee ER 8
hark
eN
TE VALETON,
ee bij. het Bosch- ,
Hi tegen vn, Nederlandsch-Indië.
den a sense id a DE ed
heten KTO |
Digitized by the Internet Archiv ne
in 2015 |
’, att
„ Rn WE
https://archive.org/details/bijdrageno113tot3189 (OOI
dk 5 ik
» ke
DN ann Dr A na Rd
Mededeelingen uit ’s Lands Plantentuin N°, XVI.
BIJDRAGE N°. 8
TOT DE KENNIS DER
BOOMSOORTEN VAN JAVA
DOOR
S. H. KOORDERS, EN D". TH. VALETON,
Chef Te afd. („boschflora onderzoek Kruidhundig-ambtenaar _ bij het
van Java’) van 's Lands Plan- Boschwezen van Nederlandsch-
tentwin te Buitenzorg, amb- Indië,
tenaar b/h. Boschwezen
van Nederl.-Indië,
Additamenta ad cognitionem Florae arboreae Javanicae
auctoribus S. H. Koorders et Th. Valeton. Pars II
BATAVIA — ’S GRAVENHAGE
G. KOLFF & Co.
1896.
Gray Herbarium
Harvard University
‚in OA REE
’
:
„
es
.
«
-
BNSESEDD TENG.
Dit 3° deel is in manuscript afgesloten op 5 December 1895.
De wijze van bewerking is dezelfde als in deel T en Il met dit
verschil alleen, dat wij een paar der belangrijkste cultuurboomen
o.a. Mahagoni (Swietenia) iets uitvoeriger behandeld hebben dan dit
in de vorige bijdragen met de eultuurboomen is geschied, en dat
wij bij die geslachten welke een groot aantal soorten tellen, deze
in een gering aantal, meestal 2, willekeurige groepen gesplitst heb-
ben welke door enkele scherpe kenmerken kunnen worden uiteen-
gehouden. Deze hoofdgroepen door de letters A, B etc. aangeduid
zijn weder in kleinere groepen onderverdeeld en dit telkens herhaald,
waarbij de gelijkwaardige groepen door correspondeerende lettertee-
kens I, II, aa, bb enz. zijn aangegeven. Daardoor zal de lezer
misschien iets gemakkelijker een hem onbekende soort thuis kun-
nen brengen.
Ook hebben wij (hetgeen in monographiën gebruikelijk is) bij de
literatuur-opgave een uitroepingsteeken geplaatst achter den naam
des schrijvers, van wien wij het authentieke exemplaar konden
vergelijken, terwijl hetzelfde teeken, achter den titel eener af beelding
geplaatst, aanduidt, dat wij deze geraadpleegd hebben.
Deel IV is in manuscript gereed en zal spoedig volgen.
Buitenzorg, 15 April 1895.
KooRrDERS en VALETON.
INHOUD van DEEL 111.
Bldz
NEDO on a EE A il
RORNEEENEERBCOHERM EE te ef et De ve 208,
INHOUD van DEEL II.
Begummosde-Caesalpimiae eo . oe oe att ee lis
BS iaosae-BaplHonaceae 4. ne ee D2,
WIDIROENE a var a we En 0
SUEROUIDEEDE. soe Eer ba do on E10
Eem ame EACCAOM EE Me A en 2202
INHOUD van DEEL I.
BEGI oen ho Gt EEP
EEEN EEEN neen met a Od 64,
EO ERELEGKONN ed Ot ee el ede
EEEESCERCNNEE NE EN ee veen OE Tare SL,
EEE er eN ee er nn nd 127,
OENE en el et 159,
BEEN SCEEONN Eee en Oo ee ZL,
UILEN 5 Gn 7
OEE en en te Te e= 206.
ROCOCO BENN es nets oe a Dv284.
Weeuminosae-Mimoseae …— … 0. on oe u te oe « « 265.
MELIACEAE.
Jussreu, Mémoire sur la Groupe des Meliactes in Mém. Mus. Hist.
Nat. xix, 1830, — DC. Prodr. 1 619. -- BENTHAM et Hooker, Gen.
Plant. 1 327. — Mrqver. Ann. Mus. Bot. Lugd. Bat. rv fasc. 1. —
HierN in Hooker, Fl. Br. Ind. 1 540. — Cas. De CANDOLLE in
Dr Canp. Monogr. Phaner. 1 399. — Hassk. Hort. Bog. p. 121. —
Kine Materials for a Flora of the Malayan Peninsula 11 505. —
Borrr. Handl, 1 182, — BRANDIS For. FI. 68. — Kurz. For. FI. 1 210.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig, regelmatig.
Kelk klein, 3—6-lobbig, zelden gaafrandig of uit 4—5 vrije kelk-
bladen gevormd; meestal dakpanswijze dekkend in den knop. Bloem-
bladen 3—6 zelden 10 (Megaphyllaea), vrij of zelden aan de basis
vergroeid, soms met de onderste helft der meeldradenbuis samenhan-
gend, in den knop klepswijze aaneensluitend of dakpanswijze dekkend
ineengedraaid. Meeldraden 4—12, meestal 8—10, aan de basis
van de hypogynische schijf ingeplant; helmdraden tot een buis ver-
bonden, zelden vrij; helmknoppen opgericht, meestal zittend op de
buis en daarbinnen besloten of er boven uitstekend, 2-hokkig; in
de lengte openbarstend. Hypogynische schijf steel- buis- of ringvor-
mig of weinig ontwikkeld, vrij of met den eierstok vergroeid.
Eierstok meestal vrij, 2—5-hokkig. Stijl enkelvoudig. Stempel
schijf- of knopvormig. Eitjes nu eens 2 in elk hokje naast of boven
elkander, (zelden 1), dan weder 4—oo, in 2 rijen, en nu eens
anatroop met buikstandige zaadnerf en naar boven en naar buiten
gericht poortje, dan weder orthotroop. (Het eerste geval dikwijls
bij het onderste en het tweede bij het bovenste eitje in hetzelfde
hokje). Doos-, steen- of besvrucht. Zaden nu eens zonder kiemwit,
dan weder met vleezig kiemwit, dikwijls met een onvolkomen of
volkomen zaadrok,
MrrIACEAE. — J —=
Boomen of heesters; meestal melksaphoudend. Bladeren afwisse-
lend, zelden tegenovergesteld; zonder steunbladjes‘ aan den bladvoet ;
meestal gevind, zelden enkelvoudig (1) of dubbel gevind (2). Blaadjes
tegenovergesteld of afwissellend, zonder steunblaadjes aan de bladspil;
meestal geheel en al gaafrandig en min of meer schuin aan de basis.
Bloemen meestal in okselstandige pluimen.
Het aantal soorten wordt door Kina op 700 geschat behoorende tot
37 geslachten.
Op Java komen 14 geslachten voor, waarvan echter drie: Cipadessa,
Twrraea, Munronia niet door boomachtige vormen zijn vertegenwoordigd.
In het Herbarium Amboïinense van Rumeurus behooren volgens HAssKARL
Neuer Schlüssel le. de volgende beschreven en afgebeelde soorten tot
de Meliaceae:
Tomus 1 167 t. 64. — Sandoricum sive Sandori- of Sattulboom. Vol-
gens verschillende schrijvers en ook volgens onze meening Sandoricum
indicum Cav.
Tomus IL 62. — Corten oninius sive Massoyboom. Alleen door HerscreL
is in 1833 deze plant in zijn Clavis Rumphiana alseen Melia beschouwd.
Volgens onze meening is de determinatie van HerscueL onjuist en behoort
de plant niet tot de Meliaceae, maar zeer waarschijnlijk tot de Lauraceae
en wel tot het geslacht Cinnamomum, zooals o.a. Nees l.c. opgeeft.
Tomus II 81 t. 20. — Alliaria sive Caju-bawang. De zienswijze van
vele schrijvers, dat deze door R. uitvoerig beschreven en vrijgoed afge-
beelde soort Dysoaylum alliaceum Bu. schijnt ons juist toe. Vooral de
beschrijving past o.i. beter op deze Dysorylum dan op andere van den
Maleischen Archipel bekende soorten.
Tomus 1. 151 t. 54. — Lansium of Lansa-boom. Reeds, en o.i. ten
rechte door HasskArL en anderen voor Lansium domesticum Jack. gede-
termineerd. Zie hieronder „Cultuurboomen.”
Tomus 1 154 t. 55. — Lansium montanum of Berg-lanse-boom. —
Volgens sommigen Milnea montana Jack. Volgens TeysmanN en ook o. i.
een Aglaia soort, doeh onzeker welke species van Aglaia.
Tomus III 92; 98 t. 61. — Granatum litoreum sive Strand-Granaatboom.
— De afbeelding, zoomede de beschrijving van den „grootbladigen
Strand-Granaatboom, beantwoordt volgens verschillende schrijvers aan
Carapa moluccensis Lam; de door R. alleen beschreven „grootbladige”
soort is o.i, de Carapa obovata Br.
(1) (o. a. Turraea).
(2) Bij sommige geslachten met gevinde bladeren (Aglaia, Dysorylum) zijn
de bladeren van zeer jonge, uit zaad gekweekte planten enkelwoudig.
en
MELIACEAE.
Tomus III 66—68; 126; t. 39. — Surenus sive Soerenboom. Door ver-
en door ons voor C.
febrifuga Bu. gehouden en wel waarschijnlijk een der varieteiten.
schillende schrijvers voor Cedrela Toona Rox.
Tomus VIT 38.— Tjoelang sive Tjiulang-struik. — Volgens enkele
auteurs Aglaia odorata Lour. volgens anderen A. odoratissima Br. Vol-
gens onze meening is de eerste determinatie waarschijnlijk juist.
Overzicht der geslachten.
1. Meeldraden vrij. Zaden gevleugeld
Meeldraden vergroeid (bij Walsura soms vrij)
Zaden niet gevleugeld .
2. Hokjes van den eierstok met 2—8 eitjes. Zeer
groote doosvrucht met talrijke zaden.
Hokjes van den eierstok met 1 of twee eitjes. ji
3. Zaden met kiemwit. Bladen 2-3 x gevind. Blad-
rand gezaagd.
Zaden zonder kiemwit. Bladen enkelgevind.
4. Worteltje buiten de zaadlobben uitstekend. Blad-
rand gezaagd. .
Worteltje ingesloten. Bladrand gaaf.
5. Schijf òf ring- òf kort-steelvormig òf ontbrekend.
Schijf buis- of bekervormig.
6. Vrucht een steenvrucht met 5 daens Bladen
drietallig. Stempel 5-deelig of- tandig.
Vrucht openspringend of halfvleezig met 1—3
zaden. Bladen gevind. Stempel cylindervormig.
Bloemen en meeldradenbuis in de ee gerekt;
stijl lang.
Bloemen en meeldradenbuis ‘bolvormig. st kort
of ontbrekend.
8. Helmdraden van boven of geheel vrij Schijf
vleezig-ring vormig.
Helmknopjes in de buis ingesloten of naar binnen
gekromd. Schijf ontbrekend.
9. Bloembladen 3. 5
Bloembladen 4-5. Haren altijd stervormig.
Bloembladen 5. Haren enkelvoudig.
Uitsluitend op Java gecultiveerd.
Cedrela odorata, L. Oorspronkelijk in Mexico.
. Cedrela.
. Carapa.
. Melia.
. Azadirachta.
. Sandoricwm.
. Dysorylum.
. Chisocheton.
Walsura.
. Amoord.
„ Aglaia.
. Lanstwm.
Dr. van Rompurem in Aanteekeningen Cultuurtuin Tjikeumeuh van
s’ Lands Plantentuin te Buitenzorg (1892) zegt van deze soort het volgende:
„Deze boom, die het bekende sigarenkistenhout levert, groeit hier bijzon-
der snel. De aanplant dateert van December 1880. De boomen hadden
na een jaar reeds eene hoogte van 3—4.5 M.…, bij een omvang van
0.1—0.19 M. Nu ze ruim 2 jaar oud zijn hebben verscheidene reeds
een hoogte van 6 M. bij een omtrek van 0.29 M.
De plantwijdte bedraagt
3.6 M. Onder deze Cedrela zijn onlangs plantjes van Alangium sundanum
uitgezet, voor welke zij als steunboom moet dienen”,
MEeErIACEAF. le
Te oordeelen naar de in ’s Lands Plantentuin gecultiveerde door ons
nog niet bloeiend of vruchtdragend onderzochte boomen is deze soort van
de andere hieronder genoemde Cedrela’s te herkennen aan den hoogst
onaangenamen aan zwavelwaterstof en verrotte uien herinnerenden reuk
der bladeren, welke reuk bij een paar andere Cedrela’s in mindere mate
ook voorkomt. Vooral met het exemplaar uit den Cultuurtuin schijnt
dit het geval. Im Verslag ’s Lands Plantentuin over 1893 staat: „De
groei van dezen boom is hier buitengewoon welig. Het laat zich aanzien
dat hij geschikt zal zijn voor schaduwboom. De nu 5-jarige boomen
hebben een hoogte van 12—14 M. Ze hebben nog niet gebloeid.”
Op grootere zeehoogte dan Buitenzorg, nl. op de theeplantage Sinagar
van den Heer KeRKHOvEN is onlangs ook een proefaanplant van deze
boomsoort aangelegd.
Cedrela sessilis Vern. „Vaderland Brazilië. Deze boom werd in 1882
in den Cultuurtuin aangeplant en groeide aanvankelijk op een enkele
uitzondering na goed. Ze hebben nu eene hoogte van 4—7.5 M. Onder
hun schaduw, die licht is, bevindt zich een aanplant van gambier. De
behandeling der zaden is als die van Cedrela serrulata. De langzame
groei en de geringe schaduw maken deze boomen, althans voor schaduw-
boomen in koffietuinen, weinig geschikt’ (Van Romsurer Lc.)
Cedrela serrata Rove (C. serrulata Mra.) Zie de uitvoerige beschrij ving
hieronder bij Cedrela.
Choroxylon Swietenia DC; Satijnhout. Geogr. verspr.: „In droge
streken van Voor-Indië en Ceylon.’ Op Java: alleen gecultiveerd in
’s Lands Plantentuin. —,Bladafval:? Loofverliezend. Bloei-en vrucht-
tijd: In Voor-Indië bloemen in Maart rijpe vruchten Juni. — Hout:
Kernhout welriekend, met fraaien satijnglans („satijnhout”), lucht-
droog, groenachtig wit met gelen tint, of geel en gevlekt, fijndradig.
Spec. Gew. 1.0—0.8 luchtdroog. Sterktefactor P —600—1059— Gebruik:
Hout is vergeleken met Burus-hout uit Europa, maar voor houtsnijwerk
niet en voor draaiwerk uitstekend geschikt bevonden. In Engeland
geïmporteerd en dáár voor fijn schrijnwerk gebezigd. In Voor-Indië voor
landbouwwerktuigen gebruikt. — Inl. naam: Satinwood (Engelsch);
Satijnhout (Hollandsch). — Cultuur. Om het hout en met het oog op den
goeden groei in ’s Lands Plantentuin aantebevelen. In den Gids voor
den Cultuurtuin te Tjikeumeuh van Dr. v. RoxBurem is over deze boom-
soort het volgende medegedeeld: „De aanplant van deze boomsoort in
den Cultuurtuin dagteekent van 1889. Aanvankelijk groeiden de boomp-
jes, die in de schaduw van Albizeia moluccana stonden, slecht. Nadat
de schaduwboomen geveld waren, kon in den groei een belangrijke verbe-
tering opgemerkt worden. In hun jeugd moet men de boompjes steunen.
De plantwijdte is 5.2 M. De hoogte der boompjes is nu 2.6 M. Een
13 jarige boom in den cultuurtuin heeft een hoogte van 15 M. bij een
omvang van 0.85 Habitus: De boom blijft volgens Branpss in Centraal
(Voor-) Indië klein en wordt in Zuid- (Voor-) Indië iets grooter (bijna 14
Meter kruinhoogte).
Heynia sumatrana Mia. Zeer fraaie sierboom uit Sumatra. Im ’s Lands
Plantentuin staat een rijk vruchtdragend, ongeveer 13 M. hoog exemplaar.
— 5 — MELIACEAR,
Tot dus ver nog zeer weinig buiten ’s Lands Plantentuin gecultiveerd.
Voor cultuur, vooral om de sierlijke vruchten aantebevelen.
Flindersia amboinensis Porr. — „Inheemsch op klein Ceram en de kust
van Hitoe. Hout voor stylen en timmerhout” (Rumrurvs). Op Java
slechts één boom van 35 Meter hoogte in ’s Lands Plantentuin. Volgens
den Heer Wraman (Teysmannia 1890 p. 224) verdient deze boom meer
aangeplant te worden, omdat de boom zeer nauw verwant is met deugd-
zame houtsoorten als Cedrela’s (Sigarenkistenhout) en Swietenia's (Maha-
gonihout).
Melia Azedarach L., M. sambucina Bu. en M. Bogoriensis Ket V. Zie
hieronder bij Melia.
Lansium domesticum Jack. Zie hieronder bij Lansium.
Aglaja odorata Lovr. Boomheester of zeer lage boom. Vaderland China.
Vrij algemeen als sierplant in tuinen. De kleine, welriekende bloemen
zeer gezocht, en om ze in het haar te dragen, en om ze tusschen de
kleederen te leggen. Patjar-tjind, j.— Patjar-tjina, ml. = Tjoelan, s.
Volgens den Heer Wri1acMman zeer geschikt voor levende omheiningen.
Swietenia macrophylla? „Van deze boomsoort, die nauw verwant is aan
het mahoniehout, werden in December 1888 een rij plantjes langs de grens
van den Cultuurtuin en het krankzinniggen gesticht uitgeplant. Reeds
na een jaar hadden zij eene hoogte van 2.75 M. en nu, op ruim 3 jarigen
leeftijd, zijn de meesten reeds 5—6 M. hoog, terwijl hun omvang 0.18— 0.24
M. bedraagt. De boomen staan in de volle zon op een terrein, dat niet
door vruchtbaarheid uitmunt. Ze werden 2.7 M. van elkander verwijderd
uitgeplant.” (Van RomsBurem Aant. Cult 1, c.).
In den Index Kewensis ontbreekt deze species. De autor is ons onbekend.
Swietenia Mahagoni.... Geogr. verspreiding: Op Java met succes
in het groot gecultiveerd, hier echter niet wild of verwilderd. Inheemsch
in Zuid- en Midden-Amerika; dáár volgens C. Dc. tot op 1000 M. zee-
hoogte; op Java in het benedendeel der heete laagvlakte naar het
schijnt beter groeiend dan daarboven. In 1895 volgens Gamsre in Botan.
tuin Calcutta ingevoerd door zaad uit Zuid-Amerika. Eerste aanplantingen
in bergstreken aldaar mislukt; in laagvlakte dáár echter evenals op Java
geslaagd en gestadig uitgebreid.
Bladafval: Op Java altijdgroen; zelfs in drogen oostmoesson op vrij
dorren bodem nog in vol blad, — Vermenigvuldiging: Met succes
alleen door zaad. „The difficulty in propagating Mahagony in India arises
mainly from the want of seeds” zegt Gamrre; volgens hem zijn pogingen
tot vermeerdering door stekken steeds mislukt; vermeerdering door „af-
leggers” (tjangkoks) gelukt. Deze schenen meer zaad op te leveren, maar
door lager vertakking minder bruikbaar hout te leveren. Cultuur door
zaad verdient echter verre de voorkeur. Op Java zijn in 1892 in Tëgal
volgens opgave van den Inspecteur van het Boschwezen W. Buurman
Van VrerepeN reeds 12 hectaar gecultiveerd met plantjes gekweekt uit
zaad van de in 1879 bij Margasari door den Heer Buurman geplante
MELIACEAE. — 65
boomen. De even oude boomen in ’s Lands Plantentuin droegen, wellicht
als een gevolg van de grootere zeehoogte of van het verschil in klimaat
eerst een paar jaar later vrucht dan de boomen in Tëgal. In 1894 werd
hier echter een goede oogst zaden van den toen 15 jaar ouden aanplant
verkregen. — Gebruik: Hout: Vooral in Europa zeer gezocht voor
meubels; volgens BrANDis ook voor scheepsbouw. „Jaarlijks uit Honduras,
Jamaica en St. Domingo in Engeland ongeveer 40000 ton ingevoerd.
Kernhout roodbruin, zeer breed, zeer duurzaam. Van luchtdroog hout,
het spec. gewicht 0.56—0.88 en sterkte factor P— 425—637. De hout-
kwaliteit van een (bijna volwassen) in Britsch Indië gevelden boom
werd uitstekend bevonden. Dáár zijn eenige boomen van 1827. Van
een der oudste boomen uit Margasari in Tëégal werd een tafeltje ver-
vaardigd en op de Tentoonstelling te Batavia in 1893 trok dit de aan-
dacht door het fraaie uiterlijk. Omtrent de duurzaamheid van mahonie-
hout op Java (o.a. tegen witte mieren) zijn voor zoover ons bekend
geen gegevens gepubliceerd.
Aan de verslagen van ’s Lands Plantentuin is het volgende ontleend:
Van deze plant, reeds lang in den Plantentuin aanwezig, werd in 1871
eene hoeveelheid zaden ontvangen. De daarvan gekweekte planten
groeiden goed en bereikten in 2 jaren eene hoogte van 4.4 M. Later
werden nog jonge plantjes uit Ceylon en zaden uit Jamaïca ontvangen.
Uit deze laatsten werden 253 plantjes gekweekt, die, toen ze ongeveer
30 eM. hoog waren, in den Cultuurtuin werden uitgeplant.
Deze aanplant groeide aanvankelijk goed door, maar had in 1883 van
een gomgziekte te lijden, waardoor de boomen sterk leden. Door grond-
bewerking, bemesting en draineering gingen de boomen later weer goed
doorgroeien. In 1886 hadden de toen 6 jarige boomen een gemiddelde
hoogte van 7 M. bij een omvang van 0.54 M. en nu in Maart 1891,
is de hoogte der best ontwikkelde boomen 13 M., terwijl de omvang
0.76 M. bedraagt.
Nog beter dan in het Buitenzorgsche waren uitkomsten van proeven
door den houtvester van Rembang-Blora genomen. Het krachtigst groei-
den de planten in het zilte zand, bijna onmiddelijk aan het zeestrand.
Schaduw werkt nadeelig op den groei der Mahonieboomen. Behalve
door zaden laten zij zich ook door marcottes vermenigvuldigen. De
zaden zaait men uit op kweekbeddingen; als de plantjes eene hoogte van
30— 60 cM. hebben, kan men ze uitplanten. De gom, die deze boom soms
uitzweet, is in water oplosbaar.
Schors, bladeren enz.: Geen gebruik bekend. — Cultuur en groei-
snelheid: Door den Inspecteur van het Boschwezen W. BUURMAN vAN
VREEDEN werden ons over de welgeslaagde cultures op Java dezer uitne-
mende boomsoort de volgende gegevens verstrekt: „1° Voor zoover mij
bekend werd de Mahonieboom (Swietenia mahagoni) voor het eerst in
1879 op Java ingevoerd. 2e. In het najaar van 1879 ontving onder-
geteekende, destijds houtvester van het Boschdistrict Pëkalongan—Tëgal,
eenige pitten van Batavia, die ter hoofdplaats Tëögal door mij werden
uitgepoot in kisten. De daarvan verkregen planten werden in den West-
moesson 1879/80 uitgeplant bij de passangrahan te Margasari, evenals
in het 1° jaar perceel Rantjawoengoe en een paar boomen ter hoofdplaats
Tegal, aan den weg voor het residentiehuis. 3°. De cultuur 1879-—’80
heeft eene zeer geringe uitgestrekheid; bij de passangrahan Margasari
staan 40 boomen en in eerste jaar perceel Rantjawoengoe, is $ bahoe
— 1 — MErIACHAR.
daarmede beplant. In 1892 werden wederom 12 hectaren, in het 2e jaar
perceel Sëpët daarmede beplant, in 3 op 1 Meter verband, Het zaad
was afkomstig van de 40 boomen bij de pasanggrahan bovengenoemd.
4e, De grootste boom staat bij meervermelden pasanggrahan, is thans circa
16 jaar oud, heeft eene hoogte van 19.30 Meters en een diameter op
borsthoogte van 0.53 Meter. 5e, De bloeitijd valt in de maanden
December en Januari, de zaden zijn rijp omstreeks September of October
van hetzelfde jaar. Im 1892 heeft de Mahonie in Tegal voor het eerst
gebloeid en vrucht gedragen, dus op circa 134 jarigen leeftijd; uit deze
zaden is de aanplant in het 2e jaarperceel Sepet, bovenbedoeld voortgekomen.
7e, Het uitzaaien geschiedt het best in asch, om te voorkomen, dat de
veel zetmeel bevattende vleugelzaden door witte mieren, enz. worden
vernield. Het ontkiemen heeft pas ongeveer eene maand na de uitzaaiing
plaats. Het plantsoen in het 2° jaarperceel Söpët heeft veel te lijden
gehad van larven, die de jonge takjes van boven in boorden; ’t merg
werd vernietigd door die larve, welke tot ongeveer 1 à 2 decimeters
beneden de plaats van inboring (meestal een bladoksel) voortging en zich
vervolgens verpopte. Dat gedeelte van de tak stierf af; bij het invallen
der regens verdween de larve en herstelden zich de boompjes weder door
nieuwe twijgvorming, maar kregen daardoor een sterk in de breedte
ontwikkelde bolvormige kroon. Opvallend is het, dat de in 1879 uitge-
zaaide Mahonie exemplaren, door deze larve niet werden aangetast.” Aldus
de Heer Buurman.
In Teysmannia Dl. IL p. 236 staat nog het volgende:
De Soeren-soort op Ceylon veelvuldig gecultiveerd (Cedrela Toona)en
ook de Mahonie-boom (Swietenia Mahagoni) vertoont dikwijls een afsterven
aan de jongste takuiteinden. Het blijkt, dat dit verschijnsel veroorzaakt
wordt door de larven van een klein nachtvlindertje, Magiria robusta
Moore genoemd.
Volgens Gamsre hadden eenige der oudste in 1827 in Britsch-Indië
geplante Mahonie-boomen in 1873 ruim 30 M. tophoogte bij circa 70 cM.
stammiddelijn op borsthoogte. De cultuur van den Mahonie kan op Java,
vooral in de djatiboschstreken van Midden-Java, op grond der door het
Boschwezen opgedane ervaring sterk aanbevolen worden. — Inl. namen:
Door inlanders met den „Hollandschen” naam „Mahoni”’ ml. j. aangeduid.
— Habitus: In het djatibosch trekt een Mahonie-plantsoen vooral in
den Oostmoesson door de frische dichte kronen de aandacht, omdat dan de
djatiboomen en talrijke andere dáár wildgroeiende soorten bladerloos staan.
1. MELIA Z.
Bloemen tweeslachtig. Kelk uit 5 vrije kelkbladen gevormd of
5-spletig. Bloembladen 5; vrij; veel grooter dan de kelk. Meeldraden
tot een buis verbonden, welke slechts weinig korter is dan de
bloembladen en aan den top in slippen verdeeld, waartusschen of
waarvóór aan den binnenkant de helmknoppen zitten; deze recht-
opstaand, basifix, aan den top puntig, gedurende den bloei uitstekend.
MELIACEAE. —=.8 — Merra.
Stuifmeel bolvormig met 4 poriën. Hierstok 5—8-hokkig, op eene
zeer korte, min of meer napvormige schijf geplaatst; hokjes tegenover
de bloembladen; elk met 2 eitjes boven elkander. Stijl vele malen
langer dan de eierstok, in een korten, cylindrischen, aan den top
gelobden stempel eindigende. Steenvrucht vaak vleezig, met een
houtachtige kern en 1—2-zadige hokjes. Zaden hangend, elliptisch;
zaadhuid bros. Kiemwit vleezig of in geringe hoeveelheid. Kiem-
worteltje rolrond, naar boven gericht, buiten de zaadlobben uit-
stekend.
Boomen of heesters; met bladknoppen zonder bladschubben; met
stervormige haren of schubjes bedekt. Bladeren afwisselend, twee-
of driemaal gevind, met gezaagde of gaafrandige vinblaadjes.
Bloemen langwerpig, in tot okselstandige pluimen vereenigde bij-
schermen.
Aantal soorten ongeveer 10 (1) in de tropische en subtropische gewesten
van Afrika, Azië en Australië.
Van deze soorten wordt M, Azedarach L. in alle warme en tropische
gewesten gekweekt (ook in Zuid-Europa). Volgens de meeste schrijvers
is het vaderland dezer soort Noord-Indië, Perzië, en China; volgens C4s.
Dec. komt zij in alle tropische streken ook wild voor.
Een tweede soort, die volgens Brume op Java in tuinen gekweekt wordt
is Melia sambucina, door MrQuer bij M. Azedarach getrokken, maar volgens
Cas. Dec. naar een exemplaar van TerysmanN in Herb. Berl., daarvan
geheel verschillend.
Het schijnt deze soort te zijn, die in Buitenzorg als vooral Tjakra-tjikri
voor bouquetten gekweekt wordt, daar zij het geheele jaar door bloeit en
die hoogst waarschijnlijk onder den naam M. sempervirens Hort. Calc. uit
den Hortus van Calcutta is overgebracht.
Een derde soort in ’s Lands Plantentuin gekweekt en die van daaruit
als schaduwboom voor koffietuinen en. om het hout algemeen is verspreid
(onder den onjuisten naam M. Candolle Juss.) komt met geen der beschreven
soorten overeen en is door ons als nieuwe soort M. Bogoriensis beschreven.
Wildgroeiende soorten zijn tot dusver voor Java niet vermeld. In
Herb. Kps. komt echter ééne soort voor, die in West-Java wildgroeiend
wordt aangetroffen, en die wij, daar bloemen ontbreken „voorloopig naar
de bladeren en vruchten als M. composita WiuLp. eene in de tropen
algemeen verspreide soort hebben gedetermineerd. Een andere soort,
die in Oost-Java en Midden-Java verwilderd en misschien ook oorspron-
kelijk wild wordt aangetroffen en die overigens door geheel Java veel
gekweekt wordt, beantwoordt niet aan één der door C. DC. beschreven
(1) C. Dec. vermeldt 12 soorten; van deze vervallen echter volgens Kina Melia “to-
mentosa RoxB. en Melia excelsa JACK waarvan de eerste zeker (hetgeen reeds uit de
beschrijving blijkt) tot het geslacht Chisocheton, de laatste zeer waarschijnlijk tot Dyso-
«eylwm behoort (zie Mrq. Ann. IV p.21.)
ed
MerrIA. — 9 — MELIACEAE.
soorten, en is door ons als een niewwe varieteit bij de naar het schijnt
sterk varieerende M. Azedarach L. beschreven.
Overigens moet hier opgemerkt worden, dat eensdeels ten gevolge
van de overeenkomst in habitus der soorten, vooral in sicco, anderdeels
ook waarschijnlijk ten gevolge van variatie, de bestaande beschrij vingen
veel aan scherpte te wenschen overlaten en die eener zelfde soort bij
verschillende auteurs belangrijke verschillen vertoonen. Zelfs met behulp
van de monographie van C. Dro. is het onmogelijk eenige soort met
zekerheid te bepalen.
Calyx B-sepalus vel- fidus. Petala 5 Libera, lineari-spathulata, patentia,
aestivatione contorta. Tubus stamineus subeylindrieus, ore dilatato 10—30-
laciniato; antherae 10, inclusae, erectae, apiculatae inter vel ante lacinias
sessiles. Pollen subglobosum 4-porosum. Discus brevissime stipitiformis, cu-
pularis. Ovarium subglobosum, 5—8-loeulare; stylus cylindricus, stigmate
capitato 5—10-lobo; ovula in loculis 2, superposita. Drupa subcarnosa,
putamine osseo 1-5-loeulari, loeulis 1-spermis. Semina pendula, vesta crus-
tacea, albumine carnoso saepius parco; cotyledones carnosae; radicula teres
supera e cotyledonibus exserta.
Arbores vel frutices. Gemmae foliaceae. Folia alterna, 2—3-pinnata,
novella et inflorescentia saepe stellato-tomentosa, foliolis petiolulatis den-
tatis vel serratis rarius integris. Paniculae axillares, amplae, ramosissi-
mae, oo-florae. Flores mediocres, albi v. purpurei; hermaphroditi.
1. Melia composita, Wrrrp. Sp. pl. 1 558; [non De. Prodr.
teste Cas. Drc.]; King Flor. mal. 2 p. 506; Bepp. Fl. Sylv. t. 12;
Branpis Por. Fl. 69; MiQ. Ann. Le.; — Melia dubia HrerN
(non Cas.) in Hook F. B. I. 1 545; Cas Drc. l.c. p. 453; TRIMEN!
Fl. Ceyl. 1 443; — M. robusta. ex horto bot Calc!; (== M. superba
(Roxs.?) Cult. H. Calcutta! in Herb. Bog.); — M. Bambolo)WeLw.
Cas Drc. (fide Kine).
„Bladeren langgesteeld; 2—3-dubbelgevind; vinnen 1 —2-jukkig
blaadjes gaafrandig of gekarteld, geheel onbehaard; bladspil dun-
kort-behaard. Pluimen langgesteeld, langer dan het halve blad,
vertakt, aan den top melig-beschubd; zijtakken langgesteeld, tuil-
vormig-vertakt. Bloemen kort-gesteeld. Kelk smal- en spits-vijfdeelig,
van buiten dicht-lang-behaard. Bloembladen aan beide zijden ‘dicht
viltig-behaard + 6 mM. lang. Buis rolrond, van buiten zonder
franje, aan weerskanten dicht-behaard (?) met 20 korte spitse lijn-
MELIACEAE. — 10 = MErIA.
vormige slippen; helmknoppen ei-vormig elliptisch puntig onbehaard,
boven de slippen uitstekend. Schijf kort-steelvormig, aan den top
napvormig, aan den top napvormig. Bierstok onbehaard, 5-hokkig ;
stempel kort cylindrisch, aan den top met 5 spitse tandjes. Steen-
vrucht 30 mM. lang bij 15 breed. Steen zeer hard en dik.”
(Cas. Dec.)
Aanm. De beschrijving van Kina 1. c. wijkt in enkele punten van die van Cas. Dec.
af. Vooreerst hebben de vinnen volgens hem (en ook volgens TRIMEN Ll. c.) 2—5 paar
blaadjes; verder geeft hij op: meeldradenbnis met 10 tanden; deze 2-spletig, aan weers-
kanten zijdeachtig-behaard; helmknopjes harig.
De bloemen van in Hort. bot. Calcutta gekweekte exemplaren onder de namen M.
robusta en M. superba. Roxb. Warr. No. 1254a en van een exemplaar uit Ceylon (herb. Thw.
699) werden door ons onderzocht en het volgende waargenomen. Bij alle was de meel-
dradenbuis van buiten onbehaard, aan den top met 20 of minder dunne, draadvormige,
zeer korte slippen, veel korter dan de helmknopjes en twee aan twee met deze afwis-
selend, soms twee aan twee vergroeid; en met onbehaarde eivormige puntige helmknopjes,
die op zeer korte helmdraden op den rand der buis geplaatst zijn en bijna geheel uitsteken.
Volgens HIERN zijn de bloemen groenachtig wit, welriekend.
De exemplaren uit Herb. Kps. niet bloeiend, waarschijnlijk tot deze soort behoorende
hebben de volgende eigenschappen:
Een exemplaar uit herb. Calc., onder den naam M. composita door Masters in Assam
verzameld, wijkt in den bouw der bloemen nogal af en schijnt ons tot een andere soort
te behooren, door ons als M. Bogoriensis beschreven (zie beneden).
Hooge boom: H == 25—28 M. bij D=35—45 cM. Stam
recht, rolrond; zonder gleuven; met zeer kleine wortellijsten.
Kroon hoogaangezet; zeer iijl; onregelmatig. Takken: niets op-
merkelijks. Uiterste twijgen dun. Schors: taai; buiten grauw;
doorsnede rozarood; binnen geelwit; soms (? altijd) talrijke buiten-
gewoon groote lenticellen; zonder melksap; met veel bladgroen;
reukeloos; zeer bitter smakend.
Bladeren langgesteeld 3—8-jukkig, tot 650 mM. lang. Blaadjes
aan elke vin 3—7-jukkig, gesteeld, eivormig of ei-lang werpig, meest
met ronden voet; spits toegespitst, grof-oppervlakkig-stomp-gezaagd
of- gekarteld; de grootste aan de steriele twijgen 90 mM. lang bij 50,
gemiddeld 60 bij 30; de onderste blaadjes der middelste vinnen
dikwijls weer driebladig ; volwassen onbehaard of aan de onderzijde
met verspreide sterschubben, bladspil, zijspillen en steeltjes kort
behaard, glad wordend. Bloemen onbekend. Steenvruchten
in sicco 25—30 mM. lang bij 20 breed met dikken harden 5-hokkigen
steen, waarvan dikwijls slechts één hokje ontwikkeld is.
Merra. — il = MELIACEAE.
Aamm. Beschrijving naar Herb. Kps. vooral naar 5148 2 5149 3. Deze soort is zeer
kenbaar door de aanzienlijke grootte der vruchten en daardoor vooral van de meeste
overige soorten onderscheiden. Voorts moeten de bloemen (volgens HrernN) groenachtig
wit en welriekend zijn, en zijn de bloeiwijzen veel dichter ineengedrongen, de kroon-
bladen dichter behaard, de slippen der meeldradenbuis korter en fijner dan bij M. Azec-
darach.
Volgons TRIMEN is het een zeer snel groeiende, zeer hooge boom, met een dunnen donker-
purperbruinen schors; en wordt het lichte, zachte, lichtbruinroode hout met groote poriën
veel gebruikt.
De gegevens door ons van BRANDIs en GAMBLE overgenomen, zijn alleen geldig voor
de in Britsch-Indië gegroeide boomen van deze soort.
Geogr. verspreiding: Aan ons op Java nog alleen bekend enkele
wildgroeiende boomen van O — 200 M. zeehoogte aan de zuidkust van de
Preanger bij Palaboean en van Banjoemas bij Tjilatjap, zoomede bij
Tjémara in Z. W. Bantën. Gecultiveerd ons alleen uit de Preanger bekend
o. a. beneden Pangentjongan in de afd. Limbangan op 1100 M. zeehoogte.
Bwiten Java: „Voor- en Achter-Indië; Ceylon ; Malakka; Maleische archipel;
Australië’ (Branpis). — Bladafval: Loofverliezend in oostmoesson o.a.
in Augustus bladerloos aan zuidkust Preanger. — Bloei-en vruchttijd:
Juni rijpe vruchten. — Vermenigvuldiging: Volgens Brandis in Voor
Indië snelle groeier. Dáár eenige 6 jaar oude uit zaad gekweekte boomen
138—16 M. hoog bij ruim 35 eM. stammiddellijn. — Hout: Voor
het in Voor-Indië gegroeide hout vermeldt Gamsre het volgende: „Spec.
gew. 0.4 — 0.5 Spint grijs; kernhout roodachtig wit, week. Poriën groot,
meestal rond, duidelijk zichtbaar op vertikale doorsnede. Structuur van
het hout op dat van Cedrela gelijkend, maar alle poriën even groot en
het hout zachter. Jaarringen gekenmerkt door een grooter aantal, maar
niet door grootere poriën’ (Gamsre). — Gebruik: Hout: Door vele
inlanders werd ons het hout van deze Melia als geschikt voor tafels en
kasten en voor huisbouw, mits onder dak, geroemd; door andere als
zeer weinig duurzaam beschouwd. Gamsre acht het hout geschikt voor
theekisten en beveelt de cultuur om den snellen groei aan. Schors; enz.
In Z.W. Bantén de bladeren soms als medicijn. — Cultuur: Aantebe-
velen op autoriteit van Gamrre. Reeds in West- Java hier en daar aan-
geplant o.a. in de afdeeling Limbangan (Preanger) op 1100 M. Dáár nog
goed groeiend. Schijnt veel minder gecultiveerd dan de Melia Azedarach
en M. sambucina en wel uitsluitend W in Java. Voor wegenbeplanting min-
der geschikt, daar zij soms lang bladerloos staat. — Inl. namen: Mindi,
s. j. ml. Deze naam uitsluitend voor deze met volgende 2 Melia” geldend.
Op theeplantages soms groote mindi genoem in tegenstelling met de kleine
mindi waarmede dan Melia Azedarach L. bedoeld wordt. — Habitus:
Door de grootere vruchten vooral van de andere op Java groeiende
Melia-soorten onderscheiden. Geen andere boom op Java dan deze heeft
dubbelgevinde bladeren met 25—30 mM. lange eivormige steen vruchten.
Melia composita Wip.
„foliis longe petiolatis, impari-bi-pinnatis; foliolis oppositis, petiolulatis,
1—2-jugis; pinnulis oppositis. petiolulatis, integris vel crenulatis, utringus
glabris; pamiculis longe peduneulatis folia dimidia superantibus, ramosis,
apice farinoso-squamulosis; floribus breviter pedicellatis; calyce acute et
MELIACEAE. == A MErIA.
anguste 5-partito extus dense villosulo; petalis utringue dense albido-to-
mentellis; tubo cylindrico extus laevi, utrinqgue dense tomentello, acute et
breviter 20-denticulato, dentibus lineari-acutis; antheris glabris mucronu-
latis tubi dentes suwperantibus; disco stipitiformi brevi, apice subeupulari;
ovario glabro 5-loeulari; drupa ellipsoidea 30 mM. longa” (Cas. Dec.)
Deseriptio a Kina data nonnullis notis ab hac recedit dum foliola 2—5-
juga, tubum stamineum 10-denticulatum, dentibus bifidis utringue sericeis;
antheras pubescentes dicit.
Specimina exvaminavimus in Hort. bot. Calcutta eulta, nomine M. superba
Roxs. (Wall. Cat. 1254 A.) et M. robusta Rox. missa, et specimen e
Ceylon (Tuwarres Cn. 699); omnia tubum extus glabrum intus villosulum
ad marginem dense tomentellum, antheras glabras ellipticas muecronatas
subsessiles exsertas, tubi lacinias parvas, antheris multo breviores, filiformes,
inaequales numero 20 vel pauciores eaxhibent.
Specimen autem a Masters in Assam colleetum flores multo majores,
antheras basi parce pilosulas tubi lacinias 10 latas antheris multo breviores
et cum üis alternantes apice brevi-inaequali-dentatas exhibent (an conspe-
cifica?)
Specimina olim nomine Melia dubia a v. Muerurr e Rockinghambay
missa (Herb. Bog. 14841 et 15856) vir conspecifica et potius ad M. Aze-
darach vel sambuecinam referenda tubi lacindis 20 antheris longioribus
üsque postpositis, lato-linearibus apice denticulatis; antheris subhirtellis.
2. Melia Azedarach, Linn. Sp. ed. ur 550; Cav. Diss. 7. t. 363;
Lam. Enc. tab 352; DC. Prodr. r 621; Juss. Mem. lc. 67 tab 24
no. 4; Drscourr Flor. Ant. 1 tab 46; Bot. Mag. tab 1066 ; ScHNrrz.
Icon. t. 225; Wieur. Icon. t. 160; Brepp. Fl. sylv. t. 14; Mig. FI.
IL. B. 1, 2 p. 532; Ann. lo. 5 (exclus. var. f.); HrerN. in Hook.
Fl. B. I. r 543; Barr. Hist. pl. v 470 (eum icone); Kurz. For.
Fl. 212; BRrANDIs For. Fl. 68; Cas Dec. le. p. 451; Triven Fl.
Ceylon 1 244; Kie. Flor. Mal. 2 p. 508; — M. sempervirens Sw.
Prod. 67; Bot. Reg. t. 643.
„Jonge twijgen dun; eerst melig-behaard, later zwartachtig en glad.
Bladeren 350—600 mM. lang oneven-dubbel-gevind; volwassen on-
behaard, 4— 5-jukkig (Cas Dec.) 3-jukkig (Kine) ; vinblaadjes 5—11
(5—7 volgens Kina) aan de bovenste vinnen 3, scheef-eivormig of
Merra. — 18 — MELIACEAE.
ei-lancetvormig, toegespitst, kort-gesteeld 40—50 mM. lang; aan
jonge takken grof-gezaagd, aan andere zwak gezaagd of bijna gaaf-
randig; zijnerven meest tusschen de tanden eindigend. Pluimen
korter dan de bladeren, onbehaard of schaars stervormigbehaard,
ijl vertakt met vorksgewijs verdeelde takken. Bloemen niet dicht
opeen in bijschermen 8.5 mM. lang (Kine). Kelkbladeren spits-eivor-
mig of langwerpig-lancetvormig, behaard. Bloembladen van buiten
aanliggend-kort-behaard; buis met 10 aan den top 3-spletige slippen,
van buiten onbehaard dikwijls met franje-vormige aanhangsels,
van binnen dun fijn-behaard. Helmknopjes langwerpig, puntig,
onbehaard (volgens C. Derc.). Hierstok 5-hokkig; stijl aan den top
gezwollen. Stempel 5-lobbig (Cas. Dro.); 10-lobbig (volgens Kina).
Steenvrucht ellipsoid, glad, geelachtig 16 mM. lang; 4 — 5-hok-
kig met houtigen geribden steen”
„var. y. squamulosa C. DC. Jonge deelen melig-beschubd,
blaadjes meest bijna gaafrandig. Pluimen korter dan het halve blad ;
bloembladen dicht-fijn behaard.”
Aanm. Beschrijving naar Cas. Dec. en Kina overgenomen; wier beschrijving hier en
daar uiteenloopen.
Bij een uit Leiden gezonden exemplaar vonden wij de helmkmnopjes min of meer be-
haard, de slippen der buis 10 in getal met de meeldraden afwisselend, breed Lintvormig,
aan den top ongelijke 3-tandig of ook wel gespleten; de buis van buiten met franje. bij
een ander ex. uit Herb Hassk. zijn daarentegen de helmknoppen onbehaard, de slippen
der buis 20 in getal nogal smal en spits, twee aan twee met de helmknoppen afwisselend.
Bij dit laatste exemplaar was de stempel 5 — 10-deelig.
Een specimen van ZOLLINGER (No. 166) uit Banjoewangi behoort volgens determinatie
van Cas. De CANDOLLE tot deze soort nl. tot de varieteit sguamulosa. Evenwel wijken
alle uit M. en O. Java afkomstige Melid's van Herb. Kps. (alleen de bloemdragende
specimina lieten determinatie toe) belangrijk van deze beschrijving af en zijn door ons
als var. ò. javanica K. et V. afzonderlijk beschreven. Wellicht is het deze Melia waar-
van de Heer KERKHOVEN (Teysmannia 1895 p. 571) zegt, dat zij eerst „Kortelings in de
Preanger ingevoerd is en dat zij voor hoogere streken minder geschikt is.”
Geogr. verspreiding: Zeer onzeker omdat de bestaande soort-
beschrijvingen zeer uiteenloopen en nog slechts van weinig streken van
Java herbarium met open bloemen in het Museum alhier aanwezig is.
Volgens Cas. Dec, in tropische en subtropische streken der geheele wereld,
veelal alleen gecultiveerd. Volgens BrANpis en GAMBLE waarschijnlijk
inheemseh in den Himalaija. Van de var. squamulosa geeft Cas. Dec. Java,
Zuid-Afrika en Oostelijk-Indië als groeiplaats op. MrQueL noemt voor zijn
M. Azedarach, die M. sambucina Br. omvat, behalve Java nog andere
eilanden van den Mal. Archipel; doch noemt den boom dáár niet in-
MELIACEAE. — 14 — MEerLIA.
heemsch. Wij vonden deze soort alleen in gecultiveerden toestand en
alleen in W. Java. — Groeisnelheid: In Voor-Indië door Branprs
snel genoemd en wel 3—4 jaarringen per eng. duim radius. — Bloeitijd:
In de Preanger einde Sept. bloemen waarnomen. — Vermenigvuldi-
ging: Volgens Branprs in Voor-Indië gemakkelijk ook door stronk uit-
slag te kweeken. — Hout: Im Voor-Indië gegroeid hout heeft volgens
GamsLe de volgende eigenschappen : „Spee. gew. (versch) — 0.6 ; luchtdroog
0.5. Spint geelachtig wit; kernhout zacht, rood. De buitenzijde der jaar-
ringen gekenmerkt door een smalle strook kleine poriën, die onderling ver-
bonden zijn door golvende concentrische banden van zacht weefsel; de
binnenzijde uit een breede strook groote poriën bestaande. Mergstralen
nogal breed; op een radiale doorsnede als breede platen in het oog vallend.
Poriën op overlangsche doorsnede sterk in het oogvallend.” (Gamrre).
— Gebruik: Hout: Volgens GAMBLE voor meubels gebezigd. Volgens
Branpis loopen de gegevens over de bruikbaarheid van dit hout in Indië
zeer uit een GamBLr zegt „we are inelined to think this wood better
than it is supposed to be.” Branpis zegt dat het onderhevig is aan krom-
trekken en scheuren. Volgens oordeel van den Heer KeRrKHOvEN is het
hout van de in West-Java gecultiveerde mindi-soorten zelfs ongeschikt
voor theekisten, volgens den Heer Massink zeer bruikbaar. …
Het hout laat zich goed polijsten. Sterkte-factor P. van het hout in
Voor-Indië volgens SKINNER == 596” (GAMBLE). — Schors enz. „Schors voor
van de wortels buitengewoon bitter en als anthelminticum gebezigd”
„Bladeren en vruchtschillen als inlandsche medicijn gebezigd. Uit de
vruchten wordt in Voor-Indië een (?geneeskrachtige) olie gemaakt. De
zaadkernen soms voor rozekransen.’ (BRrANprs). — Cultuur: Om den
snellen groei, het lichte doch bruikbare hout, den ijlen kroon aan te beve-
len. Reeds in West-Java daarom en ook als sierboom door de inlanders
hier en dáár in het klein aangeplant. — Dr. van Romsurcu zegt Aant.
Cultuurtuin Tjikeumeuh van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg het vol-
gende van deze boomsoort. (Melia Azedarach L.) „Reeds voordat aan
’s Lands Plantentuin de Cultuurtuin verbonden was, werden van deze
boomsoorten zaden verstrekt. De mindi schijnt als schaduwboom voor
koffietuinen geschikt te zijn, wanneer men, als de boomen jong zijn, behoor-
lijk opsnoeit. In de Preanger Regentschappen vindt men Liberia-koffie-
aanplantingen, die onder de schaduw van mindi uitstekend groeien. Het
hout is als timmerhout zeer gezocht. De zaden worden op overdekte
kweekbeddingen uitgezaaid of zaaibeddingen, en de plantjes dan later
overgespeend. Indien deze 30—45 cM, hoog zijn, worden ze in vooraf
gereed gemaakte plantkuilen uitgeplant, aanvankelijk op een onderlingen
afstand van 4 M.; later kan men dan een deel der boomen wegkappen,
als de schaduw te dicht moeht worden. Eykman vond in den bast van
deze mindi een bittere zelfstandigheid. De zaden bevatten 50—60°/, van
een olie, die een donkergele kleur, een scherp bitteren smaak en een
onaangenamen reuk heeft.” (v. Romsuvren) Inl.naam: Mindi, s. Zie
verder vorige soort. — Habitus: Als vorige soort, maar kleinere vruchten.
„Arbor; ramulis glabris (laevibus flavicanti-argillaceis), foliis modice pe-
tiolatis, impari-bi-pinnatis, 4—5-jugis; foliis oppositis, longiuscule pe-
tiolulatis, impari-pinnulatis, 2—5-jugis; pinnulis oppositis, petiolulatis,
Merrra. — ij MELIACEAE.
subovato-lanceolatis, basi leviter inaeqwilateralibus apice acute acuminatis,
margine obtusiuscule serratis, utringue glabris ; panieulis longe peduneulatis,
folia aequamntibus, glabris vel parce lepidoto-puberulis, longe-vel longiuseule-
divaricato-ramosis; floribus haud densis, pedicellatis; sepalis acutis acu-
tiusculisve petalisque extus adpresse puberulis; twbo eylindrico, acute sim-
plieiter 20—30-laciniato vel lacinüs 10 apice 3-fidis, extus glabro saepe
fimbriulato leviter eostulato, intus pilosulo; antheris glabris; ovario gla-
bro subgloboso, B-loeulari. Drupa ellipsoideo-globosa, 4 sperma circ. 15
mM. longa.”
var. y squamulosa Cas. Do.
„Partibus junioribus squamulis fwrfwraceis vestitis foliolorum pinnulis
plerumque subintegris; paniculis folia dimidia circiter aequantibus vel
brevioribus, petalis densius puberulis” (Cas Drc.)
2a, Melia Azedarach var. ò javanica K. et V.
Hooge boom: soms H==25—50 M. bij 60—80 cM. (o.a. bij
Soebah in Pékalongan), meestal slechts H— 20 M. bij D == 40, M.
Stam: meestal recht en nogal hoog boven den grond met de eerste
zware takken; zonder wortellijsten ; zonder gleuven. Kroon: nogal
ijlen nogal hoog-aangezet ; onregelmatig. Tak ken : niets opmerkelijks.
Schors: 6 mM. dik; nogal hard. Buiten nogal ruw; met talrijke
diepe overlangsche barsten; donkergrauw. Zonder melksap. Bijna
zonder lenticellen. Zonder bladgroen.
Knoppen en jonge deelen dik-melig-beschubd, later onbehaard ;
twijgen donkerbruin, schaars met lenticellen bedekt. Bladeren
langgesteeld + !/, M. lang; oneven-dubbel-gevind; aan den top
enkel-gevind; 3—6-jukkig ; aan de bloeiende takken meest 3-jukkig.
Vinnen 2—4-jukkig. Blaadjes tegenover-gesteld kort- of middelmatig
gesteeld, ei-lancetvormig met spitsen of ronden voet en lang-spits-
toegespitsten top met ondiep, (bij sommige exemplaren bijv. bij
11536 2 van Soebah zeer oppervlakkig) grof-gezaagden rand;
vliezig; onbehaard (5157 3 van Noesakambangan) of aan de onder-
zijde met verspreide, stervormige schubben, 60—80 mM. lang bij
30 —40 breed; steeltjes 5—10 mM. Bladspillen en steeltjes dun-
kort-behaard ; zijtakken dun, herhaaldelijk vorksgewijs-bijschermachtig
MELIACEAE. 6 Merra.
vertakt. Bloemsteeltjes stervormig-beschubd, korter dan de bloemen
(2—5 mM. lang). Schutblaadjes klein, lijnvormig, afvallend. Blo e-
men in sicco + 7 mM. lang bij 16 mM. diam. Kelkbladen smal-
eivormig, spits, dicht-stervormig-behaard. Bloembladen van buiten
nogal dicht-behaard, van binnen dun-behaard. Meeldradenbuis van
buiten verspreid-behaard, min of meer geribd, van binnen vooral
bij den mond grof-behaard; slippen 20 schuin uitstaand, lijnvormig
spits, even lang als de helmknopjes en 2 aan 2 achter deze geplaatst.
Helmknopjes langwerpig, puntig, van achteren harig. Eierstok
B-hokkig onbehaard, aan den voet met een korten napvormigen
gegolfden schijf; stempel cylindervormig met gelobden top en een
vrij breeden kleverigen ring. Vrucht bijna? bolrond of langwer-
pig-elliptisch 15 mM. lang bij 12; glad; geel; dikwijls met 5 ont-
wikkelde zaden.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. Determinatie onzeker. Van M, Azedarach genui-
na, volgens C. DC. verschilt zij o. a. door de behaarde helmknopjes, de dichter-behaarde
bloembladen en den meer regelmatig 20-slippigen buismond; van M. Candollei Juss. (auth-
spec, in Herb. Bog.) bijna uitsluitend door de gesteelde behaarde, niet gaafrandige blaadjes.
Geogr. verspreiding. Buiten Java onbekend. Door ons op zeer
talrijke plaatsen van M. en O. Java op 0— 900 M. zeehoogte en in West-
Java bij Buitenzorg in tuinen van inlanders en Europeanen gecultiveerd
aangetroffen. En dáár soms verwilderd wildgroeiend, waarschijnlijk bij
Soebah in Pékalongan en op Noesa-kambangan (Banjoemas) op 0—50
M. zeehoogte. Door de onzekere determinatie de geogr. verspreiding
moeilijk scherp te bepalen. — Gebruik, Inl. namen, enz. naar het
schijnt niet belangrijk afwijkend van de vorige soort. Evenwel inl. naam
bij Soebah en bij Tjilatjap constant Gringging, j. terwijl op eerstgenoemde
plaats de naam Mindi, j. niet aan de dorpsbewoners bekend schijnt en
terwijl op Noesa-kambangan de Melia composita met den naam Mindi,
J-. aangeduid wordt.
In Pökalongan werd ons het hout weinig duurzaam opgegeven.
Melia Azedarach var. javanica K. et V.
Innovationes dense pulverulento-stellato-furfuraceae. Ramuli fusci, parce
lenticellosi. Folia longe petiolata *|, met. longa, 3—6-juga, in ramulis florige-
ris saepius 3-juga. Pinnae 2—4-jugae. Foliola breviter-vel modice petiolulata,
ovato-lanceolata longe acutiuseule acuminata basi acuta vel rotundata grosse-
serrata, interdum valde obiter serrata sed nunguam integra, membranacea,
g'abra vel saepius subtus parce albido-lepidotula, 60—80 mM. longa 30—40
lata, petiolulis 5—10 mM. Rhaches eum petiolulis puberulae.
Paniculae longe pedunculatae parce puberulae; ramis tenuibus iteratim
Mera. — 17 — MErIACEAE.
eymoso-dichotomis. _Pedicelli stellato-lepidotuli floribus breviores (2—5 mM.)
Bracteolae parvae lineares, deciduae. Flores in sicco + 1 mM. longi 1.5 mM.
diam. Sepala anguste ovata acuta, dense stellato-lepidota. Petala flaccida
extus dense puberula intus puberula. Tubus extus parcissime pilosulus
intus villosus; laciniis 20 linearibus saepissime acutis antheras aequantibus,
üüsque binis postpositis. Antherae oblongae, mucronatae, dense hirtellae.
Ovarium 5-loewlare glabrum, stigma cylindrico-capitatum apice lobatum.
Drupa saepius oblongo-elliptica 15 mM. longa 12 lata (interdum subglo-
bosa?) laevis, flava, seminibus saepe 5 bene evolutis.
3. Melia sambucina Br. Bijdr. r p. 162; Mrg. F. IL. B. 1 2 p.
353 C. DC, Le. p. 450; — M. Azedarach 3 sambucina Miq. Ann. Lc.
p. 5; — Comp. M. sempervirens Hort. Cale. in herb. Bog.
Kleine boom (H==10—12 M. bij D —= 25—30 cM.) of boomhees-
ter met habitus van Melia Azedarach L.
„Knoppen en jonge twijgen dik-wit-stervormig-beschubd. Blade-
ren 5—6-jukkig, aan de bloeiende takken + 200 mM. lang; vinnen
2—3-jukkig ; blaadjes gesteeld, lancetvormig, met gelijken spitsen voet,
lang-spits-toegespitst, geheel onbehaard (30—70 mM. lang). Blad-
spil dik-stervormig-behaard. Pluimen lang-gesteeld, half zoo lang
als de bladeren, vertakt, dicht-wit-beschubd. Bloemen kort ge-
steeld, witbeschubd. Bloembladen met stervormige schubben. Meel-
dradenbuis van buiten onbehaard, van binnen dicht-behaard, met 20
spits-lijnvormige slippen ; helmknopjes behaard, puntig ; eierstok 5-hok-
kig onbehaard; vrucht ellipsvormig 15 mM. lang 10 breed.” (C. Dec.)
Aanm. Beschrijving, behalve voor boomafmetingen, geheel naar C. Dec. overgenomen,
die haar naar een exemplaar van TEYSMANN in het herb. Berol heeft genomen, en dus
evenmin als wij het authenthieke heeft gezien.
Het naast schijnt ons aan deze beschrijving te beantwoorden eene Melia-soort, die in
de nabijheid van Buitenzorg en in Batavia veel in tuinen gekweekt wordt dáár onder
den naam Tjikra-Tjikri, ml. (? Tjikrâ-Tjikri, j. = Kakèra-Kikri,j.) veel in bouquetten
gebezigd, en die zich van onze M. Azedarach var. Javanica o.a. onderscheidt door over
het algemeen veel dieper gezaagde blaadjes, geringere afmetingen en doordat zij het ge-
heele jaar door bloeit.
Strijdig met de beschrijving van Cas. Deo. is intusschen dat deze soort juist kleine, bijna
bolvormige vruchten heeft en dat de beharing der helmknopjes geringer is dan bij de
bovengenoemde en somtijds nagenoeg ontbreekt. Het schijnt geheel dezelfde soort te zijn,
die als M. sempervirens uit Hort. Calcutta is gezonden.
In cultuurtuin Tjikeumeuh van ’s Lands Plantentuin staat een boom dezer soort die
volgens volkomen betrouwbare mededeelingen in de laatste 15 jaren niet noemenswaardig
grooter is geworden en nu bovermelde afmetingen had.
2
MEeErIACKAT. iS Merria.
Arbuscula v. frutex arborescens. Folia modice petiolata ; impari-bipin-
nata; 5—6-juga; pinmis oppositis, petiolulatis, impari-pinnulatis, inferio-
ribus 2—3-jugis. Foliola opposita, petiolulata ovata, lanceolata, basi aequali
acuta vel rotundata, apice longiuseule et acute cuspidata, adulta utringue
glabra. Rhachis dense stellato-puberula. Panieulae longe pedunculatae,
folia dimidia circiter aeqguantes, ramosae, ramulis ultimis albido-squamulosis ;
floribus breviter pedicellatis albido-stellato-squamulosis; calyce acute 5-sepalo ;
tubo cylindrico, extus glabro, intus dense villosulo, apice acute 20-lacinulato,
lacinulis Vineari-acutis; antheris hirtellis, mucronulatis; ovario 5-loculari
glabro. Drupa ellipsoidea 15 mM. longa, 10 lata ; saepe 5-sperma.” (C. Dec.)
4, Melia Bogoriensis K. et V. nov. spec.
Hooge boom H==30M. bij D=65 cM. Stam: Recht; zonder
wortellijsten; hoog boven den grond vorksgewijzen vertakt; zonder
gleuven. Kroon; Schermvormig; nogal iijl. Schors: 8—9 mM.
dik. Buiten grauw; met veel overlangsche barsten; zonder len-
ticellen. Zonder melksap. Uit oude wonden is gom gevloeid.
Bladeren 4-jukkig, vinnen 2—5-jukkig; blaadjes eivormig kort-
toegepitst met afgeronden, stompen of wigvormigen voet, gaafrandig
of zeer oppervlakkig-gekarteld, de bovenste blaadjes oppervlakkig-
gezaagd; bladsteeltjes kort (3—5 mM.). Bladspillen, bladsteeltjes,
middelnerf v. onderen met witte schubben bestrooid. Aan de steriele
takken alle blaadjes grof-stomp-gezaagd, de bladspil fijn-behaard.
Bloemtuilen groot (£ M. lang 140 mM. breed) witachtig be-
schubd. Bloemsteeltjes £—2 mM. lang. Kelkbladen wit-beschubd
en fijn-behaard eivormig. Bloembladen schuin-uitstaand, lijnvormig
met verbreeden spitsen top, recht, nogal stevig, aan de binnenkant
hol, 10—12 mM. lang, witachtig, van buiten dicht-fijn behaard met
enkele schubben, van binnen fijn-behaard. Meeldradenbuis aan den
top napvormig-verwijd met breede korte hier en daar tweespletige,
dikwijls onderling vergroeide ongelijk-kort-getande slippen, eerst
lichtgeel met donkergelen top, daarna vuil-purper, van buiten hier
en daar met franje, onbehaard, van binnen dik-behaard 10 mM. lang.
Helmknopjes langwerpig (L mM. lang) geheel onbehaard, ver uitste-
kend. Bierstok 5—7 meest 6-hokkig. Steen vrucht 30 mM.
lang 25 breed, met 5—7-hokjes, meest 1- of 2-zadig.
Merrra. — 19 — MELIACEAR.
Aanm. Beschrijving naar 2 exemplaren uit Hort. III B 12 en één Bog. zonder tuinnommer
in December 1895 bloeiend en vruchtdragend. De soort zou volgens den Catalogus uit
Japara (Japan?) afkomstig zijn en heeft door een vergissing den tuinnaam M, Candollei
ontvangen en is daardoor sedert een paar jaren uit ’sLands Plantentuin onder dien
onjuisten naam verspreid,
Van de Melia-soorten van de recente monographie van Cas. De CANDOLLE komt deze
Melia het meest overeen met M. Toosendan SreB et Zucco, een soort, waarvan omtrent de
geographische verspreiding alleen bekend is: „In Japan bij Nangasaki aangeplant.”
De heer MAssINK, administrateur van den Cultuurtuin van ’sL. Pl, te Buitenzorg deelt
ons over Mindi, s. ml. (Melia Azedarach L. en? ook deze soort) mede, dat het hout
uitstekend is voor huisbouw en vooral voor theekisten, althans‘ van de te Buitenzorg en
bij Tjibadak op perceel Soekamadjoe in de Preanger (400—500 M.) gecultiveerde boomen.
Het laat zich gemakkelijk zagen en goed polijsten; is fraai gevlamd; onder dak voldoende
duurzaam. Het op grootere hoogte gecultiveerde hont schijnt minder bruikbaar te zijn.
— De bij de theeplanters in de Preanger als „groote Mind’ schijnt onze M. Bogoriensis
en de „Kleine Mind’ echter M. Azedarach te zijn.
Folia 4-juga, pinnis 2—5-jugis; foliola ovata breviter acuminata, basi
rotundata, obtusa vel cuneata, integerrima vel obsolete crenulata, summa
obiter serrulata. Petioluli breves 3—5 mM. Rhaches, petioli et petioluli,
foliola subtus ad costam albido-lepidotulae. Foliola in ramis sterilibus
omnia grosse-obtuse-serrata, rhachis puberulus. Paniculae corymbosae +
M. longi, + lati longe pedunculatae (T70—80 mM.) albido-lepidoti. Flores
majusculi, albidi. Sepala ovata albido-leprosa et puberula. Petala erecto-
patentia stricta, linearia, ad apicem acutam dilatata intus concava extus
dense puberula intus puberula albida, 10—12 mM. longa. Tubus ostio
eupulari-dilatatus, laciniis 10 brevibus hinc-inde bifidis, interdum binis
connatis, inaequale (saepe 3-) denticulatis apice primo luteo, mox sordide
purpurascente extus hinc-inde fimbriolatus, glaber, intus dense villosulus,
10 mM. longus. Antherae oblongae glaberrimae lacintis tubi multo lon-
giores. Ovarium 5—T-loeulare (saepius 6-loc.) Drupa 30 mM. longa 25
lata, 5—T-loculare saepius 1—2-sperma.
Adn. Species in Horto Bog. culta quo a Japara (Javae regione media)
(an potius Japan?) allata esse perhibetur. Sub nomine M. Candollei dís-
tribuitur sed ab hac specie nec minus a M. Azedarach toto coelo diversa
est. A Melia composita cui foliis et fructwum mole satis affinis, floribus
maulto maioribus haud albido-viridescentibus structwra diversis recedit.
Specimen tamen a Masters in Assam collectum ex herb. Calc. sub M.
composita missum, nostrae species pertinere videtur. A M. Toosendan
SieB. et Zuco. (auth. in herb. bog.!) foliolis modice petiolulatis obtusiuscule
(haud aeutissime) acuminatis differt.
MELIACEAE. — 20 — AZADIRACHTA.
2. AZADIRACHTA, A. Juss.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5. Bloembladen 5, veel grooter
dan de kelk, vrij, in den knop dakpanswijze dekkend. Meeldraden
tot een buis vergroeid, welke slechts weinig korter is dan de bloem-
bladen en aan den top in slippen verdeeld is, waartegenover aan
den binnenkant de meeldraden geplaatst zijn. Schijf ontbrekend.
Eierstok 3-hokkig, hokjes met 2 eitjes naast elkander, tegenover de
bloembladen, stijl vele malen langer dan de eierstok, in een kort
eylindrischen, aan den top 3-spletigen, van onderen met een ring
omgeven stempel eindigend. Steenvrucht éénzadig, met eene dunne
houtachtige kern. Zaad ellipsvormig, zonder kiemwit, zonder zaadrok ;
zaadlobben vleezig, hartvormig aan de basis; kiemworteltje naar
boven gericht, buiten de zaadlobben uitstekend, kiem onbehaard.
Boomen zonder (?) melksap, maar dikwijls gom bevattend. Blad-
knoppen zonder schubben. Bladeren afwisselend, oneven enkelvoudig
gevind, met bezaagde blaadjes. Bloeiwijze pluimvormig meestal
okselstandig.
Een soort tot dusver bekend in den Maleischen Archipel en Engelsch
Indië. A. Indica A. Juss., door Mrqver in navolging van LiNNAeus en
de meeste schrijvers tot Melia L. gerekend.
Een exemplaar door TeYsManN in Siam verzameld (5930 Herb. Hort.
Bog. en in ’s Lands Plantentuin (ILL H 1) gekweekt, verschilt, door de
niet-axillaire, aan den voet der jonge eindtakken uit de oksels van af-
vallende schubben zijdelings geplaatste pluimen, niet onaanzienlijk van
de gewone; en voorts door den rechten stam en de grootere kruinhoogte.
Calyx B-sepalus. Petala 5, calycem multum superantia, libera, aesti-
vatione imbricata. Stamina in tubum petalis paullo breviorem apice la-
cindatwm coalita, antheris intra tubum, in ejus apice et cum laciniis oppositis
sessilibus. Discus nullus. Ovarium 3-loeulare, loculis oppositipetalis, bio-
vwlatis; ovulis collateralibus. Stylus ovarium multoties superans, stigmate
breviter cylindrico apice 3-fido, basi annulo circumdato terminatus. Fruc-
tus drupaceus, (abortu) monospermus, endocarpio sub-lignoso. Semen exal-
buminosum ellipsoideum exarillosum. Cotyledones carnosae longitudinaliter
sese incumbentes basi cordatae. Radicula e cotyledonibus exserta supera;
plumula glabra.
Arbores non (P) laticiferae, saepe gwmmiferae. Gemmae foliaceae. Folia
alterna imparipinnata, foliolis serratis. Inflorescentia paniculata saepius
axvillaris. Flores hermaphroditi.
PS
ÄZADIRACHTA. — 21 — MELiACEAE.
Adn. Zn specimine a Trysm. in Siam collecta (5930 H. B.)et in Horto
Bog. culta panieulae haud axillares sunt sed in basi ramulorum termi-
naliwm novellorum lateraliter nascuntur. Specimen hoe vir jure a Miqwelio
ad A. indicam relata.
Azadirachta indica Juss. Mém. le. p. 220 (69) tab. 2 fig. 5;
Mig. F. I. B. r 2 p. 533; Supp 1 p. 502; Cas. Drc. Le. 459;
TRimEN Flor. Ceyl. p. 244; Wier Ie. t. 17; — Melia Azadirachta
Linn.; Do. Prod. 1 622; Cav. Diss. VII tab. 208; Mro. Ann. Lc.
p. 5;— Himern in Hook. Fl. B. 1. 1. 544; Kurz For. fl. p. 212;
Bepp. Sylv. madr. t. 13 — Melia indica Brand For. Fl. 67; —
Rueepe Hort. Mal. 4 tab. 52.
Nogal hooge, zeer dikke boom; soms H — 20 M. bij D == 100 cM.
Meestal H == 10—15 M. bij D == 60—80 cM. Stam: nogal
krom en zeer kort. Laag bij den grond in zware takken verdeeld.
Bijna zonder wortellijsten. Zonder gleuven. Dikwijls met knoesten.
Kroon: Breed, rond; zeer dicht; zeer laag aangezet. Takken:
Krom en zeer rijk vertakt. Uiterste twijgen dun: Schors: 8 mM,
dik. Hard. Buiten donkergrauwbruin met talrijke diepe overlangsche
barsten. Doorsnede roodbruin. Binnen bleekgeel. Zonder lenticellen.
Zonder bladgroen. Met weinig gom; die evenwel door inkappen in
groote hoeveelheden uit den boom te verkrijgen is.
Bladeren aan de uiteinden der twijgen bijeengezeten; nogal
langgesteeld (+ 75 mM. 7—8-jukkig, met, of meestal, zonder eindblad.
Blaadjes zeer kort-gesteeld, overstaande of bijna overstaande, ei-lancet-
vormig, meestal sikkelvormig-gekromd, zeer ongelijkhelftig smal- en
lang-geleidelijk-toegespitst, met naar voren afgerond-wigvormigen naar
achteren weggesneden voet, nogal grof vrij-spits-gezaagd, (de achter-
rand soms meer dan de helft gaaf) onbehaard; niet duidelijk geäderd ;
bladspil met den steel + 250 mM. lang. Blaadjes 75 mM. lang 25 breed.
Versche blaadjes nogal donkergroen, zwak-glimmend met talrijke
+ 15 witte rechtuitstaande tot in de tanden doorloopende zijaders,
niet doorschijnend gestippeld. Bloempluimen axillair, korter dan
de bladeren, 150—230 mM. lang, vertakt, onbehaard (bij enkele
MELIACEAE. — 22 — ÄZADIRACHTA.
exemplaren vooral aan de zijtakken dun-behaard). Bloemen
naar honig riekend in talrijke gesteelde vertakte bijschermen, zeer
kort-gesteeld met kleine lancetvormige schutblaadjes, wit, met
geelachtige meeldradenbuis, ongeveer 5 mM. lang ; diameter der open
bloemen + 10 mM. Bloemsteeltje behaard t/,—1l mM. lang.
Kelkblaadjes spits- of afgerond-eivormig ; gewimperd, bijna onbehaard.
Bloembladen van buiten zeer schaars-kort-behaard, spatelvormig,
uitstaand + 6 mM.lang. Slippen uitgespreid. Meeldradenbuis van
binnen fijn-ruigharig, van buiten zeer dun-behaard aan den top ge-
lobd. Helmknopjes tegenover de slippen opstaande, basifix, lang-
werpig met puntigen top, even uitstekend. Stuifmeel breed-elliptisch,
42 wv lang 33 breed (in water bolvormig) met 4 lengteplooien.
Eierstok bolvormig onbehaard. Stijl korter dan de buis met een ring-
vormige verdikking aan den top. Stempel 3-spletig, rechtopstaand,
groen. Vrucht langwerpig; 20 mM. lang bij 12 breed ; geelachtig-
groen; éénzadig; steenwand zeer dun-vezelig. Zaadhuid dun, glad.
Aanm. Beschrijving naar herb. Kps.
De javaansche exemplaren schijnen door meerdere beharing van bloeiwijze en bloemen
van de vroeger beschrevenen af te wijken. Althans Cas. Dec. en Kurz geven op:
„bloeiwijzen onbehaard en meeldradenbuis onbehaard.”
Geogr. verspreiding. Alleen in O.-Java. Dáár echter in sommige
streken zeer algemeen o.a. bij dorp Mimbahan (naar dezen boom geheeten)
op de grens van de districten Kapongan en Sitobondo in de res. Bösoeki
op 0—50 Meter. Niet boven 300 M. waargenomen. In de zuidelijke
helft van de res. Bëösoeki naar het schijnt ontbrekend. Buiten Java: In
Voor- en Achter-Indië; Ceylon” (C. Drc.); zou ook veel op Sapoedi en
Madoera voorkomen. Bali (Treysm.); Sumbawa (Zorr.). — Standplaats:
Uitsluitend op periodiek zeer dorre. gronden, in iijl-groeiende loofver-
liezende heterogene bosschen of op bijna kale rotsterreinen. — V oor-
komen: Soms min of meer gezelliggroeiend; althans in den oost-moes-
son in sommige streken van Noord-Bösoeki het gebied voerende over
andere boomsoorten door het groot aantal individuen en doordat dàn
bijna alleen deze boomsoort nog een vollen groenen bladerenkroon
heeft. — Ouderdom: Naar schatting vrij aanzienlijk. — Groeisnelheid:
Volgens BraNpis in Voor-Indië snelle groeier. Een door ons in Sito-
bondo (laagvlakte van Bësoeki) gemeten 24 jaar oude boom had H,— 6
M. bij D.=8 cM. — Bladafval: Altijdgroen, zelfs op terreinen waar
bijna alle andere boomsoorten bladerloos staan. Daarom voor reboisatie
met het oog op irrigatie en voor wegenbeplanting op periodiek zeer dorre
en rotsachtige terreinen waarschijnlijk uitmuntend. — Vermenig-
vuldiging: Volgens BrAnpis gemakkelijk uit zaad en uit stronk-
uitslag. Het gemakkelijk en langdurig vormen van stronkuitslagen
ÄZADIRACHTA. === MELIACEAE.
heeft bij Sitobondo een soort „Kopfholzbetrieb” voor brandhout doen
ontstaan. — Hout:” Spint grijs; kernhout rood, zeer hard. Jaarringen
twijfelachtig: het hout vertoont afwisselende banden met veel en weinig
poriën; eveneens concentrische witte lijnen. Poriën middelmatig-groot,
dikwijls ovaal en verdeeld; zichtbaar op vertikale doorsnede. Mergstralen
fijn, talrijk, wit, in het oogvallend, naar buiten omgebogen, waar zij
poriën ontmoeten; de afstand tusschen de mergstralen is minder dan de
middellijn der poriën. Waarde van P — 539—720. Spec. (luchtdroog)
gewicht — 0.7—0.8.” (Gausre). — Gebruik: Hout: Im Indië volgens
BraNpis en GAMBLE voor wagenmakerij, scheepsbouw, landbouw werktuigen
en huisraad gebezigd en dáár (mits van oude boomen) zeer duurzaam.
„Gelijkt op Mahagonie-hout en laat zich goed polijsten. (BrANpis; Kurz)
Ook op Java worden de eigenschappen van het hout geroemd; dáár
soms ook voor huisbouw. Bij de Hindoes is het hout heilig en dient
voor afgodsbeelden. Evenwel alleen in korte afmetingen te krijgen.
Schors, bladeren, enz. Schors reukeloos; zeer bitter.” In sommige tijden
van het jaar vloeit bij insnijding een groote hoeveelheid waterachtig sap
uit den boom, dat in Voor-Indië tegen maagkwalen gedronken wordt.
Uit de vruchtschillen wordt in Indië een olie verkregen, die als
anthelmintieum, antiseptieum, bij de verwerij en voor lamp-olie dient. De
schors dáár inwendig tegen koorts en de bladeren als pap zouden een
uitmuntend middel zijn tegen sommige soorten van huiduitslag (Wart). Op
Madoera zouden de bladeren (zeer bitter) in den drogen tijd als rundvee-
voeder dienen. Behalve het hout is de gom, die meestal in zeer groote
stukken, vooral aan beschadigde boomen gevonden wordt het belangrijkste
product. Bij Sitobondo deze gom zeer algemeen als brievenlijm gebezigd.
Daarvoor bijna even bruikbaar als gummi arabieum en bruikbaarder dan
de meeste brieflijm-(„Schakellijm’) soorten van den handel. Exploitatie
voor gebruik op Java wellicht mogelijk; voor export naar Europa volgens
firma Merk & Co. Darmstadt minder geschikt. Bedoelde firma rappor-
teerde over drie in 1894 door ons verzamelde en voor onderzoek op-
gezonden gommonsters afkomstig uit Sitobondo het volgende: „Die 3
Proben zeigen im Allgemeinen dieselben Eigenschaften, die für den
Gummi arabieum bezeichnend sind, stehen diesem aber in Bezug auf die
Klebkraft nach.” Dr. var RomBurerm onderzocht van dezelfde gom eenige
monsters en zegt (Januari 1894) o.a. „Zij is geheel oplosbaar in water
en is evenals arabische gom linksdraaiend; zij is om te plakken uitstekend
veel beter dan de gom, die men hier in Java koopt. Wellicht is de
kleur voor den handel een bezwaar”. In de omstreken van Sitobondo
is volgens in loco ons gedane mededeeling wellicht 25 pikol gom ’s jaars
tegen f 10—f 15 inkoopprijs te krijgen. Van alle Javaansche boomen
verdient oi. van deze soort de gom het meest de aandacht en verdere
onderzoekingen tot export zeer gewenscht. — Cultuur: Zeer aantebevelen
voor reboisatie m. h. oog op irrigatie (zie boven „bladafval”), voor
wegenbeplantingen op zeer dorre terreinen beneden 300 M en ook om
het hout en den gom. — Inl. naam: Mimbd, j.; Mimba, ml. en
Mèmpheuh, md. in Bësoeki, vaste namen; uitsluitend voor deze boom-
species geldende. In Voor-Indië heet de boom in het sanskriet Nimba.
— Habitus: In den drogen tijd, vooral op de oorspronkelijke groei-
plaatsen, hoogst eigenaardig (zie „bladafval”). Gekenmerkt door de
enkelvoudig gevinde bladeren en de scherp gezaagde smal-sikkelvormige
blaadjes. Geen andere Javaansche boom dergelijke blaadjes.
MELIACEAE. — 24 — _ AZADIRACHTA.
Arbor mediocris; circ. 10—15 M. alta, coma densa sempervirente. Folia
longiuscule petiolata (+ 15 mM.) T—8-juga, cum vel saepius absque im-
pari. Foliola brevissime petiolulata; opposita vel subopposita; ovato-lan-
ceolata, saepius falcata valde inaequilatera, apice anguste-longe-acuminata,
basi antice rotundato-cuneata, postice resecta, grosse subacute serrata, postice
deorsum subintegra glabra, inconspicue venosa. Rhachis cum pet. + 250
mM. longa. Foliola 75 mM. longa et 25 lata. Foliola in vivo saturate viridia,
subnitida, nervis primariis + 15 albidis patentibus, haud pellucido-punctata.
Paniculae axillares, foliis breviores 150—230 mM. longae ramosae glabrae
vel nonnunquum, imprimis ad ramulos, puberulae. Flores mellem odorantes,
cymas compositas pedunculatas efformantes, brevissime pedicellati, bracteolis
parvis lanceolatis, albi; tubo flavescente, + 5 mM. longi, aperti 10 mM.
diam. Pedicelli puberi 0.5—1 mM. longi. Sepala acute- vel rotundato-
ovata, ciliolata, subglabra. Petala extus parce puberula, spathulata, pa-
tentia + 6 mM. longa. Tubus extus parce puberulus intus hirtellus, apice
lobatus, lobis patentibus; antherae lobis oppositae, erectae, basifirae apice
exsertae oblongae apiculatae. Pollen elliptico-globosum (aquae inmersum
globosum) 42 long. 33 latum plicis longitudinalibus 4. Ovarium glo-
bosum glabrum. Stylus tubo brevior apice annulato-incrassatum; stigma
3-fidum erectum, viride. Drupa oblonga 20 mM. longa et 12 lata, fla-
vescenti-viridis; endocarpium tenuissime fibrosum, testa tenuis, laevis.
Adn. Specimina nostra javanica a deseriptione speciei apud Cas. Dec.
et Kurz paniculis et tubo stamineo puberis recedere videntur.
3. SANDORICUM, Car.
Bloemen tweeslachtig. Kelk napvormig, met 5 korte lobben, in den
knop dakpanswijze dekkend; basis van de buis met den eierstok vergroeid.
Bloembladen 5, vrij, in den knop dakpanswijze dekkend, uitgespreid
of teruggeslagen. Meeldradenbuis langwerpig, bijna even lang als
de bloembladen, aan den top getand; helmknoppen 10 of 8, binnen
de buis. Schijf buisvormig, den eierstok en de basis van de stijl om-
sluitend, in slippen verdeeld. Eierstok 5-hokkig, van onderen met den
kelk vergroeid, van boven in den stijl uitloopende; hokjes tegenover
de kelklobben, elk met 2 hangende eitjes, naast elkander geplaatst ;
stijl eylindrisch of zuilvormig, bijna even lang als de meeldradenbuis,
van boven iets knodsvormig dikkerwordend. „Stempel eylindervor-
=D MELIACEAE.
mig tot op de helft 5-spletig, zeldzaam gaaf (bij ééne soort, S. radia-
tum volgens Kine); met opstaande, met de toppen naar binnen gebo-
gen lobben; aan den voet ringvormig aangezwollen (teekening bij
C. Drc. onjuist) geheel papilleus, geel. Vrucht vleezig, bovenstan-
dig, bolvormig; 3—5-hokkig; elk hokje met Lt (hoogst zelden 2)
zaden; binnenwand van elk hokje uit twee lagen vezels bestaande
(horizontale en overlangsche) een dunne steenkern vormend, die
meest 1 (zeldzaam 2) zaad bevat. Zaad met leerachtige, gladde, bij
jonge zaden soms eenigszins vleezige zaadhuid; geheel zonder zaadrok ;
met lijnvormigen navel aan den bovenrand. Zaadlobben naast elkaar ;
meelig; pluimpje aan den top ingesloten, onbehaard; worteltje dik,
afgeknot, even buiten de zaadlobben uitstekend.
Boomen; melksaphoudend. Bladeren 3-tallig, lederachtig, levend
met doorschijnende streepjes. Blaadjes gaafrandig, de zijdelingsche
kort-, de eindelingsche langgesteeld. Bloemen geel of witachtig of
roze, in okselstandige pluimen.
Aanm. De beschrijving van het geslacht bij MrqueL Ann. l.c. is geheel juist
BENTHAM en Hooker geven daarentegen, zoowel van den stempel als van de vrucht,
een verkeerde beschrijving; Bij Cas. Dec. is de beschrijving zoo mogelijk nog slechter;
in zijne figuur Tab. 6 fig. 11 zijn de helmknopjes vóór de tanden der buis
geplaatst afschoon bij MriqveL het tegendeel uitdrukkelijk vermeld wordt. De bol-
vormige verdikking van den stempel bestaat niet; er is slechts een smalle ring;
dit is echter bij gedroogd materiaal minder duidelijk door dat de stijl dan belangrijk
dunner wordt en de grens tusschen stijl en stempel minder duidelijk. Ook Hrern, Kurz,
BoERLAGE en zelfs Kina hebben de onjuiste opvatting van BENTHAM en HOOKER gehuldigd
en den vezeligen steenwand, die in de rijpe vruchten met de binnenste lagen van het
vruchtvleesch in samenhang blijft voor een zaadrok aangezien, die van binnen perka-
mentachtig en van buiten pulpeus zou zijn. KING spreekt zelfs van een van buiten
vezeligen van binnen pulpeuzen zaadrok. Toch is de werkelijke verhouding zelfs bij
gedroogd materiaal volkomen duidelijk; er is noch bij de jonge noch bij de volwassen
zaden eenig spoor van een zaadrok aanwezig, tenzij men het buitenste integument, dat in
het jonge zaad nogal vleezig is, maar later geheel met het binnenste samensmelt zaadrok
zou willen noemen.
Mrqver onderscheidde voor Java twee soorten:
1. S. indicum en
2. S. nervosum,
welke laatste door hem volgens het auth specimen van BrLume terecht voor identiek
met S. glaberrimum van HAsskARL wordt gehouden.
Cas. Dec. trekt deze laatste soort bij S. indicum, en noemt daarentegen als tweede
soort voor Java S. borneënse Mrq. naar exemplaren van pe VRIESE in Herb. Kew. In-
derdaad komt S. glaberrinnum Hassk. in veel opzichten met S, borneënse overeen, echter
0.1. niet voldoende om ze te vereenigen.
In ’s Lands Plantentuin wordt als S. nervosum een boom gekweekt, die door de bladeren
nagenoeg geheel met S. indicum overeenkomt, daareentegen door de weinig behaarde,
duidelijk gesteelde bloemen met S. glaberrimum.
MELIACEAE. — 26 —
Wildgroeiend komen op Java de beide volgende soorten voor:
1. Blaadjes elliptisch, weinig-nervig; bladstelen onbehaard, bloem-
steeltjes lang; schutblaadjes zeer klein; kelk en bloembladen zeer schaars-
behaard... elejelejnjensjareiefelsje ers osenefed (oinieten ie mteren stele eten etaratetelete vere tela tele Zie ORTON DOSUTGS
2. Blaadjes breed-eivormig; bladstelen behaard, bloemsteeltjes zeer
kort; schutblaadjes lang, evenals de kelk fluweelachtig-behaard. Bloem-
bladen aanliggend-behaard............ eeainiseesemieses wesersee wee Ter Ne UNAICUM.
Calya cupularis, tubo ovarii basi adnato, limbo breviter 5-lobo
imbricato. Petala 5, libera, oblonga; obtusa, aestivatione imbricata demum
patentia. Tubus stamineus cylindricus, apice 10-dentatus; antherae 10,
inclusae. Discus tubulosus, 5-dentatus, ovarium et basin styli vaginans.
Ovarium basi calyci immersum, 5-loculare, in stylum columnarem attenua-
tum; stylus superne clavatus, stigmate crasso cylindrico, usque medium
5-fido, lobis erectis, apicibus recurvis, basi in annulum incrassato toto pa-
pilloso; ovula in loeulis 2, prope apicem loeuli collateraliter pendula.
Drupa 1—5-pyrena, supera, globosa, carnosa, 3—5-loeularis; loeulis 1-
(raro 2-) spermis; endocarpio (pyrena) pergamaceo vel fibroso-lignoso,
singula (vel in loeulis bispermis bina) semina includente; „sub germinatione
valvatim dehiscente” (fide RoxBuren). Semina ezrarillata; testa nitida
coriacea (vel etiam spongiosa?); cotyledones amygdalinae, collaterales; ra-
dicula supera subexserta; plumula glabra.
Arbores glabrae v. pubescenti-tomentosae succo lacteo. Folia 3-foliolata ;
foliolis amplis nervosis. Paniculae axillares. Flores inter minores, flavi,
vel albido-rosacei, sparsi v. glomerati, bracteati. Fructus pomiformis, aci-
dus, edulis.
Adn. Descriptio fructus optima apud MrqvrL auctoribus sequentibus
omnibus (Bertu. et Hooker, Cas. Drc., Hrern, Boervace, Kurz, ef ipso
Kine) üfauste neglecta est, qui omnes endocarpium fibrosum vel per-
gamaceum (pyrenam) semina singula ineludens pro arillum habuerunt.
Tamen si fructum juniorem et fere maturum integrum, vel in spiritu vind
conservatum examines res luce clarior est. Arilli nullum invenitur ves-
tigium nisi integumentum externum in seminibus novellis valde incrassatum,
demum cum interiore concrescens et coriaceum, arillum nuneupare velis.
Endocarpium pergamaceum vel lignoso-fibrosum loculos intus vestiens jam
in fructibus valde juvenilibus facile distinguendum, structura simplicissima,
e stratis duobus fibrarum compositum quarum internae longitudinales, exterio-
res transverse dispositae; externis in mesocarpii parenchyma eradiantibus.
Mesocarpii partes interiores cum dissepimentis in fructibus maturis pul-
posae fiunt et pyrenis undique adhaerent.
NN MELIACEAE.
1. Sandorieum indicum. Cav. Diss. 4 p. 359 tab. 202, 203;
Br! Bijdr. 1. p. 163; Mrq. Fl. Ind. bat. 1. 2p. 541; Ann. Lc. p.
32; Hrern. in Hook. Fl. B. IL. IL. 533; Roxs. Cor. t. 261; Lam.
Eneyel tab. 350; C. Dero. le. p. 461. tab. 6. fig. 11, male depicta;
Kurz. For. Fl. p. 217; Kine. Fl. mal. II 511; — Rumra. Herb.
Amb. 1. 168.
Hooge dikke boom: H=—= 25 — 30 M. bij D = 70—90 cM. ; meestal
slechts H—=20 M. bij D= 50 eM. Stam: Soms zuilvormig en de
onderste zware takken eerst 10 M. of meer boven den grond ; zonder
wortellijsten, bijna zonder gleuven. Kroon: Meestal nogal dicht.
Schors: 4 mM. dik (bij 30 eM. stamdiam.). Bros. Buiten grauw ;
met fijne barsten. Doorsnede donkerrood. Binnen vuil wit. Zonder
melksap (maar met melksap in de jonge vruchten). Met lenticellen.
Bijna reukeloos. Bitter en wrang smakend.
Jonge twijgen, bladspillen, enz. fluweelachtig behaard. Bla-
deren lang gesteeld. Blaadjes, behalve het eindblad, zeer kort-
gesteeld; breed-, soms cirkel-eivormig of langwerpig-eivormig met
scheef afgeronden bij het bladsteeltje wigvormig-versmalden voet en
kort-of vrij lang toegepitst; het eindblad grooter, dikwijls met
wigvormigen voet; leerachtig, volwassen van boven onbehaard van
onderen langs de nerven meer of minder behaard met talrijke 12—18
van onderen sterk uitspringende zijnerven. Bladsteel rolrond, meer
of minder dik donzig behaard, eindelijk bijna kaal 65—185 lang;
eindblaadjes 170—220 bij 100—120; steel van het eindblad 530—65
mM.; der zijblaadjes 1—4 mM. Levende bladeren van boven don-
kergroen glimmend, van onderen bleekgroen, jonge blaadjes geheel
glimmend roodbruin. Bloempluimen kort- of matig-gesteeld
axillair, kort-behaard, korter dan de bladeren (160—260 mM.
lang); zijtakken ver uiteenstaand, dun hoekig; secundaire zijtakken
gesteeld of ongesteeld tuilvormig Bloemen lichtgeel (volgens
de schrijvers), zeer kort gesteeld (steeltjes 0—2 mM.) aan de einden
der zijtakjes, in gedrongen vertakte bijschermen met een of twee
schutblaadjes iets korter dan de kelk en een lang lijn langwerpig
schutblad (+ 4 mM. lang) met afgeronden top aan den voet
der steeltjes. Kelk napvormig met 5 korte, afgeronde tanden,
MELIACEAE. == WJ ==
+ 3 mM. lang, fluweelachtig behaard ; bloembladen dun-zijdeachtig-
behaard (levend + 10 mM. lang). Meeldradenbuis van buiten
onbehaard, van binnen witachtig-ruig-behaard; ongeveer 7 mM.
lang met 10 diep-gespleten, spitse, met de helmknopjes afwisselende
tanden; helmknopjes 10 aan de rugzijde onder het midden ingeplant
juist op den rand van de buis, 3/, mM. lang. Stuifmeel nage-
noeg bolvormig + 30 w diam. (droog iets langer dan breed) met
3 poriën. Schijf dun-vliezig; onregelmatig-gekarteld + 15 mM.
lang; onbehaard. Eierstok eylindrisch onbehaard 5-hokkig. Stijl
vleezig, rolrond, bijna even lang als de buis. Stempel 5-deelig met
een dikken ring aan den voet. Vrucht bolvormig, fluweelachtig
behaard 50—60 mM. diam. ; van buiten vuil geel; bij de wildgroeiende
evemplaren meest door mislukking twee-steenig. Steen langwerpig of
iets obovaat, zijdelings afgeplat, van boven schuin afgeknot, aan de
buikzijde recht, aan de rugzijde convex naar beneden puntig; met
stevig-hout-leerachtigen wand. Zaad gelijkvormig aan den steen,
van boven aan de rugzijde scherp gekield aan den voet zeer puntig
met duane, leerachtige in sicco broze zaadhuid; glanzig bruin.
Kiem zie geslachtsbeschrij ving.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar uit het wild verzamelde bloeiende en vruchtdra-
gende exemplaren van Herb. Kps., uit West- Midden- en Oost-Java en overal zeer weinig
varieerend.
Bij de exemplaren uit Soebah zijn de bladstelen meest korter en dichter behaard en
de zijnerven minder dicht opeengeplaatst dan bij die uit Oost-Java.
Geogr. verspreiding en standplaats: Geheel Java 0—1000 M.
Zoowel op den G. Poelasari in Bantèën als op het Rahoen-ldjèn-gebergte
door ons nog op 1000 M. zeehoogte in hoogstammig heterogeen altijdgroen
bosch gevonden. Niet algemeen wild. Gecultiveerd in de meeste grootere
dorpen. Buiten Java: „Achter-Indië, Malakka, Maleische Archipel” (Hoo-
KER) „In Voor- Indië ingevoerd” (Gamsre) — Voorkomen: Verstrooid
tusschen talrijke andere boomsoorten. — Bladafval: Altijdgroen. —
Bloei- en vruchttijd: Bloemen en vruchten bij Pantjoer in Nov.
In andere streken ook in andere maanden bloemen of vruchten gevonden
Gebruik: Hout: Veel voor planken en ruw huisraad gebezigd: slechts
weinig duurzaam geacht. Volgens Rumeurys bij gebruik onder dak en mits
het hout van wildgroeiende boomen afkomstig duurzaam. R. geeft van
het hout de volgende beschrijving: „Versch gekapt spint witachtig en kern-
hout rood, naar het hart toe donkerder wordende; grof; moeilijk glad te
schaven; aangenaam aromatisch riekende; na lang gedroogd te zijn soms
een olieachtige stof uitscheidende.” Schors, enz. De binnenste vleezige
laag van de middenvruchtwand rijp rauw gegeten om aangenaam rinschen
et ON MELIACEAE.
smaak; ook van de wildgroeiende boomen. De vruchten van deze laatsten
klein met weinig „vruchtmoes”, R. vermeldt geneeskundig gebruik van
wortel, bladeren en schors voor Java; zulks ons nog niet bekend. — Hout
(techn. eigensch.) van Burma afkomstig: „Spec. gew. =0.4. Spint grijs;
kernhout rood, nogal hard, nogal fijn (?), laat zich goed polijsten. Poriön
klein, ovaal en verdeeld. Mergstralen smal, golvend, niet in het oog val-
lend; op radiale (overlangsche) doorsnede lange smalle banden, welke
aan het hout een fraai gevlekt uiterlijk geven.” (Gamsre). Blijkens deze
beschrijvingen het hout van Burma fijner dan van Amboina. — Cultuur:
Aantebevelen om vruchten en hout; waarschijnlijk ook in reboisatie m. h.
oog op ivrigatie geschikt. Reeds zeer algemeen door inlanders in dorpen
geplant.— Inl. namen: Sentoel, j.s. in M. en O. Java en soms ook in
W. Java; dáár bijna altijd Ketjapi, s. en de wildgroeiende boomen Ketjapi-
monjet, s. De naam Sentoel j. uitsluitend en de andere namen bijna
uitsluitend voor deze soort (en de volgende soort? of varieteit, gebezigd.
In Oost-Java ook Sentol, md. Voor Singapore door Hooker ook de namen
Sentoel en ketjapi vermeld. Rumrpmrus vermeldt de inl. namen voor andere
streken in den Mal. Archipel. — Habitus: Door het relatief gering aan-
tal ongedoornde hooge Javaansche boomen met drietallige groote blaadjes
en groote eetbare besachtige steenvruchten (jong melksaphoudend) niet
moeilijk in het bosch te herkennen. Evenwel op het terrein van de vol-
gende soort bezwaarlijk te onderscheiden.
Arbor 25-—30 M. alta. Ramuli juniores, cum petiolis et inflorescentiis
velutind. Folia longe petiolata (65—185 mM.) foliolis (terminali longe pe-
tiolulato (30—65 mM.) evcepto) brevissime petiolwlata (1—4 mM.) lato nunc
suborbiculari-ovata vel ovato-oblonga, basi rotundata, ima basi cuneata,
apice apiculata vel acuminata; coriacea supra glabra; subtus ad nervos
pubera; nervis lateralibus nwmerosis (12—20) subtus valde prominentibus.
Petiolus teres magis minusve dense pubescens demum fere glabrescens. Fo-
liola 170 —220 mM. longa et 100—125 lata. Folia novella in vivo fulva.
Pamnieculae awvillares breviter vel modice peduneulatae, pubescentes, foliis
breviores (160—260 mM. longae), ramis gracilibus angulatis distantibus
secundariis corymboso-densifloris _pedunculatis. Flores flavescenti-albidi,
brevissime pedicellati (pedic. O—2 mM.) bracteis linearibus apice rotun-
datis velutinis pedicellis multo longioribus (+ 4 mM.) suffulti, bracteo-
lisque 1—2 calyce vir brevioribus muniti. Calyx cupuliformis, lobis 5
brevissimis rotundatis; + 3 mM. longus, velutinus. Petala linearia extus
sericea patentia —- 10 mM. longa. Tubus extus glaber intus hirsutulus
tE 7 mM. longus, apiee 10-dentatus dentibus acute bifidis; antherae dor-
so prope basin affivae margini insertae, twbi dentibus alternae, túsque aequi-
longae (*|, mM.). Pollen subglobosum +- 30 pw. diam.; poris 3. Discus
membranaceus inaequali-denticulatus + 1.5 mM. longus, glaber. Ovarii
pars Wbera subeonieo-eylindrica, glabra teres crassus, stigma 5-fidum,
basi annulatwm. Drupa globosa vel subpyriformis, striatula, velutina
MELIACEAE. == 0Û) —
50—60 mM. diam.; in arboribus spontane crescentibus saepissime abortu
bipyrena rarius 1-pyrena. Pyrena subobovato-oblonga lateraliter com-
pressa, apice obligue truncata, ventre plana, dorso convera, basi acuta;
lignoso-coriacea. Semen pyrenae conforme (haud ut dicit Roxruren re-
niforme) dorso superne carinatum et basi acute apiculatum testa coriacea,
(in sicco laxa fragilis) castanea.
Adn. Descriptio e speciminibus numerosis in Javae sylvis spontane
crescentibus; drupa dipyrena, endocarpio sublignoso duriusculo, (haud
chartaceo) a speciminibus in India cultis (fide descriptionum diversarum)
recedentibus.
2. Sandoricum nervosum Bl! Bijdr. p. 163; Mrq. Ann. 32; FL 1.
B. 1. 2 p. 541; — S. glaberrimum HasskK! Retzia 1. p. 145; — 8.
borneënse C. Deo. (DE VRIESE in Herb. Kew.), non Mrquer ? — Cfr.
S. Maingaiji HierN. (in Hook. Fl. B. L 1. 554).
Hooge boom. Stam, kroon, enz. als S. indicum CAV.
Bladeren en twijgen geheel onbehaard, jonge blaadjes zeer
schaars, kort-behaard. Blaadjes elliptisch met spitsen of stompen
voet en toegespitsten top; zijblaadjes duidelijk gesteeld (5 —10 mM.);
met 6—10 (zelden 12) wan onderen witspringende zijnerven, 100— 180
mM. lang bij 45
takken, kort uiterste twijgen armbloemig. bloemen dikwijls in 1 — 3-
90. Bloempluimen nagenoeg onbehaard, zij-
bloemige bijschermen langgesteeld (steeltjes weinig korter dan de
bloemen), schutblad veel korter dan de steeltjes, schutblaadjes ontbre-
kend of zeer klein. Kelk stomp 5-tandig schaars kort behaard;
bloembladen bijna onbehaard. Vrucht (bij het authenthiek levend
exemplaar in Hort. bog.) geheel onbehaard 1 —5-steenig ; kleiner dan
bij S. indicum). Zaad langwerpig elliptisch, rug en voet niet gekield.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. Authenthiek exemplaar van S. glaberrimum
Massk. levend in den Hortus Bogor. (II B. 53).
Deze soort misschien een bergvariëteit van de vorige soort. Bij een als S. nervosum
in den Hort. Bog. gekweekt exemplaar (III B. 56) zijn de bladeren nagenoeg gelijk aan
die van S. indicum, eivormig-elliptisch en het eindblad breed eivormig met + 15 aders,
de bloeiwijzen sterk vertakt; daarentegen evenals bij de wildgroeiende boomen de bloemen
matig-gesteeld en weinig behaard, en het zaad niet gekield. Ook bij een exemplaar uit
de laagvlakte van Bantén (Herb. Kps. 5167 9) zijn de blaadjes breeder en méérnervig
dan in de bergexemplaren.
Door HreRN is in de Flora van Hooker deze soort met de vorige vereenigd.
— 31 — MeLIACEAE.
Geogr. verspreiding, Inl. namen, enz. als S. indicum Cav.
Arbor alta Ramuli eum foliis adultis glaberrima, juniores parcissime pu-
beri. Foliola lateralia modice petiolulata (5—10 mM.) omnia elliptica, basi
acuta vel angustata, rarius obtusa, apice longiuseule acuminata; 100—180
mM. longa 45—90 lata. Paniculae glabrae, ramulis breribus, ultimis
paucifloris. Flores saepius 1—3-cymosi modice vel longiusculepedicellati
(pedicellis floribus dimidio brevioribus vel aeqwilongis) bractea lineari ipsis
multo breviore suffulta, bracteolis minutis vel nullis. Calyx obtusiuscule
D-dentatus parce puberulus; petala subglabra. Drupa (arboris authen-
thieae S. glaberrimi Hassk.) pyriformis, quamilla S. indiei minor, glaberrima,
verruculosa 5-pyrena; semen oblongo-ellipticum, dorso haud carinatum.
Adn. Species montana ab S. indieo multis notis recedens et ad S. Maingayi
Hiern ef S. borneënse Mrq. accedens sed forsitan potius pro varietatem
guam pro specie habenda. Arbor in Horto Bog. culta nomine S. glaberri-
mum Hassk. Owae arbor ibidem nomine S. nervoso colitur foliolis magis
ovatis, plurinerviis, habitu S. indici, fere intermediam formam sistit.
4. DYSOXYLON 51.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 4—5-spletig,‚-tandig of- deelig of min
of meer gaafrandig; in den knop dakpanswijze-dekkend of urnvormig
met klepswijze aaneensluitende tanden of slippen; afvallend. Bloem-
bladen 4—5, langwerpig, uitgespreid; in den knop klepswijze aan-
eensluitend of licht-dakpanswijze-dekkend ; van onderen aan de meel-
dradenbuis verbonden of vrij. Meeldradenbuis cylindrisch, met
getanden of gekartelden rand; helmknoppen kort, 6,8 of 10, binnen
de buis of half daarboven uitstekend. Schijf buis- of napvormig even
lang of langer dan de eierstok met een gekartelden of gaven rand.
Eierstok meestal 3—4-hokkig; stijl bijna even lang als de meel-
dradenbuis; eitjes meestal 2 in elk hokje, en dan boven of naast elkaar
geplaatst, zeldzaam één. Doosvrucht bol- of peervormig, lederachtig,
(soms zeer dik) 1—4-hokkig, meest hokverdeelend. Zaden meest
met een weeken, aan de zaadstreng verbonden gedeeltelijken zaadrok,
zelden zonder, en dan met vleezig verdikte zaadhuid (D. ezcelsum en
D. alliaceum); zonder kiemwit; zaadlobben dik, boven, naast of achter
MELIACEAE, — 32 —
elkaar geplaatst; pluimpje meestal ruigharig; kiemworteltje naakt
of behaard tusschen de zaadlobben besloten, naar de buikzijde of
naar den top gekeerd (nooit naar de rugzijde).
Boomen, meestal onbehaard, melksaphoudend. Bladeren afwis-
selend, zelden tegenovergesteld, gevind; blaadjes lederachtig, gaaf-
randig, geheel of nagenoeg tegenover elkander of afwisselend, meer
of min puntig aan den top en schuin aan de basis. Bloemen in
pluimen.
Aantal soorten volgens Cas. pr CANDOLLE 85; eenige weinige in de
Philippijnsche eilanden, een dertigtal in Australië, vooral in Nieuw-
Caledonië, ongeveer 37 in den Maleischen Archipel en de overige in
Voor- en Achter-Indië, waarvan er 6 van Malakka bekend waren, welk
getal door Kiva tot 20 vermeerderd is.
MrgveL beschrijft in de Fl. IL. B, gedeeltelijk onder de later in getrokken
geslachtsnamen Hartighsea, Didymochiton, Kpicharis en Goniochiton de
volgende soorten als op Java voorkomend:
1. Dysorylon alliaceum Br.
2. D. acuminatissimum Br.
3. D. longifolium Br.
4. D. simile Br.
5. D. laviflorum Br.
6. D. macrocarpum Br.
7. D. (Hartighsea) excelsa A. Juss.
8. D. (Hartighsea) mollissima A. Juss.
9. D. (Epicharis) cauliflora Br.
10. D. (Epicharis) sericea Br.
11. D. (Epicharis) densiflora Br.
12. D. (Epicharis) altissima Br.
13. D. (Didymocheton) nutans Br.
14. D. (Didymocheton) Leschenaultianum A. Juss.
D
15. „ (Goniocheton) arborescens Br,
In zijne Monographie der Meliaceae in Ann. Mus. L. B. IV heeft hij
dit aantal tot 9 ingekrompen, door de vereeniging van D. acuminatissimum,
longifolium en laviflorum met D. alliaceum; van Epicharis sericea met
D. cauliflora tot Dysoxylum ramiflorum MrQueu (welke soortnaam den
voorrang had boven D. cauliflora) omdat de soort het eerst als Azedarach
ramiflorum door Noronma (Verh. Bat. Gen. V no. 87) was beschreven
en van M, altissima met D. densiflorum; eindelijk wordt daarin van
D. Leschenaultianum geen melding meer gemaakt.
Als nieuw worden er verder bijgevoegd:
10. D. trichostylum Mra.
11. D. otophorum Mia.
12. D. fraternum Mia.
13. D. Blumei Mig.
Cas. pr C. voegt hierbij nog de volgende soorten door pe Vriese, LoBB
en NacreL verzameld en in de herbaria van Kew, en Berlijn door hem
onderzocht
ne MELIACEAE.
14. D. glabrum Cas. Drc.
15. D. Lobbi Cas. Drc.
16. D. procerum HrernN, var. integrum Cas. Dec.
17. D. Halmaheirae Cas. Drc.
IS. D. Vriescamum Cas. Drc.
19. D. Nagelianum Cas. Drc.
20. D. Teysmannii Cas. Drc.
21. D. amooroides MQ.
Na onderzoek van het rijke materiaal in Herb. Kps. aanwezig, en van
origineele exemplaren van bijna alle door MrqurL beschreven vormen (1)
hebben wij gemeend deze 21 soorten tot 15 te moeten reduceeren, daar
eenige der als soorten beschreven vormen ons door overgangsvormen
met andere bleken verbonden te zijn. Op dezen grond hebben wij
vereenigd :
D. trichostylum met D. densiflorum Mia.
D. otophorum met D. amooroides Mira.
D. Lobbii met D. Blumei Mra.
D. procerum var. integrum met D. excelsuum Mrq.
D. Halmaheirae met D. arborescens Mrq.
D. Teysmannii met D. mollissimum Mrq.
Als voor Java nieuwe soort voegen wij hierbij nog 16 D. caulostachiyum
Mro. tot dusver alleen voor Nieuw-Guinea bekend en waarvan de bladeren
door Mrquer misschien bij D. ramiflorum besehreven zijn, waarmede deze
soort zeer na verwant is; eindelijk hebben wij een door Mrquer, als
varieteit bij D. excelsum beschreven vorm, als soort afgescheiden (17,
D. Hasseltii).
Een drietal door Cas. Dec. beschreven soorten, waarvan ons het
origineel niet toegankelijk was; is het ons niet gelukt in Herb. Kps.
van Java aan te treffen; van deze hebben wij de beschrij ving overgenomen.
Voorts zijn in Herb. Kps. nog eenige naar het schijnt zeer zeldzame
soorten, waarvan bloemen tot dusver ontbreken en waarvan wij de
beschrijving derhalve tot een volgende bijdrage opschorten. Wij voegen
hier voorts weder bij de naar Jussieu overgenomen beschrijving van
Dysorylon (Didymocheton) Leschenaultii, daar deze soort, indien zij op
Java voorkomt, uit deze beschrijving zeer goed te herkennen is en
noch Mrqueù noch Cas. De CaNporre eenige reden opgeven waarom zij
de soort niet hebben opgenomen.
Een geheel twijfelachtige soort, die noch door Cas. Drc. noeh door
MrQurL vermeld is Didymocheton? littoralis Hassrr. (Adn. de plant.
quib. jav. ete. in Tijdschrift voor Nat. Gesch. en Phys. Dl. X 1843), een
in Bantën in de kustwouden groeiende halfheester.
Calyx cupularis, (rarissime expansus D. alliaceum var. ; D. arboreseens)
4 5-dentatus vel in sectione Didymocheton 4—5-sepalus, sepalis imbricatis.
\/ 1 ‚ Sef
Petala 4—5; in aestivatione valvata vel apice leviter imbricata, Libera vel
(1) Voor een groot deel welwillend door den Adj. Directeur van ’s Rijks Herbarium
te Leiden Dr. J. G. BorrLAGE aan ons toegezonden.
9
MELIACKAE. ==
inferne cum _tubo stamineo connata. Stamina in tubum petalis paullo
breviorem, lacinulatum vel subintegrum, intus sub apice B—10-antheriferum,
coalita; antheris glabris. Discus tubulosus, liber. Ovarium Liberum 4—5
raro S-loeulare rarissime 2-loeulare, superne in stylum eo multo longiorem
attenuatum. Stigma discoideum, supra plerumgque 4—5-sulcatum. _Ovarii
loeuli 1—2-ovulati ovulis superpositis (in D. arborescenti ef D. Blumei
collateralibus). _Fructus capsularis, 5—4 raro 3-valvis, loeulicide dehiscens
immaturus saepe lactescens, loculis 1—2-spermis. Semina saepissime arillo
carnoso partiali facile solvendo vestita, rarius (in D. exeelso ef D. alliaceo)
exarillata sive arillo completo adnato auctorum: testa incrassata) induta.
Cotyledones erassae, plumula saepe hirsuta inter cotyledones inclusa vel
subineclusa, radieula glabra vel hirsuta supera vel ventrali.
Arbores laticiferae. Folia alterna vel rarissime opposita (in specciebus
nonnulis anstraliensibus) impari vel pari-pinnata ; (1) foliola integerrima ra-
rissime pellucido-punctata. _Inflorescentia avillaris, paniculata, panicula
saepe simplici, (id est brevissime ramosa vel rarius spiciformi) in non-
nulis speciebus e ramis vetustioribus vel e trunco nascens.
In India Orientali, Peninsula Birmanica, Sumatra, Java, Philippinis,
Australia, Nova-Caledonia, Nova-Zelandia (ubi solum D. spectabile) et in
Polynesia usque ad insulas Samoa, Tutuila, Tonga, Tabu.
A. Soorten met getanden kelk (subgenus Budysoxylon) (species 1—15).
a. Blouiwijzenaan stam of aan dikke takken (spec. 1—3).
«. aan stam en oude takken; stijl onbehaard.
aa. Trossen recht; veelbloemig.
1. Dysoxylam caulostachyum, Mrq. Ann l. ce. 12; Cas. DC.
l.e. 499.
Hooge boom H.=—=33 M. bij 50 eM. Zou worden H.—=40 M.,
bij D.=—=150 eM. Stam: Recht; nogal rolrond; zonder wortel-
lijsten; soms met talrijke knoesten, waaruit bloeiwijzen te vooeschijn
komen; soms op ongeveer 10 M. boven den grond in talrijke recht-
en schuin-opwaarts gerichte takken verdeeld. Deze meestal weinig
vertakt en aan de uiteinden de lange gevinde bladeren dragende,
die te zamen een nogal iijlen, onregelmatigen kroon vormen.
Schors: 4—5 mM. dik (bij 50 eM. stammiddellijn). Bros. Bui-
ten grauw; met overlangsche barsten; nogal glad. Doorsnede wit
met oranje spikkels. Zonder melksap. (met melksap in jonge twij-
(1) Folia in plantis valde juvenilibus simplicia.
Es een MeLrACKAR.
gen. Bijna zonder bladgroen. Bijna reukeloos. Zeer weinig bitter
smakend.
Twijgen rolrond, nogal dik, nogal glad, met lentieellen ; aan de
uiteinden de soms Meterlange bladeren dragend. Bladeren onpa-
rig-gevind, aan den top dikwijls lang aangroeiend, 5 —i2-jukkig.
Bladspil en bladsteel rolronds aan den voet weinig aangezwollen,
met lenticellen bedekt, fluweelachtig-behaard of later geheel onbe-
haard; 350 mM. tot één Meter lang. Blaadjes overstaand zeer
kort (L—3 mM.) gesteeld, langwerpig of elliptisch-langwerpig, van
onderen dikwijls ongelijkeijdig (voorste helft bijna dubbel zoo breed)
met nagenoeg gelijken afgeronden of bijna hartvormigen voet, stomp
toegespitst (170 —280—340 mM. lang bij 55 —70 —90); de onderste
veel kleiner (60 bij 35) elliptisch kort spits toegespitst; het eind-
blad obovaat of obovaat-lancetvormig, somtijds vrij lang gesteeld ;
alle vliezig of dun leerachtig, van onderen langs de nerven behaard,
even als de bladsteeltjes; soms geheel onbehaard (Herb. « Kps.
5968 6); zijnerven 16 —24 paar, uitstaand, boogvormig in elkaar
uitloopend. Blaadjes levend lichtgroen doorschijnend, dichtdoor-
schijnend gestippeld. Bloemtrossen wit oudere takken, zelden
uit de eenjarige twijgen, meestal niet uit den stam (bij de
exemplaren van één standplaats bijna alle uit den stam en niet uit de
takken), alleen of in bundels, enkelvoudig recht, lang, rijkbloemig,
kort-fluweelachtig-behaard, 80—230 mM. lang. Bloemen gesteeld
(steeltjes 5—12 mM.) met zeer klein schutblad aan den voet
15 —18 mM. lang; lichtgeel, geurig. Knoppen bolvormig fluweel-
achtig. Kelk klokbuisvormig, in 3 --5 ongelijke lobben splijtend, S
mM. lang; dikbehaard, na den bloei aan den voet kringvormig
loslatend. Bloembladen 4, lijnvormig, 16 mM. lang bij 4 breed,
kort-luweelachtig-behaard, van binnen onbehaard, geheel vrij, aan
den voet met den meeldradenbuis verbonden en na den bloei
met deze en den schijf tegelijk met de kelk afvallend (evenals bij
D. ramiflorum en D.densiflorum) Meeldradenbuis van buiten zeer dun
behaard of onbehaard, wan binnen onbehaard, S—10-lobbig met lijn-
vormige (l—2 mM. lange) uitgerande of gespleten uitstaande lobben;
helmknopjes elliptisch, ingesloten; stuifmeel bolvormig (52—42 w)
met 3—4 verdikte plekken met langwerpige poriën, zonder duidelijke
MeELIACEAE. — 36 —
plooien, schijf kort-buisvormig, iets langer dan de eierstok (!/, van
den stamper) 16-kartelig, met 4 grootere en 12 kortere tandjes, van
buiten onbehaard, van binnen met naar beneden gerichte haren,
Eierstok aanliggend-behaard, stijl tot aan het midden wijduitstaand-
behaard, daarboven plotseling kaal; 2 eitjes boven elkaar in elk
hokje Doosvruchten bolvormig, van omderen afgerond, gesteeld, 25—40
mM. lang van buiten roodbruin eenigszins schurftig-kurkachtig on-
behaard; van binnen sneeuwwit, niet melksaphoudend, 1 —4-hokkig ;
hokjes éénzadig. Zaden afgeplat ellipsvormig, met een dunne
donkerbruine glanzige zaadhuid langs de buikzijde en aan den voet
met een rooden vleezigen kapvormigen zaadrok, die daar sterk ver-
dikt is en ook het niet ontwikkelde tweede zaad geheel of gedeelte-
lijk insluit. Zaadlobben achter elkaar geplaatst (door een tangentiaal
vlak gescheiden) nagenoeg gelijk; aan den top tot op een } inge-
sneden, van buiten purperachtig-groen, van binnen vuilviolet; worteltje
naar boven gericht rolrond, hoekig, vooral aan de hoeken behaard,
pluimpje geheel behaard.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. en een levend exemplaar in den Hort. Bog.
UI B. 61. De beschrijving van Stam t/m Schors voornamelijk naar 5942 #.
Hoewel wij het origineel exemplaar van JD. caulostachyum van Nieuw-Guinca niet
kennen, is er toch naar de beschrijving bij MrqueL geen twijfel aan, dat de hier beschreven
exemplaren tot deze soort behooren. MrqueL kende geen bloeiende exemplaren dezer
soort uit Java; hoewel de door hem onder D. vramiflorum opgegeven naam Lolowan, j.
(bij vergissing Solowan) een naam, die in Oost-Java voor D. caulostachyum vast is, aan-
duidt dat hij niet bloeiende exemplaren dezer soort bij D ramiflorum heeft gebracht.
Het door ReEiINwARDT in Malang (Pasoeroean) verzamelde exemplaar met de van onderen
sterk-donzig-behaarde bladeren behoort misschien tot deze soort.
Behalve door de zeer in ’t oog springend verschillende bloeiwijze en eenige verschillen
in de beharing van kelk en schijf is het moeilijk de beide soorten scherp uiteen te houden,
hoewel de uiterste vormen der bladeren (bij D. Caulostachyum met zeer korte bladsteel
en hartvormigen voet) en bij D. ramiflorum met aan eene zijde ssherp weggesneden voet
en langeren bladsteel) nogal verschillen. Ook heeft D. ramiflorum meestal veel grooter
vruchten. à
Over ’t algemeen zijn de beide soorten door de standplaats scherp gescheiden, daar D,
ramiflorwm alleen in de tweede hoogte gordel en in Herb. Kps. nog niet in Oost-Java
is aangetroffen. Alleen in Pringâmbä zijn beide soorten ongeveer op dezelfde standplaats
verzameld,
Zeer verwant met deze en met de volgende soort is ook D. canliflorum Wiern uit
Malacca, en naar de bladeren (spec. uit Herb. Calcutta!) niet van D. caulostachyum
Mig. te onderscheiden. Verschillen zijn o.a. de zeer korte bloemstelen; de (volgens KixG)
weinig behaarde bloembladen en van binnen zijdeachtig-behaarde meeldradenbuis en de
van onderen versmalde vruchten.
De mogelijkheid, dat D. caulostachyum MiQq. niet soortelijk verschillend is van D-
ramiflorum Mrq. schijnt ons niet uitgesloten. Wij hebben 2 uiterste vormen beschreven:
MELIACKAE.
Eigenaardig hierbij is, dat een der door ons als D. caulostachyum gedetermineerde exem-
plaren (Herb. Kops. 14591 8) niet caulifloor maar ramifloor is.
Geogr. verspreiding. Geheel Java0—1100M. Vooral in Oost-
Java op 0—500 M.; dáár in vele streken, o. a. in afd. Banjoewangi vrij
algemeen. Hoogste vindplaats: bij Pantjoer in Bësoeki op 1100 M. Weste-
lijkste aan ons bekende groeiplaats: op 100 M. bij Pasanggr. Tjömara in
afd. Tjiringin (Bantën). Buiten Java: Tot dusver alleen van Nieuw
Guinea bekend. — Standplaats: Bij voorkeur op contstant vochtigen
vruchtbaren grond in altijdgroen heterogeen hoogstammig oerwoud. Op
periodiek drogen grond in loofverliezend bosch alleen van één standplaats
aan ons bekend nl. bij Këdoengdjati (Smarang) op 150 M. Dáár wel zeld-
zaam echter eenige exemplaren bijeenstaande.— Voorkomen: Meestal
eenige boomen in de nabijheid van elkander groeiende echter nooit gezel-
lig. — Bloei- en vruchttijd: Op de meeste ons bekende vindplaatsen
Juni — Nov. met bloemen en jonge vruchten en in Dee. met rijpe vruch-
ten. — Gebruik: Hout: Mededeelingen van inlanders hierover uiteen-
loopende, echter nergens hooggeschat. In Banjoewangi voor tijdelijken
huis- en bruggenbouw; zou dáár ongeveer half zoo duurzaam zijn als
D. densiflorum Mrgq. (Zie inl. namen hieronder) en in wêer en wind onge-
veer 4—5 jaar uithouden. In laagvlakte van Pékalongan en Bantén en
in hooge bergstreken van Bësoeki (o.a. bij Pantjoer) hout onbruikbaar
geacht wegens te geringe duurzaamheid, Hout geheel vuil-wit; zonder
kernhout. Schors enz: niet door de inlanders gebezigd. — Cultuur:
Niet aan te bevelen; tenzij in tuinen om den soms zonderlingen habitus
(typisch stambloemige exemplaren). — Inl. namen: In Banjoewangi en
bij Poegër in Bësoeki constant met uitsluiting van alle andere boomsoorten
Lolohan, j. geheeten. Aldus ook bij Klangoen boven Saradan op den
G. Pandan in Madioen. Bij Tjilatjap soms Langsep-alas j., soms Krami-
nan, j, soms Tjompagan, j., en soms zonder inl. naam. Bij Pringombo
in Banjoemas soms Tjempagan, j. soms Langsep- re, j. of Langsep-were, j.,
De beide laatste namen ook voor Pékalongan bij Soebah. Dáár soms
alleen Were, j. en soms Welahan, j. Bij Këédoengdjati in Stmarang soms
abusievelijk voor Kedojo, j. gehouden, aan de meeste inlanders bij name
geheel onbekend. Im afd. Tjaringin bij Tjémara (Bantën) constant aan-
geduid met Mangir, s. welke naam in Oost- en Midden-Java, zoo goed
als uitsluitend aan Ganophyllum falcatum Br. beantwoordt. Van al deze
namen bijka alleen Lolohan, j. van waarde. Bij Pantjoer in Bösoeki
onder zeer localen naam Kapotren, md. bekend. Bij Palaboeanratoe in
Z. Preanger onder zeer onvaste namen bekend; dáár soms ? Kokosan-
leuweung, s. en soms Tanglar, s, — Habitus. In bloei- en vruchttijd meest-
al (vergelijk de Aajm. hierboven) hoogst eigenaardig. Van af den grond
zijn de stam met de dikkere takken dan bedekt met talrijke, meestal 2—6
in groepen bijeenzittende trossen van zeer sterk-welriekende geelwitte
bloemen en kersgroote, roodbruine vruchten, welke bloem- en vrucht-
groepen slechts eenige deeimeters op knoesten van elkander zitten. Bij
exemplaren, die alleen de bloeiwijzen aan de dikkere takken, doch niet
aan den stam dragen is het onderscheid met de volgende soort (D. rami-
florum Mira.) zeer gering en ook met D. densiflorum Mra. gering zie hier-
onder). Deze soort is de eenige stambloemige soort de Meliaceae op Java
en o. m. door de gevinde bladeren en het melksap in jonge twijgen van
vele andere cauliflore javaansche boomen te onderscheiden.
MELIACEAE. — 38 —
Arbor alta. Ramuli teretes, laeviuseuli lenticellosi. Folia impari-pinnata,
apice saepe tardius evoluta, 5—1l2-juga; rhachi cum petiolo tereti basi
parwum inerassato, lenticellato, wvelutino vel demum glabrescente 350 mM.
usque metrum longa. _Foliola opposita brevissime-(1—3 mM.) petiolulata,
oblonga vel elliptico-oblonga, aeqwilatera vel deorsum inaequilatera (parte
laminae antica quam postica saepe duplo latiore) basi aequali vel sub-aequali-
rotundata vel subeordata, apice obtuse acuminata (170—280 mM. longaet
55-710 lata); usque 340 longa et 90 lata, inferiora multo minora 60 longa
et 35 lata, elliptica, apiewlata; terminale lanceolatum vel obovatum 240—
400 mM. longum interdum longe petiolulatum (petiolulis 18—35 mM.),
omnia membranacea vel tenuiter coriacca subtus ad nervos cum petiolulis
pubera vel rarius glabra (spee. e_Nusa-Kambangan Herb. Kps. 5968 (3);
nervis utringue 16—24 patulis, areuato-confluentibus, tertiariis inconspicuis.
Foliola in vivo dilute viridia, pellucida, dense pellueido-punetulata (cellulis
secretortis parvis 30—80 z diametri in diachymatis stratis superioribus
sub staurenchymate). Racemi e ramis annosioribus, rarius e ramulis; trunco
saepius sterilis; in singulae stationis speciminibus e trunco et ramis ve-
tustioribus oriundi, ramis extremis sterilibus (692a); singuli et fasciculati;
80—230 mM. longi; simplices stricti velutino-puberuli. Flores pedicellati
(pedic. 5—12 mM.) basi minute bracteati, articulatione nulla, 15—18
mM. longi pallide-flaveseentes suaveolentes. Alabastra globosa dense velutina.
Calyr_campanulatus, in lobos 3—5 inaequales corollae eruptione ineunte
rumpens, 8 mM. longus, dense velutinus, anthesi peracta circumscisse cadens.
Petala 4, linearia, 16 mM. longa et 4 lata, breviter velutina, intus glabra;
libera, ima basi cum tubo stamineo connata et anthesi peracta cum illo
tubulogue et calyce decidua. Tubus stamineus extus parcissime pilosus
vel utringue glaber 8—10-lobulatus, lobulis 1—2 mM. longis, emarginatis
vel bifidulis, patulis; antherae ellipticae inelusae; pollen globosum 32—42
u, areis inerassatis 3—4, poris oblongis, plicis inconspicuis. Discus breviter
tubulosus ovarium (pistilli *|, partem) vir superans ore 16-crenulato, crenis
4 brevioribus cum 12 ternatis longioribus alternantibus, extus glaberrimus
intus retrorsum pilosus. _Ovarium appresse hirsutum; stylus ad medium
usque patentissime hirtus, dein abrupte glaberrimus; ovula in loculis super
posita. _Capsulae globosae, basi rotundatae, longiuseule pedicellatae, cerasi
minoris mole; 1—4-loeulares, glabrae, extus aurantiacae, leprosulo-suberosae,
pericarpio intus niveo viv lactifluo elsi cellulis seeretoriis farcto. Semina
in loeulis singula, dimidiato-ellipsoidea; testa tenui, fusca, nitida ventre
arillo partial a vertice (wbi micropylem obtegit) ad basin pertenso, basi
valde incrassato et semen alterum effoetum amplectente, ceuecullato, angulo
Ne MELIACKAE.
loeuli interno adnato, rubro, vestita; cotyledones postpositae (plano, quoad
capswlae circwitwum tangentiali separatae) apice ad 5 longitudinis incisac
eztus purpuraceo-virides, intus dilute violaceae; radieula supera angulato-
tereti, ad angulos pilosa; plumula hirsuta supra medium inclusa.
Aae bb. Zossen twilvormig; armbloemig.
2. Dysoxylum ramiflorum Mrq. Ann. Le. 10; Cas DC. Lc.
Hooge boom: H==24—27 M. bij D=60—75 eM. Stam:
Nogal recht; met ondiepe gleuven; bijna zonder wortellijsten ; met
weinig knoesten. Niet hoog boven grond meestal in talrijke
dikke, nogalkromme en weinig verdeelde takken gesplitst. Uiterste
twijgen nogal dik en aan de uiteinden de Meter lange gevinde
stijfuitstaande bladeren. Schors: 6—8 mM. dik. Brosen week.
Buiten grauw, met overlangsche barsten. Doorsnede vuil geel-
achtig. Binnen vuil-wit en oranje gestreept. Met weinig lenti-
cellen. Zonder melksap. Met weinig bladgroen. Met eigenaardig
aromatischen reuk (niet naar uien). Smaak zeer weinig bitter-scherp.
Bladeren onevengevind, met laat ontwikkelden top, 6—15-jukkig ;
spil en bladsteel rolrond, aan den voet weinig aangezwollen, bij
de jonge bladeren behaard; 0.3 —1!/, M. lang. Blaadjes overstaand,
kort gesteeld 4—10 mM., smal langwerpig met toegespitsten top,
met smallen ongelijken voet, van voren afgerond of stomp, van achteren
weggesneden spits, 110— 220 mM. lang bij 35—42 breed. Findblaadjes
omgekeerd-ei-lancetvormig met versmalden voet, langer (25 mM.)
gesteeld, meest kleiner dan de overige ; onderste blaadjes ook kleiner ;
alle vliezig, van boven onbehaard, van onderen vooral langs de ner-
ven behaard; zijnerven 20—24 paar. Trossen twilwormig, weinig-
bloemig (1—10-); aan vingerdikke takken uit de oksels der afgeval-
len biaderen, zeldzamer aan oudere takken (bij een exemplaar in
Hort. Bog. dat hiertoe schijnt te behooren ook aan den stam) tot
kleine bundels vereenigd; kort (2—25 mM.) gesteeld; bloemstelen,
dun dikwijls langer dan de hoofdsteel, dun behaard of kaal (10—20
mM. lang). Bloemen melkwit, welriekend + 18 mM. lang on-
MELIACEAE. — AOS
geveer gelijk aan D. caulostachyum. Kelk dungrof behaard of bijna
kaal. Bloembladen fluweelachtig. Meeldradenbuis van buiten be-
neden dun-aanliggend-behaard, van binnen onbehaard, met 8, (lL—1.5
mM. lange) gespleten lobben. Schijf van buiten geheel onbehaard
van binnen soms met eenige haartjes, aan den rand 4—16-kartelig.
Eierstok 4-hokkig, met boven elkaar geplaatste eitjes; behaard -
evenals de voet van den stijl, deze van boven plotseling naakt.
Doosvruehten in bundels van 1—3 lang-gesteeld, korstig, van
buiten oranjerood, grooter dan bij D. caulostachyum 30 —60 mM. diam.
en veel langer gesteeld. Zaden 20—40 mM. lang. Overigens alles
als bij de vorige. Bij een groote vrucht (Herb. Kps. 11010 2);
zaad 40 mM. lang bij 22 breed; worteltje met het pluimpje 11
mM. geheel dik behaard, behalve den worteltop.
Aarm. Beschrijving naar talrijke specimina van HerB. Kps.; die van Stam t/m
Schors vooral naar Kps. 12062 . Deze soort zeer verwant met de vorige (zie Aanm.
op vorige bladzijde).
Geogr. verspreiding: Aan ons alleen van W.- en M.-Java be-
kend; en bijna uitsluitend boven 900 M. zeehoogte o. a. op 1000 M. bij
Takoka in de Preanger, bij Pringombo (Banjoemas), op den G. Oengaran,
en zelfs nog op 1350 M. zeehoogte o. a. op den Slamat boven Simpar
in Tögal en op 1450 M. bij Tjibodas ('s Lands Plantentuin) in de Prean-
ger. In de laagvlakte alleen op Noesa Kambangan (Banjoemas). Bui-
ten Java: miet bekend. Voorkomen, Gebruik, enz. als D. caulo-
stachyium Mig. — Inl. namen: Bij Takoka (Preanger) meestal Tanglar,
s., soms abusievelijk Pingkoe, s. Bij Pringombo en bij Tjilatjap dezelfde als
vorige soort. Bij Tjibodas ('s Lands Plantentuin) in de Preanger Ma-
rangnginang, s. Deze namen alle niet alleen voor deze soort geldend.
Habitus: Zeer gelijkend op vorige soort, maar bijna nooit stambloemig en
naar het schijnt de dikke takken meer kronkelend en niet meestal schuin-
of rechtsopwaarts.
Arbor alta. Folia ümpari-pinnata, apice tardius evoluta 6—15-juga;
rhachi eum _petiolo basi parwnm inerassato, tereti, juvenili pubero, mor
glabrescente, lignoso dense lenticellato 300 —600 mM. longa. _Foliola oppo-
sita breviter (d—10 mM.) petiolulata, anguste oblonga, apice acuminata,
deorsum saepe attenuata, basi inaeguali, antice rotundata, postice resecta,
acuta, circ. U70—220 mM. longa et 35—42 lata, terminalia obovato-lan-
ceolata, basì attenuata, longius petiolulata (25 mM.) ceteris minora, infima
guogue minora, omnia membranacea; supra glabra, subtus ad nervos cum
petiolulis pubera; nervis utringue 20—24. Racemi corymbosi panciflori
(L—10 flor ad ramulos digitum crassis, saepe ex axvillis defoliatis, rarius
== 4 MELIACEAE.
ad ramos vetustiores pauci-fasciculati, peduneulo brevi (2—25 mM.) gracilt,
pedicellis gracilibus peduneulo saepius longioribus, glabrescentibus vel parce
pilosulis 10—20 mM. longis. Flores fere precedentis, lactei suaveolentes,
18 mM. longi. Calyv parce appresse puberus. Petala dense velutina.
Tubus extus deorsum parce appresse pilosulus intus glaber lobis 8 (1—1.5
mM. longis) bifidulis; antherae et pollen precedentis speciei. Discus tubu-
losus extus glaberrimus intus glaber vel subglaber, ore 4—16-crenulatus.
Ovarium A-loeulare, ovulis superpositis; cum styli basi hirsutum; stylus
supra medium abrupte glaberrimus; stigma discoideum. Capsulae 1—3
fasciculatae, longe peduneulatae; leproso- aurantiacae, globosae, is prece-
dentis speeiei similes sed majores; 30—60 mM. diametri. Semina 20—40
mM. longa, fere preeedentis sed radicula eum plumula tota hirtella.
B. Bloeiwijzen aan dunne en dikke takken; stijl behaard.
3. Dysoxylum densiflorum Mrg.! Ann. le. 9; CDC. Lc. 499;
Kine! Le. 46; — Epicharis densiflora Bu. Bijdr. 167; — Epicharis
altissima Bu! le. 167; Miq. FL B. 12. 539; — „Guarca densiflord
et G. altissimac variet. SpreNa. Syst. rv 2. p. 251” (fide Mrquer)
— Dysoeybum trichostylwum Mrg.! Ann. Le. 11 (exclusa var. glabra?)
Hooge boom: H == 30—40 M. bij 100—120cM. Stam: Mees-
tal zuilvormig en zich eerst hoog boven den grond in eenige dikke,
min of meer kromme, nogal rijkverdeelde takken splitsend. Met
kleine worltellijsten. Kroon: Meestal klein, nogal iijl en hoog
aangezet; zeer eigenaardig door de kransgewijze aan de dikke twijg-
uiteinden stijf uitstaande nogal korte gevinde bladeren. Schors:
8 mM. dik. (bij 110 eM. stamdiameter). Bros. Buiten grauw en
nogal ruw. Doorsnede? bruin. Binnen vuil wit. Zonder lenticellen ;
zonder bladgroen; zonder melksap. Reuk aromatisch.
Uiterste twijgen nogal dik. Bladeren onevengevind (bij uitzonde-
ring door verlies van het eindblad evengevind) 5—8- (bij var. minor
meest 4—6) jukkig; in knop geheel, later langs bladsteel, spil,
bladsteeltjes en bladnerven van onderen, kort of soms vrij lang
behaard; zelden geheel onbehaard (worm glabra der variëteit minor).
Bladspil rolrond; steel van boven afgeplat en eenigszins uitgehold
met scherpen rand, bij de aanhechting aan den tak gezwollen.
MELIACEAE. 4D
Blaadjes afwisselend, zelden overstaand, ook die van het bovenste
paar meest iets van elkaar verwijderd; breed-langwerpig, vrij lang
toegespitst, met scheven breed-afgeronden bijna afgeknotten voet, die
aan de voorzijde veel breeder is dan aan de achterzijde, bij de va-
riëteit meest aan de achterzijde spits voor een deel als weggesneden ;
zeer kort-gesteeld (bij de variëteit iets langer); het bovenste paar-
en het eindblad meer versmald aan den voet; het laatste omgekeerd-
eivormig met spitsen voet en iets langeren bladsteel; alle bladeren
nogal leerachtig, donkergroen, met talrijke (l14—18) rechte stevige
zijnerven; netvormig geaderd; levend fijn-doorschijnend-gestippeld;
in sicco de oudere bladeren meest ondoorschijnend donker-olijfgroen.
Bloemtrossen in de bladoksels der ontbladerde twijgen, aarvor-
mig, slank, t/,—1 decimeter lang, geheel dicht behaard, alleen of
in veelbloemige bundels, rijkbloemig. Bloemen nogal klein (6 —10
mM.) wit, onaangenaam riekend, bijna zittend of kort-gesteeld bij (var.
minor duidelijk gesteeld); met breede eironde, kielvormig uitgeholde
spitse schutbladen aan den voet. Kelk wig-napvormig, tot op de helft
3 —4-lobbig-ingesneden, grof-aanliggend-behaard (*/, van de bloem
lang). Jonge knoppen bolvormig. Kroonbladen van buiten dun-
aanliggend-behaard, in knop met de randen iets over elkaar; aan
den voet met de meeldradenbuis verbonden en in de vruchtbare
bloemen met deze en de schijf en met den rondom loslatenden
kelk afvallend. Meeldradenbuis 8 —10-slippig met korte diep-spits-
uitgerande slippen; van buiten met verspreide aanliggende haren of
bijna onbehaard; van binnen lang-losbehaard. Helmknopjes klein,
ingesloten, elliptisch, soms zonder stuifmeel. Stuifmeel bolvormig
klein 22—32 met 4 plooien met elliptische poriën. Schijf kort
buisvormig met zeer oppervlakkig 4—10 karteligen mond, van buiten
onbehaard, van binnen met enkele naar beneden gerichte haren,
ongeveer !/, zoo lang als de stamper. Eierstok klein, 4-hokkig,
met 1 eitje in elk hokje (altijd?); grof-dicht-behaard; stijl geheel
behaard. Doosvruchten elliptisch of omgekeerd ei-vormig met
vrij spitsen of ingezonken top met stijlrudiment; aan den voet stomp
of afgerond, niet tot een steeltje versmald; geel- of grijs-kort-viltig-
behaard, soms met wratten bedekt; 40 —30 mM. lang ; 4-kleppig open-
springend met vleezig-houtige kleppen; vooral bij jonge vruchten de
— 43 — MELIACEAE.
vruchtwand rijk aan kleverig wit melksap. Zaden in den vorm van
een bolsector, aan de rugzijde met een kastanjebruine, dunne broze
zaadhuid aan de geheele buikzijde met een zeer dikke vleezige met
de zaadhuid vergroeide roode zaadrok bekleed, die aan den voet een
6 mM. dikke kap vormt. Zaadlobben naast elkaar, soms door een
schuin vlak gescheiden op f/, boven het midden aan het plantje
bevestigd; worteltje klein, onbehaard naar boven gekeerd; pluimpje
zeer weinig ontwikkeld.
Geogr. verspreiding: Geheel Java op 0—1100 M. zeehoogte.
De typische vorm alleen in Oost-Java; de exemplaren van M.- en W.-
Java min of meer overgangsvormen tot de var. minor. In enkele streken
nogal algemeen o.a. vruchtbare laagvlakte van Rogodjampi (Banjoewangi).
Meestal nogal zeldzaam Im enkele streken zeer zeldzaam geworden,
doordat het hout zeer gezocht is. Door ons nog gevonden bij Palaboean
ratoe in Z. Preanger op 100 M., bij Soebah in Pëökalongan op 10 M.
zeehoogte, bij Pringàmbà en op G Kapal (== G. Djaran) in Banjoemas
op 1000 M., bij Pantjoer in afd. Sitobondo op 1000 M. en bij Takoka
op 1000 M. en op Noesakambangan. — Buiten Java: „Malakka”’ (Krac).
Sumatra (Mrqver). — Standplaats: Hoogstammig soortenrijk altijd-
groen oerwoud op constant vochtigen vruchtbaren grond. Niet in loof-
verliezende bosschen gevonden. — Voorkomen: Nooit gezellig. —
Ouderdom: Aanzienlijk. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en
vruchttijd: Door ons bloemen gevonden in zeer verschillende maanden,
maar vooral bloemen in Oet. en Nov. Rijpe vruchten o, a. verzameld
in Oet, echter niet tegelijk met bloemen aan denzelfden boom. In bloei-
tijd zijn de vinger- en armdikke takken soms zóó dicht met de witte
bloemtrossen bedekt, dat zij er geheel wit uitzien. De groeiplaats in
het boseh wordt dan verraden door den sterken zoeten niet zeer aange-
namen bloemgeur en talloze op den grond liggende afgevallen witte
bloemen. Nogal rijkvruchtdragend. — Gebruik: Hout: Algemeen hoog-
geschat om fraai uiterlijk, groote duurzaamheid en sterkte; voor meubels,
huis- en bruggenbouw gezocht. Balken van 15 M. en meer lengte bij
30 eM. en meer middellijn niet moeilijk (evenwel slechts in kleine hoe-
veelheden) te krijgen; het minst bezwaarlijk wellicht in distr. Rägadjampi.
In afd. Banjoewangi bij gebruik als brugstijlen mintens 10 jaar bruik-
baar geacht. In het Museum Hort. Bogor bevinden zich thans een paar
houtmonsters (Kops. 22208 3) door T OrtoLaANper ingezameld van boom-
stammen, die vóór 10 jaar (1885) geveld zijn en hoewel al dien tijd aan
wêer en wind blootgesteld, er nog gaaf uitzien. Alleen van buiten heeft
het hout eenigszins geleden en natuurlijk is het spint geheel verdwe-
nen. Schors, enz.: Aan ons geen gebruik bekend. Smaak der bladeren
wrang en van de schors eenigszins? bitter. — Hout (techn. eig):
Spint. wit. Kernhout zeer breed; vuil bleekeitroengeel, fijndradig, reukeloos.
Cultuur: Om het duurzame hout zeer aantebevelen. Waarschijnlijk
bruikbaar in reboisaties m. h. oog op irrigatie in lagere bergstreken
van geheel Java. — Inl. namen: In afd. Banjoewangi constant met
uitsluiting van alle andere boomsoorten Tjömpdgd, j. (Niet te verwarren
MELIACEAE. — 44 —
met Tjömpâkà, j. welke naam voor eenige Magnoliaceae geldt). In Pöka-
longan bij Soebah Tjepâgd, j. Bij Pantjoer (afd. Sitobondo) en bij Sim-
polan-Tjoramanis (afd. Djömbör) in Bèësoeki eonstant Kheuroeh, md.
Deze naam niet te verwarren met Garoe, j. Aldus heet veelal een soort
van Aguilaria. Bij Takòka in de Preanger meestal Pingkoe,s geheeten.
Bij Pringämbäà (Banjoemas) bij name meestal ombekend; dáár soms met
den zeer localen onzekeren naam ? Woeroe-tjelirang, j. Op Noesa-kam-
bangan ook weinig bekend, Bawangan, j. geheeten en met andere Dysory-
lum-soorten verward. Bij Sëémpolan (Bösoeki) wel eens dmpeuloeh, md.
genaamd. Van deze namen Tjömpägd, j. het meest constant. Bij Soerdjà
in Pëökalongan soms Kraminan, j. geheeten. — Habitus: In bloeitijd
typisch (zie boven). In blad niet in het oogvallend.
Aanm. Beschrijving naar talrijke exemplaren van Herb. Kps. vergeleken met origineel
exemplaar van Epicharis altissima BLumre uit Herb. Lugd. Bat.
Van D. trichostylhum MrQ. konden wij slechts een enkel blad uit Herb. Lugd. Bat,
vergelijken, dat oppervlakkig nogal van de eigenlijke D. deusiflorvm schijnt te verschillen;
bij vergelijking van dit exemplaar met een bloemdragend van Herb. Kps. (4969 3) bleken
de bloemen alleen door de geringere grootte, langere bloemsteeltjes en iets kleinere schutbladen
van D. densiflorum te verschillen. Ook in de besehrijving bij MrqveL wordt geen enkel
ander verschil genoemd, en daar juist de lengte der bloemsteeltjes bij verschillende
exemplaren van D. densiflorum zeer varieert, gelooven wij, dat er geen voldoende gronden
zijn deze soorten gescheiden te houden. De beschrijving door CDC. van D. trichostylum
gegeven naar een authentiek exemplaar in het Herbarium van Utrecht verschilt niet
onbelangrijk, zoowel van de beschrijving bij MrqveL als van die van onze exemplaren;
volgens hem toch zijn de kroonbladen onbehaard, is de schijf van buiten en van binnen
behaard en zijn de bladeren onbehaard.
Er schijnt dus in het Herbarium van Mrquer nog een andere soort onder de D. trichostylum
verborgen te zijn (misschien Epicharis glabra Bu. Herb., Mrq. l.e. 7).
De exemplaren uit Engelsch-Indië schijnen volgens de beschrijving van KinG af te
wijken door de onbehaarde meeldradenbuis en vooral doordat de vrucht naar onderen in
in een steeltje (»pseudo-stalk”) moet uitloopen, hetgeen bij de Javaansche exemplaren nooit
het geval is, hier is het litteeken van de afgevallen kelk altijd onmiddellijk onder de vrucht;
die hoogstens eenigszins toegespitst is.
De variëteit Sumatrana Mrq. schijnt ons niet in eenig belangrijk punt van het type
af te wijken; hier zijn overigens de bloemen duidelijk gesteeld en de schutbladen klein.
var. minor K. et V.; Dysorylum trichostylum Mia. Ann. Le. 11
Bladeren meest 4—6-jukkig; meer of minder lang-behaard, „in som-
mige exemplaren onbehaard” (Mrgver 1 e.); in ’t algemeen kleiner, dan
bij het type, maar aan den zelfden boom varieerend; bladspil 170 — 400
mM. lang. Blaadjes meest kleiner, dunner, dikwijls smaller en verder
uiteengeplaatst dan bij het type, met smalleren, echter zeer ongelijken
naar voren afgeronden voet, in sieeo meer vliezig doorschijnend en met
zeer fijne dicht op één geplaatste doorschijnende stippels, lichter van
kleur; somtijds met een geringer aantal zijnerven (10-14) Sehutbladen
klein (1 mM.) van denzelfden vorm als in het type, maar dikwijls smaller
en langer toegespitst; Bloemen kleiner (7 mM.); bloembladen voor-
namelijk aan den top behaard, naar onderen slechts weinig behaard.
Schijf zeer zwak-onregelmatig-gekarteld. Doosvruchten elliptisch, dicht
geelachtig, kort-viltig. Overigens alles als bij het type.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen op de volgende plaatsen
gevonden: In Bantön op den G. Karang en den G. Poelasari bij Tji-
— bj — MELIACEAE.
manoek op 1000 M.; in de Preanger bij Takoka op 1000 M.; op den
G. Djaran (—=G. Kapal) in afd. Bandjernëgara op 1000 M. Nergens al-
gemeen. Door Brume nog op den G. Salak gevonden.— Standplaats
Bladafval, Ouderdom: Als D. densiflorum Mia. Buiten Java: Niet
bekend. — Gebruik: Algemeen hooggeschat voor meubel- en bouw-
hout; vooral in de Preanger. Schors enz.: niet gebezigd.— Cultuur:
Aantebevelen als D. densiflorum Mig — Inl. namen: Bij Takoka in
de Preanger meestal Pingkoe, s. genoemd.; door sommige inlanders dààr
Maranginang, s. en ? Pisitan-monjèt, s. of evenals in Bantún bij Tjimanoek
Kapinango, s. Im afd. Bandjarnëgara constant (?) Welahan, j— Habi-
tus: Als voorgaande soort; maar o. a. in blad eenigszins afwijkend.
Arbor 35—40 M. alta. Ramuli cortiee rugulosa nigrescente, crassiusculi.
Folia imparipinnata, rarissime abortu paripinnata, juvenilia cum innova-
tionibus pubescentia vel: villosa, 5—B-juga, 300—540 mM. longa, rhachi
cum petiolo basi parum inerassato, complanato leviter sulcato, acutangulo,
pubera. Foliola alterna, rarius opposita vel subopposita, summa magis
approvimata rarissime stricte opposita; 3 terminalia obovato-lanceolata,
basi magis attenuata aequalis cetera lato-oblonga apiculato-acuminata, basi
rotundato-truncata saepe valde inaeqwilatera, basis parte anteriore late ro-
tundata foliolum oppositum eum rhachi imbricante, parte posteriore plus minus
resecta, breviter vel brevissime (terminale mediocriter) petiolwlata (2 —3—7
mM.); coriacea; subtus ad nervos cum petiolulis et rhachi villosula vel
pwbescentia, in sieco (adulta) opaca; im vivo saturate viridia, dense subti-
lissime pellueido-punctata, (1) nervis utringue 14—18 fortioribus, patulis,
rectis prope marginem adscendentibus, retieulatione venarum saepius conspi-
eua. _HFoliola circ. 170 longa et 60 lata in ramis sterilibus saepe majora;
210 longa et 65 lata apieulo 10—15 mM; inferiora minora. Racemi
in axillis saepissime defoliatis, saepe etiam in ramulis annosis, circ. di-
gitwm crassis 1—10 fasciculati graciles, spiciformes, saepius numerosissimi
pubescentes vel villosi 25—100 mM. longi. Flores albi ingrati odoris;
6—10 mM. longi; breviter nune brevissime pedieellati (pedicellis O— 2 mM.
in var. minor 2—4 mM.), alabastra parwmper globosa, mox corollae erup-
tione oblonga; bracteae late ovatae naviculares apiculatae, pedicellis sac-
pius cire. aeqwilongae vel longiores (+ 2 mM.) (in var. minor breviores
angustiores). Calyx patente-campaniformis, usque medium 3 A-fidus,
lobis obtusis, saepe inaequalibus (2—5 mM. altus), parce hirtellus. Petala
extus appresse hirtella, subvalvata in floribus fertilibus demum cum calyce
cireumseisso, tubo et tubulo, decidua, eodem modo ut in D. caulostachyo.
(4) Diachyma eellulis seeretoriis rotundis magnis in quovis strato cellularum reple-
tum, materies secreta opaca, haud pellucida; punetula pellucida in foliis junioribus mi-
nutissima a cellulis cristalliferis in staurenchymate numerosis oriuntur,
MELIACEAE. — 46 —
Tubus stamineus 8—10-laciniatus, lobis alte emarginatis extus appresse
parce pilosus intus villosus 8 mM. longus, lobis fere 1 mM. Antherae
8—10 ellipticae inclusae parvae saepe cassae. Pollen globosum plicis
4 _binis oppositis conspicuis, poris in medio plicarum transverse ellipticis,
2232 u diam. Diseus breviter tubulosus ore obtuse 4—5-denticulatus,
glaber, intus pilis raris retrorsis, pistilli 4 aequans (3 mM. altus).
Ovarium cum stylo toto hirsutum, parvum, A-loculare; loculis 1-ovulatis,
interdum obsoletis. Capsulae succo lacteo valde glutinoso, modo ohovatae
apice depressae, modo ellipsoideae utringue acutae, nunguam (ut habet Kine)
basi in stipitem (pseudo-pedicellum) attenuatae, minute-dense-griseo-vel fla-
vido-pulverwlento-tomentellae, in typico lenticellatae fere glabrae, brevissime
pedicellatae, 40—30 mM. longae. Semina 16—20 mM. longa subtrigona,
dorso convera; intus angulata, ibique hìilo angusto placentae adnata
dorso testa tenui fragili badia, ventre arillo valde carnoso testae adnato,
basi et apice cuculliformi rubro induta. Cotyledones integrae, modo colla-
terales, modo plano diagonali separatae, inaegquales, supra medium (circiter
ad 4 seminis longitudinis inde ab apice) plantulae affirae; radicula su-
pera glabra; plumula subnulla.
var. minor. K. ef V. — Dysoxylum trichostylum Mrq. (non C. Dre.) in
Ann. U. ce. 11. Folia ad rhachin et petiolulos subtus pubescentia vel raro
glabra (teste MrQurr); 4—6-rarius T-juga, rhachi 170—400 mM. longa;
Foliola quam in genuina minora, saepe angustiora, basi valde inaequals
hine rotundata, illinc resecta acuta, longiuscule petiolulata, (petiolulis
hine 4, illine 10—12 mM.) tenue coriacea, minute, pellucido-punctulata
nervis 10—14; 100—180 longa et 40—60 lata. Bracteae quam in ge-
nuina minores, angustiores, longius acuminatae (1—2 mM. longae) pe-
dicelli longiores (2—4 mM); flores minores (T mM). Petala imprimis
ad apicem pubera, deorsum modo glabrescentia; discus minutissime cre-
nulatus. Capsulae ellipsoideae dense flavido-tomentellae. Cetera omnia
genuinae.
Adnotatio. Dysoxylum trichostylum e descriptione Mrgurum a D. den-
sifloro nullum exhibet discrimen nisi pedicellos longiores, bracteas angustiores.
Specimina florigera ex herb. Kps. cum originali D. trichostylo bene
congruentia, florum structura in omnibus partibus D. densifloro similia
sunt et vir nisi floribus minoribus longius pedicellatis (charactere vero
in D. densifloram minime constante), foliis minoribus, foliolis tenuioribus,
basi acutioribus longius petiolulatis a genuino D. densifloro differunt, Ba
ASS MErIACEAE.
pro varietate hujus specie igitur habemus, potius quam pro specie dis-
tincta. Planta a Cpe. descripta ex specimine originali in Herb. Rhen.
Traj. tam a descriptione Mrquruu quam a nostra variis notis (petalis gla-
bris!) recedit et forsitan speciem propriam constituere videtur.
b. Bloeiwijzen uit de oksels.
a Bladeren 2—6-jukkig evengevind; bloem meest A-tallig.
aa. Bloembladen van buiten onbehaard. (soort 4—7).
4, Dysoxylum alliaceum Br! Bijdr. L 172; Miq. Ann. Lc. p.
22; Flor, IL. B. IL. 2. p. 536; CDC. 1. ce. p. 482. ; — Guarea alliacea
Br. Flor. bot. Zeit 1824 I p. 290; — TFrichilia alliacea SPRENG.
syst. ; — Dysorylum longifolium Bru. Ll. e.; D. acuminatissimum Br.
Le.; — D. laziflorum Br. le.; MrQ- Le.;— Prasorylon alliaceum
Roru. le. p. 101; — Hartighsea Forsteri TeysM. et Binn. Cat Hort
Bog p. 211 exel. syn. Rorm.-- Alliaria Rumru. Amb. IL 81 tab.
20 (synn. teste Miq: et CDC.) — Dysorylum excelsum, Br, var.
glabriflorum MiQ!== D. excelsum var. glaberrimum CDC. Le.
Hooge boom H == 20—25 M. bij D == 40 —60 cM‚ Stam : Meestal
nogal recht ; met kleine wortellijsten ; met ondiepe gleuven. Takken:
Onderste zware takken soms nogal laag bij den grond; meestal rijk
verdeeld. Kroon: Onregelmatig ; meestal nogal dicht; niet bijzonder
hoog-aangezet. Schors: 8 mM. dik. Bros. Buiten donkergrauw.
Doorsnede vuil oranjebruin. Binnen vuil wit. Met veel fijne dwarsche
en overlangsche barsten. Zonder lenticellen. Zonder melksap. Zon-
der bladgroen.
Twijgen dun bruingrauw, fijn-gerimpeld, zonder lenticellen.
Bladeren evengevind, (bij uitzondering wordt wel een eindblad
gevormd door abortus van een der blaadjes), 4—5—6-jukkig ; meest
S-jukkig, meestal met overstaande blaadjes (aan denzelfden boom
kunnen de blaadjes soms afwisselend staan). Bladspil en steel rol-
rond, van boven afgeplat en min of meer gegleufd, onbehaard, min
of meer houtachtig. Bladsteel in siceo eenigszins dwars-gerimpeld
alleen geheel onder aan den voet aangezwollen (soms zeer sterk) en
MELIACEAF. 4)
daar eenigszins kurkachtig. Blaadjes middelmatig- of langgesteeld
met van boven gegleufde en aan den voet dikwijls kussenvormig
aangezwollen steeltjes; meest elliptisch-langwerpig of langwerpig
met breeden of smallen, min of meer toegespitsen voet en meest
kort-, vrij stomp-toegespitsten top; dun-leerachtig geheel onbehaard,
niet doorschijnend gestippeld; in sieco donkerbruin, aan de onderzij-
de roodachtig-zwartbruin; met 9—12 paar dunne weinig uitspringen-
de zijnerven, in sicco evenals de hoofdnerf meest donkerbruin of
zwartachtig; secundaire aderen meest niet of nauwelijks zichtbaar.
Jonge bladeren langs hoofdnerf en zijnerven soms iets behaard,
gpoedig geheel onthaard. Volwassen bladeren levend geheel glim-
mend gewoon groen of beneden lichtgroen. Jonge bladeren geheel
lichtgroen. Bladspil met den steel meest 250—280 mM. lang.
Bladsteel 50—100. Blaadjes in vorm en grootte zeer varieerend .
160 bij 50 mM. tot 130 bij 65. Bladsteeltje 6-15 mM. Grootste
blaadjes volgens Miquer 240 mM. lang bij 70. Pluimen even lang
als de bladeren (300 — 370 mM.) of weinig langer dan de bladsteel;
in enkele specimina (2204a van Tjigenteng en 51534 van Tjibodas)
veel korter dan de bladsteel (40 mM.) en dan met weinige onver-
takte zijtakjes; meest sterk vertakt met opgericht uitstaande pluim-
vormig vertakte zijtakken, die aan de secundaire zijtakjes trosvormig
de bloemen dragen. Bloemen wit, met zwak aromatischen reuk;
onbehaard, nogal klein; naar het schijnt eenigszins polymorph, 6—S
mM. lang op 2—3 mM. lange steeltjes met 1 of twee zeer kleine
spitse behaarde schutblaadjes. Kelk wijd napvormig met zeer breede
ongelijke meest cuspidate tandjes, onbehaard. Kroonbladen 4—5,
lijn-langwerpig, spits, klepvomig met ingekromde punten; in den
bloei tot aan den voet vrij uitstaande en omgekruld. Meeldraden-
buis met 8—10 afgeknotte onder de loupe onregelmatig gekartelde
zeer korte tanden van buiten uiterst fijn-dun-behaard, bijna onbehaard ;
van binnen fijn-langharig. Helmknopjes S—10, langwerpig ; bij som-
mige exemplaren (in? alle bloemen) zonder stuifmeel (o. a. in
4900 B van Tjigenteng); in de buis ingesloten. Stuifmeel bolvormig
met 4 smalle in de lengte loopende plooien in het midden van
verdikte velden, met langwerpige poriën, dwars daarop geplaatst
(40-45 g). Schijf buisvormig, onduidelijk S—10-tandig (somtijds
DysoxyYLuM. — 49 5 MELIACEAE.
(4—5 tandig?) eylindervormig of van onderen sterk verbreed, gewoon-
lijk veel korter dan de halve stamper, van buiten zeer dun uiterst-
fijnharig met uitstaande haartjes, (volgens CDC. van buiten onbe-
haard) langs den rand en van binnen lang-dun-behaard. Hierstok
bolvormig bijna even lang of half zoo lang als de schijf, aanliggend-
behaard; 3—4-hokkig met twee eitjes boven elkaar in elk hokje;
stijl vleezig nagenoeg onbehaard; stempel schijfvormig. Vrucht
1_—4-hokkig, tusschen de hokjes ingesnoerd en daardoor gelobd of
niervormig, met ingezonken stijl-overblijfsel, van onderen afgerond en
niet of bijna niet in een steeltje uitgetrokken; de éénhokkige vruchten
bijna bolvormig met zijdelings geplaatst stijl overblijfsel, melkwit
(of soms varieerend tot roze en violet?), wand stevig-vleezig-leer-
achtig, eerst na het openspringen droog en leerachtig wordend, Zaad
langwerpig-bolvormig, met ronden navel nabij de basis aan de
buikzijde bevestigd, met dikke melksaphoudende menieroode zaad-
huid, die gemakkelijk van de kiem loslaat. Kiem lichtgroen, sterk
naar uien riekend, met naast elkaar of meestal sclfeef boven elkaar,
hoogst zelden boven elkaar geplaatste zaadlobben en buikstandig
worteltje boven den navel naar de placenta (somtijds schuin naar
boven) gekeerd, behaard, ingesloten, uitwendig zichtbaar en met een
verheven wal omgeven; pluimpje klein, behaard.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. en wel hoofdzakelijk naar exemplaren uit Pa-
ngéntjòngan (13638 8 en anderen). Volgens Mrqurr (Ann. l.c.) varieert deze soort in
den vorm der bladeren; welke verschillende vormen door BLUuMe als soorten onder de
namen D. acuminatissimum, D. longifolium en D. lariflorum zouden zijn onderscheiden.
De laatste wordt weder door C. Doc. als variëteit afgescheiden. Al onze exemplaren on-
derscheiden zich van de beschrijving van C. Dc. doordat de schijf duidelijk uitstaande-
behaard is (volgens C. Dc. onbehaard). Ook bij een origineel exemplaar van BLuME in
Herb. Bog. is de schijf (in de bloemknoppen) van buiten behaard. Al deze exemplaren
moeten dus misschien tot de var. 3 gerekend worden, waarvan C. Dec. opgeeft dat de
schijf langharig (villosus) is. Van het origineele verschillen onze exemplaren door de
veel langere aan den voet kussenvormig verdikte bladsteeltjes. Uit Midden-Java ontbreken
ons bloeiende, en met zekerheid tot deze soort behoorende exemplaren terwijl een enkel
exemplaar uit Oost-Java (Herb Kps. 13259 @) door ons wegens de groote gelijkenis
van het herbarium exemplaar als variëteit hiertoe is gebracht, ofschoon de schijf 5-tandig
en dicht behaard is en dus van het type afwijkt.
Geogr, verspreiding: Geheel West-Java; o.a. op 700—1000 M.
op den Karang en Poelasari in Bantën; op 1000—1500 M. op den
G. Gëädeh, G. Galoenggoeng en het Kèndëng-gebergte in de Preanger
resp. bij Tjibòdas, bij Pangëntjòngan en Tjigenteng. Im Midden-Java
door ons alleen op 1400 M, op den G. Slamat in Tëgal boven Simpar
4
MELIACEAE. — 50 — DrYsoxrLum.
gevonden en op 1000 M. bij Pringämbà in Banjoemas. Op de meeste
plaatsen niet zeldzaam; nooit algemeen. Buiten Java: „West-Sumatra”
(Mra.). „Bergbosschen van Ambon” (Rumepmus). ?Op Malakka en Borneo
onder den naam D. thyrsoideum Hirrn. — Standplaats: Alleen op
constant vochtigen vruchtbaren grond in altijdgroene heterogene schaduw-
rijke bergbosschen aangetroffen. — Ouderdom: Aanzienlijk. — Bloei-
en vruchttiijd: Het geheele jaar door bloemen en vruchten, soms
beide tegelijk aan denzelfden boom gevonden. Meestal niet zeer rijk bloe-
iend. — Gebruik: Hout: Door de inlanders soms voor huisbouw gebe-
zigd; echter niet bijzonder hooggeschat, Rumrpmrvs noemt het duurzaam
en licht, maar zegt op een andere plaats, dat het weinig gebruikt wordt.
Hout effen vuil wit; geen kernhout. Spint versch iets naar uien riekend.
Schors, enz.: Aan ons is op Java geen gebruik bekend. Ruxrurus
vermeldt, dat vóór den invoer van uien en knoflook de zaden als
surrogaat hiervoor op Ambon dienden. R. vermeldt den uienreuk ook
voor de bladeren, de schors en het versche hout. Sehors van alle
door ons onderzochte boomen naar uien en bovendien walgelijk en
eenigszins bitter smakend. De reuk naar uien is voor de stamschors
van sommige der onderzochte boomen bijna niet waartenemen. Eigen-
aardig is, dat de jonge bladeren van enkele door ons onderzochte
exemplaren niet naar uien ruiken, terwijl meestal de reuk zeer sterk is.
Smaak der jonge en volwassen bladeren steeds naar uien en iets bitter.
— Cultuur: Niet aantebevelen, tenzij tusschen andere boomsoorten in
reboisaties m. h. dog op irrigatie in bergstreken van M.- en W.-Java. —
Inl. namen: Meestal Ki-bawang, s.; soms Pisitan-mònjèt, s. Vooral
de eerste naam nogal vast. De laatste ook voor andere Dysoryum-
soorten gebezigd. Bij Simpar in Tögal met den zeer localen naam Pela, j.
Aan vele inlanders in Bantën door de locale zeldzaamheid bij name
onbekend. — Habitus: Niet in het oogvallend. Im het bosch echter
te herkennen, doordat op Java zoover bekend geen andere boomen
voorkomen met grofgevinde bladeren en met naar uien smakenden schors,
bladeren en zaden dan deze en een paar aanverwante Dysorylum-soorten.
„Var. 3 laxiflorum” CDC. (Brume spec.)
„Blaadjes afwisselend; zijtakken der pluimen iijlbloemig; schijf van
buiten met naar boven gerichte lange haren” (CDC. le. 4835). Volgens
Brume zijn de bloemen zeer geurig.
Aanm. Ontbreekt? in Herb. Kps. Zie echter aanm. blz. 49.
Var. 7 pauciflorum K. et V.
Bladeren der bloeiende twijgen 2—5-meest 4-jukkig; blaadjes klein,
nagenoeg overstaand, gewoon groen, langwerpig, spits-toegespitst 100 mM.
lang bij 40; bladsteeltje 10 mM.; jonge bladeren donkerroodbruin, sterk
naar uien riekend. Bloeiwijze even lang of korter als de bladsteel;
30—50 mM. lang; zijtakjes weinig-bloemig. Bloemen 7—8 mM. lang
wit, reukeloos; kelk fraai lichtgroen, helmknopjes geelbruin, overige deelen
leliewit; buis van boven met een bruin randje. Buis eenigszins kroesvormig,
bovenrand onduidelijk gekarteld, van buiten met weinige, zeer aan de
dunne aanliggende haren. Helmknopjes 10; zonder stuifmeel. Schijf
eylindervormig 10-tandig, van buiten met verspreide uitstaande haartjes, van
binnen en aan den rand dicht-lang-behaard, half zoo lang als de stempel,
tweemaal zoo lang als de eierstok, Vrucht bolvormig 15 mM. diameter,
DysoxyLum. — 51 — MELIACEAE.
Aanm., Beschrijving naar een enkelen boom (Herb, Kps, 4901 ). — Stam, kroon, schors
verdienen in loco nog onderzocht te worden; zoomede verschil in boomhabitus met dáár
groeiende exemplaren van het type.
Geogr. verspreiding: Slechts één boom gevonden n.l. in hoog-
stammig heterogeen schaduwrijk oerwoud op vruchtbaren constant vochtigen
grond op 1000 M. zeehoogte bij Takoka in de Preanger (afd. Soekaboemi).
Var. ò lanceolatum K. et V.
Blaadjes nagenoeg afwisselend, 5-jukkig; ei-lancetvormig of lang-
werpig-lancetvormig, naar boven versmald met stompen top, aan den
voet ongelijk afgerond-wigvormig 125—190 mM. lang, bij 70—60 kort
gesteeld. Pluimen langer dan de bladsteel, met stevige hoofdas en
rechtuitstaande zijtakken. Bloemknoppen afgeknot-ceylindrisch. Bloemen
wit; sterk welriekend; buis bijna onbehaard; schijf evenlang als het ova-
rium; breed-afgerond-5-tandig; wan bwiten en aan den rand zeer dicht-
lang-behaard. Vrucht onbehaard.
Aanm. Beschrijving naar 2 specimina: Herb. Kps. 5144 2 en 13259 3. — De stam,
kroon, schors, het hout, enz. zijn van deze boomen nog niet onderzocht. Dergelijk on-
derzoek in loco is zeer gewenscht. Een der 2 van deze eigenaardige variëteit gevonden
boomen is „genummerd” (zie Jaarverslag ’s Lands Plantentuin 1893) en daardoor op het
terrein gemakkelijk terug te vinden.
Geogr. verspreiding: Slechts 2 boomen door ons gevonden nl. op
0-50 M. zeehoogte in hoogstammig heterogeen altijdgroen oerwoud bij
Soebah in Pëékalongan en bij Rägâdjampi in Banjoewangi.
Arbor 20—25 M. alta. Ramuli minute rugulosi, elenticellosi. Folia
pari-pinnata (abortu folioli singuli interdum impari-pinnata) A—5—6-juga
(saepius 5-juga) foliolis saepius oppositis (in ecodem specimine saepe et
alterna occurrunt). Rhachis eum petiolo teres, supra complanata et obi-
ter sulcata, lignescens; petiolo in sicco saepe leviter transverse ruguloso
ima basi incrassato et swberoso. Foliola breviter modo longiuscule pe-
tiolulata; petiolulis supra sulcatis, basi incrassatis; elliptico-oblonga vel
oblonga basi lata vel angusta magis minusve acutata apice breviter obtuse
acuminata, tenui-coriacea, glaberrima, epunctulata; in sicco badia, subtus
fusco-rubescentia; nervis lateralibus 9—12 teneris parum prominulis nigres-
centibus, vends vie conspicuis. Folia novella ad costam et nervis parce
pubera. Rhachis cum petiolo 250—280 mM. longa (petiolo 50 —100)
Holiola forma et longitudine valde varia; modo 160 longa et 50 lata,
modo 130 longa et 65 lata; petioluli 6—15 mM; foliola majora teste Mi-
guel 240 mM. longa et 70 lata. Paniculae modo foliis aequilongae
(300—370 mM.}) modo petiolo parum longiores, modo multo breviores
(40 mM. longae), puberae; saepius valde ramosae, ramis erecto-patulis,
MerrACKAF. — 52 — DysoxyLuM.
ramulis racemoso-florigeris. Flores glabri parvuli (6—8 mM.) albi leviter
suaveolentes, breviter pedicellati (2—3 mM.) bracteolis 1 vel 2 minutis,
acutis puberis. Calyx late cupularis dentibus latis inaequalibus saepe ro-
tundatis cuspidatis, glaber. Petala 4—5 lineari-oblonga valvata apice in
curva, sub anthesin libera patulo-reflexa. Tubus stamineus dentibus 8 —10
brevibus, truncatis, sub lente irregulariter erenulatis, extus subglaber vel
minute puberulus, intus villosulus. Antherae 8—10 oblongae, saepe cassae
inclusae. Pollen globosum; 40—45 wu diam areis inerassatis 4, plicis
elongatis longitudinalibus, poris oblongis transversis. Discus teres obscure
8—10 dentatus (interdum 4—5 dentatus) nunc basi valde dilatatus, extus
(in speciminibus nostris omnibus) parce puberus pilis patulis (teste C. Do.
glaber), intus et ad orificium villosus; pistillo dimidio brevior. Ovarium
globoswm, disco dimidia parte brevior vel subaeqwilongus 3—4-loculare,
ovulis superpositis; stylus carnosus subglaber; stigma discoideum. _Cap-
sulae 1—4-loeulares lobatae vel reniformes, vertice depresso styli rudi-
mento notatae, basi rotundata non stipitata; monospermae, subglobosae,
vertice laterali; lacteae (modo roseae vel violaceae); pericarpio coriacco-
carnoso, post dehiscentiam coriaceo. Semina oblongo-globosa hilo rotundo
ventrali-basali; testa crassa lactescens miniata embryon laxe induens. _Em-
bryon pallide viride, odore forti alliaeeo; cotyledones collaterales, vel obli-
que sibi inewmbentes, raro superpositae; radicula ventrali horizontali vel
obligue supera, hirtella, inelusa sed ad superficiem conspicua; plumula
parva dorsali hirtella.
„@ laxiflora.” C. De. (Brumer spec.)
„Foliola alterna; rami paniculae laxiflori, discus extus antrorsum vil-
losus” (C. Do. l. c. 483) (teste Brumm flores valde suaveolentes).
y pauciflora. K. ef V.
Folia ramorum florigerum A-juga (2—5-); foliola parva subopposita
oblonga acute acuminata 100 mM. longa 40 lata, petiolul. + 10 mM.;
adulta viridia novella fusco-rubesscentia odore forti alliaceo. Paniculae
petiolo breviores 30—50 mM. longae; ramuli pauciflori. Flores 1T—S8
mM. longi, albi, subinodori, sapore alliaceo; tubus suburceolaris obscure
crenulatus extus pilis parcis appressis conspersus. Antherae 10 nune
cassae. Discus ecylindraceus 10-dentulus, extus parce puberulus, intus et
ad orificium dense villosus, ovarium duplo superans. Capsula parva glo-
bosa 15 mM. diam,
DysoxyYLuM. — 53 — MELIACEAE.
9 lanceolata. K. ef V.
Foliola subalterna, 5-juga, ovato-lanceolata vel oblongo-lanceolata, sursum
attenuata apice obtusa, basi inaequali rotundato-cuneata 125 —190 mM.
longa et 70—60 lata breviter petiolulata. Paniculae petiolo longiores,
rhachi robusta ramis patentissimis. _Alabastra truncato-cylindrica; tubus
subglaber, discus ovario aeqwilongus, dentieulis 5 latis rotundatis, extus
etl ad marginem villosissimus. Vix conspecifica.
5. D. elabrum Cas. Dec. le. 483. (An jure a D. alliacea dis-
tinguendum ?)
„Twijgen onbehaard, zwartachtig-grijs, zonder lenticellen. Bla-
deren niet zeer lang gesteeld (+ 45 mM.) 5-jukkig ; bladsteel rond ;
blaadjes overstaand of bijna afwisselend, elliptisch-langwerpig, met
gelijken spitsen voet, en zeer kort spits toegespitsten top; stevig
ondoorschijnend, onbehaard, de bovenste 175 mM. lang bij 38, met
+ 9 uitstaand-opklimmende afwisselende zijnerven; bladsteeltjes
+ 5 mM., gegroefd. Pluimen gesteeld onbehaard iets korter dan
de bladeren, de onderste zijtakken + 45 mM. lang, uitstaand, nogal
dichtbloemig. Bloemen kortgesteeld (gedroogd roodachtig); kelk van
buiten fijn kort behaard, 4-tandig met afgeronde, fijn-toegespitste
tanden. Bloembladen onbehaard (+ 6 mM. lang) spits toegespitst ;
buis ei-eylindervormig met korte slippen aan beide zijden behaard.
Helmknopjes 8, elliptisch (+ 1 mM. lang). Schijf eylindervormig
4-lobbig, aan beide zijden dun-behaard, aan den rand gewimperd.
Eierstok kegelvormig aanliggend-kort-behaard ; stijl onbehaard 4-hok-
kig, met 2 boven elkaar geplaatste eitjes” (C. Doc.)
Aanm. Beschrijving overgenomen. Ontbreekt in Herb. Kps. Volgens C. Drc. wijkt
deze soort van D. alliaceum af door den niet geheel onbehaarden kelk, de iets langere
bloembladen, den aan beide zijden behaarden 4-lobbigen schijf en den kort behaarden
(niet grof harigen) eierstok. Al deze kenmerken komen echter ook bij de door ons als
D. alliaceum beschreven specimina voor; zoodat het ons moeilijk schijnt de beide soorten
gescheiden te houden.
Geogr. verspreiding: Door C. DC. alleen Java vermeld zonder
nadere opgaven van de vindplaats. Door De Vriese ontdekt.
MELIACEAE. — DA — DyYsoxyLuM.
„Foliis modice petiolatis, 5-jugis ; foliolis oppositis vel subalternis, bre-
viter petiolulatis, supra subtusque glabris, elliptico oblongis, basi aequali
acutis, apice brevissime acutiuseule cuspidatis, paniculis peduneulatis, gla-
bris, breviter ramulosis, elongatis, ramulis patentibus subdensifloris; flo-
ribus breviter pedicellatis; calyce extus subtiliter puberulo, 4-dentato; pe-
talis glabris; tubo subovato cylindrico, breviter lacinulato, utringue puberulo ;
tubulo ecylindrico, 4 lobulato, utringue puberulo, margine ciliato; ovario
conoideo adpresse puberulo; stylo glabro.”
„Ramuli glabri, fuscescenti-argillacei, elenticellosi. Folia 27 cent. longa;
foliola firma, opaca, superiora paullo majora 17 cent. *|, longa 38 mill.
lata; nervis secundariis patulo-adscendentibus, alternis utringue circiter
9, subtus viv prominulis; petiolulis circiter 5 mill. longis supra leviter
sulcatis. Petiolus subteres glaber, cireiter 45 mill. longus. Paniculae folia
paullo breviores ramuli inferiores ad 45 mill. longi, reliqui gradatim bre-
viores. Alabastra ovata. Flores sicci rubescentes. Calycis membranacei
dentes rotundati, apice acute euspidati. Petala 4 circiter 6 mM. longa,
membranacea laciniosa, apice acute acuminata. Antherae 8, circiter 1 mill.
longae, el ipticae, dorsi supra basin sessiles. Stylus basi puberulus, cum
stigmate brevissime cylindrico supra 4d-sulcato tubum paullo superans. Ova-
rium 4-loculare, loewlis, ovulis suwperpositis” (Cas. Dec.)
6. D. fraternum, Mrq. Ann. l.c. 25.
„Knoppen rossig behaard, spoedig kaal wordend. Bladeren even-
gevind, 5—4-, soms l-jukkig. Bladspil gegroefd, met den steel
190—300 mM. lang. Blaadjes bijna recht- of recht-overstaande,
gesteeld; elliptisch-langwerpig met gelijken spitsen voet, en lang
stomp toegespitst, 100—190 mM. lang bij 27—70; onbehaard; met
8 tot 10 schuin-opstaande zijnerven. Pluimen in de ontbladerde
bladoksels ongeveer 75 mM. lang, pyramidevormig onbehaard, on-
gesteeld met tuilvormig vertakte zijtakken. Bloemknoppen (reeds
goed gevormd) 3 mM. lang, eylindervormig-hoekig ; met een klein
lancetvormig schutblaadje onder de articulatie. Kelk klein spits 4-tan-
dig, vliezig, onbehaard. Bloembladen onbehaard lijnvormig, stomp.
Meeldradenbuis van buiten onbehaard, van binnen met dunne haren,
met 8 uitgeschulpte tanden. Helmknopjes smal. Schijf kort. Eier-
stok en basis van den stijl lang behaard.”
DysoxyLum. — 55 — MELIACEAE.
Aanm. Beschrijving overgenomen. Volgens MrqueL heeft deze onvolledig bekende soort
uit Herb. Junam. (Java?) veel overeenkomst met D. arhorescens in den vorm der bloem-
knoppen en D. simile in de bladeren.
Geogr. verspreiding: „Door C. Dc. alleen Java vermeld zonder
nadere plaatsaanduiding.’
„Foliis abrupte-pinnatis, 5—4-usque 1-jugis; foliolis suboppositis vel
oppositis, petiolulatis; terminalibus duo stricte oppositis, conformibus, e
basi acuta aequali elliptico-oblongis, acumine longiuscule obtuso terminatis,
glabris; pamiculis plerwmgque in avillis defoliatis sessilibus, pyramidatis,
glabris, ramulis subeorymboso-floridis; calyce brevissime 4-dentato, glabro ;
petalis glabris; tubo eylindrico-angulato, 8-dentato, extus glabro, intus
parce pilosulo; ovario villoso; stylo basi villoso.”
„Innovationes rufulo-pubescentes, cito glaberrimae. Folia rarissime im-
pari-pinnata; petiolus cum rhachi 30—19—30 cM. longus. Rhachis sul-
cata; foliola superiora, inferioribus paullo majora, religua A1—19 eM,
longa, 27 mM.—710 mM. lata; nervis seeundariis erecto-patulis, utringue
8—10. Alabastra jam satis efformata, vir 3 mM. longa, eylindraceo-angulata,
obtusa; calyx initio subrepandus, dein 4-dentatus, dentibus triangularibus,
acutis, membranaceis glabris. Petala lato-linearia, obtusa. Tubi dentis
retusi. Antherae angustae sublineares, flavae”” (Cas. Duc.)
7. D. Nagelianum Cas. Drc. l.c. 504.
T wijgen onbehaard, donkerbruin, zonder lenticellen. Bladeren
niet zeer lang gesteeld (steel 50 mM.) evengevind, ongeveer 180
mM. lang. Bladspil 4-hoekig, onbehaard, steel gesleufd. Blaadjes
overstaand, kort gesteeld, elliptisch, kort-spits-cuspidaat, met spitsen
of vrij stompen ongelijken voet, dun-leerachtig, ondoorschijnend ;
gedroogd zwartachtig, glimmend, geheel onbehaard (+ 150 mM.
lang bij 50 breed); zijnerven uitstaand-opklimmend gebogen, van
onderen iets uitspringend ongeveer 10 aan weerskanten. Pluimen
gesteeld, ongeveer half zoo lang als het blad, zijtakken kort (40 mM .)
ijlbloemig. onbehaard. Bloemen naar wien riekend, vrij lang (2
mM.) gesteeld, onbehaard. Kelk onregelmatig 4-tandig, vliezig,
bloembladen onbehaard spits-lintvormig (ongeveer 5 mM. lang).
Meeldradenbuis eylindervormig ; helmknopjes elliptisch 1 mM. lang.
MELIACEAE. — 56 — DysoxyLuM.
Schijf eylinder-kroesvormig, van buiten onbehaard, van binnen met
naar beneden gerichte lange haren met gewimperden rand. Eierstok
onbehaard, 3-hokkig” (Cas. Drc.).
Aanm. Beschrijving overgenomen. Ontbreekt waarschijnlijk in Herb. Kps. Schijnt
van D, alliaceum voornamelijk te verschillen door den onbehaarden eierstok ; deze is echter
bij sommige exemplaren van D. alliacewm slechts zeer weinig behaard.
„Foliis modice petiolatis, abrupto-pinnatis ; foliolis oppositis, petiolulatis,
ellipticis, basi imaequali acutis subobtusisve, apice breviter acute cuspidatis,
utringue glabris; panieulis pedunculatis, breviter ramosis, laxifloris, gla-
bris; floribus longiuseule-pedicellatis; calyce irregulariter 4-dentato, glabro ;
petalis glabris; tubo cylindrieo; tubulo eylindrieo-ureeolato, extus glabro,
intus retrorsum villoso, margine ciliato; ovario glabro.”
„Ramuli glabri, fuscescentes, elenticellosi, Folia circiter 18 cM. longa,
foliola subecoriacea, opaca, sicca fuscescentia, nitidula, circiter 15 cent.
longa et 5 eM. lata; nervis secundariis patulo-adscendentibus, arcuatis,
subtus subprominulis, utringue circiter 10. Rhachis, cum petiolo 5 cM.
longo supra sulcato, subtetragona, glabra. Paniculae folium dimidium
circiter aeqguantis rami ad 4 eM. longi. Flores odorem alliaceum refe-
rentes, pedicellis circiter 2 mM. longis. Calyx membranaceus. Petala fir-
mula, lacinioso-acuta ad 5 mM. longa. Antherae ellipticae 1 mM. longae,
dorsi fere basi sessiles. Ovarium 3-loculare. Stylus cum stigmate bre-
vissimo ecylindrico twbum aequans.”” (Cas. Dec.)
bb. Bloembladen van bwiten behaard.
1. Pluimen vertakt (Soort 8—12).
*__ Blaadjes meest overstaand; tusschenaderen zichtbaar.
8. Dysoxylum excelsum Br. Bijdr. 1. 176; MriqverL Ann. lc. 19
excel. varietatibus 3 et 7; C. Dc. 1. e. 752 exel. var. £ ; — Hartighsea
excelsa A. Juss. le. 76; MrQ. FL. IL. B.L. c. 538; — Frichilia excelsa
SPRENG. Syst. V. 4 (exel. syn. JACK.) ; — Macrocheton eacelsum ROEM.
syn. fase. 1. 104; — D. procerum HrerN. in Hook. Fl. B. I.r. 547;
C. Do. le. 486, pro parte (! spec. ex herb. Calc. 588 in Sikkim
coll. et ex herb. S. Kurz. in Assam.); — D. macrothyrsum Mrgq.!
Ann. l.c. 20.
DysoxyLum. — 57 — MELIACEAE.
Woudreus H==45—50 M. bij D= 150 — 210 eM. (gemeten)
Stam: Zuilvormig; in den regel eerst zeer hoog boven den grond
vertakt; met nogal sterke wortellijsten; weinig knoesten Kroon:
Zeer hoog aangezet: onregelmatig; nogal dicht. Takken: Niets
opmerkelijks. Uiterste twijgen nogal dun. Schors: 5—6 mM.
(bij 210 eM. stammiddellijn). Bros. Buiten grauw met kleine over-
langsche barsten. Doorsnede oranjebruin. Met lenticellen. Zonder
melksap.
Twiijjgen zeer fijn gerimpeld, bruingrijs, zonder lenticellen. Jonge
deelen en knoppen zeer kort-aanliggend-, in sicco grijsachtig-behaard.
Bladeren 2—5-,meest 5-jukkig, in sommige exemplaren 4-jukkig,
langgesteeld, met van boven en zijdelings afgeplatte en soms opper-
vlakkig gegroefde bladspil met litteeken of zeldzamer rudiment van
een eindblad aan den top, hoogstzelden met een eindblad, en van
boven zwak gegroefden aan den voet weinig verdikten bladsteel.
Blaadjes van het bovenste juk precies, der overige jukken precies
of bijna overstaande, nogal varieerend in vorm en grootte, meest
langwerpig-elliptisch of langwerpig, (de onderste meer eivormig
en kleiner) met geleidelijk of vrij plotseling kort- en stijmp- of meest
lang- toegespitsten top en gelijken of ongelijken spitsen of min of
meer afgeronden voet; leerachtig, volwassen met verspreide haartjes
aan de bladonderzijde en kort behaarde bladsteeltjes of eindelijk
geheel kaal; van boven glimmend donkergroen, v. onderen bleeker,
in sicco geelachtig-aschgrauw tot donkerbruin niet doorschijnend
gestippeld met 10—14 v. onderen uitspringende schuinopwaarts loo-
pende zijnerven, nabij den rand opwaarts gebogen en dáár uitstervend;
met zeer fijne regelmatige dichtopeenstaande dwarsadertjes; die
vooral aan de bovenzijde zichtbaar zijn. Jonge bladeren roodbruin,
geheel dun kort behaard. Pluimen gewoonlijk ongeveer even
lang als de bladeren, sterk vertakt, met stevige hoofdas en ver uit-
eenstaande recht afstaande, dikwijls overstaande korte zijtakken (zelden
de onderste takken meer verlengd), die de gesteelde of ongesteelde
bloemen direct of aan korte zijtakjes dragen; met kleine priem vor-
mige schutbladen en schutblaadjes, geheel kort-donzig behaard, ein-
delijk houtachtig, kaal wordend. Bloemen rozerood, zwak-onaan-
genaam-riekend, in grootte en in den vorm en de lengte van de
MELIACEAE. — 58 — DYsoxYLUM.
schijf varieerend. Kelk meest spits- 4-tandig, diep of ondiep-nap-
vormig, soms bij de open bloemen bijna 4-lobbig. Bladeren 400 —
550 mM. Bladsteel 90—120. Blaadjes 150—200 bij 55—65.
Bladsteeltjes 5—10 mM. Aan steriele twijgen en aan jonge boomen
de blaadjes dikwijls veel grooter, tot 350 mM. toe. Kroonbladen
4 lijnvormig geheel vrij, valvaat in knop met de verdikte toppen
naar binnen gekromd van buiten zijdeachtig behaard ; meeldradenbuis
eylindervormig dikwijls eenigszins vierkant, nabij den top iets verwijd,
afgeknot met 8 - 10 zeer kleine veruiteenstaande tandjes, van buiten
tot nabij den top zijdeachtig behaard van binnen onbehaard, helmknop-
jes ingesloten, op eenigen afstand van den bovenrand ingeplant zittend.
Stuifmeel bolvormig met: 5—4 niet in één kring geplaatste ronde
verdikte plekken met kruisvormige poriën. Schijf eylindervormig
of eenigszins fleschvormig, in lengte eenigszins varieerend van } tot
bijna 4 stamper; van buiten geheel glad of meestal van boven met
weinige naar onder gerichte haren, van binnen dicht- naar beneden-
gericht- behaard, aan den rand met 8—10 afgeronde tandjes, dicht
bezet met opstaande borstelharen. Stamper even lang als de buis, stem-
pel schijfvormig even uitstekend; eierstok 4-hokkig, eivormig of
verlengd-kegelvormig half zoo lang of bijna even lang als de schijf,
dicht grof- behaard. Stijl tot op de helft of tot bij den top behaard.
Eitjes meest 2 boven elkaar in elk hokje; soms in enkele of in
alle hokjes slechts één eitje. Vrucht 4—l1-hokkig; meest 2 of 3-
hokkig en- zadig; bolvormig of zijdelings afgeplat, met tot een
korten steel saamgetrokken voet, uitwendig glad, met een aantal
van den voet uitgaande iets uitspringende ribben, waarvan er gewoon-
lijk S—12 elkaar regelmatig kruisende in het oog vallen; top afge-
rond, soms met een korten snavel, die bij de één-zadige excentrisch
is geplaatst; ongeveeer 50 mM. hoog bij 30—55 in diam; de
éénzadige 25 en 30 mM. in diam.; eerst licht rozerood daarna
donkerbruin; rijp onbehaard. Zaad langwerpig- afgerond, glanzig-
roodbruin met grooten witten navel (op het zaad van Aesculus Hip-
pocastanum gelijkend), die de geheele naar de placenta gekeerde
oppervlakte inneemt, maar onder den top eindigt, aan de basis beves-
tigd; zonder zaadrok, (tenzij men de buitenste weeke laag van de
zaadhuid, die echter reeds in den bloemknop aanwezig is, als zooda-
DysoxyLuM. — 59 — MELIACEAE.
nig opvat); buitenste laag der zaadhuid onder de dunne bruine op-
perhuid vleezig, melksaphoudend, 1—1.5 mM. dik, dan volgt een
dunne laag van vezels en vaatbundels, dan een donkerbruine harde
laag (testa) en dan een zeer dunne binnenste zaadhuid. De geheele
bekleeding omhult den kiem slechts los en is in de nog gesloten vrucht
tegen den wand van het hokje aangedrukt. Kiem ellipsoïdisch;
zaadlobben boven elkaar geplaatst (door een horizontaal vlak geschei-
den); de bovenste kleiner dan de onderste; nabij den navel aan
het plantje bevestigd, worteltje zeer klein naar den navel gekeerd,
pluimpje naar het midden gekeerd, behaard, ongeveer 3 mM. lang.
Aanm. Beschrijving naar een groot aantal exemplaren van Herb. Kps., vergeleken
met een origineel exemplaar van BLUME in Herb. Bogor.
De exemplaren van verschillende standplaatsen varieeren buitengewoon in den vorm der
bloeiwijze daar de bloemen nu eens geheel ongesteeld in dichte kluwens aan de secundaire
zijtakken der bloeiwijze geplaatst zijn; dan weer duidelijk gesteeld aan de primaire zijtakken
zelve, zoodat deze zich als trossen voordoen, eindelijk (in één exemplaar Herb. Kps.
5094 B, het eenige uit Oost-Java) in vrij langgesteelde driebloemige bijschermen aan de
zijtakjes zitten. Á
Verder zijn er verschillen in de grootte der bloemen en in de lengte van den schijf,
die volgens MrqueL den eierstok en °%/, van den stijl omgeeft; bij verre de meeste van onze
exemplaren (ook bij het origineele) niet meer dan */,—'/, van den stamper bedraagt en in
de meeste exemplaren niet fleschvormig maar kort-cylindervormig is en nu eens behaard
van buiten, dan weer onbehaard.
MriqueL geeft verder op: hokjes van den eierstok 1-eiig, wat slechts bij uitzondering het
geval is, ook bij het origineele exemplaar vonden wij de meeste hokjes met twee boven elkaar
geplaatste eitjes.
De eigenaardige bouw van het zaad, met de als bij Chisocheton boven elkaar (niet naast
elkaar) geplaatste zaadlobben, waarvan reeds BLuMe l.c. melding maakt wordt door Mrquer
niet genoemd.
De door Mrqurr afgescheiden variëteit 3 glabriflorum (bij C. DO le. 752 glaberrimum)
waarvan wij een exemplaar uit Herb. Lugd. Bat. door JUNGHUHN verzameld, konden verge-
lijken, verschilt in alle opzichten verre van D. evcelsuum en is veel nader met D. alliacenum
verwant. —
Ook de var. 4 Hasseltii ofschoon zeer verwant met D. ercelstun meenden wij als soort
te moeten onderscheiden, daar zij méér punten van verschil vertoont met D. excelsium dan
D. macrothryrsum Mriq. De laatstgenoemde soort houden wij dan ook voor identiek met
D. emcelsum.
Dysoxylum procerum HiERN, waarvan een variëteit B integrmum door C. DC. als op Java
voorkomende wordt opgegeven; heeft volgens Kurz witte bloemen, doch is overigens
nauwelijks van D. ercelsum te onderscheiden. Wij zagen hiervan exemplaren door Kurz
in Assam en door THomsoN in Sikkim verzameld. Im de beschijving van C. Duc.
(l.e. p. 486) wordt opgegeven „tubo utringue prberulo” in die van HreRrN (l.c. 547)
„tube glabrous”. Im de bovengenoemde origineele exemplaren is. de buis evenals bij
D. evcelsum van buiten dicht-fijn behaard, van binnen glad; misschien zijn er dus ver-
schillende soorten onder den naam D. procerum verward. De door HrerN bedoelde
arillus is klaarblijkelijk niets dan de vleezige buitenlaag der testa of de geheele zaadhuid
(zie boven). Wij vermoeden derhalve dat D. procerum B integrum C. Dec. niets anders
is dan D, evcelsum BL,
MELIACEAE. — 60 —= DysoxyrLum.
Geogr. verspreiding: In M- en W.-Java; vooral in W.-Java.
Dáár door ons alleen op 900—1600 M. en vooral op 1400—1600 M.
gevonden. In Midden-Java op den G. Pandan (Madioen) op 500 M. en
op den G. Slamat in Tëgal op 1500 M. In de Preanger op 1400 —1600 M.
nogal algemeen; elders meestal zeldzaam. In Oost-Java het type en de
var. @ nog niet gevonden. Dáár naar het schijnt vervangen door de var. 7
(parvifolium). Buiten Java: Im verschillende variëteiten waarschijnlijk
van den Himalaya over Sumatra en Borneo tot Java. — Standplaats:
Als D. alliaceum Br. — Voorkomen: Nooit gezellig. In den regel
in enkel weinige individuen tusschen een paar honderd andere boom-
soorten verstrooid. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en vrucht-
tijd: Door ons nu eens bloemen en vruchten aan denzelfden boom dan
weer alleen bloemen of vruchten verzameld in zeer verschillende maanden ;
o.a. Juni, Aug. Nov, Januari. — Groeisnelheid: Een 30-jarige
geplante boom bij Pangentjongan in de Preanger (afd. Limbangan) op
1300 M. op vruchtbaren constant vochtigen grond met H —= 22 M. bij.
D= 45 eM.— Gebruik: Hout: Mededeelingen van inlanders over
dit naar het schijnt weinig gebruikte hout uiteenloopend; meestal
ongunstig beoordeeld. Deze soort vaak met andere boomspecies verward
en daarom het oordeel van de inlanders zoo verschillend. Zou geen
kernhout hebben. Hout geheel vuil wit. Schors, enz. Naar het schijnt
reuk en smaak verschillend; soms beide bijna als D. alliaceum Br. met
zwakken uienreuk en weinig bitter, soms reukeloos en intens bitter.
Jonge bladeren van sommigen der door ons onderzochte exemplaren
zwak naar uien riekend, van sommigen met aromatischen reuk; steeds
zeer bitter, Reuk en smaak van volwassen bladeren als de jonge, maar
minder sterk. — Cultuur: Bruikbaar in reboisatie m. h. oog op irrigatie
op 1000—1500 M. in West-Java, wellicht ook in Midden-Java. — In Ì.
namen: Zeer onzeker; doordat deze soort door de inlanders vaak met
D. alliaceum Bru. en D. densiflorum Mig. en een paar andere Meliaceae
verward wordt. Alleen bij Pangentjòngan (afd. Limbangan) vrij vast
Ki-gegoela, s. Aldus soms ook bij Takòka (afd. Soekaboemi) en bij
Tjibòdas (bij Sindanglaja) en dáár soms T'roes-goenoeng, s.; Ki-warirang, s.;
Ki-tjarirang, s. en Tanglar s.; soms abusievelijk Pingkoe, s., Kapinango, s.
en Ki-bawang, s. De naam Ki-gëgoela, s. vooral niet te verwarren met
Goeld, j. of Kajoe-goeld, j. van Oost-Java, welke naam dáár o.a. in
Banjoewangi voor een Amoora soort geldt. Bij Klangoen op den Pandan
(Madioen) evenals een andere Dysorylum soort Doj, j. of Kedojd, j.
Op den Slamat in Tögal en den G. Djaran (afd. Bandjarnögara). —
Habitus: Woudreus met zuilvormigen stam, groote wortellijsten,
meestal zeer veel pluimen bleekroze bloemen en grove gevinde bladeren.
Naar de lengte der bloemsteeltjes, die den vorm der bloeiwijzen bepaalt;
de grootte der bloemen en de lengte der schijf onderscheiden wij de vol-
gende variëteiten:
var. X (genuina) (Br.! Bijdr. p. 175, specim. orig. in Herb. Bog.).
Bloeiwijze meest langgesteeld, onderste zijtakken korter dan de steel,
+ 70 mM. lang; secundaire zijtakjes 10 mM. Bloemen in kluwens langs
de zijtakken en secundaire zijtakken. Bloemen 15 mM. lang, onmiddellijk
DysoxyYLum. — 61 — MELIACEAE.
onder de kelk gearticuleerd; uiterste bloemsteeltje vleezig, zeer kort met
eenige spitse schutblaadjes aan den voet; kelk in het exemplaar van
Brume klein, in spee. Herb. Kops. 3048 a nogal groot napvormig eenigs-
zins vleezig. 3.5 mM. hoog. Buis afgeknot, gaafrandig met zeer fijne
kartels. Schijf eylindervormig of iets kroesvormig weinig langer dan de
eierstok, korter dan de halve stamper, van buiten soms geheel onbehaard;
stijl tot nabij den top behaard; hokjes van den eierstok soms 1-eiig.
Buis 9 mM. Stamper 9 mM. Schijf 3 mM.
Aanm. Beschreven voornamelijk naar eenige ex, van Herb, Kps. vooral naar spec.
van Tjibòdas (Preanger).
Var. @ pedicellata K. et V.
Bloeiwijze meest langgesteeld, onderste zijtakken korter dan de steel
meest overstaande, trosvormig; bloemstelen goed ontwikkeld, meest 1-,
aan de onderste zijtakken 1—5-bloemig, met een articulatie op eenigen
afstand onder de kelk, meest met 2—4-spits-eivormige schutblaadjes
onder de articulatie en een priemvormig schutblad aan den voet. Pluim
40—320 mM., steel 50—80, onderste zijtakken 60—70; bloemsteeltjes
3—4 mM. Bloemen vrij groot 15—18 mM.; schijf ongeveer !/, van
den stamper lang, 2 X zoo lang als de eierstok, van buiten boven het
midden behaard of glad. Stijl boven het midden onbehaard.
Aarm. Beschreven naar eenige specimina uit Pangentjòngan (Preanger).
Geogr. verspreiding: Alleen van Pangentjòngan (afd. Limbangan;
Preanger) bekend. — Inl. namen en habitus als het type.
Var. 7 parvifolia K. et V.
Bladeren 4—6-jukkig reeds spoedig na het ontplooien geheel
onbehaard; bladspil met den steel 160—300 mM., steel 60—110 mM. rol-
rond iets afgeplat van boven, spil van boven en zijdelings zwak gegroefd.
Blaadjes overstaand langwerpig vaak nogal scheef; nogal stomp kort
toegespitst met versmalden of spitsen bijna gelijken voet 120—180 mM.
lang bij 40—70; bladsteeltjes 5—10 mM., in sieco papierachtig, olijf-
bruin, met —- 10 dunne zijnerven en zeer onduidelijke of onzicht-
bare dwarsche aderen. Pluimen ongeveer zoo lang als de bladeren;
onderste zijtakken langer dan de hoofdsteel. Bloemen in 3-bloemige
bijschermen, die op vrij lange steeltjes trosvormig aan de zijtakken
geplaatst zijn; eindbloemen zittend zonder schutblaadje, zijdelingsche
bloemen zeer kort gesteeld, onder den kelk geärticuleerd, met zeer kieine
priemvormige schutblaadjes. Knoppen ongeveer 12 mM. lang; buis 10 mM.;
schijf fleschvormig iets langer dan de halve stamper, van buiten geheel
onbehaard; stijl boven het midden onbehaard.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar Herb. Kps. 5094 3 uit R. Bésoeki. Dit is
misschien een andere soort. Een nader onderzoek in loco zeer aanbevolen.
Geogr. verspreiding: Slechts op één plaats door ons gevonden
nl, bij desa Bëdewang in Banjoewangi op 50—100 M. zeehoogte. Dáár
MerrLrACKAR. — 62 — DysoxyLum.
nogal zeldzaam. Bwiten Java: onbekend. — Standplaats: Hoog-
stammig heterogeen schaduwrijk altijdgroen oerwoud op vruchtbaren
constant vochtigen grond. — Gebruik: Hout voor huisbouw bruikbaar
geacht; zou onder dak nogal duurzaam zijn. Schors, enz.: niet gebezigd.
— Inl. namen: Narap, j. in Banjoewangi alleen voor deze en de
volgende species geldend.
Arbor 45—50 M. alta. Ramuli minute rugulosi, elenticellosi. _Innova-
tiones griseo-puberae. Folia (400—550 mM. longa), 2—5-juga, saepius
B-vel 4-juga, longe petiolata rhachi supra et lateraliter complanata, nunc
obiter sulcata; pari-pinnata; rhachi rarissime rudimento folii vel folio ter-
minata; petiolo supra obiter sulcato basi parum incrassato. Foliola
suprema stricte opposita, cetera opposita vel subopposita forma et longi-
tudine varia, saepius oblongo-elliptica, inferiora magis ovata, apice breviter
vel longiuscule acwminata, basi aequali vel inaequalì acuta vel magis mi-
nusve rotundata; coriacea; adulta subtus ad nervos cum petiolulis pubera,
rarius deglabrata; in vivo supra nitida saturate viridia, subtus pallidiora;
in sicco avellanea vel badia opaca, 150—200 mM. longa et 55— 65 lata;
epunctulata; nervis lateralibus 10—14 subtus prominulis, prope marginem
adscendentibus, evanescentibus; venulis transversis densis regularibus tener-
rimis, supra praesertim perspicuis, hand prominulis. _Foliola in ramis sterili-
bus saepe permagna usque 350 mM. Paniculae foliis circiter aequilongae
(in singulis speciminibus multo breviores) ramosae, ramis saepe oppositis bre-
vibus vel infimis magis elongatis, flores sessiles vel breviter pedicellatos modo
in ramulos breves spicatos gerentibus, imprimis ad ramos puberae, bracteis et
bracteolis parvis subulatis. Flores pallide rosei odore ingrato levi, longi-
tudine pedicellorum et tubuli variantes. Calyx acute A-dentatus, cupularis
post anthesin fere 4-lobus. Petala 4 linearia, libera, extus sericea; tubus
stamineus teres vel subquadrangularis, sub apicem parum dilatatus,
truncatus, brevissime distanter 8— 10-denticulatis, extus sericeus, intus
glaber. _Antherae inelusae. Pollinis grana areis inerassatis 4—5
rotundis, poris oblongis plicis brevibus transversatis. Discus teres vel
sub-lageniformis longitudine ZH pistillum aequans extus glaberrimus
vel saepius pilis sparsis retrorsis intus dense retrorsum-villosus, ore
8—10 rotundato-denticulatus dense ciliato-setosus. Ovarium ovoideum vel
elongato-conoideum (in diversis speciminibus diversum) disco fere aequi-
longum vel dimidio brevior, cum stylo fere toto (vel apice glabro excepto)
hirsutum A-loeulare, ovulis in loeulis 2 superpositis vel (saepe in eodem
ovario) singulis. Capsulae 4—1 (saepius 2—3)-loeulares; globosae vel
(biloeulares) lateraliter compressae, apice rotundatae vie rostellatae (ros-
tello in capsulis monospermis excentrico), basi in stipitem brevem constricti,
DysoxyLum. — 63 — MErIACEAE.
laeves, a basi nervis 8—12 prominulis obiter costatae, circiter 50 mM.
altae 30—55 mM. diametri, monospermae minores globosae (25—30 mM.
diam); pallide roseae, demum fuscae, glabraec. Semina oblonga, apice et
basi rotundata, testa lara crassa 1—14 mM.) carnosa (demum coriacea)
laete fulva, hilo magno albo ventrali-basilari, exarillata (sive arillo
adnato auctorwm). Embryo ellipsoideum, cotyledonibus suprapositis subae-
qualibus, superiore saepe minore; plantula prope hilum inelusa,-radicula
minuta ventrali, cum plumula (3 mM. longa) hirsuta.
var. « (genuina) (Br! Bijdr.; specim. originale in Herb. Bog.).
Pamnieulae saepe longe pedunculatae, rami inferiores peduneulo breviores
(4 70 mM.); Flores in ramulos (10 mM. longos) breves et ad ramos
glomerati, subsessiles, sub calycem articulati, pedicellis brevissimis bracteo-
lis acutis suffultis; 15 mM. longi. Calyx modo brevissimus modo altius
cupularis. Tubus truncatus subinteger minutissime emarginatus 9 mM.
longus. Discus cylindraceus vel suburceolaris, ovarium parum superans,
dimidio pistillo brevior, extus saepe glaber; stylus totus hirsutus.
var. (2 pedicellata K. et V.
Paniculae 40—320 mM. longae saepius longe peduneulatae, (pedunc.
50—80 mM.) ramis inferioribus peduneulo brevioribus saepe oppositis, race-
mosis, pedicellis conspicuis, saepius 1-floris ad ramulos 1—3-floris, articu-
latione a calyee remota, bracteis 2—4 acute-ovatis decussatis, bractea subu-
lari subpedicellis. Flores 15—18 mM. longi; discus 5 pistilli aequans
ovarium duplo superans extus supra medium hirtellus vel glaber. Stylus
supra mediwm glaber.
var. 7 parvifolium K, ef V.
Folia 4—6-juga mor tota deglabrata, rhachi supra et ad latera subsul-
cata, cum _petiolo tereti supra subeomplanato (6GO—110 mM. longo)
160—330 mM. longa; foliola opposita oblonga interdum obliqua apice
breviter obtusiuscule acuminata, basi angustata vel acuta subaequalia, in
sicco papyracea olivacea nervis lateralibus + 10 tenuibus venis transversis
tenerrimis vel saepius inconspicuis. Paniculae folia aequantes ramis infe-
rioribus pedunculo longioribus. Flores in eymas 3-floras pedicellatas dis-
positi; terminales sessiles abracteati laterales brevissime pedicellati, bracteo-
lis _minutis subulatis. Alabastra circ. 12 mM. longa. Tubus 10 mM.
Diseus lageniformis pistillà dimidio longior extus glaber. Stylus supra me-
dim glaber.
MELIACEAR. r6A DysoxyvLuM
9 Dysoxylum Hasseltii K. et V. — D. excelsum, var. Hasseltii
Mrq.! Ann. le. 20
Nogal (?) hooge boom. Stam: Niet zelden nogal krom; nogal
laag bij den grond met schuinopwaarts gerichte rijkverdeelde nogal
kromme takken; nogal rolrond; zonder wortellijsten, met weinig
knoesten. Kroon: Meestal nogal laag aangezet; onregelmatig ;
nogal dicht. Schors: 6—7 mM. dik. Bros. Buiten grauw; nogal
glad, niet afschilferend. Doorsnede licht-roodbruin. Binnen vuil
wit. Zonder melksap. zonder bladgroen. Reuk als Cedrela febrifuga
Br, maar minder sterk (niet naar uien). Smaak samentrekkend
en iets? bitter.
Twijgen nogal dun grijs fijn gerimpeld, zonder lenticellen.
Knoppen en jonge deelen (in sieco) geelachtig-zacht-behaard. B la-
deren 2—4-zeer zeldzaam 5-, meest 4-jukkig; lang-gesteeld; met
vrij dunne zijdelings en van boven eenigszins afgeplatte bladspil,
die aan den top in een litteeken of bladrudiment eindigt en van
boven gegroefden, bijna rolronden, aan den voet weinig verdikten
steel. Blaadjes nauwkeurig- of bijna-overstaand, die van het bovenste
juk nauwkeurig-overstaand, elliptisch of eivormig- elliptisch met een
recht vrij smal topverlengsel, met stompen of spitsen soms onge-
lijken en dan aan één zijde afgeronden voet, dun- leerachtig, zonder
doorschijnende stippen; levend boven nogal donkergroen, van onde-
ren bleekgroen; in sicco licht-grijs-bruin, van boven behalve langs
de zwak gegroefde hoofdnerf onbehaard; wan onderen vooral langs
de nerven dun-zacht-behaard; bladsteeltjes geheel behaard; met
talrijke (12—16 soms 20) evenwijdige, van onderen uitspringende
schuinuitstaande nabij den rand opgekromde en daar uitstervende
zijnerven, dwarsadertjes zeer talrijk, regelmatig, uiterst dun, vooral
aan de bovenzijde, doch slechts onduidelijk zichtbaar (als bij D. excel-
sum). Bladeren gemiddeld 8350—500 mM. lang bij 280 —250.
Bladsteel + 100 mM. Blaadjes gemiddeld 200 mM. bij 80; aan
steriele twijgen (bij jonge boomen) dikwijls 260—380 lang bij 115—
140 en bladsteeltjes 5-—7 mM. Pluimen slank, meest ongeveer
evenlang als de bladeren, gesteeld of ongesteeld, zeer sterk vertakt,
met wijduitstaande lange roedevormende of korte, dikwijls overstaan-
DysoxyrLuM. — 65 — MerrACEAR.
de zijtakken en loodrecht afstaande aarvormige secundaire zijtakjes ;
200 —500 mM. lang, zijtakken 40 —185, aren 10—22 mM.; geheel
kort-geelachtig-behaard. Bloemen kortgesteeld, dicht onder de
kelk geleed, met priemvormig schutblad langer dan de bloemsteel
en 2—4 kleine spits-eivormige schutblaadjes onder de articulatie;
wit (volgens vAN Hasserrt bij Mrquer Le); kleiner dan bij D. evcel-
sun, maar in onze specimina nog niet geheel open, in sicco ongeveer
12 mM. lang; overigens aan die van D. evcelswm gelijk. Bovenhelft
van den stijl onbehaard. Schijf ruim half zoo lang als de buis;
van buiten nabij den top met naar onderen gerichte haren ; eierstok
half zoo lang als de schijf, dicht behaard 4-hokkig, met twee boven
elkaargeplaatste eitjes in elk hokje; stempel klein; stijltop boven
de buis uitstekend. Vrucht ongeveer als bij D. excelsum, bolvor-
mig- peervormig, aan den voet tot een korten dikken steel saamge-
trokken, ongesnaveld, 4—l-hokkig, in het laatste geval asymme-
trisch; volwassen spoedig kaal, levend fraai zeer bleek-roza, van
binnen melkwit, bijna smakeloos; wand vleezig, in sicco van buiten
vooral aan den voet geribd. Zaad als van D. excelsum, kiem
bij het onrijpe zaad vuil oranje, hier en daar met een groen zoompje;
pluimpje behaard.
Aanm. Beschrijving naar een aantal exemplaren van Herb. Kps. vergeleken met het
authentieke exemplaar, dat door vAN HAsseLT verzameld, en door Mrquer als variëteit van
D. excelsa Bu beschreven is. De overeenkomst der bloemen en vooral van de vrucht dezer
soort met D. excelsa, die zij in Midden- en Oost-Java schijnt te vervangen is inderdaad
zeer groot. De voornaamste verschillen zijn:
le. de beharing die aan de jonge deelen lang en rossig is en slechts langzaam bij de
zeer oude deelen verdwijnt;
ge. de vorm en nervatuur der blaadjes, die meer zijnerven hebben dan D. excelsa ;
3e. de veel sterker vertakte inflorescenties met slanke hoofdas en lange roedevormende
zijtakken en
4e. de kleinere en volgens VAN HaAssELT en ook volgens onze waarneming witte bloemen.
Deze verschillen schijnen ons inderdaad belansrijker dan die tusschen D. macrothyrsum
Mrq. en D. evcelsum Br. waarvan de bloemen onderling evenmin verschillen van eenig
gewicht vertoonen.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen in Midden- en Oost-Java
bijna uitsluitend op 900—1200 M.; bij Balak in Banjoewangi ook op
ongeveer 300 Meter zeehoogte. Vindplaatsen o.a.: Boven Soerdjä in
Pëékalongan, op den G. Oengaran boven Kota-Oengaran, bij Pantjoer op
G. Rahoen-Idjèn; bij Pringämbâ in Banjoemas. Meestal nogal zeldzaam.
Echter bij Pantjoer niet zeldzaam. Buiten Java: onbekend. — Stan d-
plaats: Als D. alliaceum Br. — Voorkomen: Verstrooid. — Bloei-
en vruchttijd: Door ons bloemen in Febr,—Juni en vruchten Nov.—
5
MeErIACKAE. di DyYsoxrLuM.
Dee. verzameld. Meestal niet rijk vruchtdragend. — Gebruik: Hout:
Mededeelingen der inlanders over gebruik loopen zeer uiteen. Wordt
echter weinig gebruikt. Spint wit; reukeloos. Schors, enz.: niet door
de inlanders gebezigd. Volwassen bladeren reukeloos; samentrekkend
smakend. Vruchtwand van bijna rijpe vrucht zonder melksap, bijna
reukeloos en smakeloos. — Cultuur: Wellicht bruikbaar in reboisatie
m.h. oog op irrigatie. — Inl. namen: Meestal zeer onzeker en niet
zelden „geheel onbekend. Bij Pringämbä soms Kraminan, j. Bij Pantjoer
(Sitoebändâ) soms ? Raoe, md. Bij Rägâdjampi in Banjoewangi evenals
onze variëteit par vifolium van D. ezcelsum Br. vrij constant Narap, j.
geheeten. Deze soort vaak door inlanders met anderen boomsoorten
verward. — Habitus: Meestaj( ? steeds) zeer verschillend van D. escelsum
Br. (met de namelijk in den regel krommer, met meer laag aangezette
kroon, nooit zóó hoog wordende als D. ezcelsum en met veel sterker
in het oogvallende primaire bladzijnerven. Noch in blad noch in bloei-
of vruchttijd in het oogvallend.
Arbor ?medioeris. Ramuli minute rugulosi elenticellosi. Innovationes
(in sicco) flavido-pubescentes. Folia 300—400 mM. longa, pari-pinnata
2—4-, saepius 4- (rarissime 5-) juga; longe petiolata; rhachi gracili
supra et lateraliter subcomplanata cum petiolo subtereti supra obiter sulcato,
basi parum inerassato 100—130 mM. longo. HFoliola opposita vel sub-
opposita (suprema semper stricte opposita) elliptica vel ovato-ellip-
tica anguste acuminata; basi obtusa vel acuta interdwm antica rotundata,
epunctulata, in sicco avellanea; in vivo supra satis viridia, subtus palli-
diora; supra ad costam depressam et subtus imprimis ad nervos villoso-
pubera; circ. 200 mM. longa 80 lata; in ramulis uberioribus 260—380
longa et 115 —140 lata; petiolulis puberis 5—T mM. longis ; nervis 12—20
parallelis oblique patulis ad marginem adscendentibus et delitescentibus
venulis transversis parwum conspicuis. Paniculae graciles foliis saepius
aeqwilongae pedunculatae vel inde a basi ramosae, ramis elongatis virgatis
vel brevibus saepe oppositis ramulis patentibus spicatis. Paniculae 200— 500
mM. Panicularum rami 40—185 mM., ramuli 10—22 mM. longi. Flores
breviter pedicellati sub calyce articulatae bracteis subulatis quam pedicelli
longioribus; bracteolis 2 —4 parvis, acute ovatis sub articulatione; albi;
üs D. exeelsi minores (fere aperti) in sicco + 12 mM longi. Discus
tubo dimidio brevior, ovario duplo longior, extus prope apicem retrorse
pilosus. _Ovariwm 4-loeulare, ovulis superpositis, stylo apice exserto
glabro. Cetera D. exeelsi. Capsula fere D. excelsi globoso-pyriformis,
basi in stipitem brevem crassum contractum, erostellatum 3—1-loculare,
pallide roseum; pericarpio subcarnoso in sicco imprimis ad basin costulato.
Semen D. excelsi.
DysoxYLum. le MELIACEAD.
10. Dysoxylum simile Br.! Bijdr. p. 174.; Mrq. Fl. J. B. IL. 2
p. 537; MrQ. Ann le. 28. — Guarea axillaris mse. in Herb. L. B.
Twijgen lichtbruin, gerimpeld, zonder lenticellen. Bladeren meest
evengevind 3—5-jukkig, geheel onbehaard. Bladspil dun rolrond,
van boven en aan de zijden gegroefd met den 60—85 mM: langen
steel 150 — 220 mM. lang; steel aan den voet zeer weinig aange-
zwollen. Blaadjes meest overstaand, langwerpig-lancetvormig gelei-
delijk vrij lang toegespitst met meest gelijken spitsen (zelden aan
een zijde afgeronden in het vleezige steeltje afloopenden) voet, leer-
achtig; in sieco geheel roodbruin, levend boven fraai zeer donkergroen,
beneden bleekgroen en geheel glimmend; jonge bladeren roodbruin
met groene nerven. Zijnerven 8— 10 schuin opstaand, beneden uit-
springend, boven iets ingedrukt. Secundaire nerven onregelmatig
wijd-netvormig, dikwijls uit de hoofdnerf ontspringend, aan beide
zijden zichtbaar. Bovenste blaadjes 150—190— 240 mM. lang bij
45—10, onderste blaadjes meer eivormig 90—125 bij 55—65.
Bladsteeltjes kort of vrij lang (6—12 mM.) vleezig, in sicco
zwart rimpelig. Bloempluim ongeveer half zoo lang als de
bladspil; 100 —120 mM. weinig vertakt; onderste zijtakjes tros-
vormig + 20 mM., lang, bloemen gesteeld (3 —5 mM.), met
overstaande kleine schutblaadjes onder de articulatie. Bloemen (nog
niet open) groenachtig wit, bijna reukeloos riekend, zwak naar uien
eire. 10 mM. lang. Kelk spits 4-tandig evenals de steeltjes dun-
fijn-behaard. Kroonbladen aanliggend-behaard. Meeldradenbuis na-
genoeg gaafrandig, van buiten aanliggend behaard van binnen onbe-
haard, 7 mM. lang; helmknopjes S—10, boven de buis uitstekend.
Schijf van buiten onbehaard lang-cylindervormig, ruim *[, zoo lang
als de buis, (5.5 mM.) van binnen dicht behaard aan den rand lang-
borstelig. Eierstok en stijl bijna tot aan den top behaard. Vruchten
(bijna rijp) in korte zeer vertakte pluimen bolvormig of tweelobbig
1—2-hokkig 12 mM. dik 28 breed; met steelvormig saamgetrokken
voet met talrijke lengteribben aan den voet, vuilwit met lichtroze tint ;
met leerachtigen wand. Zaad als bij D. alliaceum, nu eens met
vlak boven elkaar, soms vlak naast elkaar soms schuin boven elkaar
gelegen zaadlobben. Kiem sterk naar uien riekend,
MerrrACRAE. — 68 — DyYsoxyLum.
Aanm. Beschrijving der bloem naar Herb. Kps. 4935 3 en verder naar Herb. Kps.
5022 B en 14181 2 vergeleken met origineel exemplaar van Herb. Is B. (door BLUME?)
op den Goenoeng Parang in (West-Java) verzameld en met 14665 Herb. Bog. van HASSKARL.
Het laatste specimen heeft zeer smal lancetvormige blaadjes.
Zooals reeds MrQqurer l.c. opmerkt is de soort met D. evcelsum meer verwant dan met
D. alliaceum, hetgeen ook door den bouw van den vrucht (steelvormig saamgetrokken
en geribd) bevestigd wordt. De sterk naar uien riekende kiem en de plaatsing der zaad-
lobben verbindt haar echter ook met D. alliaceum, terwijl de groote lengte der schijf de
uitstekende helmknopjes, de witte bloemen en de smallere donkerder groene bladeren punten
van onderscheid met D. evcelsum Bu. zijn. Mrquerr geeft echter ook voor D. evcelsum
op: Schijf omhult den eierstok en */, van den stijl, terwijl wij daar de schijf nooit
langer dan */, of */, van den stamper vonden.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen een paar boomen en slechts
op één plaats gevonden, nl: bij Palaboehanratoe in afd. Soekaboemi aan
Zuidkust-Preanger op 50—100 M. zeehoogte. Buiten Java: onbekend. —
Standplaats: Als D. ezcelsum Br. — Voorkomen: Zeer zeldzaam.
Gebruik: onbekend, te zeldzaam. Kiem sterk naar uien riekend;
walgelijk en zeer bitter smakend. - Volwassen bladeren reukeloos ; eenigs-
zins bitter. — Inl. naam: Locaal en onzeker. De 2 gevonden boomen
door de inlanders, ofschoon dezelfde species, met de namen Tjarirang, s.
en Ki-boerandoel, s. (bij Palaboean) aangeduid. — Habitus: Blad em
bloem herinnert aan D. alliaceum Br. en D. excelsum Br.
Ramuli avellanei, ellenticellosi. Folia saepius pari-pinnata, 3—5-juga,
glaberrima, rhachi gracili tereti supra et lateraliter sulcata, cum petiolo
(60—85 mM. longo) basi parum inerassato; 150—220 mM. longa. Fo-
liola saepius opposita, oblongo-lanceolata, sensim longiuscule acuminata
basi saepius aequali acuta (rarissime antice rotundata) in petiolulum car-
nosum (in sicco nigrescentem, rugulosum) producta, coriacea, in sicco fulvo-
badia, in vivo supra obscure saturate viridia, subtus pallidiora, nitentia ;
juvenilia fulva nervis viridibus. Nervi laterales 8—10 obligue patuli,
subtus prominuli, supra parum depressi, utringue laxe retieulati venis
secundariis saepe e costa media oriundis. Foliola superiora 150 —190—240
mM. longa et 45—70 lata; inferiora magis ovata 90—125 longa et
55-65 lata. Pandeulae fere 3 rhachin aequantes (100—120 mM.) pauci-
ramosae, ramis inferioribus racemosis + 20 mM. longis. Flores pedi-
cellati (3—5 mM.) bracteolis parvis oppositis sub artieulatione. Flores
(nondum aperti) viridescenti-albi, fere inodori, circ. 10 mM. longi. Calyz
acute 4-dentatus cum pedicellis laxe puberus. Petala sericea. Tubus sta-
mineus subinteger, ertus appresse-hirsutus, intus glaber, 7 mM. longus ;
antherae 8—10 exsertae. Discus extus glaber longe-tubulosus & partem
tubi aequans (long. 5.5 mM.) intus dense retrorsum-pilosus, margine cilia-
tus. Ovarium cum stylo fere usque ad apicem hirsutus. Fructus (ex
alio specimine) fere maturi in paniculas breves dispositi globosi vel glo-
DysoxyvLum. — 69 — MELIACEAE.
boso-bilobati, 1—2 locwlares, basi in stipitem (pseudo-peduneulum) contracti
ibique longitudinaliter costati, sordide albidi, vel dilute rosacei, pericarpio
coriacco; semen D. alliacei simile, cotyledonibus nunc suprapositis, modo
lateraliter, modo valde obliqgue incumbentes; embryo odore forti alliacco.
** Blaadjes meest afwisselend; tusschenaderen onzichtbaar; vrucht zeer groot.
11. Dysoxylum macrocarpum Br. Bijdr. p. 775; Mrg. Fl. J. B.
In enpsoots suppl: Lp. 196; Ann. Lo. 23; CDC. Le. p. 510; —
D. macrocarpum B Sumatrana Mriq. Ann. Le.
Nogal hooge boom: H.=19—21 M. bij D. == 40—45 cM. (nooit
grootere boomen door ons gevonden). Stam: Meestal recht; rolrond;
met weinig knoesten; zonder gleuven. Takken: Onderste zware
takken meestal hoog boven den grond. Niet zeer rijk vertakt.
Kroon: Meestal hoog aangezet ; onregelmatig ; nogal dicht. Schors:
5—6 mM. dik. Bros. Buiten grauw; weinig afschilferend; met
ondiepe overlangsche en dwarsche barsten. Doorsnede en binnen
vuil geel wit. Zonder melksap. Zonder? lenticellen. Met nogal
veel bladgroen. Bijna reukeloos en bijna smakeloos; zeer weinig
bitter.
Uiterste twijgen dun. Bladeren langgesteeld, onbehaard. Blaad-
jes afwisselend ver-uiteenstaand, 5—6 aan weerskanten met onecht
eindblad, zeer zelden de beide bovenste paren overstaand; kort-ge-
steeld; langwerpig; meest kort spits toegespitst, soms naar beneden
versmald, met meest gelijken spitsen of aan een zijde afgeronden
voet; in sicco perkamentachtig, licht vaalolijfgroen, met zeer fijne
talrijke doorschijnende stippels (kristallen); met 10 —16 paar stevige,
gegolfde zijnerven, ongeaderd. Bladspil #-hoekig, geribd; bladsteel
halfrolrond, van boven scherpkantig-gegleufd of vlak; aan den voet
weinig aangezwollen. Bladspil met bladsteel (70 —150 mM.) dikwijls
210 —450 mM. lang niet langer dan & Meter; grootste blaadjes 240
bij 85 mM. meestal 90—190 bij 40—64. Bladsteeltjes 5—6 mM.
Levende bladeren van boven nogal donkergroen en zwak glimmend;
van onderen bleeker, dof. Pluimen circa 180 mM. lang axillair,
MELIACEAE. == DysoxyLuM.
thyrsusvormig, van den voet af aan vertakt, de onderste zijtakken
overstaand, de overige afwisselend; hoofdas afgeplat, takken hoekig ;
deze even als de bloemsteeltjes aangedrukt-behaard, trosvormig de
bijschermen dragend. „Bloemen 8 mM. lang; in sicco roodbruin.
Kelk met 4 eivormige spitse lobben, behaard. Kroonbladen 4 lang-
werpig-lancetvormig, van buiten fijn-aanliggend-behaard. Meeldra-
denbuis van buiten onbehaard, van binnen nagenoeg onbehaard, met
8 breede eenigszins uitgerande tanden. Schijf napvormig, onregel-
tig-getand, van buiten onbehaard; van binnen fijn behaard. Eierstok
grijsviltig of zachtharig, stijl zeer kort, aanliggend-behaard” (naar
Mrqver). Vrucht bol-peervormig of (bij Herb. Kps 14585 3 uit
Oost-Java) langwerpig-peervormig, met 4—8 meer of minder diepe
lengte-gleuven, glad, scharlaken of oranjerood, nogal groot (60—70
mM.) 4-hokkig, of door mislukking 1-hokkig en dan kleiner en
scheef. Vruchtwand vleezig; bijna rijp nog met kleverig melksap
8 mM. dik. Zaad bol-sectorvormig met spitsen voet; 40 mM. hoog
bij 20 breed en 18 dik (bij 4979 3 uit Preanger Takòka 35 mM.
hoog bij 26 breed) met eene zijde aan het tusschenschot vergroeid;
zonder zaadrok; zaadhuid de kiem los omgevend, dik (ruim 1 mM.)
van buiten vleezig, melk saphoudend van binnen vezelig met verslij-
mende celwanden. Kiem melig. Zaadlobben naast elkaar met in
het bovenste 4 van het zaad ingesloten pluimpje, dit fijn wollig-
behaard 4 mM. lang. Worteltje naar boven gekeerd 5 mM. lang,
behalve aan den top zeer fijn wollig behaard. Kiem reukeloos;
bijna smakeloos, zeer weinig bitter. Cotyledonen buiten groen; in
doorsnede wit.
Aanm. Beschrijving behalve van de bloem naar talrijke specimina van Herb. Kps.
en van stam t/m. schors naar Herb. Kps 6016 9.
Bloemen naar MrqveL overgenomen.
Geogr. verspreiding: Geheel Java op 800—1400 M. vooral
0—1000 Meter zeehoogte. Overal bijna even zeldzaam. Door ons o.a.
gevonden in Bantén op den G. Karang, in de Preanger bij Takòka, in
Banjoemas op G. Kapal (G. Djaran), in Madioen op G. Wilis bij Ngöbeèl,
in Bèsoeki bij Pantjoer (Sitobondo). Met eenigen twijfel behooren tot
deze soort eenige specimina uit Bantën (700 M.), uit Zuid-Preanger
(op 50 M.), van G. Slamat in Tögal en uit laagvlakte van Zuidwest-
Bösoeki (bij Poegër). Buiten Java: „Sumatra’” (Mreurr). — Standplaats:
Als D. densiflorum MrQ. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en
DE,
DysoxyYLuM. il MELIACEAE.
vruchttijd: Rijpe vruchten in Midden- en Oost-Java alleen Oct. — Jan.
verzameld; in West-Java in Juli—Aug. Bloemen in ? Aug. — Nogal
rijk vruchtdragend. — Gebruik: Mout: Mededeelingen over bruikbaar-
heid hout uiteenloopend. In Oost-Java hout-eigenschappen weinig bekend
naar het schijnt en vaak ongunstig beoordeeld. Aldus ook in res.
Madioen; dáár evenwel deze boomsoort als zeer zeldzaam aan bijna alle
inlanders bij name onbekend. In Preanger bij Palaboehan en Takòka het
hout van Ki-hadji, s. als zeer duurzaam en zeer geschikt voor huisbouw
en meubels te boek staande. In de Preanger naar het schijnt deze
boomsoort bijna uitgeroeid. Spint vuil wit, dof, reukeloos, moeilijk te
kloven. Schors, enz.: Niet door inlanders gebezigd. Volwassen bladeren
reukeloos en bijna? smakeloos. Vruchtwand van bijna rijpe vrucht met
zwak aromatischen reuk (niet naar uien) en zeer bitter. — Cultuur:
Aantebevelen om het hout in bergstreken van West-Java en wellicht
ook voor Midden- en Oost-Java. Ook voor reboisatie m. h. oog op
irrigatie. — Inl. namen: Alleen in Preanger nogal goed bekend;
dáár bij Takòka en Palaboehan constant Ki-hadji, s. Im Bantën bij
Tjimanoek soms ? Ki-walirang, s. Im Banjoemas op G. Djaran en op
G. Wilis in Madioen naam zelfs aan de kundigste inlanders geheel
onbekend. Bij Pantjoer in Bësoeki naam zeer onvast; dáár dikwijls met
zeer loealen naam Janminjanan, md. aangeduid. Op G. Slamat in Tégal
evenals een paar andere Dysoxylwm-soorten Kraminan, j. Bij Poegër
(Bösoeki) aan de meeste inlanders onbekend; dáár soms ? Mentaos, j.
De bijna gelijkluidende (identieke) namen Bintawos, j. of Bintaos, j.
anders meestal voor 2 Wwightia soorten (zie onze Bijdrage No. 1
p. 114—115). — Habitus: Im vrucht is deze boom een ware sierboom
en dadelijk van alle andere Javaansche boomsoorten te kennen door de
vrij talrijke vuistgroote fraaie oranje-roode peervormige Dysoxylum-
vruchten die jong veel melksap bevatten. Van alle andere Javaansche
Dysorylwm-soorten dadelijk door de zeer groote vruchten met hoogstens
1, M. lange bladeren te onderscheiden. Zeer weinig Dysoxylwum-soorten
12
hebben zooals deze soort een bijna smakelozen kiem.
Arbor circ. 20 M. alta. Folia longiuscule petiolata glabra. Foliola
alterna, distantia, eum 5—6 utringue pseudo-impari (rarissime summa
opposita) oblonga saepius breviter acute acuminata (90 —190—240 mM.
longa et 40 —64—85 lata), basi saepe aequali acuta vel attenuata, non-
nunguam latere antico rotundata petiolulis brevibus (B—6 mM.) suffulta
in sicco pergamacea subrugulosa, pallide-olivacea, subtillissime dense pel-
lueido-punetulata _(erystallorum); nervis lateralibus 10—16 wtringue
firmis sinuatis, avenia. _Rhachis tetragono-costulatus cum petiolo semitereti
supra acutangulo-suleato, basi parum inerassato (T0—150 mM. longo),
210—450 mM. longa. „Paniculae axvillares thyrsoideae a basi inde
ramosde, ramis mis oppositis reliquis alternis, avibus primarts com-
pressis, religwis subangulatis, his praesertim apice pubescentibus race-
moso-cymoso-floridis; ealyeis 4-lobi pubescentis lobi ovati acuti; petala
4 oblonga-lanceolata extus appresse minute pubera, Tubus stamineus extus
MELIACEAE. — 12 — DysoxYLum.
glaber, intus glabriusculus, S-dentatus dentibus latis subretusis. Discus
cupularis, extus glaber, intus puberulus ovarium griseo-tomentellum am-
biens; stylus brevissimus appresse pilosulus.” (Mrqver U. ec.) Capsulae
magnae (50—70 mM.) globoso-pyriformae, obiter 4—8-sulcatae, laeves, pul-
chre rubrae, 4-loculares vel abortu 1-loeulares et tunc minores asym-
metricae. _Pericarpium carnosum, immaturum lactiferum, 8 mM. crassum.
Semen dorso conveaum, antice duabus faciebus planis (sectori globi conforme),
loeulo dissepimento prope angulum adnatum, ezarillatum; testa embryon
laxe ambiens, crassa, strato ezteriore carnoso lactifero, interiore fibroso-
mucilagineo; embryo farinosum; cotyledones collaterales, plumula supra
medium ab apice distanter inclusa minute lanata, vel margine ciliata gla-
bra (in specim. Javae Orient. 14585 (3); radicula supera, elongata (3—5
mM.) apice excepta, lanata.
2. Pluimen aarvormig. (Soort 12—15).
12. D. Vrieseanum Cas. Dec. Mon. 491.
„Fwijgen glad, jong groenachtig-grijs. Bladeren vrij lang
gesteeld even-gevind, 4-jukkig (ongeveer 250 mM. lang). Bladspil
eenigszins 4-hoekig; bladsteel 80 mM. lang, half-rolrond; beide
onbehaard. Blaadjes bijna overstaand of afwisselend, kort-gesteeld,
langwerpig- of eivormig-elliptisch, aan den voet ongelijk van lengte,
spits; aan den top spits-cuspidaat; geheel onbehaard; stevig-vliezig,
ondoorschijnend tot 120 mM. lang, bij 50. Zijnerven bijna recht
uitstaand, dun, ongeveer 14 paar. Pluimen bijna even lang als het
blad, bijna aarvormig bijna van den voet af aan vertakt met zeer
korte, gesteelde zijtakken, de onderste 15 mM. lang, naar boven
korter wordend en ongesteeld nl. van den voet af aan met bloemen
bezet. Bloemen kort-gesteeld. Knoppen eivormig. Kelk nap-
vormig spits-{-tandig, van buiten kort behaard; bloembladen 4 van
buiten grijs kortbehaard; (+ 55 mM. lang), aan den top kort toege-
spitst; meeldradenbuis eylindervormig, aan beide zijden fijn-kort-
behaard; S-lobbig met gespleten lobben; helmknoppen 8, eivormig-
elliptisch, 1 mM. lang; schijf kroesvormig, kort, onbehaard ; eierstok
grof-behaard met 4 groeven, 4-hokkig; bolvormig; stijl 4-kant,
stempel kort eylindrisch; hokjes l-eiig. Vrucht obovaat, onbehaard ,
roodachtig 28 mM. lang” (Cas. Dec.).
DysoxyYLuM. — 18 —= MELIACEAE.
Aanm. Ontbreekt in Herb.-Kps. Beschrijving van Cas Dec. naar een exemplaar van
DE VRIESE in herb Kew uit Java
„Foliis longiuscule petiolatis, abrupto-pinnatis, 4-jugis; foliolis subop-
positis alternisve, breviter petiolulatis, oblongo- vel- ovato-lanceolatis, basi
inaegwilonga acutis, apice acute euspidatis, utringue glabris; paniculis sub-
spiciformibus, vix peduneulatis breviter ramulosis; floribus breviter pedi-
cellatis; calyce cupuliformi, acute 4-dentato, extus puberulo; petalis extus
griseo-puberulis; tubo cylindrico, utringue subtiliter puberulo, 8-lacinulato
lacinulis bifidulis; tubulo wrceolato, brevi, glabro; ovario hirsuto, 4-sulcato,
4-loeulari; fructu obovato, glabro. Ramuli glabri, in juventute grisco-
virescentes. Folia circiter 25 cent. longa; foliola firrmo-membranacea opaca,
ad 12 cent. longa, 5 cent. lata; nervis secundariis subpatulis, subtilibus,
utringue circiter 14. Rhachis subtetragona, glabra. Petiolus 8 cent. longus
semiteres glaber. Paniculae folium subaequantis fere abasi ramulosae
ramuli peduneulati, 15 mill. longi, religui gradatim breviores, sessiles (id
est a basi densiflori, saepe a basi decompositi). Alabastra ovata. Petala
4, eireiter 5 mill. *|, longa, apice breviter acuminata. Antherae 8, sub-
ovato-ellipticae, 1 mill. longae, dorso supra basin sessiles. Stylus tetra-
gonus, ovarium subglobosum multum superans, cum stigmate breviter cy-
lindrico tubum paullo ercedens. Ovarii loculi 1-ovulati. Fructus 28 mill.
longus, rubescens.” (Cas. Dec.)
13. Dysoxylam Blumei, Mrq. Ann. le. 24; C. De. Le. p. 515; —
D. Lobbi C. De. le. 484;— Heynea multijuga Br! Bijdr. 168;
Rho: 1 B. 1 2 p.-542.
Twijgen sterk overlangs gerimpeld, aschgrauw met enkele lenticel-
len. Bladeren zonder of meestal, door verschuiving, met eindblad
naast een litteeken, langgesteeld. Blaadjes overstaand of afwisselend
6—10, kort-gesteeld, langwerpig of min of meer eivormig-lang werpig
met spitsen of wigvormigen meestal gelijken, soms aan den voorrand
afgeronden voet, en plotseling lang of buitengewoon lang toegespitsten
top, dun-papierachtig, in sicco groenachtig-aschgrauw, met onregel-
matig verspreide doorschijnende stippels of geheel onderschijnend
met 10—12 zeer dunne uitstaande zijnerven, overigens ongeaderd ;
van onderen eenigszins rimpelig, langs de hoofd-nerf evenals de
bladsteeltjes zeer dun-kort-behaard. Bladspil en bladsteel van boven
MELIACEAE. — 14 — DyYsoxyLuM.
scherpkantig-afgeplat, aan den voet bijna niet aangezwollen; zeer
fijn-behaard; 220—330 mM. lang. Bladsteel 80 - 130 mM. Blaadjes
gemiddeld 160 mM. lang bij 55; bladsteeltjes 5 —10 mM. Pluimen
axillair, aarvormig, geheel fijn-donzig-behaard, korter dan of even lang
als de bladsteel. Bloemen geel, gesteeld (bloemsteeltjes 3 —4 mM.
rolrond) alleen of in driebloemige bundels met eenige onontwikkelde
knoppen, langs de geheele hoofdas geplaatst; schutbladen zeer klein.
Bloemen klein of vrij groot; knoppen vierhoekig, fluweelachtig-
behaard. Kelk wijd napvormig met 4 breede, stomp-driehoekige
tanden. Bloembladen van buiten kort-grijs-fluweelachtig, van bin-
nen zeer kort-fluweelachtig behaard, vrij, opstaand, naar buiten om-
geslagen. Meeldradenbuis met 8 ( -10) korte opstaande gespleten
lobben, met afgeronde lobjes, van buiten, boven behaard, van binnen
onbehaard. Helmknopjes 8 (—10), iets uitstekend, breed elliptisch.
Schijf kort, breed-napvormig, nagenoeg gaafrandig, niet langer dan
de eierstok, van buiten glad, van binnen aangedrukt-behaard, aan
den rand gewimperd. Eierstok behaard; stijl onbehaard; stempel
breed, schijfvormig; 2—d-hokkig, met 2 naast elkaar geplaatste
bolvormige hangende eitjes (soms met één eitje C. Dc. le). Stuif-
meel klein (32—36 x) met 4—5 vrij lange meridionale plooien en
dwarsche ovale poriën (ongeveer als bij D. alliaceum Br.) Vrucht
(volgens C. Dc.) „peervormig, onbehaard, in sieeo zwartachtig-rood.
«. typica (D. Lobbii C. Dc.) Blaadjes ondoorschijnend, nogal
stevig,
toegespitst. Pluimen soms langer dan de bladsteel, „Bloemen
dikwijls overstaande; volwassen onbehaard, middelmatig-lang-
klein ongeveer 6 mM. lang,” (Mig. Lì c).
»
Aanm. Beschrijving van het type x naar C. DC, (zie hieronder). Ontbreekt in Herb.
Kps. van Java.
Geogr. verspreiding: „West-Java op G. Tjerimai”’ (Brume).
„Oost-Java op den Tönggör” (JureHurN).
var. 3 grandiflora K. et V.
Blaadjes alle afwisselend, dun-papierachtig, met verspreide
daarschijnende stippels; van onderen iets behaard; zéér lang toege-
DysoxyLum. — 15 — MELIACEAE.
spitst (topverlengsel dikwijls 30 mM. lang). Pluim korter dan de
blad steel Bloemen (levend) middelmatig 13—14 mM. lang,
45 mM. breed, kelk 2—5 mM. hoog; schijf 1 mM. Helmknopjes
1 mM. lang. Stuifmeel 32-836 u. Bloembladen van binnen zeer-
kort-fluweelachtig.
Aanm. Beschrijving der var. f naar een exemplaar van Herb. Kps. (5006 2, uit
Palaboean), en van het type naar origineel exemplaar van Mig. (Heynea multijuga Br.)
vergeleken met de uitmuntende beschrijving van D. Lobbianum bij C. DC. welke daar-
mede in alle opzichten overeenkomt. HEen-eiige hokjes van den eierstok, zooals C. DC.
voor deze soort opgeeft, komen ook bij andere soorten o.a. D. ezcelsum Br. somtijds
voor, ofschoon het normale aantal eitjes der soort twee is. Het exemplaar uit Herb. Kps.
wijkt door de groote bloemen en consistentie der bladeren van dat uit Midden-Java af. Van
de door LoBB en pe VRIESE op Java verzamelde exemplaren, waarop de beschrijving van
C. DC. berust is de vindplaats niet nader bekend.
Nader onderzoek op het terrein van de var. $ zeer aanbevolen.
Geogr. verspreiding: Slechts één boom door ons gevonden;
n.l. op 50 M. aan Zuidkust-Preanger bij Palaboehanratoe. — Standplaats:
Als D. densiflorum Mig. — Gebruik en inl. namen: onbekend.
Ramuli profunde rugulosi, cinerei parce lenticellosi. Folia longe pe-
tiolata, pari-pinnata vel pseudo-impari-pinnata. Foliola alterna 6—10
rarius opposita 3—5 juga, breviter petiolwlata oblonga vel subovato-oblonga,
basi acuta vel cuneata, rarius antice rotundata, apice abrupte longe vel
longissime acuminata, tenuiter papyracea vel rigidula; in sicco viridescenti-
cinerea opaca vel (in var. B) punctulis inaequalibus pellucidis, nervis
lateralibus 10—12 tenerrimis patulis ceterum avenia, subtus parum rugu-
losa „adulta glabra’ vel in var. B cum petiolulis puberulis, 160 mM. longa
et 55 lata; petiolulo 5—10 mM. Rhachis cum petiolo 80— 130 mM. longo
supra acutangulo-complanata, basi vir incrassata, 220—330 mM. longa.
Paniculae axillares, spiciformes, pwberulae, petiolo -aeqwilongae vel bre-
viores. Flores flavi, breviter (3—4 mM.) pedicellati, pedicellis teretibus in
cymis 1—3-floris, basi alabastra nonnulla obsoleta gerentes ad rhachin
inde a basi dispositi. Bracteae minutae. Flores parvi vel majusculi (6—14
mM. longi) alabastra quadrangula velutina. Calyx late cupularis denti-
bus 4 late trigonis. Petala extus brevi-griseo-velutina intus brevissime
velutina, Wibera, erecta, apice refleza. Tubus stamineus 8—10-lobatus, lo-
bis brevibus, erectis, bifidis, loculis rotundatis, eztus supra medium pu-
berus intus glaber; antherae 8—10 wir exsertae, lato-ellipticae. Discus
brevis late cupularis, subinteger, ovarium haud superans, extus glaber,
intus appresse pilosus, margine ciliatus. Ovarium hirsutum 2—4-loeulare
ovulis collateralibus „interdum singulis” (C. Do); stylus glaber; stigma
MELIACEAE. — 16: — DYyYsoxyLuM.
late discoideum. Pollen parvum (32-—36 u) plicis 4—5 elongatis poris
oblongis transsectis (fere D. alliaeei). „Capsula pgriformis glabra in
sicco atro-rubescens” (C. Dc.)
a typica. Foliola rigidula, saepe opposita, adulta glabra opaca epunctata
medioeriter _aeuminata. _ Panieulae petiolo interdum longiores. Flores
parvi (6 mM.) Ovarium teste MrQ. 2-loeulare (widimus spec. sterile in
Herb. Bog.) en
£ grandiflora. Foliola omnia alterna tenuiter papyracea, punctulis
pelluecidis conspersa; subtus puberula, longissime acuminata (acumen usque
30 mM.) Paniculae petiolo breviores. Flores in vivo 13 - 14 mM. longi,
4 —5 lati. Calye 2—5 mM. altus. Discus 1 mM. Antherae 1 mM. Pollen
32-36 u. Petala intus brevissime velutina.
B Bladeren meest 3-jukkig onevengevind; bloem 5-tallig.
14 Pysoxylum arborescens Mrg.! Ann. Mus le. p. 24; CDC. Le.
489; Kine! Mal. Pen. IL p. 526; — Goniocheton arborescens Br!
Bijdr. 1 177; Mrq. Flor. J. B. 1 2 p. 540; — TFrichilia arborescens
SPRENG Syst. 4 cur. post p. 252; — Hartighsea acuminata MiQ.!
Flor. Suppl. IL 196, 504; — Dysorylum Lampongum Miq.! Le.
196.503 (?); — D. Halmaheirae CDC.! le. 488; — Aglaia Halma-
heirae MiQ.! Ann. Le.; — ? Aglaia glabrata CDC. le. non T. et B.
Boomheester of nogal lage boom. Nooit grooter gevonden dan:
H=—=15 M. bij D=—=30 cM. Meestal H—=8— 10 M. bij D= 15
eM. Stam: Meestal krom en laag bij den grond herhaaldelijk
vorksgewijze vertakt. Bijna zonder wortellijsten. Met knoesten.
Nogal rolrond. Kroon: Zeer laag-aangezet. Meestal dicht. On-
regelmatig. “Schors: 6 mM. dik. Bros. Buiten grauw met fijne
barsten. Doorsnede lichtbruin. Binnen vuil wit. Met lenticellen.
Zonder melksap. Zonder bladgroen. Zonder reuk. Zeer weinig
bitter.
Twijgen donkerbruin of lichtbruin met talrijke ronde lenticellen
bedekt. Bladeren meestal 3- (2—4)-jukkig, onevengevind, met
langgesteeld eindblad, onbehaard. Blaadjes overstaand met korte vlee-
zige steeltjes, de drie bovenste meest obovaat-laneetvormig of obo-
DysoxyLuM. Een „MeErIACRAE.
vaat, de overige elliptisch of zeldzamer lancetvormig, de onderste
kleiner, alle met staartvormig-stomp-toegespitsten top en meestal
gelijken spitsen voet; dunvliezig (aan de jongere twijgen) en dan
zeer fijn-dicht-doorschijnend gestippeld of vrij stevig (in sicco perka-
mentachtig) ondoorschijnend, in sicco meest vaal-groen grijs; met
6—10 veruitéénstaande, zeer dunne zijnerven. Bladsteeltjes in sicco
zwart. Bladspil en steel van boven afgeplat met scherpe randen
dun, bladsteel nu en dan zeer sterk afgeplat, aan den voet niet
)
verdikt, eenigszins behaard; samen 100—200 mM. lang. Blaadjes
in grootte zeer verschillend, grootste (bij Herb. Kps. 13599 2 uit
Kediri) 250 mM. bij #5 ; onderste van hetzelfde blad 135 bij 55 ; bij een
ander specimen (D. Halmaheirae CDC.) grootste blaadje 200 mM.
bij 50. Blaadjes gemiddeld 110 bij 45. Levende bladeren boven
donkergroen, beneden zeer bleekgroen aan weerskanten glimmend.
Kristaleellen ontbreken geheel. Bloem pluimen evenlang tot twee-
maal zoo lang als de bladsteel, bijna onvertakt of met dunne 10_—60
mM. lange zijtakjes, nagenoeg niet of zeer weinig aanliggend behaard,
met meest l-soms 1 -—3-bloemige gesteelde bijschermen. Bloem-
knoppenrolrond, 7 mM. lang 4—5 mM. breed, (in sicco veel kleiner)
op vrij lange draadvormige steeltjes. Schutblaadjes zeer klein.
Bloemen groenachtig wit. Kelk zeer klein 5-tandig, vlak uitgespreid.
Kroonbladen van buiten zeer dun-aanliggend-behaard, soms nagenoeg
glad (war. timoriensis). Meeldradenbuis nagenoeg gaafrandig, aan
weerskanten onbehaard. Helmknopjes 10 ingesloten. Stuifmeel bolvor-
mig met 3—4 lengteplooien door dwarsche langwerpige poriën
gekruist (24 u). Schijf komvormig, aan den rand met 20 zeer
fijne ronde kartels, gewimperd, van buiten onbehaard, van binnen
behaard ($—2 mM. hoog). Eierstok 3--5-hokkig met 2 collaterale
eitjes in elk hokje, van buiten dicht grof behaard ; stijl aan den voet
behaard. „Vrucht afgeplat obovaat stomp 4—8-hokkig met
ingezonken top; zaad aan het hokje aangegroeid ; zaadhuid dun-leer-
achtig, aan den navel verdikt, zonder zaadrok; zaadlobben door een
diagonaal vlak gescheiden; worteltje ingesloten naar den top gekeerd”
(MrQqveL).
Aanm. Beschrijving naar verschillende authenthieke specimina en naar Herb. Kps.
12283 2 van Palaboean (Preanger) en eenige andere uit Oost-Java vrucht naar MiQqueL,
MELIACEAE.
a en
DyYsoxrLuM.
Het door Zorr. in Malang verzamelde exemplaar (Herb. Zorn. 2421 in Herb. bog.
wordt door C. DC. als eene afzonderlijke soort D. Halmaheirae beschreven en moet van
D. arborescens verschillen door de volgende kenmerken:
Bladsteel kiemt ao
Bladwvoot stent saeta tele
Consistentie... ......
Bladvorm. .. eee
Bloempluimen. .....
Sch Barterattenstere tele
D. arborescens.
Olios ses aoer 35 DE
ONZE speren ondd a ..
stevig, ondoorschijnend...
elliptisch-langwerpig......
onbehaard. ..... zr aen
komvormig nn veters alens talede
D. Halmaheirae.
ZOOL KOR benen ene
maas o00 5 DE
vliezig, doorschijnend-gestip-
IES por opaca ze
langwerpig-lancetvormig...
dun behaarde nietin
krOeBvormip Tare Bieten
Meeldradenbuis gekarteld: rts teeteneve renee Saatrandie ns ne tn
De verschillen betreffende het blad hier genoemd zijn niet van waarde, daar de blad-
vorm nogal varieert en bij hetzelfde individu de bladeren der jongere takken dun, door-
schijnend gestippeld zijn en de andere stevig ondoorschijnend. De bloempluim bij D.
arborescens is niet onbehaard bij de authentieke exemplaren van Herb Bog.; de meel-
dradenbuis nagenoeg gaafrandig; zoodat als eenig verschil de vorm van den schijf zou
overblijven, die wij bij het specimen van ZOLLINGER uit Malang konden onderzoeken en
die dáár evenzeer komvormig is als in de andere door ons onderzochte exemplaren.
Overigens is het blad van het origineele exemplaar van Aglaia Halmaheirae (ex Herb.
DE VRIESE) volmaakt identiek met het door C. DC. zelf geciteerde exemplaar van D.
arborescens uit Celebes (prov. Menado, TeEYsMANN in Herb. Bog.).
Een en ander heeft ons tot de synonymie van D. Halmaheirae C. DC. en Aglaia
Halmaheirae Miq. met D. arborescens Mriq. doen besluiten.
Geogr. verspreiding: Geheel Java; vooral in W‚-Java; 0— 1400 M.;
inzonderheid 700—1100 M. Nergens algemeen, evenwel op sommige
plaatsen o.a. bij Takòka in de Preanger op 1000 M. niet zeldzaam.
Buiten Java: Celebes; Ternate. — Standplaats: Als D. densiflorum
Mig. — Voorkomen: Nooit gezellig. Bijna altijd verstrooid tusschen
talrijke boomsoorten. — Bladafval: Altijdgroen — Gebruik: Mout:
Als te klein, te krom en te zeldzaam en hout te weinig duurzaam
geacht, niet door de inlanders gebezigd. — Cultuur: Niet aantebevelen.
— Inl. namen: Zeer onzeker en locaal en dikwijls geheel ontbekend.
In laagvlakte Banjoewangi bij Rägädjampi soms Brasan,j. Aldus elders
vele andere boomsoorten aldus genoemd. In Zuid-Preanger bij Palaboean
soms ? Haroeman-tjai, s. Ook zeer locale en elders soms voor andere
soorten gebezigde naam. — Habitus: De kleinste van alle Javaansche
Dysoxylum-soorten, soms slechts een” boomheester wordende.
Arbuscula. Ramuli grabri atro-rubescentes, dense pallide lenticellosi.
Folia impari-pinnata glabra. Foliola opposita, saepius 3-juga (l—4-juga)
elliptica vel lanceolata; terminalia tres obovato-lanceolata; infima minora;
omnia longiuscule obtuse caudato-acuminata; basi saepius aequali acuta,
breviter carnoso-petiolulata, terminali longiuscule petiolulata; membranacea
vel firmula, subtilissime dense pellucido-punctulata vel opaca, in sicco sae-
pius griseo-viridescentia; in vivo supra saturate viridia supra subargenteo-
viridia nervis lateralibus tenerrimis 6—10. Petioluli in sicco nigrescentes.
Rhachis et petiolus semiteretes, supra complanati acute-marginati; petiolus
basi haud incrassatus, puberus. Foliola saepius 110 mM. longa et 45 lata,
DysoxvLuM. rf) MrrLIACEAR.
nonmunguam majora, terminalia 250 mM. longa et 95 lata; inferiora 135
longa et 55 lata; alia 200 mM. longa et 5O lata. Rhachis cum petiolo
100—200 mM. Paniculae parvae simpliciusculae vel ramulosae petiolum
raro superantes puberwlae vel glabrescentes, ramulis 10—60 mM. longis,
cymulas 1—8-floris peduneulatas gerentibus. Flores + 8 mM. longi pe-
dicellis filiformibus aeqwilongis; bracteolis minutis viridescenti-albis. Calyx
parvus 5-dentatus sub anthesi rotatus. Petala 5 appresse-parce-puberula ;
tubus stamineus teres, utringue glaber, apice obsolete 10-dentulatus, antheris
10 parvis, vir exsertis. Pollen 24 u diam, poris 3—4 oblongis, plicis üis
multo longioribus transversatis. Tubulus crateriformis, carnosus, minute
20-ecrenulatus, ovario vie longior extus glaber, margine ciliatus intus pilosus ;
1,2 mM. altus. Ovarium dense hirsutum 3—5 loeulare, ovulis in lo-
culis 2 collateralibus. Stylus basi puberus, stigma discoideum. _„Capsula
depresso-obovoidea, obtuse sub 4—3-gona, vertice depressa 5—3-loeularis;
pericarpio coriaceo, firmulo, transverse ruguloso, glabro. Semina exarillata
in loculis solitaria, loculi parieti adnata, basi et apice libera; dorso con-
vera, antice plana vel duabus faciebus planis; testa tenwiter coriacea in
siccis ex fusco-nigrescente, versus raphen et hilum crassiore. Cotyledones
arcte cohaerentes, pro seminis diversa forma diversae: seminis dimidiato-
ellipsoidei plano diagonali sibi accumbentes wnde una antice plana dorso
converxa, altera fere triangulata: seminis antice bifacialis plano ex angulo
antico versus medium deorsum continuato contiguae; radicula supera et
plumula inclusae.” _(Mrqver).
Adnotatio. Specimina Zollingeriana Zour. 2421 (in Malang collecta)
a C. Do. ez typo Goniocheton arborescens Br. (nomine D. Halmaheirae
C. De. ewclusa) e descriptione via nisi twbulo crateriformi in D. arborescente,
wurceolato in D. Halmaheirae differre videntur.
Haud jure eas disjungendas censemus.
Aglaia glabrata T. et B. (Nat Tijdschr. XXVII 42.) a C. Do. ut sy-
nonymmum D. Halmaheirae citatwm ex arbore in Horto Bogoriensi cultum
et cum _auctorwm descriptione comparata veram Aglaiam nobis apparuit
ets foliorum habitu nee non odore forti alliaceo Dysoryli characteres
simulat.
Dysoxylum Lampongum var. (3 Mira. Suppl. a Mrqurrro in Ann. |. c.
et a C. De. U. e. cum D. arborescente conjungitur, a Kina (Fl. mal.)
excluditur. Specimen in Herb. Bog. vidimus foliis saepe paripinnatis, fo-
liolis anguste-lanceolatis, apice breviter acuminatis (haud caudatis) ramulis
elenticillatis forsitan jure distingwendum.
he caf - MR
‘e -
MELIACEAE. ISOR DyYsoxyvLum.
„. Bladeren zeer lang 5—15-jukkig; zijnerven dichotoom.
15. Dysoxylum mollissimum, Br! Bijdr. p. 175; MrQ. Ann.
Le. 18, (excl. var. 7 Halmaheirae Miq.!); CDC. 1. e. 512; — „Har-
tighsea mollissima a. Juss. le. 228 Mrg. Fl. L. B. 12 p. 538; supp.
Ip. 504; — Frichilia mollissima SPRENG, Syst. veg. rv 2. p. 252; —
Maechrochiton mollissimum Roem L. e.p. 504”. (Synon. ex MrQuer.);
— D. Teysmannii Cas. Dero. Mon. 513, descript. e A Teysman-
niano in Herb. Berol.).
Woudreus: H==58 M. bij D= 173 cM. (door ons gemeten boom
op den G. Wilis. Stam: Zuilvormig; de eerste zware takken
eerst 35 M. boven den grond; zuiver rolrond; boven een paar Meter
boven den grond zonder gleuven; zonder knoesten; met relatief
kleine wortellijsten. Takken: Nogal krom en nogal rijk-vertwijgd.
Kroon: Zeer hoog-aangezet; nogal klein eenigszins schermvormig ;
onregelmatig. Schors: 1011 mM. dik, Bros. Buiten aschgrijs,
met nogal fijne overlangsche barsten en zeer weinig afschilferend.
Doorsnede en binnen overlangsch-wit en oranje-gestreept. Zonder
melksap. Bijna zonder bladgroen. Met sterken uienreuk. Smaak
walgelijk naar rotte visch en uien en eenigszins scherp.
Twijgen nogal dun; lang-zachtharig, kaal wordend. Bladeren
lang-doorgroeiend, meestal evengevind, langgesteeld. Blaadjes veel-
jJukkig (5—14) meestal afwisselend, zeldzamer overstaande of bijna
overstaande, kort- soms zeer kort-gesteeld, langwerpig, met afgeronden,
kort-fijn-toegespitsten top en wigvormigen of afgeronden, of aan één
zijde spitsen (maar niet weggesneden) voet; de bovenste en onder-
ste blaadjes kleiner dan de overige ; alle aan de onderzijde (de jongere
ook aan de bovenzijde) evenals de bladsteeltjes en de spil langzacht-
harig; zeldzamer kort-fluweelachtig, de oudere somtijds bijna geheel
kaal; in sieeo geelgroen, vliezig, doorschijnend, dikwijls met lange
streepvormige doorschijnende stippels (bij één specimen ondoorschij-
nend, niet gestippeld, nagenoeg onbehaard), met uitstaande in het midden
vorksgewijs gespleten zijnerven. Levende bladeren geheel lichtgroen,
van boven zwak-glimmend. Bladspil en steel rolrond, de laatste
aan den voet niet aangezwollen, 200 — 400 mM. lang (bladsteel 100);
onderste blaadjes 65 mM. bij 37, middelste 130—160 bij 50. _Blad-
MELIACEAF. — (ll — DyYsoxyLuM.
steeltjes 2—7 mM. lang. Bij een steriel exemplaar blad 1 Meter
lang 15-jukkig, spil onbehaard met fijne streepvormige lenticellen,
middelste blaadjes 200 bij 60; bladsteeltjes 7 mM. Pluimen thyrsus-
vormig zachtharig, zijtakken kort en dun, trosvormig, bloemen zeer
kortgesteeld, tot rijkbloemige gesteelde bijschermen vereenigd, plui-
men 200—400 mM. lang, zijtakken 30—60. Bloemknoppen dun
rolrond, eenigszins knodsvormig (10 mM. lang 1.5 breed). Kelk
zeer klein bekervormig, behaard, stomp-gelobd. Bloembladen lijn-
vormig, dun-behaard. Meeldradenbuis van buiten en van binnen
geheel fijn-langharig met 8 gespleten of uitgerande slippen, die iets
boven de helmknopjes uitsteken, helmknopjes 8 lijnvormig; stuif-
meel klein (25—30 vw) met 3—t korte smalle plooien elk met een
langwerpige dwars geplaatst porie. Schijf buisvormig, half zoo lang
als de stamper, met 4 breede, vleezige, diep-uitgerande of gespleten tand-
jes; van buiten en van binnen met naar beneden gerichte haren. _ Bier-
stok zeer klein even als het grootste deel van den stijl behaard;
„hokjes (volgens Mrquer) l-eiig”. Vruchten klein, in lange plui-
men, bolvormig of zeer sterk afgeplat (bijna schijfvormig) geelbruin,
geheel onbehaard, eenigszins glimmend, zonder rimpels, 1 —4-zadig ;
kleppen dun-houtachtig. Zaad bolsectorvormig met ingekromden
top 16 mM. hoog, 14 breed, kastanjebruin aan den voet door een
kleine kapvormige zaadrok omgeven, zaadhuid zeer dun (in sicco);
zaadlobben donkergroen naast elkaar, met een kleine insnijding aan
den top, rijk aan melksapcellen en zetmeel; worteltje naar boven
gekeerd zeer klein, dicht bij den top ingesloten.
Aanm. Beschrijving van het type naar Herb. Kps. behalve de bloemen; deze naar het
origineele specim. van Brume, (uit Herb. Lugd. Bat.) en naar een exemplaar van HASSKARL
(439 Herb. Bog.) van een te Buitenzorg in den Hortus gekweekten boom af komstig. Dit
laatste exemplaar heeft bijna geheel onbehaarde bladeren en bladstelen. Ook bij een der
exemplaren van Herb. Kps. (5930 9) zijn de jongere volwassen bladeren en bladstelen
kort fluweelachtig, de andere nagenoeg onbehaard; in dit exemplaar zijn tevens de blad-
steeltjes veel langer dan in het type.
De door Mrqurv afgezonderde variëteit Sumatrand mag nauwelijks op dien naam aan-
spraak maken, daar er in de javaansche exemplaren bij dezelfde individuen even groote
zoo niet grooter verschillen in bladvorm voorkomen. De variëteit 4 Halmaheirae moet
o.i, worden afgescheiden, wegens de geheel verschillende bloeiwijze en behoort eerder
tot of nabij D. amooroides. De (mog zeer jonge) bloemknoppen zijn n.l. aarvormig
langs de verlengde zijtakken van den pluim geplaatst.
Te oordeelen naar de uitmuntende beschrijving van C. Drc. van D. Teysmannii (naar
exemplaren uit het Herb. van Berlijn) is er geen twijfel mogelijk, dat de hier beschreven
6
MELIACEAE. == == DysoxrLuM.
exemplaren tot dezelfde soort behooren. Afgezien van de beharing is de beschrijving in
alle deelen identisch. Wat de zaadrok betreít, deze is zeer klein en waarschijnlijk bij
de ingedroogde zaden niet meer waarneembaar. Im de minder volledige beschrijving bij
Cas. Dec. van D. mollissinum BL. worden de bloembladen opgegeven als ter lengte van
21 mM.; naar de bijna open knoppen van het origineel exemplaar schijnt het ons mogelijk,
dat zij deze lengte bereiken. Dergelijke zeer groote verschillen in de lengte der bloemen
doen zich echter bij meer soorten van Dysorylum voor (vergelijk D. nutans en D Blumei).
Geogr, verspreiding: Door ons slechts op twee plaatsen en
slechts een paar boomen gevonden; nl. op 1300 M. op G. Slamat en
in Tégal boven Simpar en op 1300—1400 M. boven Ngëbél op den
G. Wilis in Madioen. Op de laatste plaats niet bijzonder zeldzaam.
Buiten Java: „Ternate” (Mrqver). — Standplaats: Als D. densiflorum
Mig. — Bladafval: ? Altijdgroen. — Bloei- en vruchttijd: Im Oct.
door ons vruchten verzameld. — Gebruik: Mout: Zou deugdzaam zijn
en geschikt voor huisbouw. Is echter weinig bekend en wordt om de
zeldzaamheid zeer weinig gebruikt. Spint wit. Schors, enz.: niet gebruikt.
Vruchtwand der rijpe vrucht reukeloos, met eenigszins aromatisch-
bitteren smaak. Kiem reukeloos en intens bitter. Jonge volwassen
bladeren bijna reukeloos, met eenigszins aromatisch-bitteren en ui-achtigen
smaak. — Cultuur: In reboisatie m. h. oog op irrigatie aantebevelen. —
Inl. namen: Boven Ngëbël (Madioen) soms Teki, j. en soms Bawangan, j.
genoemd. Beide namen zeer locaal en elders soms voor andere boom-
soorten geldend. Op G. Slamat aan de inlanders geheel onbekend. —
Habitus: Woudreus der bergwouden van Midden-Java, welke door
de buitengewone kruinhoogte en sierlijk zuilvormigen stamvorm echter
niet in deugdzaamheid van hout de evenknie is van den „koning der
wouden van West-Java’ den Mala, s. of Rasamala, s. (zie onze Bijdrage
No. 2 p. 203—212). Is de hoogste van alle Javaanseche Dysorylum-
soorten. De gedroogde bladeren van deze soort gelijken soms zóó bedriege-
lijk op die van Ailanthus malabarica Lam, dat alleen buitengewone opmerk-
zaamheid in staat is om vergissing te voorkomen. Levende bladeren
van Ailanthus zijn echter door blauwachtig-grijze-blad-onderzijde niet
moeilijk te onderscheiden.
Var. 2 Sumatrana Mia.
„Met smallere lancetvormige 130 mM. lange, 25—35 breede blaadjes;
vruchtpluim met de steel 150 mM.” (Mrover).
Aanm. Beschrijving overgenomen naar MiqurL l.c.
Geogr. verspreiding: Alleen van West-Sumatra bekend; dáár
door TerysMm. gevonden.
Var. y Teysmannii K. et V. (C. Dec. spec.).
Bladeren geheel onbehaard.
Aanm. Beschrijving naar C‚ Dec. l.c. en Herb. Kps.
DysoxyLum. Ee MeELIACEAE.
Geogr. verspreiding: Slechts 3 boomen op de volgende 3 plaatsen
door ons gevonden; nl. op circa 1000 M. op den G. Oengaran in
Sëmarang; op 1100 M. bij Pondok Sëmpol op het Idjèn-plateau en op
d- 300 ML boven Rägädjampi in Banjoewangi. Bwiten Java : onbekend. —
Inl. namen: Zeer locaal en onzeker. In afd. Banjoewangi soms Sapíi, j.
of Kajoe-sapi, j. genoemd; evenals soms een Pometia soort aldus genoemd
wordt. Op Idjèn-plateau en op den Oengaran aan de inlanders onbekend. —
Habitus: In loeo werd door ons alleen genoteerd voor boom op Idjèn-
plateau: boomhabitus als Ganophyllum fule atum Br. (1), maar schors
eenigszins aromatisch en naar uien riekend.
Arbor altissima usque ad 58 M. alta. Ramuli molliter villosi, gla-
brescentes. Folia elongata, apice serius adulta demum saepius pari-pinnata,
longe petiolata. Foliola 5—1l4-juga alterna vel rarius opposita, breviter,
nune brevissime petiolulata, oblonga, apice breviter apiculata, basi aequali
v. subaequali cuneata v. rotundata nune subeordata vel latere postico acuta
(aud resecta); suprema et infima minora; omnia infra (juniora quogue
supra) cum petiolulis et rhachi molliter villosa (aetate provecta nonnunguam
deglabrata); membranacea; in sicco flavo-viridia, pellucida ; pellucido-li-
neolata (adulta saepe opaca epunctulata); in vivo dilute viridia, supra
nitidula; nervis lateralibus patulis circa medium saepissime furcatis. Rha-
chis cum _petiolo (100 mM. longo) basi non incrassata, 200 —400 mM.
longa, teres. Foliola infima 65 mM. longa et 37 lata; media 130 —160
longa et 50 lata; petioluli 2—T mM. Paniculae 200 — 400 mM. longi, tereti-
pyramidales, pubescentes, ramis brevibus (B0—60 mM.) eymulas densifloras
peduneulatas racemose gerentibus. Flores brevissime pedicellati, minute
bracteolati circe. 8—10 mM. longi. Alabastra anguste subelavato-eylindrica.
Calyr parvus cyathiformis puberus, lobis latis rotundatis. Petala linearia,
extus parce pubera. Tubus stamineus, extus appresse-puberus, intus vil-
losus, 8-lobulatis, lobulis emarginatis vel bifidis erecto-patulis; antherae
inclusae lineares lobulos aeguantes. Pollen globosum plicis 3—4 longitu-
dinalibus poris gan oblongis transversis aequatorialibus. Discus tu-
bulosus pistilli + |, longit. aequwans margine A-dentulatus, dentibus latis crassis
emarginatis vel Bk extus et intus retrorsum pilosus. Ovarium cum stylo
hirsutulum; „4-loeulare loeulis wniovulatis” (teste MrQurr); styli apex
exsertus glaber. Capsulae subglobosae, saepius depressae 15-—25 mM.
diam. et 15—17 altae, glabra, laeves fusco-ochracceac 1-—A-spermae; val-
vulis coriaceis lignosis. Semina sphaerae sectoris forma apice incurvato 16
mM. alta et 14 lata, badia, basi arillo parvo eueullacea induta; testa te-
muis. Cotyledones collaterales apice breviter incisae, lactescentes et fari-
nosae; radieula supera minima apicali inclusa.
(1) Van deze boomsoort is door Dr. BoerLAGE en Kps. onlangs het oorspronkelijke
voorkomen op Java geconstateerd,
MELIACEAE. — 84 — DyYsoxYLuM.
„var. B. Sumatrana Mra.; foliolis angustioribus lanceolatis, 130 mM,
longis, 25—35 latis; panicula fructifera eum peduneulo 150 mM.” (Mra.)
vie a genwina recedit.
var. y Teysmannii K. et V. (D. Teysmannii Cas. Drc.) Folia utringue
glabra. _Nullo alio discrimine recedit.
Adn. D. mollissimum var. Halmaheirae Mrq; (spec. ex Herb. Lugd.
Bat. missum!) ob panieulas ramosas, floribus (alabastris) sessilibus ad
ramos elongatos spicatim glomeratis valde diversum et forsitan ad D. Amoo-
roides Mrg. referendum. Species nostra foliis adultis toto deglabratis va-
riat. Haec forma vie pro varietate habenda, formis intermediis foliis to-
mentosis, in eodem arbore oceurrentibus— D. Teysmannii Cas. Drc. est
forma glabra hujus speciei quod ex illius deseriptione elucidat.
B Soorten met vrijbladigen kelk (subgenus Didymocheton) (species 16 —18).
a Bladeren lang; 10—13-jukkig.
16. Dysoxylum amooroides Mrq.! Ann. Le. 4 p. 16); CDC. Le.
p. 518; — D. othophorum Mrq. Le. p. 15; — D. maerophyllum et
pubescens T. et B.! Cat. Hort. Bog.
Nogal lage (1) boom in ’s Lands Plantentuin.
Twijgen hoekig gebogen, licht-grijs-bruin. Bladeren vrij kort-
of zeer kort-gesteeld, onevengevind met langzame ontwikkeling van
den top of, door abortus van den top, evengevind (meestal bij het
type); dikwijls zeer groot (300 mM. tot meer dan een Meter lang)
met rolronde, zijdelings iets afgeplatte spil en aan den voet min
of meer of (bij var. 2 en 7) zeer sterk verdikt en dan diep uitge-
hold. Blaadjes in 10—13 jukken; het onderste paar klein met
afgeronden of hartvormigen voet eivormig of cirkelrond met kort
toegespitsten top, de 2 of 3 volgende paren grooter elliptisch; de
overige langwerpig met stomp toegespitsten top met scheven van
voren afgeronden, van achteren hoog weggesneden voet; gemiddeld
140—180 mM. lang 50—60 breed, zeer kort gesteeld (5—10
mM.); eindblad, waar het ontwikkeld is langer gesteeld (+ 15 mM.);
dun-vliezig-doorschijnend of stevig-vliezig met talrijke zeer fijne
(1) Ziekelijk exemplaar.
DysoxYLum. — 85 — MELIACEAE.
doorschijnende stippels; in sicco licht-geelgroen of grijsachtig groen
met gele nerven; geheel onbehaard of min of meer behaard ; zijner-
ven ongeveer 10—15 dun onregelmatig uitstaand aan beide zijden
uitspringend. Blaadjes levend licht groen met zeer lichte nerven.
Bladspil witachtiggroen. Bloempluimen pyramide-vormig, 200—
500 mM. lang; kort of vrij lang gesteeld, met korte of lange zij-
takken; deze aarvormig met alleenstaande, zittende of tot kluwens
vereenigde bloemen, of vertakt met aarvormige zijtakjes; hoofdas
driehoekig, behaard of onbehaard; zijtakken zacht-behaard. Schut-
bladen zeer klein, priemvormig ; in één exemplaar bladachtig (in enkel-
voudige langgesteelde of drietallige blaadjes veranderd). Bloemen
zittend met 2—5 aan de kelkbladen in vorm gelijkende schutblaad-
jes aan den voet. Kelk vrijbladig met 5 breed-eivormige concave
stompe of afgeronde ongelijke, dakpansgewijs over elkaar liggende,
vliezige gewimperde, dicht behaarde of bijna kale kelkblaadjes.
Kroonbladen 4—5 zijdeachtig behaard, aan den voet tot de helft
of °/, meer of minder stevig aan de meeldradenbuis verbonden.
Deze buis van boven, voor zoover vrij, grof-behaard; van binnen
geheel dun-lang behaard, met 8—10-lobbigen rand, lobjes klein
gaaf of uitgerand opstaand. Helmknopjes klein, even lang als de
lobjes, ingesloten. Stuifmeel bolvormig met 4 dwarsche poriën, door
smalle korte plooien gekruist. Schijf buisvormig, vlak onder den
rand eenigszins ingesnoerd, met bijna gaven, zeer fijn getanden rand,
van buiten onbehaard (bij var. y met enkele haartjes) bijna half
zoo lang als de stamper. Eierstok dicht- behaard, 5-hokkig met twee
schuin boven elkaar geplaatste eitjes in elk hokje; stijl behalve aan
den top geheel behaard. Doosvrucht afgeplat-bolvormig, 3—5-
hokkig, fluweelachtig behaard bij het indrogen netvormig gerimpeld,
met een verheven naad langs den rand der kleppen, kort gesnaveld
met leerachtige kleppen; 18-—25 mM. in middellijn 15—20 hoog.
Zaden 1—2 in elk ‘hokje, ter grootte van een erwt; aan den
binnenrand hoekig met twee zijvlakken, door een bruine dunne zaad-
huid los omhuld, navelstreng aan de buikzijde tot een zeer weeken
vleezigen zaadrok verdikt, die de binnen-beneden-kant van het zaad
als een dikke kap omhult (in sieco geheel indrogend). Kiem door
een zeer dun binnenste zaadvlies omgeven, half-bolvormig met stevig
A IP WE
< Nes
Ue , Pel
= et re 5
-
MELIACEAE. —= 86 —= DysoxYLuM.
aaneengegroeide zaadlobben (rijk aan zetmeel) met zeer klein wortel-
tje aan den top ingesloten, maar uitwendig zichtbaar, onbehaard
pluimpje bijna niet ontwikkeld.
var. « typica. Bladeren meestal door mislukking van den top
evengevind, duidelijk gesteeld (30 —60 mM.) met aan den voet niet
zeer sterk verdikten bladsteel; de jonge blaadjes vooral van onderen
behaard; de oude geheel onbehaard, alleen met een haarbosje in
de oksels der nerven aan de onderzijde. Zijtakken der pluimen
aarvormig of zeer weinig vertakt, kort. Bloemen bijna altijd
alleenstaand. Kelkbladen van buiten kaal wordend. Schijf van
buiten onbehaard.
Aanm, Beschrijving van het type naar een levend exemplaar in den Hortus Bog.
(IIL C 30) vergeleken met authentiek exemplaar {enkele blaadjes uit Nieuw-Guinea en
Ceram) uit Herb. Lugd. Bat. Evenals in het origineele exemplaar zijn ook bij het levende
de blaadjes door haarbosjes in de bladnerf-oksels gekenmerkt. Deze typische vorm komt
waarschijnlijk niet op Java voor. HEenige exemplaren van Herb. Kps. „uit Oost-Java) die
er door de bloeiwijze en habitus van blad volkomen mede overeenstemmen (4914 3), verschillen
echter door het gemis der haarbosjes en vooral doordat het onderste bladpaar als oortjes
aan den bladvoet is geplaatst.
Var. B is in den Hortus Bog. door twee exemplaren onder de namen 7. macrophyllum
en 7. pubescens T. et B. (IL B 27 en 81) vertegenwoordigd, die echter volmaakt aan
elkaar gelijk zijn. Deze vorm waartoe de meeste exemplaren van Herb. Kps. behooren
varieert in de grootte en beharing der bladeren (soms bij hetzelfde exemplaar) en in de
vertakking der bloeiwijzen; zij is door overgangsvormen (uit Oost-Java) met het type a
verbonden (Herb. Kps. 4914 9).
Var. y is naar een levend exemplaar in Hort. Bog. (III B 64), afkomstig uit
Djokjakértà; en is in Herb Kps. waarschijnlijk door een niet-bloeiend exemplaar uti
uit Palaboehanratoe (Preanger) vertegenwoordigd en misschien door een tweede uit Madioen.
Dit laatste verschilt van andere (bloeiende) van dezelfde vindplaats wat de bladeren
betreft alleen door de beharing en is dus misschien een behaarde vorm van var. f.
De beide Javaansche variëteiten onderscheiden zich door een vrij sterken eigenaardigen
compost- of humus-reuk, die zich spoedig na het afplukken ontwikkelt en bij het type a
ontbreekt. 3
MrquerL geeft zoowel voor D. amooroides als voor D. otophorum op, dat de bloembladen
met de meeldradenbuis vergroeid zijn; hetgeen met onze waarneming overeenkomt; evenwel
geeft C. Dc. voor beide soorten ten onrechte op „meeldradenbuis vrij”. k
Geogr. verspreiding: Het type x alleen van Nieuw-Guinea,
Ceram en Celebes bekend.
Var. £ otophora K. et V. (MrQ. species); — D. macrophyllum
Teysm. et BiNN. Cat. Herb. Bog.
DysoxyLum. 8 MELIACEAE.
Hooge boom: H—=25 M. bij D==45 eM. (getaxeerd). Stam:
Recht; zonder knoesten; met enkele gleuven; met kleine wortellijs-
ten; hoog boven den grond zich vorksgewijze in een gering aantal
schuinopwaartsgerichte takken verdeelend. Takken: Uiterste twij-
gen dik. Kroon: Zeer iijl; eigenaardig door de vrij lange aan de
uiteinden der twijgen geplaatste (gevinde) bladeren. Schors:8—
10 mM. dik. Bros. Buiten grauw en nogal glad; bijna niet afschil-
ferend. Doorsnede vuil-wit. Met talrijke groote oude lenticellen.
Zonder melksap. Met eenigszins stinkenden (niet naar uien) reuk
en bitteren smaak. Bladeren meestal onevengevind; zeer kort
gesteeld 5—20 mM. Bladsteel aan den voet zeer sterk verdikt diep
uitgehold, met breeden leunstoelachtigen rand; onderste blaadjes
klein, soms zeer klein (12—20 mM. breed en even lang) rond met
hartvormigen of afgeronden voet en kort toegespitsten top, kort-gesteeld
(2—3 mM.) gelijkende op steunblaadjes; de volgende 3 of 4 paren
geleidelijk grooter wordend, elliptisch met afgeronden of hartvor-
migen voet, de overige langwerpig; dikwijls 300 mM. lang. Blad-
spil dikwijls meer dan een Meter lang. Blaadjes onbehaard of min
of meer donzig aan de ondervlakte, (vooral bij bladeren van jonge
loten); altijd zonder haarbosje in de oksels der nerven. Pluimen
zelden als bij het type x meestal zeer lang en sterk vertakt 200 —
500 mM. lang; met lange (120—180 mM.) zijtakken, die aan korte
aarvormige vertakkingen (5 —15 mM. lang) de alleenstaande of in
kleine kluwens vereenigde bloemen dragen. Kelkbladen van buiten
behaard, schijf van buiten onbehaard.
Geogr. verspreiding: In geheel Midden- en Oost-Java op vele
plaatsen algemeen o.a. in Sömarang en Pékalongan. In res. Madioen
en Bùösoeki nog tot op 950 Meter gevonden. Im West-Java naar het
schijnt door de war. y vervangen. Buiten Java: onbekend. — Stand-
plaats: Bij voorkeur in loofverliezende bosschen; o.a. in meeste djati-
bosschen vrij algemeen; ook in altijdgroen bosch; dan echter bijna alleen in
Jongesecundaire “bosschen o.a. in laagvlakte van Ragadjampi in Banjoe-
wangi. Bladafval: Soms (?) loofverliezend. — Vermenigvuldiging:
Groeit snel en werkt zich gemakkelijk door alang-alang heen. Behoort
vaak tot de pioniers van spontaan opschietend bosch op verlaten bouw-
velden in Midden- en Oost-Java. — Gebruik: Mout: Als zeer weinig
duurzaam nooit door de inlanders gebezigd. Heeft geen kernhout.
Hout geheel wit; versch eenigszins (?) stinkend. Schors, enz.: niet door
de inlanders gebezigd. Levende bladeren reukeloos en eenigszins bitter.
— Bloei- en vruchttijd: Door ons het geheele jaar door (evenwel
MELIACEAE. — 88 — DysoxyLum.
niet bij dezelfde individuen) bloemen en daarna vruchten. Rijpe vruchten
o.a. in Maart, Mei, Nov. en o.a. in Januari, Febr., Aug. en Nov. —
Cultuur: Niet aantebevelen. — Inl. namen: Ofschoon eenige andere
boomsoorten en vooral Dysorylwm-soorten aldus genoemd worden gelden
de volgende namen bij voorkeur voor deze boomsoort: Kédojd, j. of Dojd, j.
in bijna geheel Midden- en Oost-Java; Ketoedjeuh md. in res. Bösoeki;
Kedojd, j. s. bij Tjilatjap in Banjoemas en Dojd, j. bij Soebah in Péka-
longan. — Habitus: Eigenaardig; zelfs in blad de aandacht trekkende
door de veelal kandelaber-vormige vertakking van den rechten stam met
lange grofgevinde bladeren aan de uiteinden der weinig vertakte dikke
takken. Vooral bij jongere boomen is deze boom-habitus eigenaardig.
In bloei- en vruchttijd niet meer dan anders in het oogvallend. De
vruchten echter zóó typisch en ook de reuk der gedroogde bladeren
zoo karakteristiek (zie boven de beschrijving) en dat men deze soort
van alle Javaansche boomen alleen daaraan in het bosch dadelijk kan
herkennen.
Var. 7 pubescens K. et V. — D. macrophyllum et D. pubescens
T. et B.! Cat. Hort. Bog.
Bladeren groot, kort-gesteeld, maar bladsteel meest iets langer
dan bij var. 2 diep uitgehold (20 —35 mM. lang). Onderste blaadjes
30—45 mM. lang hartvormig, zeer kort- (Ll mM.) gesteeld. Bladspil.
Blaadjes van boven met verspreide haren, vooral langs de hoofdnerf ;
van onderen vrij lang zacht-behaard. Bloem pluimen slechts één-
maal vertakt. Bloemen meest alleenstaand of tot kleine kluwens aan
de zijtakken; deze korter dan de hoofdsteel. Bloemen grooter dan
bij var. « en @ dikwijls 5-tallig. Bloemkroon aan den voet door de
kelk ingesnoerd. Kelkbladen geheel behaard. Schijf van buiten
met enkele verspreide haartjes. Vrucht meer behaard dan bij
var. %.
Geogr. verspreiding: Door ons nog slechts op 2 plaatsen eenige
boomen gevonden; nl. op 900 M. boven Ngöbel op den G. Wilis in
Madioen en op 1250 M. bij Pangèntjongan in afd. Limbangan (Preanger).
Buiten Java: onbekend. — Standplaats: Op constant nogal vochtigen
grond. — Cultuur: Door ons aangeplant gevonden bij Pangentjòngan
(Preanger) in een reboisatie m.h. oog op grondverbetering. Daarvoor
o. i. door de ijle kroon minder geschikt. Daar geplante 30-jarige boom
mat in 1893: H— 13 M. bij D= 20 cM. — Inl. naam: Bij Pangen-
tjòngan (Preanger) vrij constant Ki-tai, s. genoemd. Elders ook een paar
andere boomsoorten aldus geheeten. Bij Ngöbel (Madioen) Kedojd, j.
evenals de var. (3. — Habitus: Geheel (?) de var. 3 maar blaadjes meer
behaard.
Folia breviter vel brevissime petiolata; adulta saepius glabra impari-
DyYsoxyLuM. — 89 — MELIACEAE.
pinnata apice tardius evoluta vel abrupto-pinnata; valde elongatha ; rhachi
tereti lateraliter compressa, gracili; in sicco straminea; 300 —920 mM.
longa petiolo (in var. (B et y) valde inerassato, profunde sulcata. Foliola
10—13-juga; inferiora parva; e basi cordata vel rotundata (infima in
var. 3 et y ma basi inserta stipulas simulantia) pedetentim inerescentia,
elliptica, basi aequalia, rotundata vel cordata (40—80 longa 36—55 lata)
ceterwm oblonga, acuminata, basi valde obligua antiee lato-rotundata, pos-
tice alte resecto (saepius 140—180 longa et 50—60 lata); tenui-membra-
nacea pellucida, in sicco stramineo-viridescentia adulta glabra vel subtus
ad nervos et petiolulis hine inde puberulis (in y pubescentia) terminale
rarius evolutum tum longe petiolulatum (petiol. 15 mM.) Nervi laterales
tenues utringue prominuli 10—15 irregulares, patuli. Petioluli hine 4,
illine (lamina resecta) 10 mM. longi. Foliola in vivo pallide-viridescentia
nervis flavescentibus; rhachi albido-viridescente. _Paniculae pyramidatae
saepius 200—250 mM. longae, breviter peduneulatae, ramis brevibus, in-
ferioribus + 60 mM., versus apicem sensim decrescentibus, rarius magis
elongatis ramulosis; floribus in ramulis spicatim confertis, ad ramos su-
periores glomerwlatis, subsimplicibus spicatis, dense velutino-puberis; rha-
chi triguetro glabrescente. Bracteae parvae, subulatae. Flores sessiles, sae-
pius solitarii; varius 2—3-glomerati; basi bracteolis 2—5-sepalis confor-
mibus. Calyx 5-sepalus, sepalis rotundatis, valde concavis, margine mem-
branaceis ciliatis dense puberis vel glabrescentibus imbricatis. Petala 4—5
extus dense sericea, basi *|, vel ?|, twbo stamineo agglutinata, („interdum?
libera” C. Do.) apice patulo. Tubus stamineus extus parte libera hirtus,
intus laxe villosulus, lobis 8—10 brevibus obtusis vel leviter emarginatis.
Antherae 10 lobis aeqwilongae viv exsertae. Pollen 40 pz longum, plicis 4
minutis longitudinalibus, poris oblongis üs transversis. Discus tubulosus
prope apicem constrictus ore sub-integro extus glaber (in „var. pubescens”
parcissime pilosellus), intus retrorsum pilosus, dinidio pistilli brevior. Ova-
rium hirsutum 5-loeuwlare; ovulis in loculis binis superpositis; stylus fere
toto hirsuto, summo apice glabro. Capsula depresso-globosa, 3—5-loeu-
laris 18—25 mM. diam. et 15—20 alta, suturis valvarum elevatis, bre-
vissime rostellata, pubescens; valwis coriaceis in sicco reticulato-rugosis.
Semina in loeulis 1 vel 2 oblique superposita pisiformia; testa tenvi-mem-
branacea, rubra, embryon laxe investiens funiculo ventre et basi in arillum
crassum molliter carnosum trigonum cucullarem incrassato. Embryo teg-
mine tenud indutum, semiglobosum, ad hilum depressum. Cotyledones valde
maeguales, arcte connatae. Radicula minuta, supera, summo apice in-
elusa, subexserta glabra; plumula subnulla.
MELIACEAE. == DysoxyLuM.
var. & typica (nova-guineensis).
Folia petiolata, saepius abrupto-pinnata, petiolo 30—60 mM. basi pa-
rum inerassato; novella subtus ad nervos pubera demum glaberrima, ad
azillos nervorum subtus barbellata. Panieularum rami spiciformes vel
pauciramulosi breves (usque 60 mM.) Flores solitarii. Sepala eztus gla-
brescentia. Tubulus ertus glaber. Folia inodora. 3
Vidimus siccam in Herb. Hort. Bog. e Ceram et Nova Guinea, vivam
in Hort. Bog.
var. (B otophorum (Mia.) K. ef V.;— D. macrophyllum ef ? pubescens
T. et B. Cat. Hort. Bog.
Folia brevissime petiolata (5—20 mM.); petiolo hasi valde incrassato.
Foliola jugi infimi parva; 12—20 mM. longa et lata; rotundata, basi
cordata, reflexa, stipula simulantia. Folia saepe maxima rhachi plus me-
trali, foliolis 300 mM. longis, glabris vel subtus imprimis ad nervos parce
puberis, arillis non-barbellatis. Paniculae ramosissimae 200—500 mM.
longae brevi vel longe pedunculatae (40—90 mM); ramis paniculae di-
midium aequantes vel superantes (80—180 longis) valde ramulosis floribus
ad ramulos 5—15 mM. longos spicatim dispositis saepe pauci-glomeratis.
Bracteae sub ramis parvae subulatae in singulo specimine foliosae (4921 3)
sepala ertus dense pubescentia. Tubulus extus glaber. Folia dum emar-
vescunt odorem putrefactionis exchalant.
Adn. Specimina duo in Hort. Bog. (nom. D. maerophyllum et D. pu-
buscens T. et B.), omnia fera specimina Javanica in Herb. Kps. ad hane
formam pertinent; nonnulla tamen paniculis simplici-ramosis ad genuinam,
foliis basi auriculatis ad 3 referenda intermediam forman constituent.
var. y pubescens K. ct V.
Folia magna breviter petiolulata (20—35 mM ); foliolis inferioribus 30 —45
mM. longis, late cordatis, brevissime petiolulatis; rhachi eum petiolulis et
foliis subtus molliter tomentosis. Paniculae ramosae, ramis spicatim flo-
rigeris: floribus interdum 2—3-glomeratis. Flores quam in var. (3 majores
(14 mM. longi) saepe pentameri; petala tubo alte et arcte connata; discus
ertus pilis sparsis conspersus.— Folia olentia ut in 3,
b. Bladeren 1—A-jukkig, onevengevind.
a. Meeldradenbuis onbehaard.
17. Dysoxylum nutans, Mrq. Ann. le. 17; C. DC. Le. 520; —
Didymocheton nutans Br.! Bijdr. p. 177; Mrq. Flor. 1. B. r 2 p.
DysoxyLumM. — 9 — MeErL(ACEAR
540; — Melia pubescens Reinw. in Cat. Hort. Bog. — Didymocheton
Leschenaultii, Hort. Bog.! non Jussreu.
Zeer lage boom of boomheester; meestal H=6—7 M. bij D=
15 —20 cM. Soms H—=3—5 M. bij 8—10 eM. Stam: Meestal
krom en laag vertakt. Kroon: Laag-aangezet;nogaliijl. Schors:
2 mM. dik. Buiten grauw; nogal glad. Doorsnede en binnen vuil-
wit. Nagenoeg reukeloos. Zeer bitter.
Twijgen rolrond; min of meer behaard; glanzig lichtbruin met
ronde kleine lenticellen. Bladeren langgesteeld, onevengevind,
2—3-jukkig, zelden 1- of 4-jukkig. Blaadjes nagenoeg overstaand;
zeer kort gesteeld; de bovenste meest zittend, elliptisch met spitsen
voet en spits-abrupt-toegespitsten top; de 3 eindbladen ongesteeld
of het middelste vrij lang gesteeld, (langwerpig) omgekeerd-eivor-
mig met spits versmalden voet; vliezig in sicco iets doorschijnend,
geelachtiggroen, met 8-— 12 paar (zelden 16—20 paar) dunne over-
staande zijnerven, meest onduidelijk of niet netvormig geaderd; van
boven onbehaard bij var. 3 op de nerven behaard), van onderen
meestal langs de nerven evenals de bladsteeltjes en bladspil dun-
behaard, somtijds geheel onbehaard, (bij var. 2 dicht lang-zacht-
harig). Bladspil en steel rolrond voet niet verdikt, te zamen
140—250 mM. (steel 45—90 mM.) onderste blaadjes 35—70 mM.
bij 25—43; bovenste 135 —240 bij 40_—85. Bladsteeltje meest 0 —2
mM., van het eindblad O—14 mM. Versche bladeren lichtgroen.
Pluimen korter dan het blad (120—300 mM.), langgesteeld met
slanke dunne hoofdas en ver uiteenstaand zeer dunne zijtakken,
geheel aanliggend behaard. Bloemen vuilwit alleen of in (2—7
bloemige) kluwens of bundels of min of meer stervormig nabij den
top der 10—60 mM. lange zijtakjes, meest ongesteeld of zeer kort
gesteeld, met een klein priemvormig schutblad aan den voet der
steeltjes; licht roomkleurig, 15—20 mM. lang. Kelk fraai lichtgroen
‚ nagenoeg vrijbladig met 5 dakpansgewijze eivormige of ronde, cus-
pidate of stompe, behaarde en gewimperde blaadjes, met 2 of 3
kleine schutblaadjes aan den voet. Bloembladen 5 rechtopstaand
leliewit of geelachtig wit van het midden af omgebogen uitstaand,
aan den voet aan de meeldradenbuis vastgekleefd, fluweelachtig
MELIACEAE. — 92 — DysoxYLuM.
met naar beneden gerichte haren 16—18 mM. (volgens CDC.
1 mM.) lang. Buis (17 mM. lang) wit van buiten aanliggend-
behaard, aan den top 10 lobbig met diepgespleten opstaande lobben
(bijna 20-lobbig), van binnen behalve aan den verbreeden voet
langharig. Helinknopjes 10, uitstekend, vuil wit, langwerpig,
l-- 1} mM. lang. Stuifmeel met 4 op ongelijke afstanden ge-
plaatste langwerpige poriën, loodrecht gekruist door dunne korte
plooien, 56 « middellijn. Schijf 5 mM. lang ongelijk-kort-gelobd
met uitgerande lobjes aan weerskanten onbehaard. Eierstok
B-hokkig, wit; klein behaard. Stijl niet uitstekend; wit, aan den
top onbehaard. Stempel cylindervormig. Eitjes boven elkaar.
Vrucht obovaat of elliptisch, gesnaveld; buiten fraai licht bruin
geel; zachtharig; in sicco eenigszins netvormig-gerimpeld, met
de kelk ein schutblaadjes aan den voet, 5 kleppig, 5 hokkig
5—10 zadig, circa 20 mM. hoog. Kleppen leerachtig, van buiten
okerbruin, van binnen stroogeel. Zaad opstaand, met een vleezig
verdikte zaadstreng (zaadrok rudiment) aan den voet, die er aan de
rugzijde mee samenhangt en daar in een ovaal vaatwerk eindigt;
langwerpig, 3 zijdig, ongeveer 13 mM. hoog bij 7 breed en dik,
(in de tweezadige hokjes kleiner) poortje aan de buikzijde nabij
den top. Zaadlobben zeer ongelijk, achter elkaar geplaatst en door
een diagonaal vlak gescheiden, de buitenste (voorste) het kleinste.
Pluimpje uiterst klein (0.6 mM.) nabij den top geplaatst, ingesloten
met (mikroskopiseche) knodsvormige klierharen bedekt, worteltje rudi-
mentair naar den top gekeerd.
B. tomentosum MrQ. Bladeren aan de onderzijde en bladstelen
dicht-lang-zachtharig.
Aanm. Beschrijving ook van de var. 2 naar eenige specimina Herb. Kps. en naar
levend specimen uit Hort. Bog (IL B. 3). Onder de origineele exemplaren is merk-
waardig een exemplaar met naar boven uitgeschulpte spits-gelobde bladeren door BLUME
verzameld. Tusschen de 3 en het type bestaan overgangen; slechts enkele exemplaren
zijn bijna geheel onbehaard.
De grootte der bloemen schijnt te varieeren. C. Dc. geeft op lengte der bloembladen
7 mM. (naar spec. ZoLr. 908 en 511) bij onze exemplaren zijn zij 15—18 mM. lang
Geogr. verspreiding: Geheel West- en Midden-Java en waar-
schijnlijk ook in Oost-Java. Alleen op 700 —1500 M. Ofschoon nergens
bijzonder algemeen, toch op enkele punten niet zeldzaam o.a. de var. (3
DysoxyYLum. Gh MELIACEAE.
door ons bij Pangèntjòngan in de Preanger op 1200—1500 M. en door
JuNGHUEN op den G. Oengaran gevonden. Het type met zekerheid aan
ons alleen nog van den G. Poelasari in Bantën, G. Wilis in Madioen,
G. Midangan in Banjoemas en N. W. Praoe in Pëkalongan bekend.
Buiten Java: Het type niet buiten Java bekend. De var. (3 buiten
Java alleen van Sumatra bekend (Korruars). — Standplaats: Alleen
in vochtige altiijdgroene hoogstammige bergbosschen.— Bladafval:
Altijdgroen. — Bloei- en vruchttiijd: Het geheele? jaar door. —
Gebruik: Hout: Als te klein en hout te weinig duurzaám nooit
gebezigd. Schors, enz.: niet gebruikt. — Cultuur: Niet aantebevelen. —
Inl. namen: Meestal aan de inlanders onbekend. Soms en dan alleen
met locaal eenige waarde hebben den naam aangeduid o.a. bij Pangèn-
tjòngan in de afd. Limbangan (Preanger) evenals een andere Dysorylum-
soorten Pisitan-mònjèt, s.; bij Pandanaroem op G. Djaran (Banjoemas)
2 Walang-scbre, j.; bij Pringdmbà in Banjoemas ? Lansëpre, j.; bij
Soerdjà in Pëékalongan soms ? Walahan, j. De laatste 3 namen elders
ook voor een paar andere Dysorylum-soorten geldend en van weinig
waarde, — Habitus: Is de kleinste van alle Javaansche Dysorylum-
soorten. De andere nooit evenals deze een boomheester. De var. (3
in boomhabitus aan het type gelijk. Herinnert iets aan D. arborescens Mrq.
Arbuseula v. arbor frutescens. Ramuli teretes magis minusve pubescentes
vel glabri, dilute badiù lenticellis parvis rotundis. Folia longe petiolata,
impari-pinnata, 2—3-juga, rarius 1—4-juga. Foliola subopposita, brevissime
petiolulata elliptica basi acuta apice abrupte acute acuminata, terminalia tres
sessiles (vel terminale longiuseule petiolulata), obovato-oblonga, basi acuta
attenuata; omnia membranacea; in sicco subpellueida; flavescenti-viridia; ner-
vis 8 —12, rarius 16—20 utringue tenuibus oppositis, venatione inconspicua ;
supra glabra, subtus ad nervos cum petiolulis parce pubera modo glabrescen-
tia. Rhachis eum petiolo (45—90 mM. longo, basi non incrassato) teres
140 _—250 longa. Foliola inferiora 35—70 longa 25—43 lata, superiora
135— 240 longa 40—85 lata, petiolulis O—2 mM. folii terminulis O—14
mM. Folia in vivo pallide viridia; inodora; sapore amaro. Paniculae
folio breviores 120—300 mM. longe pedunculatae, rhachi gracili, ramis
remotis gracillimis, appresse pubescentes. Flores singuli vel 2—T conferti
ad apicem ramorum 10—60 mM. longorum, saepius sessiles vel brevissime
pedicellati; bractea minuta subulata suffulti; albido-cremei 15—20 mM.
longi (in nostris speciminibus) teste C. De. e spec. Zour. (No. 908 et 511)
minores. Calyx subpolysepalus sepalis 5 imbricatis ovatis vel rotundatis,
cuspidatis vel obtusis, pubescentibus et ciliatis, bracteolis 2—3 parvis suf-
fultus. Petala 5 erecta, inde a medio reflero-patentia, basi tubo sta-
mineo aglutinata, velutina, 16—18 mM. (teste C. Do. 7 mM.) longa. Tu-
bus stamineus (17 mM. longus) extus sericeus intus villosus apice 10-lo-
bus, lobis profunde-fissis fere 20-lobulus. Antherae 10 easertae 1-—14
MELIACEAE. — O4 DysoxyYLuM.
mM. longae Pollen globosum poris 4 oblongis, plicis angustis brevibus
transsectis inaegquidistantibus. Discus 5 mM. longus brevi-inaequali-lobatus
et intus glaberrimus. Ovarium 5-loeulare parvum hirsutum. Stylus hir-
sutus apice non exserto glabro. Stigma cylindraceum. _Ovula superposita.
Capsula obovata vel elliptica, rostellata, pubescens; in sicco retieulato-ru-
gosa; basi ecalyce et bracteolis suffulta B-valvis, 5-loeulare, circ. 20 mM.
alta; walvis coriaceis ertus ochraceis intus stramineis. Semina 1—2 in
quogue loeulo funieulo valde earnoso ventre et basi obtecta, oblonga, 3-gona
d- 13 mM. alta, 7 lata et crassa (in loculis bispermis minora). Coty-
ledones valde inaequales plano tangentiali separatae, (ca quae quoad fruc-
tw dorsalis maulto minor). _Plumula minuta prope apicem inclusa (0.6
mM. longa) glabra (sub lente fortiore pilis glandulosis conspersa) radi-
eula effoeta supera.
8 tomentosum Mrq. Foliola subtus cum petiolulis et rhachi dense villosa ;
cum genwina formis intermediis conjuncta.
B. Meeldradenbuis van binnen behaard.
18. Dysoxylum Leschenaultianum (Jussieu) K. et V.; — Didymo-
cheton Leschenaultianum Juss. Mém. 271; EF. 1. B. 540.
„Fwijgen dun-behaard, de jonge viltig. Bladeren oneven-
gevind, 2—l-jukkig. Blaadjes 75 mM. lang bij 35 breed; het bo-
venste aan den voet lancetvormig in een vrij lange steel verlengd;
de zijdelingsche zittend, omgekeerd eivormig, ongelijkzijdig; de
onderste eivormig half zoo lang, allen kort-toegespitst; van onderen
geheel, van boven langs de hoofdnerf, behaard. Bladsteel 60 mM.,
rossig-viltig. Pluimen axillair, even lang alsde bladstelen, gedron-
gen bloemspil, behaard, van onderen enkelvoudig, zijtakken kort,
3-bloemig; bloemen zittend, in kluwens. Kelkblaadjes ongeveer
rond, van buiten behaard en gewimperd, met een schutblad van den
zelfden vorm, Bloembladen 10 mM. lang, lijnvormig, spits van buiten
lang-zijdeachtig-behaard ; met klepvormige plooiing; van onderen aan
de meeldradenbuis vastgehecht. Meeldradenbuis van buiten zijde-
achtig-langharig, van binnen donzig. Schijf vliezig, van buiten on-
behaard, van binnen met naar onder gerichte haren. Stijl even lang
als de buis, onbehaard behalve aan den voet, stempel rolrond, van
boven vijfstralig gegroefd. Vrucht onbekend” (Juss.).
DyYsoxyYrLuM. — 95 — MELIACEAE.
Aanm. Deze soort door LESCHRNAULT op Java verzameld (Herb. Juss.) schijnt in niets
van D. nutans Br. te verschillen, behalve door de beharing van de binnenzijde der meel-
dradenbuis en dun onbehaarden stijl en volgens Jussiru door de minder hoog-vergroeide
bloembladen _ Een exemplaar onder dezen naam in Hortus Bog. gekweekt is met D.
nutans Br. identiek. Brenk (Durchsichtige Punkte in Flora 1884 p. 345) beschrijft (bij
een exemplaar uit H. bot. Cale. in Herb. München) de bladeren als niet doorschijnend
gestippeld en bij D. nutans als „bedekt-doorschijnend-gestippeld”’ d. w. z. stippels alleen
zichtbaar na verwijdering der opperhuid.
„Feamuli puberuli, novellis tomentosis. Folia impari-pinnata, 2—1-juga,
foliolis 3 poll. longis, 1—13 latis; supremo basi lanceolatâ in petiolulum
ferò semi-pollicarem angustato; lateralibus subsessilibus, obovatis, inaequi-
lateris; infimis ovatis, duplo brevioribus; omnibus breviter acuminatis, sub-
tus superficie totâ et supra secundum nervum medium tantum pubescentibus :
petioli bipollicares, rufo-tomentosi. Paniculae axillares, petiolis subaequa-
les, contractae, peduneulo communi tomentello inferne simplici, secundariis
brevibus 3-floris, floribus sessilibus glomerulatis. Calyx foliolis subor-
bicularibus, extrorsum pubescentibus, ciliatis, bracteâ fere conformi stipatus.
Petala 1.3 lin. longa, linearia, acuta, extrosum sericeo-villosa, praeflora-
tione subvalvatâ. Tubus stamineus extrorsum sericeo-villosus, introrsum
pubescens. _Tubulus membranaceus extrorsum glaber, introrsum pilis re-
trorsis villosus. Stylus tubo subaegualis, praeter basim glaber et rubellus.
Stigma discolor, teres, supra umbilicatum umbilico 5-radiato. _Ovarium
sericeo-villosum, parvum. _Fructus ignotus.”
Sp. distincta a D. nutante, inter alia, petalis minus alte coalitis, tubulo
introrsum villoso.
Hab. in ins. Java (w. s. s. herb. Juss. a Cl. Leschenault lectum et
datum)” _(Jussrev).
Onvolledig bekende soort.
19. Dysoxylum biloeulare K. et V. nov. sp. (an D. Blumei var. ?).
Hooge (?) boom.
Bladeren langgesteeld (S0—130 mM.) 5—6-jukkig, zonder of
met eindblad (door mislukkig van het laatste paar). Blaadjes matig
gesteeld (6—8 mM.) afwisselend of bijna overstaand; de bovenste
soms overstaand, langwerpig met wigvormigen of zeer scheven van
voren afgeronden voet en smal toegespitsten top; papier-leerachtig,
met 8—10 dunne, recht uitstaande zijnerven en kortere, zeer fijne
daartusschen uit de hoofdnerf ontspringend; van onderen langs de
MELIACEAE. — 96 — DyYsOoxyYLuM.
hoofdnerf en het gootvormige bladsteeltje zeer kort en dun behaard
later geheelglad; in sicco donker olijfgroen. Bladspil hoekig aan
de bovenzijde uitspringend, bij de jonge bladeren zeer kort dun be-
haard, later glad ; bladsteel afgeplat scherpkantig. Bladeren 170 —600
mM. lang, blaadjes 60—170 bij 40-60 versche bladeren aan beide
zijden zeer donkergroen-glimmend jonge bladeren lichtgroen. Plui-
men (vruchtdragend) trosvormig, iijl, 70—90 mM. lang, axillair.
Bloemen met zeer kleine schutblaadjes, (uitgebloeid); eirstok 2-
hokkig met 2 eitjes naast elkaar in elk hokje, dicht-behaard.
Doosvrucht lang-peervormig eenigszins vleezig, onbehaard, glad
van buiten en binnen oranjegeel, éénzadig 50 mM. lang bij 25 breed ;
zonder melksap; Zaad obovaat met zeer spitsen voet, zonder zaadrok
met zeer dikke vleezige zaadhuid, glanzig ; navel langwerpig. Zaad-
lobben ongelijk, achter elkaar geplaatst (door een tangentiaal vlak
gescheiden); worteltje naar den top gekeerd, nabij den top ingesloten
langs de randen behaard evenals het zeer kleine pluimpje.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar een paar specimina van Herb. Kps. Ofschoon
de bloemen dezer soort onbekend zijn is zij door de vruchten zoo eigenaardig geken-
merkt, dat wij niet aarzelen haar als een nieuwe soort te beschrijven. Door den 2-hok-
kigen eierstok komt zij nabij D. Blumei Mrq.
Geogr. verspreiding: Slechts op 3 plaatsen en alleen in de
Preanger op 1500—1600 M. wildgroeiend en op 1250 gecultiveerd aan-
getroffen n.l. bij Tjigèntèng in district Tjisondari op het Patoeha-gebergte
op 1500 M. en op den G. Malabar op 1600 Meter; beide wild en bij
Pangèntjòngan in afd. Limbang op den G. Galoenggoeng op 1250 M.
geplant. Buiten Java onbekend. — Standplaats: Als Dys. densiflorum
Mig. — Gebruik: Hout: Zou volgens enkele inlanders duurzaam zijn
en geschikt voor huisbouw. Schors, enz: niet gebezigd. Smaak: vrucht-
wand zeer bitter. Kiem geheel reukeloos (niet naar uien) zeer bitter.
Jonge bladeren met eenigszins aromatischen reuk (niet naar uien) en
bitteren smaak. Volwassen bladereu bijna smakeloos en bijna smakeloos.
— Cultuur: Een geplante boom door ons aangetroffen in de in 1853
bij Pangèntjòngan door het Binnenlandsch Bestuur aangelegde reboisatie
aangelegd m.h. doel tot grondverbetering van een verlaten koffietuin.
Wellicht voor reboisatie m.h. oog op ivrigatie vrij bruikbaar. — Inl.
namen: Op alle drie vindplaatsen door de inlanders aangeduid met
den elders veelal aan een paar andere Dysorylum-soorten met goed hout
gegeven naam Pingkoe, s.— Habitus: Blad, als D. alliaceum Br. maar
vrucht meer langwerpig peervormig.
Arbor -glabra. Folia longe petiolata (S0—130 mM.) 5-juga pari-vel
abortu impari-pinnata. Foliola modice petiolulata alterna vel subopposita,
MerErLIACKAE. — 7 — DysoxvLum.
superiora saepe stricte opposita, oblonga basi cuneata vel saepius valde in-
aequalì antice rotundata; apice anguste acuminata, pergamaceo-coriacea,
nervis lateralibus tenuibus 8—10 alüs brevioribus tenerrimis interpositis
ad costam cum _petiolulis minute puberula, demum glaberrima, in sicco
fusco-olivacca, subtus minute elevato-punctulata. Rhachis angulata, su-
perne elevata, cum petiolo complanato acutangula, glabra; 230 mM. longa.
Folia novella eum rhachi et foliolis subtus brevissime pubera; petiohili in sicco
swlcati + 6 mM. longi. Foliola 60—170 mM. longa et 30—45 lata.
Racemi subpamiculati lavi, circ. 7T0—90 mM. longi, avillares ad apices
ramorum. Flores minute bracteati (deflorati tantum visi), ovario 2-loculare
dense sericeo-pubero, loculis ovulis 2 collateralibus. Capsula elongata py-
riformis 50 mM. longa et 25 lata, subearnosa, glabra, laevis, basi sub-
costulata, aurantiaca, monosperma; haud lactiflua. Semen obovatum, basi
valde aeutum, exarillatum; testa crassa, carnoso-coriacea (ventre 1.5 mM.
crassa); nitida fusca, hilus oblongus; cotyledones inaequales postpositae
(plano tangentiali separatae); radicula supera prope apicem inclusa 1,5 mM.
longa cum plumula minuta ad margines breviter villosula.
5. CHISOCHETON 81.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig of tweeslachtig. Kelk klein
nap- of buisvorming, gaaf of oppervlakkig-getand. Bloembladen
4—5 zeer zelden 6, meestal lijnvormig-langwerpig, uitgespreid, soms
van onderen vrij vast aan de meeldradenbuis verbonden, in den
knop min of meer klepswijze aaneensluitend. Meeldraden 4—8
zeldzamer 10, helmdraden tot een buis vergroeid, die aan den top
gelobd, zeldzaam bijna gaaf is en aan de binnenzijde de met de
lobben afwisselende en daartusschen geplaatste, zittende even boven
den voet aan de rugzijde bevestigde helmknopjes draagt ; helmknopjes
in de vrouwelijke bloemen gewoon gevormd, maar zonder stuifmeel.
Eierstok in de @ bl. op een zeer korte schotelvormige of nagenoeg
ontbrekende, zeldzamer duidelijk steelvormige schijf geplaatst, in de
& bl. rudimentair en geheel door een napvormige schijf omgeven,
2-3-4 zeer zelden 5-hokkig met één-eiige hokjes; stijl draadvormig,
stempel kopvormig of schijfvormig. Vrucht een vleezige doosvrucht,
2-4- hokkig, 2-4- kleppig openspringend van onderen tot een steel-
vormigen voet verlengd. Zaden, één in elk hokje aan den binnen-
7
DysoxyLuM. — 98 — MELIACEAE.
hoek bevestigd, schildvormig met ronden centralen navel; zaadhuid
aan de binnenzijde met een weeke min of meer vleezige (bij C. divergens
zeer sterk verdikte) zaadrokachtige bekleeding, aan de buitenzijde
glanzig en taai met een kleine centrale opening; zaadlobben boven
elkaar geplaatst, half ellipsvormig met ingesloten zeer weinig ont-
wikkeld plantje en naar de rugzijde gekeerd worteltje.
Melksaphoudende boomen met gevinde bladeren, die langen
tijd aan den top doorgroeien, terwijl de oudere blaadjes afvallen; de
jongste niet meer tot ontwikkeling komende blaadjes vormen een opge-
rolde bladknop; blaadjes soms doorschijnend gestippeld. Bloemen in
wijdvertakte pluimen, zeldzamer in tot pluimen vereenigde of enkel-
voudige aarvormige trossen.
Ongeveer 20 soorten in Nederlandsch- en Engelsch-Indië en de Philip-
pijnsche eilanden.
MiqveL Fl. L, B, en Ann. Mus. beschrijft voor Java twee soorten:
1. CG. patens Br;
2. C. divergens Br. waarvan hij terecht veronderstelt, dat de eerste
de mannelijke de tweede de vrouwelijke vorm eener zelfde soort ver-
tegenwoordigt;
Cas. Drcasporre beschrijft nog twee soorten op Java verzameld:
3. C. Vrieseanus C. Drc.
2. C. barbatus C. Drc.
waarvan één door pe Vriesr verzameld alleen in het herb. Kew schijnt
aanwezig te zijn, terwijl de tweede in Leiden als C. divergens Bu. wordt
bewaard; zie beneden.
In herb. Kps komen bovendien 3 voor Java nieuwe soorten voor,
waarvan één eerst zeer recent door Kiva ook op het Maleische schier-
eiland is aangetroffen en als
4. C. macrophyllus Krise.
is beschreven; terwijl twee andere door ons niet met één der beschreven
soorten konden worden gelijkgesteld en hier als
5. C. sandoricarpus K. et V. n. sp. en
6. C. mierocarpus K. et V. n. sp.
worden beschreven.
Flores hermaproditi vel polygamo-dioici, 4—B-meri. Calyx cupularis vel
tubulosus, integer vel leviter dentatus. Petala 4—5, rarissime 6; libera
rarius basi tubo stamineo agglutinata, in aestivatione valvata vel sub-
valvata. Tubus stamineus cylindricus, apice 4—S8 rarius 10- vel et 16-laci-
niatus, laciniis integris vel denticulatis; antherae lineares, tubi apici in-
clusae, dorso paullo supra basin sessiles, tubo laciniis numero aequales, vel
et dimidio minores (C. maerothyrsum) et cum üis alternantes. Discus brevi-
stipitiformis vel fere nullus, vel cupularis. Ovarium (in floribus —' rudi-
CHISOCHETON. — 99 — MrLIACEAF.
mentarium et disco annulari cinctum) 2—4-, rarissime 5-loewlare, loculis
und-ovulatis; stylus filiformis, stigmate capitato vel eylindrico terminatus.
Fructus capsularis, carnoso-coriaceus, globosus basi in stipitem attenuatus,
loeulicide 2—A4-valvis. Semina peltata, arillo carnoso testae adnato partiali
vel subnullo cincta, hilo orbieulari; cotyledones crassae superpositae, plan-
tulam minutam radicula dorsali includentes.
Arbores lacticiferae, foliis pinnatis, saepe magnis apice tardius evolutis
gemmula cireinnata terminatis ; foliolis integris interdum conspicue pellucido-
punctatis. Inflorescentia supra-axvillaris paniculata vel subspicata.
1. Chisocheton divergens Br. Bijdr. p. 169; Mrq. Ann. mus. IV
mmasneRlbe LBi p. 537: Cas. Do. 1 e. p. 529; — C. patens Br.
Cas. Do. L. e.; — Melia pendula Reiw.! herb. — Prichilia hevandra
Br. herb. (teste Miq.)
Hooge boom: H== 20 — 27 M. bij D=35 — 45 cM. Meestal
slechts H—=15 — 20 M. bij 30 — 40 cM. Stam: Recht; rolrond;
zonder wortellijsten; zonder gleuven; eerst hoog boven den grond
vorksgewijze vertakt. Takken: Rijkvertwijgd; verder niets opmer-
kelijks. Kroon: Soms hoog-aangezet. Meestal dicht en onregelmatig
Schors: 3 — 4 mM. dik. Bros. Buiten grauw ; niet afschilferend ; met
veel nogal diepe overlangsche barsten. Doorsnede oranjebruin. Binnen
vuilwit. Zonder melksap. Zonder lenticellen. Zonder bladgroen.
Twijgen zwartbruin, glad, zonder lenticellen. Knoppen en jonge
deelen aanliggend geelachtig-behaard. Bladeren 2 — 15- (meest
5 — 12-) aan de bloeiende twijgen 2 — 5-jukkig; blaadjes tegen-
overgesteld of bijna tegenovergesteld, kort-gesteeld, meest smal-
langwerpig, zeldzamer langwerpig-elliptisch met bijna gelijken, of
zeer ongelijken, aan eene kant afgeronden, spitsen zeldzamer stom-
pen voet en meest lang, vrij spits toegespitsten top, de onderste
veel kleiner meer eivormig en stomper toegespitst; alle dun-
leerachtig; van boven glanzig-donker groen, van onder iets
bleeker, gedroogd bruin en dan meest met een zeer groot aantal
doorschijnende stippen en strepen, slechts zelden (door kleurstofvor-
ming in de harscellen) moeilijk of niet waar te nemen, met vrij
talrijke (8—15) stevige van onderen uitspringende vrij rechte of
schuine nabij den rand boogvormig opgerichte zijnerven en aan beide
MELIACEAE. — 100 CHISOCHETON.
zijden duidelijk zichtbare netvormige dwarsaderen; van onderen
vooral langs de nerven evenals de bladsteel kort- en dun-behaard,
dikwijls kaal wordend, van boven langs de ingedrukte hoofdnerf
kort behaard. Bladeren der bloeiende twijgen dikwijls 1 —2-jukkig
met meer eivormige en kleinere blaadjes. Bladeren met den steel
meestal 4— 3 Meter, hoogstens 1 — 1} Meter lang; 6-jukkige
bladeren + 350 mM; blaadjes gemiddeld 160 — 200 mM. lang
bij 35 —50 mM. Bladsteeltje 3 mM. De onderste blaadjes 100
bij 45. Blaadjes van zeer oude bladeren niet zelden 320 mM.
bij 70, dan zeer lang toegespitst, met 20 paar zijnerven. Bloe-
men tweehuizig, wit, zeer geurig. Pluimen boven de bladoksels
ingeplant, veel langer dan de draagbladeren, gesteeld, dicht aan-
liggend kort behaard eindelijk meest kaal wordend, met wijd
uitstaande herhaaldelijk pluimvormig vertakte zijtakken, die naar
den top afnemen; uiterste inflorescentie-twijgen met vrij dicht op-
één geplaatste kort gesteelde bijschermpjes. In de 2 bl. onderste
zijtakken meest 40—70 mM. lang, de primaire en secundaire zij-
assen alle recht en stevig. In de & hoofd- en zijassen veel dunner,
de onderste zijassen verder uiteen geplaatst en meest sterk verlengd,
roedevormig, soms meer dan half zoolang als de hoofdas. Schut-
blaadjes priemvormig behaard, 1—3 mM. lang. Bloemen kort
gesteeld, dicht bij de kelk met een geleding ; steeltje en kelk behaard,
deze eenigszins vliezig met zeer stompe breede tanden ; bloembladen
4, lijnvormig, van boven iets verbreed, geheel onbehaard, niet met
de meeldradenbuis saamgekleefd; meeldradenbuis van buiten meest
onbehaard (dun behaard volgens Mrqver) van binnen nabij den top
dun-en kort-of soms vrij-lang-en dicht-behaard 6-8-lobbig met
spitse aan den top enkelvoudige gekartelde of dikwijls twee spletige
lobben, 4 of */, zoolang als de buis (l—2 mM.), dikwijls ongelijk.
Helmknopjes 6—8 nabij den voet dorsifix, binnen de lobben bevestigd
en daarmee afwisselend, even lang als deze of dubbel zoolang
(+ 2 mM.) lijnvormig onbehaard; in de @ bl. zonder stuifmeel; in
de & bl. stuifmeel rond of ellipsoïdisch, glad, met 3 soms 4 ronde
poriën 24-32 u lang. Schijf in de & bloemen ringvormig met het
eierstok-rudiment vergroeid, glad, van binnen behaard; in de 9 meest
weinig in ’t oog vallend, schotelvormig of zeer kort steelvormig.
CHISOCHETON. — 10 =S MELIACEAE.
Eierstok in & bl. rudimentair, in 2 bl. 2—3-hokkig, van buiten
dichtbehaard; stijl in & en @ bl, draadvormig, boven de helmknopjes
uitstekend aan den top gezwollen geheel behaard, met kegelvormigen
(5) of kopvormigen (@) stempel. Bloempluim dikwijls 500—1200 mM.
lang, onderste zijtakken 40—120 mM.; £ bl. 5—6 mM. lang; 9 7—9
mM. Kelk zeer bleek groenachtig geel. Bloembladen roomkleurig
wit; meeldradenbuis sneeuwwit. Stamper geheel wit. Helmknoppen
geel. Doosvrucht bolvormig 35—40 mM. in diam. in een korten
(2—5 mM.) steelvormigen voet uitloopend, jong zeer dun behaard en
zeer bleekgeelachtiggroen later kaal fraai purperrood. Zaad cirkel-
rond. Zaadhuid (bij het onrijpe zaad) aan de buikzijde tot een
vleezige zaadrok aangezwollen, die het zaad voor 3} omgeeft.
Aanm. Beschrijving der @ bl. naar een exemplaar in Herb. Bog. uit Herb. Lugd. Bat.
toegezonden; die der / bl. naar verschillende exemplaren uit Herb. Kps., naar exem-
plaren uit Hort. Bog. III B 84 en [IL C 45 en naar talrijke exemplaren uit Herb.
Bog. waaronder het origineel exemplaar van Melia pendula Reinw. door MrqveL als C.
patens Br. gedetermineerd.
De veronderstelling van Mrqvueu, dat C. patens Bu. de mannelijke vorm van C, divergens
Br. zou zijn is ongetwijfeld juist. De verschillen, die latere onderzoekers getracht hebben
in den vorm en de consistentie der bladeren te vinden moeten alle vervallen, daar aan één
zelfde individu bladeren met kortere meer elliptische en met langere meer lancetvormige,
verder met meer stevige onduidelijk- of niet-gestippelde en andere met zeer duidelijk
gestippelde blaadjes voorkomen.
Kine, die de soorten in Leiden en Kew heeft onderzocht en met C. holocalyx HIERN en
C. fragrans HrerN (in Hook. Br. Ind. 551) heeft vergeleken, verklaart C. patens voor
synoniem met eerstgenoemde, C. divergens Br. met laatstgenoemde soort. Zijne beschrij vingen
passen echter niet geheel op onze soort, daar volgens hem C. divergens Bu. gele en zeer
welriekende bloemen zou hebben en gele vruchten C. patens groenachtig witte, stinkende
bloemen en roode vruchten. Een op C. divergens Bu. gelijkende soort met gele bloemen is
door ons echter op Java nooit aangetroffen, de 7 bloemen zijn wit en tevens zeer wel-
riekend; ook zijn de vruchten (zooals reeds door vaN HasseLr reeds is aangegeven zie
Mrg. l.e.) rood. Van de ons door Dr. Kine toegezonden exemplaren komt het 7! exemplaar
van C, divergens overigens wat blad en bloem betreft vrij goed met onze exemplaren over
een, hoewel de bloemen buitengewoon klein zijn. Het ® exemplaar daarentegen met
elliptische, leerachtige tusschen de aderen convexe blaadjes behoort naar het ons toeschijnt
tot eene andere nog niet op Java waargenomene soort.
Geopende @ bl. kennen wij sleehts uit het bovengenoemde exemplaar; in jonge bloem-
knoppen van een exemplaar uit Oost-Java vonden wij de schijf zeer-kort-ringvormig,
nagenoeg ontbrekend,
Geogr. verspreiding: Geheel op Java 0—1400 M. zeehoogte,
vooral op 500 — 1300 M. op den G. Wilis in Madioen boven Ngëbel nog
op 1375 M. en bij Soebah in Pékalongan in de heete laagvlakte. Mees-
tal niet zeldzaam. Buiten Java: „Geheel Achter-Indië en Malakka Pe-
nang, Singapore, Perak Burma’ (Kiya). Van geen der andere eilan-
den van den Maleischen Archipel behalve van Java tot dusver bekend.
— Standplaats: Uitsluitend op constant vochtigen vooral op vrucht-
MELIACEAE. — 102 — CHISOCHETON.
baren grond in hoogstammig heterogeen altijdgroen oerwoud. Zeldzaam in
jonge secundaire bosschen. — Voorkomen: Nooit gezellig. Meestal de
individuen over groote afstanden verstrooid tusschen zeer groot aantal
andere boomsoorten. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei-en vrucht-
tijd: Bloemen alleen in Oet. — Nov. en rijpe vruchten alleen begin en
midden Oost-moesson door ons gevonden. Draagt zeer rijk vrucht. Ge-
bruik: Hout: Als niet duurzaam niet door de inlanders gebezigd.
Voor theekisten misschien bruikbaar. Zou geen kernhout hebben. Hout
wit. Schors, enz: niet gebruikt. Jonge bladeren reukeloos; bitter als
kinine. Volwassen bladeren zeer weinig bitter, reukeloos. Schors zeer
bitter, reukeloos. — Cultuur: Voor reboisatie m. h. oog op irrigatie
wellicht bruikbaar, en voor sierboom om de fraaie roode vruchttrossen. —
Inl. namen: Aan vele inlanders onbekend; meestal zeer weinig con-
stant en tevens ook voor een paar andere Javaansche boomachtige Meliaceae
soms voor soorten van andere familiën geldende. Geheel onbekend was
de Inl. naam in Bantën bij Tjëmara (afd. Tjaringin) en bij Soebah in
Pëékalongan. Bij Takòka (Preanger) vaak abusievelijk Kapinango, s. en
Pingkoe, s. genoemd. Bij Palaboehan (Preanger) evenals een Diospyros-
soort soms Gegentelan, s. Op G. Slamat boven Simpar in Tégal soms
Troesgoenoeng, j. Bij Sanggrawa (Preanger) soms Marangnginang, s.
Boven Ngëöbel op G. Wilis in Madioen soms Goela-ëmprit, j. of Gendis-
#mprit, j. Bij Pringàmbâ in Banjoemas soms ? Sémbir, j. In Bösoeki bij
Sëmpòlan en bij Pantjoer nu eens Ketoedjeuh, md. dan eens ?Solo, md.
Al deze namen voor het zoeken der soort van weinig waarde. — Habitus:
In bloei de aandacht trekkende door de talrijke groote hangende witte
welriekende bloempluimen. In vruchttijd door de talrijke roode vrucht-
trossen eigenaardig; dàn eenigszins herinnerende aan Meliosma nitida
Br. Van Meliosma evenwel te onderscheiden doordat dáár geen arillus
en bij deze soort wel een arillus voorkomt. In blad weinig opvallend.
De soms 14 Meter lange bladeren, waarvan de bladspil alleen de bovenste
paren blaadjes draagt, terwijl de onderste reeds afgevallen zijn nogal
karakteristiek.
Folia modice petiolata 2—15-juga, saepius 5—12-juga ad apices ramulorum
saepe 1—2-juga. Rhachis subteres, vix lateraliter complanata vel subsulcata,
demum glabra, apice gemmula terminata. Foliola opposita vel subopposita,
breviter petiolwlata, oblongo-lanceolata, basi nune fere aequali vel leviter in-
aeguali acuta vel obtusiuscula, nune valde inaequali hine rotundata, apice sae-
pius longe acute acuminata; infima minora, magis ovdta, apice brevius obtuse
cuspidata, interdum abbreviata rotundata, omnia subcoriaceda, supra lucida
saturate viridia, subtus pallidiora, ersiccata fusca, saepissime dense conspi-
cue pellucido-punctata et lineata, rarius opaca vel subopaca, costulis sat
crebris (utringue S—15), oblique erectis vel patentibus prope marginem
arcuati-adscendentibus venis transversis conspicuis, subtus cum petiolulis
primo imprimis ad nervos appresse hirtella, demum interdum deglabrata.
Flores dioici. Panieulae supra-azrillares, pedunculatae, appresse puberulae
demum glabrescentes, divergentes, ramis patentissimis strictis, superioribus
CHISOCHETON. — 103 — MELIACEAE.
deerescentibus, angulatis, undique breviter ramulosis, ramulis ultimis
eymas unipaucifloras gerentes (in & axes sunt tenuiores, rami inferiores
graciles saepe valde elongati magis ramosi quam in Q.) Bracteae et
bracteolae subulatae. Flores in —& valde swaveolentes, albi breviter
pedicellati, infra calycem articulati; calyce obtuse 4—5-dentato appresse-
hirtello demum subglabrescente, petalis 4 subspathulata-linearibus glaberri-
mis, tubo stamineo extus saepissime glabro („parce pubero” Mra.) intus
prope apicem parce villosulo vel rarius barbato, 6—B8-laciniato, lobis +} tubi
partem aeguantibus apice acuto integro vel suberenulato, nunc tridenticulato,
saepe inaegualibus. Antherae 6—8 glabrae dorso prope basin affivae cum lobis
alternae iisque aeguilongae vel duplo longiores, in ? ecassae (in 7 pollinis
granulae 24—32 wm subglobosae, laeves, poris rotundis 3 v. 4). Discus in
A ovarii rudimentwm annulatim cingens, extus glaber, apice intus pube-
rulo, in ® brevissime stipitiformis, patelliformis, intus puber. Ovarium
in J obsoletum, cum disco connatum, in 9 2—3-loeulare, dense hirtellum ;
stylus in omnibus totus hirsutwm; longe exsertus; stigma parvum capitel-
latum. Capsulae globosae breviter stipitatae + 40 mM. diam., rubrae
glabrescentes 1—3-loeulares. Semina orbicularia, parte 3 ventrali arillo
crasso (testae parte valde inerassato) cincta; cotyledones superpositae vel
obliguae.
2 €. barbatus C. Dro. Mon. 1. c. 536.
„Twijgen bruinzwart, onbehaard, zonder lenticellen. Bladeren
middelmatig gesteeld (50 m.M.) ongeveer 200 m.M. lang, 4 — 5-
jukkig. Blaadjes overstaand, kort gesteeld, elliptisch-langwerpig, met
stomp cuspidaten top, met stompen of spitsen gelijken voet, onbe-
haard, dof, met langwerpige doorschijnende stippels, 140 m.M. lang,
40 breed met + 14 paar afwisselende, van onder uitspringende,
rechte, opklimmende zijnerven. Bladspil en steel rolrond onbehaard.
Pluimen gesteeld, langer dan de bladeren, fijn behaard, zijtakken
ongeveer 70 m.M. lang met korte gesteelde secundaire zijtakjes, die
aan den top vrij dicht bijschermen dragen. Bloemen kortgesteeld.
Kelk napvormig bijna gaafrandig, aangedrukt kort-grof-harig stevig-
vliezig + 1.5 m.M. lang; bloembladen 4, onbehaard, ongeveer 8 m.M.
lang, stomp. Meeldradenbuis eylindrisch, van boven verbreed,
met 8 spitse slippen, van buiten onbehaard, van binnen bij den mond
MELIACEAE. —= WA — CHISOCHETON.
lang-behaard; helmknopjes 8; lijn-langwerpig + 2 m.M. lang onbe-
haard; schijf steelvormig, onbehaard, van boven napvormig-verbreed ;
veel korter dan de eierstok. Hirstok verlengd, dicht grof behaard,
2—3-hokkig, stijl van onderen kort behaard.” Cas. Dec.
Aanm. Beschrijving overgenomen. Ontbreekt in Herb. Kps.
Van deze soort zijn de 7 bl. tot dusver onbekend; de bladeren schijnen nagenoeg
volkomen aan die van CQ, divergens Br. gelijk te zijn, waaraan zij zeer na verwant is.
Een exemplaar in Herb. Bog. 2639 H. B. (van een vroeger in den H. Bog. gekweekten
boom afkomstig) onder den naam Chisocheton patens Br, dat zich door een zeer duidelijk
steelvormigen !/, mM. langen schijf onderscheidt, en dus tot deze soort zou moeten
gebracht worden, verschilt door de volgende kenmerken: Kelk vliezig, zeer dun-kort-behaard ;
bloembladen 6 mM. lang ; meeldradenbuis met 6—7 spits-lancetvormige, aan den top onregel-
matig gekartelde van binnen zeer dun behaarde slippen, iets korter dan de smal-langwerpige
ledige helmknopjes; schijf */, mM. lang, steelvormig, eierstok 2 mM. lang, evenals de
stijl dicht grof-behaard, 2-hokkig. Bladeren 5—6-jukkig, langgesteeld.
„Foliis modiee petiolatis, 4—5-jugis ; foliolis oppositis breviter petiolula-
tis, elliptico-oblongis, apice obtusiuscule cuspidatis, basi aequali subacutis
obtusisve, utrinqgue glabris; paniculis paullo supra-axillaribus, peduneulatis,
folia superantibus, elongatis, ramosis, puberulis floribus breviter pedicella-
tis; calyce cupuliformi, subintegro, extus adpresse hirtello; petalis 4, gla-
bris; tubo obconico-cylindrico, acute 8-laciniato; extus glabro, intus ad
faucem barbato; antheris 8; disco stipitiformi, glabro, apice subeupulifor-
mis ovario stipitem multum superante elongato, dense hirsuto, 3-loculari.”
„Ramuli fusco-nigrescentes, glabri, elenticellosi. Folia circiter 200 mM.
longa; foliolia chartacea, opaca, pellucido-oblongo-punctulata, subaegualia,
circiter 140 mM. longa, 40 mM. lata nervis secundariis alternis subtus
prominulis, adscendentibus, rectis, utringue circiter 14. _Rhachis cum petiolo
50 mM. longo teres glabra. Paniculae axis circiter 4 mill. crassa, rami
subalterni circiter 70 mM. longi breviter ramulosi, ramuli breviter pedi-
cellati, apice subdense .eymuligeri. Flores facile caduci, oblongi. Calyx
firmo-membranaceus, circiter _\4 mM., longus. Petala firmulo-membrana-
cea, lineari-laciniosa 8 mill. longa, apice obtusa. Tubi quam petala bre-
vioris laciniae lineari-acutae. Antherae lineari-oblongae, glabrae, fere in
margine tubi inter lacinias sessiles circiter 2 mM. longae. Stylus subteres
inferne adpresse hirtellus, cum stigmate subgloboso tubi lacinias aequans.
Ovarium coriaceum abortu 2-loeulare, loeulis 1-ovulatis.” (C. Dec.)
„In Java (Bu. in herb. DC. ew herb. Lugd. bat., sub nomine C. diver-
gens Br)”
In Herb. Hort. Bog. (2639 H. B.) specimen nom. C. patens Bu. ez
arbore olim in Horto Bog. culto adest, stipite ovarium gerente conspicuo
CHISOCHETON. — 105 — MELIACEAF.
insigne, a deseriptione De CaNpouuer hisce notis diversa: _Calyce membra-
naceo, parcissime hirtello, petalis 6 mM. longis; tubo intus parce villosulo,
fauce haud barbato, lacinüis 6—7T elongato-trigonis apice longo stipitifor-
me, ovario Z-loeulari eum stylo dense húrsuto; foliis 6—5-jugis üs C. di-
vergens Br. simillimis.
Adn. Species haec, quarwm flores + adhue ignoti, speciei C. divergens
Br. tam propinqua, ut forsitan potius pro varietate habenda sit;
8. €. Vrieseanus, Cas. Dec. Mon. p. 533.
„Jonge twijgen dicht-, geel-, kort-aanliggend-behaard, zonder len-
ticellen. Bladeren vrij lang gesteeld, met geel behaarde eindknop,
ongeveer 180 mM. lang 2—8-jukkig. Bladspil rolrond evenals de
bladsteel en bladsteeltjes geel-behaard ; bladsteel half-rolrond 65 mM.
lang. Blaadjes tegenovergesteld, kortgesteeld (6 mM.) langwerpig-
ei-lancetvormig met gelijken afgeronden voet, met lang- en spits-fijn-
toegespitsen top, v. bov. langs de hoofdnerf, vo. langs alle nerven
aangedrukt behaard, stevig, doorschijnend gestippeld (langwerpige
stippels) 120 mM. lang 45 breed; met + 10 afwisselende v. ond.
uitspringende, opstijgende zijnerven. Pluimen boven de bladoksels
geplaatst, gesteeld, langer dan het blad herhaaldelijk vertakt (onderste
zijtakken + 70 mM. lang), aan de toppen der secundaire zijtakken
de bloemen in gesteelde dichte bijschermen dragend; schutblaadje
spits-lijnvormig, grofbehaard, 3 mM. lang. Bloemen kort gesteeld;
kelk bijna gaaf-fijn behaard; 4 bloembladon (5 mM. lang) spatelvormig,
onbehaard; meeldradenbuis ecylindervormig van boven verbreed, van
buiten onbehaard, van binnen behaard; 6-slippig, met spitse of
3-tandige slippen; schijf ringvormig, stijl onbehaard’. (Cas. Dro.).
Aanm. Deze soort schijnt nog in Herb. Kps. te ontbreken. Klaarblijkelijk berust
de door ons overgenomen beschrijving van Cas, Dec, op een incompleet (7 ? ) specimen,
waaraan goed ontwikkelde bladeren ontbraken; 2—3-jukkige bladeren komen ook aan
de jonge twijgen bij C. divergens voor, maar deze ontwikkelen zich later verder.
Overigens verschilt zij door de beschrijving in geen enkel ander opzicht van C. divergens,
dan door den onbehaarden stijl. Wij twijfelen derhalve of zij niet met deze behoort
vereenigd te worden. Van C. glomeratus HrierN verschilt zij volgens Cas. Drc.
hoofdzakelijk door de beharing en het aantal der blaadjes.
„Foliis longiuseule petiolatis, abrupto-pinnatis, 2-— 3-jugis ; foliolis opposi-
tis, breviter petiolulatis, oblongo-ovato-lanccolatis, basi aequali rotundatis,
MELIACEAE. — 10 — CHISOCHETON.
apice acute et longiuscule cuspidatis, supra ad nervum centralem, subtus
ad. nervos omnes adpresse pilosis; paniculis supra-axillaribus, peduncula-
tis, folia superantibus, ramosis ramulosisque, elongatis, apice ramulorum
dense eymuligeris; floribus brevissime pedicellatis; calyce subintegro, extus
puberulo; petalis 4; twbo eylindrico-obeonico extus glabro, intus villoso,
apice 6-laciniato, lacinùüs acutis vel 3-denticulatis, disco annulari; stylo
glabro. Species C. glomerato HierN prozima, foliolorum numero et pu—
bescentia attamen distincta”.
„Ramuli juniores dense flavide et adpresse puberuli elenticellosi. Folia
gemmula flavido-hirsuta terminata ad 18 cent. longa; foliola firma, subo-
paca, pellueido-punctata (punctis oblongis) 12 cent. longa, 44 cent. lata;
nervis secundarüis alternis, adscendentibus, subtus prominulis, utringue cir-
citer 10. Rhachis teres cum petiolulis ad 6 mill. longis et petiolo 64 cent.
longo semitereti adpresse flavido-pilosa. Paniculae rami inferiores circiter
7 cent. longi; bracteolae Vineari-acutae, hirsutae, 3 mill. longae; cymulae
pedicellatae. Petala 5 mill. longa, obovato-laciniosa. Antherae 2 mill.
longae, oblongae dorsi paullo supra basin sessiles.”
In Java (Dre Vriese in Herb. Kew.) (Cas. Deo.)
4. _Chisocheton maecrophyllus Kine. Flor. Mal. IL p. 521.
Hooge dikke boom: H==30—35 M. bij D==60—90 cM. Stam:
zuilvormig; nogal rolrond; met weinig knoesten; met weinig gleu-
ven; met wortellijsten. (Deze bij een 30 Meter hoog individu
(19983 @) bij Sémpòlan in Bésoeki drie in getal en zoo sterk ontwik-
keld dat de stambasis inderdaad uit 3 tot het midden doorloopende
zeer breede dunne „planken” bestaat). Eerst hoog boven den grond
herhaaldelijk vorksgewijze vertakt. Stam van jonge (bijv. 10 M.
hooge) boomen zuiver rolrond, kaarsrecht, slechts eens of tweemaal
vertakt en met talrijke groote bladlidteekens. Takken: Niets
opmerkelijks. Kroon: Hoog-aangezet; soms eivormig ; nogal dicht.
Schors: 13 mM. dik. Bros. Buiten grauwgrijs of aschgrijs; weinig
afschilferend; nogal glad; met weinig barsten. Doorsnede en bin-
nen vuil-wit en na langen tijd vuilbruinachtig verkleurend. Zonder
lenticellen. Zonder bladgroen. Zonder melksap (evenwel met veel
wit, bitter, kleverig melksap, in de jonge takken en jonge vrucht).
Uiterste twijgen zeer dik, ongeveer 40 mM. in middellijn. Bla-
CHISOCHETON. — 107 —= MELIACEAE.
deren 8S—13-jukkig 640—1600 mM. lang. Bladsteel 60—110 mM.
lang 5—12 mM. dik, nagenoeg rond; bladspil min of meer (aan
den top zeer sterk) zijdelings saamgedrukt, bij de oude bladeren kaal
en soms tot op groote hoogte bladerloos. Blaadjes van elk juk
overstaande, dicht bijeen, aan de bovenzijde der spil ingeplant. Blaad-
jes langwerpig eivormig, met scheef hartvormigen of wigvormig ver-
smalden voet, kort en spits of soms vrij lang toegespitst, vliezig of
zeer dun leerachtig, van onderen langs de nerven, van boven langs
de hoofdnerf kort-behaard, eindelijk nagenoeg kaal, niet (of alleen
bij" sterke vergrooting) doorschijnend gestippeld (dan stippels alle
rond, geen strepen); zijnerven dun, aan beide zijden uitspringend
schuins-uitstaande, vrij recht, vlak bij den bladrand naar boven
gekromd, 13—16 paar. Blaadjes 240—280 mM. lang, 90—110
breed, somtijds 320 lang, 100 breed, de onderste van elk blad klei-
ner: 140 lang, 60 breed; eenigszins glimmend, van boven gewoon
groen van onderen bleekgroen, de jonge blaadjes purperachtig-bruin ;
Bladknop en eindknop der bladeren zijdeachtig behaard; bladsteel-
tjes kort + 6 mM. Bloemen tweehuizig. &' Bl ontbrekend.—
2 bl. Bloempluimen axillair, soms 3—4 bundelgewijs bijeen,
korter dan de bladeren, hoofdspil met den 90 mM. langen steel +
340 mM. lang, onregelmatig hoekig, zijtakken recht uitstaande met
verbreeden afgeplatten voet, kort; de onderste 35 —45 mM., aan
zeer korte zijtakjes de één tot weinig-bloemige bijschermen van zeer
kort gesteelde bloemen dragend; schutblaadjes zeer kort priemvor-
mig (& mM.); alle deelen zijdeachtig behaard. Bloemen lichtgeel,
geurig als hyacinten, middelmatig, 15—20 mM. lang; dicht onder de
kelk gearticuleerd; bloemsteeltje onder de articulatie 2 mM. lang.
Bloemknoppen rolrond aan den top iets verbreed. Kelk klok-vormig
afgeknot, met het steeltje boven de articulatie 4 mM. lang, kort
behaard; kroonbladen 4 van buiten zijdeachtig behaard, van binnen
glad, lijnvormig ; meeldradenbuis 7 — 8-slippig ; slippen zeer kort, recht
(iets boven de helmknoppen uitstekend), aan den top afgeknot, 3—
4-kartelig; buis van buiten aan den top, van binnen geheel zacht
kroesharig, tot over de helft aan de bloembladen vastgekleefd, 15
mM. lang, slippen 1—2 mM. helmknoppen 7—8 (meest 8) steriel,
langwerpig, minder dan 1 mM. lang, van achteren grof-behaard ; schijf
MELIACEAE. — 108 — CHISOCHETON.
zeer kort steelvormig 0.3 mM. hoog; eierstok 3-—5 hokkig, meest
4-hokkig, stijl even boven de meeldradenbuis uitstekend, evenals de
eierstok aanliggend behaard, aan den top kaal, stempel schijf-kegel-
vormig afgeknot; eitjes hangend met zeer korte ventrale zaadnerf en
met naar de rugzijde gekeerde micropyle, bijna orthotroop, in knop
reeds zeer los door het zeer dikke buitenste integument omhuld,
dat aan den navel vleezig verdiktis. Dit vleezige deel wordt weldra
tot den zoogenaamden partieelen zaadrok. Deze ontstaat dus niet
zooals C. pr CAND. l. c. 410 veronderstelt uit een binnenlaag van
den vruchtwoud. Vruchten bol-peervormig, v.o. in een kort-steel-
vormigen voet uitloopend en kort-gesteeld; groot (70—80 mM.),
onbehaard, niet gesnaveld; 2—4-hokkig en -zadig; steenrood of vuil-
purper met een dikke van binnen vuilwitte aan kleverig melksap
rijke vruchtwand. Zaad schildvormig elliptisch; zaadhuid aan de
buikzijde met een dunne vleezige zaadrok bekleed, die aan den wand
van het hokje is vastgegroeid, aan de rugzijde met een dunne bruine
zaadhuid. Kiem 35 mM. lang, 25 breed; zaadlobben ongeveer gelijk,
boven elkander geplaatst, het zeer kleine pluimpje (3 mM.) in het
midden insluitend.
Aanm. Beschrijving naar talijke specimina van Herb. Kps (de bloemen naar 4878
uit Palaboehan, de vruchten naar 4892 2 uit Pringâmbâ). De bloemen zijn schijnbaar
tweeslachtig maar de helmknopjes bevatten geen stuifmeel. Mannelijke bloemen ontbreken
alsnog. Bij vergelijking onzer beschrijving met die van C. macrophyllus KixG onlangs
door Kine in Malakka ontdekt vinden wij slechts enkele geringe verschillen. De over-
eenkomst schijnt ons groot genoeg om de beide soorten voor identiek te houden.
De blaadjes van den bovenbedoelden boom uit Sémpòlan in Bésoeki (19963 3) zijn aan
de onderzijde vrij dicht- en min of meer fluweelachtig-behaard.
Geogr. verspreiding: Geheel Java, evenwel op al de 5 groei
plaatsen, waar door ons herbarium is verzameld, behalve in res. Bäsoeki
(waar de soort vooral bij Tjoramanis algemeen is) meestal niet zeer
algemeen: 1) in Bantén bij Tjömara (afd Tjaringin) op 10—200 M,
zeehoogte; 2) in de Preanger aan de Zuidkust op dezelfde hoogte bij
Palaboehanratoe; 3) in Banjoemas bij Pringàmbà bij Ngèbël op den G.
Wilis op 700 Meter en 4) bij Pantjoer op het Rahoen-ldjèn-gebergte
in de afd. Panaroekan op 1000 M. en 5) bij Tjoramanis in afd. Djémbêr
(Bësoeki) op 700 M. zeehoogte. Door ons nog zeer algemeen waarge-
nomen in de ijle altijdgroene grootendeels uit bamboesoorten bestaande
oerbosschen nabij den G. Tèrong op 200—300 M. zeehoogte 15 paal ten
Westen van desa Genteng in de afd. Banjoewangi. Buiten Java: „Malakka:
Singapore” (Kmxe). — Standplaats: Als Ch. divergens Bu, doch niet zeld-
zaam in jong seeundair bosch. — Bladaf val: Altijdgroen. — Voorkomen:
CHISOCHETON. — 109 — MELIACEAE.
Meestal verstrooid. Alleen in het westen van het district Rägâdjampi (Ban-
joewangi) in zóó grooten getale tusschen een 200 tal boomsoorten, dat dáár
bijna van gezelligen groei gesproken kan worden. — Bloei- en vrucht-
tijd: Door ons verzameld: bloemen en tegelijk, jonge vruchten in Juni en
Juli; alleen rijpe vruchten in Oet. — Nov. Draagt rijk vrucht. Deze in grooten
getale in hangende trossen bijeen nabij de takuiteinden. Hen enkele
„vruchttros” is zoo zwaar, dat deze bijna een vracht voor één man oplevert.
— Gebruik: Hout: Zou volgens de meeste inlanders zoo zeer aan
barsten onderhevig en zoo weinig duurzaam zijn, dat het ofschoon in
groote afmetingen te krijgen nooit gebezigd wordt. Geen kernhout. Spint
wit. Schors, enz.: Alleen bij Ngëbel in Madioen aan ons eenig gebruik
van deze boomsoort bekend; dáár uit de zaden (vooral echter vroeger)
een olie gemaakt, die zeer op Ricinus-olie zou gelijken en alleen voor
verlichting zou dienen. Zaad reukeloos; even bitter als kinine; op
doorsnede zonder melksap. Schors reukeloos of zwak aromatisch (niet
naar uien) riekend; walgelijk en intens bitter smakend. Jonge en volwassen
bladeren met zwak aromatischen reuk als Cedrela febrifuga Bu. en zeer
bitter. Jonge vrucht in doorsnede rijk aan wit, kleverig aromatisch riekend
zeer bitter melksap. — Cultuur: Aantebevelen voor reboisatie m. h. oog
op irrigatie beneden 1000 Meter zeehoogte op niet te onvruchtbaren
grond. — Inl. namen: Meestal of locaal van weinig waarde òf geheel
onbekend. Bij Palaboehan (Preanger) evenals een paar Dysoxylum-soorten
soms ? Kapinango, s. Im Bantén bij Tjêmara ? Tanglar-moending s.
Bij Pringâmbâà (Banjoemas) bij name geheel onbekend. Bij Tjoramanis-
S&mpòlan en bij Pantjoer (Besoeki) ? soms Kethoedjeuh, md. of Kanthoedjeuh,
md. soms ? Daoe, md. Bij Ngöbel (Madioen) Goeld, j, (— Kajoe-goeld, j.)
of hoog, gjavaansch Gendis, j. (Kadjeng-gendis, j.). Al deze namen zeer
locaal van weinig waarde; bovendien aan de meeste inlanders onbekend en
elders, voor een paar andere boomsoorten geldende, o. a. Goeld, j. in
afd. Banjoewangi meestal ook Amoora aldus genoemd, — Habitus:
Hoogst eigenaardig. Jonge boomen te herkennen aan de soms 3} Meter
lange grof gevinde bladeren, den rolronden rechten stam met groote blad-
litteekens en wit melksap in de jonge takken. De volwassen boom vooral
in vruchttijd zeer kenbaar aan de steenroode vuistgroote (onrijp melksap-
houdende) peervormige vruchten, die in dichte hangende trossen nabij
de takuiteinden zitten en te meer de aandacht trekken, omdat de takken
alleen aan het uiteinde de 1—1l4 Meter lange bladeren dragen en dus
verder kaal zijn. Im blad herinnert volwassen boom aan Pometia pinnata
Rapuk.; die soort echter veel kleinere vruchten, geen melksap en niet
gaafrandige blaadjes. De jonge boom bedriegelijk op Polyscias nodosa Serum.
die soort echter met geleden bladspil zonder melksap, en met gezaagde
blaadjes. Van alle javaansche Meliaceae deze Chisocheton met Dysoxylum
macrocarpum Bl. de grootste vruchten; van laatstgenoemde soort de
kleur echter oranje of oranjerood en van de eerste steenrood of vuil-
purperbruin.
Arbor 30—35 M. alta. Folia 8—13-juga; 640—1600 mM. longa. Ramuli
crassissimi lactescentes ad apices ramulorum conferti. Folia stirpium junio-
rum circ. 35 M. longa. Petiolus 60—110 mM. longus 5—12 mM. crassus,
subteres. _Rhachis lateraliter imprimis ad apicem complanata, in foliis vetus-
MELIACEAE. —= ID — CHISOCHETON.
tis glabra et saepe supra medium defoliata, foliola opposita lateri su-
periori rhachis inserta, oblongo-ovata vel oblonga, basi inaequali rotunda-
to-cordata vel euneata, apice breviter acute vel longiuscule acuminata, membra-
nacea vel tenuiter coriacea, subtus ad nervos supra ad costam mediam pubera,
demum deglabrata, epunctulata (sub lente fortiore subtilissime pellucido-punc-
tata, haud striata); nervi laterales tenues subtus prominuli, obligue-patentes,
recti, prope marginem arcuati, utringue 138—16. Foliola 240—280 mM. longa
et 60—90 lata nonnunguam 320 longa et 100 lata, infima minora obtusiora
140 longa et 60 lata; omnia subnitida supra viridia, subtus pallidiora
exsiccata badia; folia juvenilia purpureo-fulva. Gemmae et foliorum gem-
mulae sericeae; petioluli breves +- 6 mM. longi. Flores dioici.
Paniculae in awvillis saepe 2—4-fasciculatae, elongatae, cum peduneulo
90 mM. longo 200—500 mM. longae, breviter ramosae, brevissime appresse
puberae; rhachi robusta, vario modo compressa et angulata, ramis strictis
patentibus, ad insertionem valde dilatatis, inferioribus (80—90 mM. longis)
ramulosis, ramulis patulis (20 —10 mM. longis) superioribus simplicibus dense
racemoso-floridis, bracteis minutis subulatis. Flores Q (+ desunt) flavescentes,
suaveolentes (hyacinthi modo) medioeres (15—20 mM. longae) breviter pedi-
cellati, infra calycem articulati, pedicellis infra articulationem 2 mM. longis.
Alabastri teretes elongati, apice vir dilatati. Calye cupuliformis, trunca-
tus, 22—4 mM. longus (inde ab articulatione), appresse hirtellus. _Petala
4 extus appresse hirtella intus glabra, linearia 20 mM. longa. Tubus stami-
neus T-vel saepius S-laciniatus, laciniis brevibus oblongis apice truncato 3—4-
denticulatis, 1-—2 mM. longis, antheras oblongas dorso hirsutas, cassas vir
1 mM. longas, parum superantibus; tubus extus prope apicem et intus vil-
losus pro % parte petalis agglutinatus 15 mM. longus. Discus minute
stipitiformis 0.3 mM. altus; ovarium 3—5-, saepissime 4-loculare, cum
stylo appresse hirtellum ; stigma discoideo-conicum, truncatum, supra antheras
exsertum; ovula pendula, raphe ventrali, brevissima, integumentis binis jam
in alabastris externo prope hilum carnoso-incrassato laxe induta, micropyle
dorsali fere infera. Capsula fere pugis mole (70—80 mM. diam.) globoso-
pyriformis breviter stipitata, glabra, matura lateritia; pericarpio crasso,
albido, latice glutinoso scatente, 2—4-locularis, 2—4-sperma. Semina
elliptica, dorso compressa, ventre arillo tenui loculo interno adnata vestita,
dorso testa tenwi foramine ovali instructa; embryo 35 mM. longus et
25 latus; cotyledonibus aequalibus superpositis plantulam minutam (& mM.)
medio prope dorsum includentibus.
Adn. Etsi specimen originale non vidimus tamen non dubitamus quin
CHISOCHETON. iN MELIACEAE.
species nostra (in flora Javae nova) folds et capsulis maxvimis insig-
nissima cum C. maerophyllus, specie nuper a cl. Kina descripfa, confun-
denda sit; illa enim ex descriptione vir nisi foliolis plurinervùüs calyce
minus alto differe videtur.
5. Chisocheton sandoricocarpus K. et V. n. spec., affinis C.
erythrocarpus HieRN. (comp. HrerN. in Hook. F. B. [. p. 550; Cas.
Drc. Mon. 534; Kine. Flor. Mal. 2 p. 519).
Hooge, dikke boom: H == 25—30 M. bij D= 70—90ecM. Stam:
Meestal recht; niet zelden nog al laag boven den grond herhaaldelijk
vorksgewijze vertakt, bijna altijd? zonder wortellijsten; zonder
gleuven. Kroon: onregelmatig ; soms nogal dicht. Takken: Niets
opmerkelijks. Schors: 11 mM. dik. Bros. Buiten zeer donker-
grauw; met fijne barsten. Doorsnede en binnen vuil-wit, spoedig
oranjebruin verkleurend. Zonder lenticellen. Zonder bladgroen.
Zonder melksap. Bijna reukeloos (echter niet naar uien riekend).
Zeer bitter.
Jonge deelen rossig-kort-fluweelachtig behaard. Bladeren mid-
delmatig gesteeld (50 —70 mM.) in de bloeiende exemplaren 5 —8-juk-
kig, maar met onontwikkelde eindknop, later dikwijls 12-jukkig ;
bladspil evenals de steel rolrond, nabij den top diep overlangs gegroefd,
dicht zeer kort fluweelachtig behaard, 400—600 mM., bij oude bla-
deren dikwijls 1 Meter lang Bij jonge boomen waarschijnlijk van
deze soort bereiken de bladeren eene lengte van 3 Meter.
Blaadjes elliptisch langwerpig, aan den top met korte spitse punt
met stompen of afgeronden bijna gelijken voet, kort gesteeld, van
onderen langs de nerven zeer fijn-kort-behaard, overigens onbehaard ;
met 14—18 aan beide zijden zichtbare dunne schuine zijnerven, en
weinig zichtbare dwarsche aderen. Versche bladeren donkergroen,
sterk glimmend; van onderen nogal bleekgroen. Blaadjes 190 mM.
lang bij 70 mM., somtijds tot 300 mM. bij 100 mM. Jonge bladeren
zeer bleekgroen. Volwassen blaadjes bijna reukeloos; bitter. Plu i-
men pyramide-vormig, boven de oksels der bovenste bladeren,
ongeveer half zoolang als de bladeren (+ 270 mM.), dichtaanlig-
gend-kort-behaard, hoofdas vrij dik, saamgedrukt; zijtakken vertakt,
MELIACEAE, UD CHISOCHETON.
de onderste + 80 mM. lang. Bloemen kort-gesteeld (+ 4 mM.)
Bloemknoppen (+& 18 mM. lang) langwerpig stomp of obovaat-
langwerpig toegespitst, dicht behaard. Kelk diepnapvormig afge-
knot, onduidelijk getand of onregelmatig gespleten. Bloembladen
5 (zeldzamer 4) lijnvormig of spatelvormig stomp of toegespitst,
klepvormig aansluitend met vleezig verdikten top, zijdeachtig behaard.
Meeldradenbuis 5-lobbig, met breede aan den top uitgerande, alleen
aan de randen behaarde lobben, van buiten en van binnen dik-, grof-,
aanliggend-behaard. Helmknopjes 5, ingesloten, 2.5—3 mM. lang,
tusschen de lobben zittend, aan de rugzijde met lange aanliggende
haren bezet. Schijf niet te onderscheiden. Stuifmeel bolvormig met
3 langwerpige poriën. Hierstok 2-hokkig, evenals de stijl tot over
het midden dicht-grof-behaard; stijltop naakt, stempel cylindrisch.
Doosvrucht bolvormig, van onderen tot een meest vrij langen
steel versmald, aan den voet met houtig geworden kelkoverblijfsel;
van boven afgerond, ongeveer 40 mM., soms 60 —65 mM. lang bij
55—60 mM. breed, met 20—25 (bij de Midden-Javaansche 10—15)
mM. langen steelvormigen voet; vruchtwand eenigszins vleezig, ge-
droogd diep ongelijk-gerimpeld, dicht, zeer kort-luweelachtig behaard,
één of tweezadig. Versche bijna rijpe vrucht geelachtig ; vruchtwand
van binnen sponsachtig, jong met wit melksap, van binnen melkwit
met een rosa streep in het midden. Zaad eirkelrond ot breed-
elliptisch, aan de buikzijde afgeplat aan de rugzijde convex, zonder
zaadrok, maar met aan de buikzijde vleezig verdikte, overigens
taai-vezelige zaadhuid, met een cirkelronde opening in het midden
aan de rugzijde; schildvormig met centralen ronden navel ongeveer
33 mM. in diam, 20 hoog; zaadlobben vleezig, schuin boven elkaar
geplaatst en stevig onderling verbonden, pluimpje in het midden
ingesloten, uiterst klein, onbehaard, naar den navel gekeerd; worteltje
rugstandig niet ontwikkeld.
Aanm. Beschrijving naar talrijke exemplaren van Herb. Kps.
De beknopte beschrijving van C. erythrocarpus HierN in Hooker Fl, B. IL. 1. c. komt
zoo goed met onze soort overeen, dat er eenige twijfel zou kunnen zijn of de hier be-
schreven tot dusver op Java onbekende soort, ondanks eenige verschillen in de beschrij-
vingen bij King en Cas. Dec. niet een variëteit is der genoemde. Bij C. erythrocarpus
zijn echter volgens alle beschrij vingen de blaadjes van onderen geheel roestkleurig zachtharig,
en hebben slechts een gering aantal zijnerven 6 tot 7 paar, de onze hebben steeds meer dan
14 paar en zijn behalve op de nerven nagenoeg onbehaard; ook is het aantal jukken
CHISOCHETON. =S) — MEeELIACEAE.
volgens de schrijvers veel geringer (5—6); hetgeen echter daaraan zou kunnen liggen dat
de schrijvers minder volwassen bladeren hebben onderzocht. Verder zijn volgens Kina
de zijtakken der bloempluimen kort en cymeus vertakt en de bloemen slechts 0.45 inch=
il mM. lang. Eindelijk zouden volgens MaingaAy (msse. Herb. Calc.) de rijpe vruchten
bloedrood zijn. Wij gelooven, dat ter voorkoming van verwarring wenschelijk is deze
als een nieuwe soort te onderscheiden, die wij wegens de overeenkomst der vruchten
met die van Sandoricum nervosum, C, Sandoricarpus noemen.
De exemplaren uit Midden-Java onderscheiden zich van de Oost-Javaansche door toe-
gespitste bloemknoppen en bloembladen; van buiten en vooral van binnen minder dik-
behaarde meeldradenbuis; helmknopjes met slechts weinige haren aan de rugzijde,
Geogr. verspreiding: In Oost-Java o. a. in Bësoeki uitsluitend?
op 600-—1400 M. zeehoogte bij Sëmpòlan (afd. Djëmbër) en bij Pantjoer
(afd. Panaroekan) algemeen. Im Midden-Java uitsluitend op 1300— 1500
M. boven Ngëbél op den G. Wilis in Madioen. Door het ontbreken van
bloemen en vruchten der op Noesakambangan (Banjoemas), bij Soebah in
Pekalongan, bij Palaboehan aan Zuidkust-Preanger (alle drie vindplaatsen
op 0—100 Meter zeehoogte) en op den G. Poelasari in Bantèn op 1000
M. zeehoogte door ons verzamelde speeimina is het voorkomen dezer
soort voor die plaatsen nog onzeker. Bij Pantjoer (Bësoeki) is het een
der gemeenste boomsoorten. Buiten Java: onbekend. — Standplaats:
Hoogstammig altijdgroen heterogeen oerwoud op constant vochtigen grond.
— Voorkomen: Niet gezellig, maar toch soms in vrij groot aantal indi-
viduen bijeen groeiend; vooral met Chisocheton microcarpus K. et V.en
Chisocheton macrophyllus Kia. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en
vruchttijd: Door ons o. a. Oet. Januari bloemen en rijpe vruchten
verzameld. Nogal rijk vruchtdragend. In den bloeitijd vallen de boomen
door de groote witte axillaire pluimen in het oog; in vruchttijd groote
oranjebruine zaden welke met de opengesprongen, geelgroene vruchten
in grooten getale op den grond onder den boom liggen, terwijl de niet
opengesprongen vruchten zeer op den door cultuur veredelden Sentoel, j.
(Sandorieum) gelijken. Ook aan den boom trekken de opengesprongen
vruchten door de fraaie kleur der zaden de opmerkzaamheid. — Gebruik:
Hout: Volgens de meeste inlanders zeer weinig duurzaam. Het wordt
zeer weinig gebruikt, omdat op de plaatsen, waar de soort veelvuldig is
nog deugdzamer houtsoorten voorkomen. Spint wit; reukeloos. Wellicht
bruikbaar voor ruwe pakkisten. Schors enz: niet gebezigd. — Cultuur:
in Midden- en Oost-Java in lage bergstreken waarschijnlijk tusschen
andere soorten bruikbaar voor reboisatie m. h. oog op irrigatie. — Inl.
namen : Bij Pantjoer (afd. Panaroekan) vrij constant met den zonder-
lingen naam Wong-Khoenòng, md. aangeduid; soms dáár ook Kanthoedjë,
md. of Kethoedje, md. De laatste 2 namen ook bij Sémpòlan (Bësoeki)
geldend. Bij Ngëbél in Madioen soms Géöndis-emprit, j. Aan de meeste
inlanders is deze soort niet bij name bekend; dit is o. a. het geval bij
Soebah, bij Tjilatjap, bij Palaboehan en op den G. Poelasari. Alde hier-
genoemde namen, met uitzondering van den zeer localen naam Wong-
Khoenòng, md. ook aan een paar anderen boomsoorten o. a. Chisocheton- en
Dysoxvylum-soorten gegeven en van weinig waarde. — Habitus: In blad
gelijkt de boom zeer op de vorige soort Ch. macrophyllus Kina; doordat
bij laatstgenoemde soort echter de jonge bladeren roodbruin en bij deze
soort licht geelgroen zijn, kunnen daaraan reeds beide soorten in het bosch
8
MELIACEAE. =S — CHISOCHETON.
gemakkelijk uiteen gehouden. De vruchten van deze soort zijn bleek-
groengeel en „langgesteeld” die van Ch. macrophyllus vuil purper en kort
gesteeld. De zaden van de laatste soort zijn meer eivormig en van
de eerste ecirkelrond en afgeplat. De vrucht van den gecultiveerden
Söntoel, j. (Sandoricum) gelijkt zeer op de vrucht van deze soort, maar
springt niet open; terwijl de ook op deze gelijkende vruchten van Dysorylum
macrocarpwm Br. door de fraaie oranje of oranjeroode, nooit bleekgele of
vuil-purpere kleur gemakkelijk te onderscheiden zijn. In vrucht deze
boomsoort zeer kenbar (vergelijk ook boven „vruchttijd’”).
Arbor 25—30 M. alta. Folia in speciminibus floridis, modice petiolata
5—8-juga (apice gemmula serius evolutura terminata demum saepe 12-juga)
rhachi tereti prope apicem sulcata, brevissime velutina cum petiolo (5O—7O
mM. longo) 400—600 mM. longa. Foliola elliptico-oblonga saepe versus
apicem parum dilatata apice brevissime acute apiculata, basi aeguali vel
parum inaegquali obtusa vel rotundata, in sicco chartacea, fulvo-olivacea
opaca epunctulata, supra glabra, subtus ad nervos minute puberula, petio-
lulis brevibus (5—10 mM.), crassiusculis, supra obiter sulcatis puberulis
suffulta, 170—250—310 mM. longa et 70—85-—-95 lata, nervis lateralibus
patulis prope marginem adscendentibus utringue conspicuis 14—18, venis
secundariis supra et subtus vie conspicuis transversis. Panieculae ex azillis
supremis pyramidatae, ramosae, folii dimidio parum longiores (+ 270 mM.)
modice pedunculati (40 — 80m M.) appresse-puberae, rhachi robusta varie com-
pressa, ramis iterum paniculatis pedunculatis (inferioribus + 80 mM. longis),
ramulis racemoso-paucifloris, flore terminatis; bracteis parvis ovatis acutis
pedicellis fere 4 brevioribus (2 mM. longis). Flores hermaphroditi breviter.
pedicellati medio pedicelli (+ 4 longi) artieulati, nondum aperti usque 20 mM.
longi. Calyx alte cupuliformis obsolete denticulatus nunc irregulariter fissus
(2—3 mM.altus); breviter sericeus. Petala sericea 5 (—+4) valvata, linearia
vel spatulata apice obtusa vel acuminata inerassata cueullari-inflexa, sericea.
Tubus stamineus 5 (—4)-lobus, lobis latis emarginatis medio glabris, dense
sericeo-hirtus, intus villosus. Antherae 5 inelusae, 2}—3 mM. longae, inter
lobos sessiles, dorso circa medium pilis longis appressis indutae. Discus
obsoletus. Pollen subglobosum 44 u diam. poris 3 oblongis. Ovarium 2-
loeulare, ovulis in loculis singulis pendulis cum styli basi, appresse
hirsutum. _Capsula globosa, flavescens, in stipitem saepius elongatum basi
calycis rudimento lignoso circumdatum abrupte attenuata, apice rotundata
vie rostellata, pericarpio carnoso-lignoso; in sicco valde ruguloso, subtilissi-
me dense velutino abortu saepe monosperma, pedicello brevi lignoso suffulta,
30— 40 mM. diam., stipite 20—25 (in speciminibus Javae centralis 10—15
mM.). Semen orbiculare vel late ellipticum, ventre complanatum, dorso
CHISOCHETON. — 115 — MELIACEAE.
converiusculwum peltatum, hilo parvo rotundo (7 mM. diam.), testa badia
tenuiter coriacco-fibrosa dimidio wventrali strato celluloso carnoso (arillo
adnato) vestitum, dorso apertwra centrali embryonem denudante. _Embryo-
nis cotyledones aequales coneretae oblique-horizontales, plwmula medio in-
clusa minuta; radiewla obsoleta dorsali.
Adn. Ex characteribus floris species nostra nova in flora Javae cum
C. erythrocarpus HierN. bene congruere wvidetur; haec species tamen ex
descriptione Kina his notis recedit: Foliolis subtus fulvo-pubescentibus;
nervis mumero E minoribus, (6—7); jugis paucioribus (quod tamen forsitan
e foliis junioribus examinatis deduci posset); paniculis brevi-ramosis, ramis
cymosis floribus minoribus; capsulis sangwineis.
Specimina ex Java central parwm recedunt: alabastris et petalis acumi-
natis, capsula breviuscule stipitata; vie tamen pro varietate distinguenda;
folia Mie maxima oceurrunt rhaechi plus metrali, foliolis 340 mM. longis.
7. Chisocheton microcarpus. K et V. nova spec.
Hooge boom: H=20—26 M. bij D=50—60 eM. Stam:
Meestal recht; bij 5051 2 met vrij groote lijsten. Takken:
Niets opmerkelijks. Kroon: Meestal hoog aangezet, onregelmatig
en nogal dicht. Schors: 5—6 mM. dik. Nogal bros. Buiten
grauw en nogal glad. Doorsnede en binnen bruin. Zonder lenticellen.
Zonder bladgroen. Bijna reukeloos; bitter.
Bladeren der bloeiende takken meest 5—6—8-jukkig, maar
aan den top nog aangroeiend; met dunne rolronde spil, nabij
den top een weinig zijdelings saamgedrukt en oppervlakkig gegroefd,
met den 70—60 mM. langen steel 500—400 soms 600 mM.
lang, zeer kort fluweelachtig behaard. Blaadjes langwerpig of lang-
werpig-lancetvormig, de onderste soms elliptisch, met vrij spits
toegespitsten top, met meest gelijken, spitsen, zeldzamer aan de
voorzijde breed afgeronden voet 160—180—100 mM. lang, 50—
10-45 breed; dun-leerachtig, van boven in sicco glanzig-grijs,
van onderen roodachtig grijs niet doorschijnend gestippeld, levend
van boven zeer donkergroen, van onderen bleekgroen ; met ongeveer
10 schuin opstaande gebogen zijnerven, van onderen vooral langs
MEeELIACEAE. NI (Oe CHISOCHETON.
de nerven evenals de 10—12 mM. lange blaadsteeltjes fijn kort
behaard; de jongste aan beide zijden dun behaard. Pluimen (nog
jong) lang-gesteeld, kort-behaard, tot aan den top vertakt met
gesteelde opstaande min of meer tuilvormige zijtakken; bloem-
knoppen in gesteelde bijschermen aan de toppen der secundaire
zijtakken. Bloemknoppen (zeer klein) bolvormig, zijdeachtig-
behaard ; kelk napvormig 5 tandig ; 5 bloembladen, van buiten behaard,
meeldradenbuis aan beide zijden behaard, met 5 breede slippen, 5
helmknopjes, schijf zeer kort steelvormig, eierstok 2-hokkig, behaard,
stijl behaard. Vruchten bolvormig, tot een steel versmald, dicht
glanzig-fluweelachtig, klein (15—20 mM. in diam, steel 6—7 mM.),
groen met roodbruinen tint aan ééne zijde, droog niet gerimpeld,
aan den top oppervlakkig genaveld bijna zonder stijlrudiment, tot
groote pluimen vereenigd, 1—2-zadig; met twee kleppen tot aan den
voet van het steeltje openspringend. Zaad zonder zaadrok, ellip-
tisch-cirkelvormig met dunne, droog licht-roodbruine, aan de afge-
platte buikzijde eenigszins vleezige overigens dun-vezelig-leerachtige
zaadhuid, met zeer kleine opening in het midden der rugzijde.
Aanm. Beschrijving naar talrijke exemplaren van Herb. Kps. Deze soort is nauw
verwant aan de vorige soort (Chisocheton sandoricocarpus) maar toch van alle bekende
Chisocheton-soorten verschillend. Nader onderzoek in loco gewenscht,
Geogr. verspreiding en Standplaats: Door ons slechts in
Midden- en Oost-Java en nog alleen op de 3 volgende plaatsen gevonden:
1) in groot aantal bij Tjoramanis-Sëmpòlan in de afd. Djömbèr (Bösoeki)
op 600—900 Meter zeehoogte; 2) in zeer gering aantal bij desa Këmiri
in district Rägâdjampi (Banjoewangi) op + 300 M. en 3) één boom bij
Soebah in Pëkalongan op circa 50 M. Op alle drie groeiplaatsen in hoog-
stammig heterogeen altijdgroen oerwoud op constant vochtigen vrucht-
baren grond. — Buiten Java: onbekend. — Bladafval: Altijdgroen.—
Bloei- en vruchttijd: Im Juni bloemknoppen met onrijpe vruchten;
in Januari alleen bloemknoppen; in Oct. rijpe vruchten. Rijk vrucht-
dragend. — Gebruik: Hout: Als te weinig duurzaam niet door de
inlanders gebezigd. Schors, enz. niet gebruikt. — Cultuur: Weinig
aantebevelen. — Inl. namen: Bij Soebah geheel onbekend of soms
? Kèdojd, j. genoemd. Im district Rägädjampi met zeer localen en slechts
aan enkelen bekenden naam ? Wangsoel-hirëng, j. aangeduid. Bij Sim-
polan nu eens ? Daoe, md. dan weer Pòtrèn, md. genoemd. De voor-
laatste naam ook aan eenige niet tot de Meliaceae behoorende boomen (o.a.
Dracontomelum gegeven. De andere namen zeer onzeker en ook voor
eenige andere Meliaceae geldend. — Habitus: In blad zeer gelijkend
op Dysoxylum amooroides MirQ.; door in groote pluimen bijeengezeten
CHISOCHETON. — 117 — MELIACEAE.
gladde, grijze, zijdeachtig-glanzende, knikker-groote, beneden in een steel
versmalde vruchten daarvan en ook van de andere Javaansche Chisocheton-
soorten reeds op den eersten blik te onderscheiden.
Arbor 25 M, alta. Folia ramorum floridorum saepius 6—8-juga, apice
etiam nunc inerescente, rhachi tereti gracili, prope apicem lateraliter obiter
sulcata eum petiolo (T0—60 mM. longo) 300—400 rarius 600 mM. longa;
subtiliter velutina. HFoliola oblonga vel oblongo-lanceolata, modo elliptica
apice acute acuminata, basi aeguali acuta vel cuneata, rarissime antice
rotundata, 160—180 mM. longa et 50—70 lata, modo 100 longa et 45
lata; tenuiter coriacea; supra griseo-avellanea, subtus dilute fulvescentia,
epunctulata, nervis lateralibus teneribus arcuato-erectis circiter 10, subtus
(novella utringue) subtilissime puberula ; petiolulis longiusculis (10—12 mM.)
dense puberis. Paniculae peduneulatae elongatae usque ad apicem luxe ramosae
(450 mM. longae) ad apicem ramulorum confertae brevissime velutinae, ramis
gracilibus corymboso-paniculatis longe peduneulatis erectis minute bracteatis,
inferioribus eum pedunculis 100 mM. longis. Alabastra globosa, sericea.
Petala 5, extus sericea. Tubus utringue villosus 5-lobatus, lobis integris.
Antherae 5 dorso ad insertionem pilosulae, ceterum glabrae, discus brevis-
sime stipitiformis, ovarium 2-loeulare; cum stylo hirsutum. Flores aperti
nondum visi. Fructus globosi, stipitati, basi annulati; dense sericeo-velu-
tind, parvi (diam. 15—20 mM.; stipite 6—7 mM. longo); in sicco laeves
(haud rugulosi) obiter umbilicati et minute rostellati bivalves, fwlwo-virides-
centes; in paniculas amplas dispositi 1—2-spermi. Semina ezrarilla
ta testa tenui-fibroso dimidio ventrali parum inerassata, fulva.
Adn. Species precedenti (C. sandoricocarpus) valde affinis sed fructibus
parvis a Chisocheton speciebus cognitis ceteris diversa
6. AMOORA Rorb.
Bloemen gemengd-slachtig, één- of tweehuizig zeldzaam tweeslach-
tig. Kelk 3—5-spletig, deelig of bladig. Bloembladen 3, dik, concaaf,
dakpanswijze dekkend. Meeldradenbuis nagenoeg bolvormig of kroes-
vormig, met nauwen of wijden, gaafrandigen of onduidelijk gekar-
telden mond; helmknopjes 3—10, zittend, ingesloten. Schijf niet
ontwikkeld (soms kort-steelvormig). Hierstok vrij, 3-hokkig, elk
hokje met 1—2 eitjes; stempel kegel- of schijfvormig, zittend (in
MELIACEAE. — 118 — Á MOORA.
A. lanceolata en A. trichanthera 3 opstaande stempels). Stuifmeel
ellipsoid-driezijdig met 8—4 poriën. Doosvrucht 3—4-hokkig, leer-
of houtachtig, hokverdeelend 3-kleppig of niet openspringend (Kine).
Zaden voor zoover bekend met vleezigen lossen zaadrok, zaadlobben
boven of naast elkaar, vast aaneengegroeid; pluimpje nabij den top
ingesloten, worteltje naar den top gekeerd.
Boomen met melksap, met enkelvoudige of stervormige haren of
schubben. Bladeren meestal onevengevind; blaadjes gaafrandig.
Bloemen in okselstandige pluimen of saamgestelde aren, de vrouwe-
lijke soms in enkelvoudige aren.
(Beschrijving nieuw, gedeeltelijk naar Kie).
Aantal soorten volgens Cas. Dec. 27 in tropisch Azië en Australië,
Kina heeft hier nog twee nieuwe soorten uit Malakka bijgevoegd ; terwijl
hij overigens het geslacht beperkt tot die soorten, welke 3 bloembladen
bezitten, en die met 5 bloembladen niettegenstaande hun grooter aantal
meeldraden tot Aglaia overbrengt. Hij ontzegt het bezit van een open-
springende vrucht als diagnostisch kenmerk aan Amoora, maar behoudt het
bezit van een niet openspringende vrucht als kenmerk voor 4glaia. Het
laatste is trouwens niet geheel juist, daar de rijpe vrucht van Aglaia Ganggo,
die aan Kie niet bekend was, met twee loodrechte, de hokjes midden
doordeelende spleten openspringt. Ook de wijziging van Kine berustende
op het aantal bloembladen geeft geen volkomen scherpe begrenzing der ge-
slachten, daar bij de door Krxe naar Aglaia overgebrachte Amoora Maingayi
met 4—5 bloembladen somtijds 3 bloembladen schijnen voor te komen (Cas.
Drc. le. 589) hetgeen eveneens met een nieuwe door ons in Oost-Java
ontdekte soort (Aglaia heptandra K. et V.) het geval is, waar ook het
aantal kelktanden gewoonlijk 4 dikwijls tot 3 gereduceerd is. Wij hebben
echter de wijziging van Kina overgenomen, daar wij deze in elk geval
voor een verbetering houden.
Cas. Dec. onderscheidt 3 secties:
1. Aphanamiris (Brume genus) Vrouwelijke bloemen in aren. Kelk
vrijbladig; stempel zittend. Hiertoe op Java Amoora Aphanamiris.
II. Pseudo-Aglaia. Bloemen niet in aren. Kelk vergroeidbladig
stempel zittend of 3 stempels. Hiertoe Amoora trichantera.
II. Pseudo-Guarea. Bloemen niet in aren. Kelk vergroeidbladig.
Stijl even lang of langer dan de eierstok. Uitsluitend in Australië.
MrqveL noemt voor Java slechts een soort:
1. _Amoora Aphanamiris (Roem et Scmuurz). Cas. Dec. voegt hierbij
een tweede:
2. __Amoora timoriensis Mrq. naar exemplaren door ZortiNGER op Java
verzameld Herb. Berl. 829. Bij de zeer talrijke exemplaren in Herb.
Kps., die in lengte der bladsteeltjes en beharing sterk varieeren en
waarvan de Oost-Javaansche identiek zijn met een uit Leiden gezonden
exemplaar (niet origineel) van Amoora timoriensis; vonden wij geen
enkel doorgaand kenmerk ter onderscheiding van twee soorten ; zelfs niet
van variëteiten. Wij houden dus Amoora timoriensis althans wat de
Á MOORA. — 119 — MELIACEAE.
Javaansche exemplaren betreft voor identiek met A Aphanamivis.
Een derde nog onbeschreven soort behoorende tot de onderafdeeling
Pseudo-Aglaia komt in enkele exemplaren in Herb. Kps. voor, namelijk:
3. _Amoora trichantera K. et V.
Flores hermaphroditi vel polygamo-dioicì vel monoiei. Calyr 3—5-fidus,
partitus vel sepalus. Petala 3, crassa, concava, imbricata. Tubus stamineus
subglobosus vel wreeolatus, apertura parva vel ampla integra vel parum
conspicue crenulata; antherae 3—10 sessiles inclusae. Discus inspicuus
(vel stipitiformis brevis fide Cas. Drc.). Ovarium liberum 3-loculare, loculis
1—2-ovulatis (ovulis swperpositis); stigma conoideum vel disciforme, sessile
rarius stigmata 3 (A. lanceolata et A. trichanthera). Pollen ellipsoideum
3—4-gonum 3—4-porosum. Capsula 3—4-loeularis, coriacea vel lignosa,
loeulicide 3-valvis vel et indehiscens (Kina). Semina arillo crasso carnoso
libero induta; cotyledones superpositae vel collaterales conferruminatae;
plumula prope apicem inclusa radieula (an semper?) supera.
Arbores lactescentes, pilis simplicibus vel stellatis vel lepidibus. Folia
saepius impari-pinnata; foliola integra. Flores in paniculas vel spicas
compositas, feminei interdum in spicas simplices dispositi. (Descriptio nova
pro parte ex Kine).
1. Amoora Aphanamixis Roem. et ScnuLres Syst. vir 2 p. 1621;
Mios Els EB. r 2- p. 535: Ann. 1. ce. 34; Kine Mal. m. 542; —
Amoora grandifolia (Brume) Cas. Dro. Le. 581 ; — Aphanamiris
grandifolia Bu.! Bid. p. 165 ; — Amoora timoriensis MiQ. ! Ann. Le. p.
84; Juss. Mem. p. 107; Cas. Dec. le. 580.
Nogal hooge boom: H==15—20 M. bij D==40—50 cM.; mees-
tal slechts H— 10 M. bij D==30ecM., Stam: Nogal recht; meestal
nogal laag bij den grond herhaaldelijk vorksgewijze vertak: Rolrond.
Zonder wortellijsten. Takken: Niets opmerkelijks. Kroon: Onre-
gelmatig. Veelal laag aangezet. Meestal nogal ijl. Schors: 8 mM.
dik. Bros. Buiten grauwbruin of grauw. Doorsnede roodbruin, Bin-
nen vuil wit. Zonder lenticellen. Zonder bladgroen. Meestal (? altijd)
met weinig wit melksap. Bijna reukeloos; smaak wrang.
RC onge deelen, bladstelen en steeltjes, onderzijde der jonge bladeren
en bloemspil fijn- en dicht- of iijl-behaard. Bladeren oneven- of
zeldzamer evengevind 5—9-jukkig, kort of langgesteeld, (35 —50—110
mM.). Bladspil rolrond, zijdelings en van boven iets afgeplat, bladsteel
MELIACEAE. NEN — ÄMOORA.
van boven zeer oppervlakkig gegroefd; geheel fijn-kort-behaard.
Blaadjes zeer kort- of kort- (bij de West- en sommige Midden-Ja-
vaansche exemplaren) of lang-gesteeld, met vleezige bladsteeltjes,
langwerpig, zeer ongelijkzijdig, met aan den voorrand meest breed,
afgeronden, aan den achterrand spitsen of afgeronden en weggesneden
voet; met plotseling stomp-toegespitsten scheven, dikwijls verdro-
genden top, (het eindblad obovaat lang-gesteeld, de onderste breed-
eivormig, kleiner); dik-leerachtig, van onderen evenals de bladsteeltjes
meer of minder behaard of onbehaard, versch nogal donkergroen met
talrijke, duidelijke fijne ronde stippels (merksapeellen) die bij het
indrogen verdwijnen; zijnerven 10—20 van ond. nogal uitspringend,
recht uitstaand nabij den rand opgekromd, verdwijnend. Bladspil 200 —
400 mM. lang, blaadjes gemiddeld 170 mM. lang, bij 60; bladsteel-
tjes 5—30 mM. Bij enkele exemplaren uit Palaboehan (Preanger) zijn
bladeren ongeveer 1 Meter lang, de blaadjes 260 mM. Pluimen
korter of veel langer dan de bladeren 200—700 mM, lang aarvormig,
enkelvoudig of uit talrijke loodrecht afstaande aren saamgesteld, de
eerste meest door mislukking vrouwelijke de laatste mannelijke of twee-
slachtige bloemen dragend ; bloemspil kort-donzig-behaard. Bloemen
ongesteeld, alleenstaand, met een zeer klein spits driehoekig schut-
blaadje aan den voet, ongeveer 7 mM. lang, langwerpig-bolvormig,
groenachtig wit. Kelkbladen 5, afgerond, fijn-schaars-behaard, ge-
wimperd, dakpansgewijs geplaatst 3 mM. lang groen; bloembladen
onbehaard van buiten groenachtig wit van binnen wit, dakpansgewijs
elkaar bedekkend en slechts een kleine opening aan den top over-
latend (geheel geopend nog niet waargenomen). Meeldradenbuis bijna
bolvormig met een kleine driehoekige opening aan den top, vleezig,
helmknopjes 6, langwerpig met lengtespleten, in de 2 bloemen zon-
der stuifmeel in de hokjes. Stuifmeel zeer klein (20 x) met 4 smal-
langwerpige poriën, door fijne lengteplooien doorsneden, in een ver-
dikte hof geplaatst. Hierstok-dicht fluweelachtig behaard 3-hokkig, met
twee boven elkaar geplaatste eitjes in elk hokje; stempel zittend
verlengd pyramidevormig; 3-zijdig. Doosvruchten tot lange on-
vertakte of vertakte aren vereenigd, bol-peervormig, onbehaard, met
afgeronden top licht- of donker-rozerood met vleezigen, melksaphou-
denden wand, 3-kleppig, kleppen vleezig, van binnen wit. Zaden
AMOORA. — 121 — MELIACEAE.
één of twee in elk hokje, en dan boven elkaar geplaatst, veelhoekig
bolvormig; glanzig zwart met dikke zaadhuid en een witte streep van
den top langs de buikzijde naar het vaatmerk loopend; bijna geheel
omsloten door een zeer dikken donkerrooden vleezigen, eenigszins ge-
lobden zaadrok, die elk zaad afzonderlijk of beide te samen inhult;
zaadlobben in de zeer jonge zaden naast elkaar geplaatst, in de rijpe
vast met elkaar vereenigd, aan den top het zeer kleine naar boven
gekeerde worteltje insluitend. Zaad met den zaadrok 35 mM. lang,
20—15 dik, zonder den zaadrok ongeveer 12 mM, in diam.
Aanm. Beschrijving naar talrijke exemplaren van Herb. Kps., vergeleken met auth.
spec. De West- en vooral een der Midden-Javaansche exemplaren met korte en zeer
korte bladsteeltjes komen met het origineel exemplaar overeen, de Oost-Javaansche wijken
voor een gedeelte af door veel langer bladsteeltjes en alle door kleinere blaadjes. De
beharing varieert zeer in dichtheid.
Geogr. verspreiding: Geheel Java op 0—1100 M.; vooral in
Midden-en Oost-Java. Dáár in vele streken, vooral op 0—500 Meter
algemeen o.a. in res. Sëmarang, Pékalongan en Bésoeki. Im West-Java
minder veelvuldig aangetroffen; dáár o.a. bij Palaboehanratoe aan Zuid-
kust Preanger op circa 50 M. en op G. Poelasari in Bantén op 1050 M.
Buiten Java: Alleen nog van Timor en volgens Kiva ook van Malakka
bekend. — Standplaats: Bij voorkeur op periodiek min of meer drogen
grond; in iijjlgroeiend loofverliezend oerwoud o.a. in de djatibosschen of
op eenigszins ziltigen grond aan den binnenzoom der Rhizophoren-wouden
(buiten bereik van eb en vloed). Op constant vochtigen grond, zelden
in oerwoud meer in jongeseeundaire bosschen. — Voorkomen: Nooit
gezellig. — Bladafval:? Altijdgroen. — Bloei- en vruchttijd: Het
geheele jaar door soms tegelijkertijd, bloemen en vruchten verzameld. Zeer
rijk-vruchtdragend.— Gebruik: Hout: Als te weinig duurzaam, te weinig
sterk en meestal te klein nooit door de inlanders gebezigd. Zou geen
kernhout hebben. Spint wit. Schors, enz: De schors soms (o.a. bij
Këdoengdjati in Sëmarang) inwendig voor medicijn. Andere boomdeelen
niet gebezigd. Jonge vrucht met weinig wit kleverig bitter melksap.
Bladeren reukeloos; smaak samentrekkend. — Cultuur: Alleen voor
sierboom in tuinen aantebevelen; zulks om de fraaie vruchttrossen. -
Inl. namen: Ofschoon enkele andere Meliaceae in res. Bösoeki he
Poegër, Sémpòlan en Râgâdjampi soms Goelá, j. (—= Gendis, j.) of Kajoe-
goeld, j. of Kadjoeh-khoeleuh, md. genoemd worden, heet dáár bij voorkeur
deze kenbare boomsoort aldus. In res. Sëmarang bij Kédoengdjati en
bij Karangasëm meestal evenals een paar Dysorylwm-soorten Kedojá, j.
In res. Tégal evenzoo, of ter onderscheiding met die soorten Kedojd-
sapi, j. geheeten. In res. Banjoemas bij Pringambà en in Bantén bij
Tjimanoek geheel onbekend. In Pékalongan bij Soebah aan meeste in-
landers onbekend; Dáár soms? Sapi, j. (? of Kedojd-sapi, j.) evenals elders
een paar andere boomsoorten. Aan Zuidkust-Preanger bij Palaboehan ook
zeer weinig bekend; dáár soms met den zeer localen en ook voor een
paar andere soorten geldenden naam: Kadapan, j. Bijna alleen de naam
MELIACEAE. — UD — A MOORA.
in res. Bësoeki voor opsporing der soort bruikbaar. — Habitus: In
blad gelijkt de boom door de grof gevinde aan de uiteinden der vrij-
dikke twijgen geplaatste bladeren zeer op Dysorylum amooroides Mig.
In vruchttijd zeer typisch en gemakkelijk van alle Javaansche boomsoorten
te kennen aan de sierlijke licht-roza gekleurde op Lansium (Doekoe, ml.)
gelijkende in talrijke, soms tot %/, M. lange, dichte slap-neerhangende
„trossen’”’ geplaatste vruchten. Deze vertoonen na het openspringen de
Bon met schitterend oranjekleurigen arillus bijna geheel omhulde
zaden.
Arbor mediocris, cire. 15—20 M. alta. Innovationes et partes juniores
dense tomentellae, pilis simplicibus vel puberulae, demum glabrescentes. Folia
5—8- wel et 9—10-juga, impari pinnata, rarius abrupte-pinnata breviter
(35—50) rarius longe (100 mM.) petiolata Herb. (Kps. 5035 6). Rhachis
teres, supra parwm complanata ex insertione foliolorum leviter lineolata, cum
petiolo tereti supra obiter et anguste canalieulato brevi tomentello 200 — 400
mM. vel et 900 mM. longa. Foliola nune breviter (spec. originale et spec. Kos.
4786 (3 e Java centrali) saepius longiuscule petiolulata, petiolulis saepe valde
incrassatis, supra sulcatis, breviter tomentellis, demum saepe deglabratis; oblon-
ga, valde inaegwilatera, basi antice lato-rotundata vel et truncata, postice
acuta vel rotundata saepe resecta, apice saepius breviter vel longiuscule api-
culata vel acuminata, acumine saepe demum marcescente, inferiora pedetentim
breviora, magis ovata vel suborbieularia; terminale obovatum basi aequali
acuta, longe petiolulatum; omnia crasse coriacea, in vivo dense subtiliter pel-
lucido-punctulata (cellulis secretoriis rotundis) in sicco olivacea vel et fulva,
epunctulata, subtus ad nervos puberula, deglabrata, nervis lateralibus 10 —
20 subtus valde prominentibus prope marginem delitescentibus, secundariüis
is perpendicularibus conspicuis. Foliola saepius 170 mM. longa et 60
lata, in specim. Jav. occid. saepe majoribus usque 260 mM. longa et 100 lata.
Panieulae spiciformes foliis breviores vel multo longiores (200—700 mM.)
simplices (fl. feminei et hermaphroditi) vel ramis numerosis spiciformibus
patentissimis compositae (fl. masculi et hermaphroditi); rhachi tomentella
vel glabrescente. Flores 7 mM. long, sessiles, singuli bractea minuta
acute triangulari suffulti. Calyx 5-sepalus, sepalis rotundatis puberulis
(glabrescentibus) ciliolatis imbricatis 3 mM. longis et latis. Petala glabra
extus albido-viridescentia, intus albida, imbricata, vir aperta, 6 —T mM. longa.
Tubus stamineus subglobosus carnosus basi petalis adnatus; antherae 6
(2—3 mM. longae) oblongae, magnae, glabrae, quadriloculares, in 9 cassae.
Pollen minutum (in alabastris hermaphroditis, 20 diam.) poris 4 trans-
verse-lineari-oblongis, singulis plica subtili longitudinali transsectis area
incrassata circumdatis. _Ovarium velutinum (in spee. malaccensi glabrius-
A MOORA. — 123 — MELIACEAE.
culwm, fide Kine), 3-loeulare, ovulis in loculis 2 superpositis; stigma
elongata-pyramidatum, triquetrum. _ Capsula globoso- pyriformis, basi calyce
marcescente vie accreta suffulta, apice rotundata (rarius in spec. paucis
Javae subacuta), rosea, B-valwis pericarpio parum lactescente, valvis carnosis,
intus albis. Semina in loeulis singula vel rarius bina superposita, sub-
globosa, varie compressa; testa coriacea, nitida, atra, hilo (raphe) albo,
lineari ventrali percursa; arillo crassissimo, carnoso, rubro, mais minusve
lobato semen abortivum ampleetente, fere tota induta; embryonis cotyledo-
nes in semindbus novellis collaterales mor conferruminatae, radieula supera
prope apicem inelusa, minuta. Semen denudatum circ 12 mM. diam, cum
arillo 35 mM. longum et 20—15 crassum.
Adn. Species quoad longitudinem petiolulorwm et petiolorum et pubes-
eentiam quam maxime variabilis; speciminibus ex Java occidentali saepius
breviter vel brevissime (10—4 mM.) ev Java orientali saepius longius (10-—
30 mM.) petiolwlatis ; priora etiam foliis majoribus foliolis latioribus brer isus
apieulatis, nervis magis prominulis notata, sed formae intermediae abundant.
Amoora timoriensis e descriptionibus apud MrQurr atque Cas DecANDOLLE
nullis notis a nostra recedere videtur et specimen vidimus e Mus L. B.
missum (non originale) certe eum nostris e Java oriental conspecificum.
2. Amoora trichanthera K. et V., nova species A. lanceolatae
HierN affinis.
Nogal hooge boom.
Volwassen bladeren langgesteeld, onevengevind, geheel onbe-
haard. Bladspil rolrond, zijdelings en van voren afgeplat, met den
steel 250 mM. lang (zelden 100). Bladsteel van boven sterk afgeplat,
iets gegroefd (circ. 100 mM. lang) (zelden 80). Blaadjes 4—5-
(zelden 2-) jukkig geheel of bijna tegenoverstaand; elliptisch-lang-
werpig, de bovenste iets obovaat-langwerpig, de onderste meer ellip-
tisch, met gelijken spitsen voet en kort of zeer kort stomp toege-
spitsten top, 80—160, bij 55—60 mM.; langgesteeld (bladsteel +
14, bij het eindblad ruim 20 mM.); leerachtig, in sicco olijfgrijs,
met + 10 aan beide zijden iets uitspringende dunne zijnerven,
overigens zonder zichtbare aders. Pluimen langer dan de blad-
steel, vertakt, zeer kort of middelmatig gesteeld met recht uitstaande
ver van elkaar verwijderde, korte zijtakken (+ 30 mM. lang) ; deze
MELIACEAF. — 124 — AMOORA.
weder tuilvormig vertakt; evenals de hoofdas met zeer kleine dicht-
opeengedrongen roodbruine stervormige schubben bedekt. Bloemen
tweeslachtig zeer kort gesteeld, met één zeer klein spits schutblaadje,
geel, ongeveer 4—5 mM. lang. Kelk napvormig, ondiep-stomp-
3-lobbig, v. buiten dun met stervormige schubben bezet en gewim-
perd; ongeveer 2 mM. hoog. Bloembladen 3, spatelvormig van
onderen tot een korte buis vereenigd, sterk dakpansgewijs dekkend,
van buiten behalve aan de randen geheel dichtbedekt met roodbruine
stervormige schubben. Meeldradenbuis eivormig, van onderen iets
saamgetrokken, van buiten zeer kort ijl behaard of bijna glad, van
binnen fijn en ijl behaard, aan den top bij het opengaan der bloem
in 3 tanden splijtend. Helmknoppen 6, langwerpig, aan de rugzijde
en van voren langs het helmbindsel met dunne haartjes bezet. Stuif-
meel langwerpig-driehoekig met 3 verdikkingen, elk met een smalle
dwarsche porie in het midden 18 z lang 10 breed. Bierstok klein,
driehoekig, met één bolvormig eitje in elk hokje, stervormig-kort-
behaard ; stempels 3, breed-lancetvormig, langer dan de eierstok, opstaan-
de. Vrucht onbekend.
Aanm. Beschrijving naar slechts één exemplaar in Herb. Kps. (4717 3).
Geogr. verspreiding en standplaats: Buitengewoon zeldzame
boom. Door ons slechts een drietal boomen op de volgende 2 stand-
plaatsen in de Preanger gevonden: 1. bij Takòka in distr. Djampang-
wètan op 1000 M. en 2. bij Palaboehanratoe aan Zuidkust op circa
50 Meter zeehoogte beide op constant vochtigen grond in hoogstammig
zeer heterogeen altijdgroen oerwoud. Buiten Java: onbekend. — Bloei-
en vruchttiijjd: In Juli bloemen verzameld. — Gebruik: Hout:
Eigenschappen aan de inlanders onbekend. Schors, enz.: niet gebezigd.
Bladeren bijna reukeloos en smakeloos. — Inl. namen: Bij Takòka:
geheel onbekend en bij Palaboehan met den ook voor een paar andere
boomsoorten geldenden naam Daoe, s.— Habitus: Niet in het oog-
vallend.
Arbor mediocris. Folia adulta longe petiolata, impari-pinnata, glaberri-
ma. _Rhachis teres lateraliter subcompressa, cum _petiolo 100—80 mA.
longo supra complanats basi subsulcato, 250—100 mM, longa. Foliola
4—5 (—2)-juga, opposita vel subopposita, longiuscule petiolata (+ 14 mM.)
elliptico-oblonga, superiora cum terminali obovato-oblonga, infima elliptica,
minora; omnia busi aequali acuta, apice breviter obtuse acuminata vel apiculata;
coriacea, in sicco olivacea, nervis lateralibus tenuibus utringue prominulis, cete-
rum avenia 80—160 mM. longa et 55— 60 mM. lata. Panieulae petiolo longio-
ÄGTAIA. — 125 — MELIACEAE.
res, brevissime peduneulatae, ramosae cum ramis distantibus strictis corym-
bose ramosis, brevibus (+H- 30 mM.), dense minute rufo-lepidotae. Flores
hermaphroditi, brevissime-pedicellati, bracteola minuta suffulti, flavi, in
vivo circ. 4—5 mM. longi, sub-globosi. Calyr cupularis, obiter 3-lobus, inter
lobis coarctatus eatus stellato-lepidotulus, ciliolatus, circ. 2 mM. altus. Petala
3 spaihulata, valde imbricata, marginibus exceptis extus dense rufo-stellato-
lepidotula. Tubus stamineus ovatus, hasi constrictus, extus Llave puberulus
vel subglaber intus parce villosulus, apice per anthesin 3-dentato-fissus.
Antherae 6 oblongae, antice secus connectivum et dorso pilosulae. Pollen
oblongum triquetrum, minutum (18 u longum et 10 latum) poris tribus
transversis, linearibus. Ovarium parvum stellato-hirtum 3-loeulare, loculis
l-ovulatis; stigmata 3 fusiformes erectae ovarium longitudine superantes
Fructus ignotus.
Adn. Species nostra cum A. lanceolata convenit stigmatibus tribus et
antheris pilosulis, characteribus fide CDC. in hac specie unica singularibus ;
(RoxB. tamen etiam in A. cucullata stigma profunde trilobum delineat).
Species illa malaccensis tamen ex descriptione Kiva a nostra differt: fo-
liolis 8S-jugis, subtus puberulis et lepidotulis oblongo-lanceolatis 50—75
mM. longis 15—20 mM. latis, multinerviis; panicutis folia longitudine
aegwantibus; tubo stamineo glabro. Descriptio nostra e singulo specimine
constructa, species forsitan formis intermediis adhue ignotis cum A. lan-
eeolata conjungenda apparebit.
7. AGLAIA Lour.
Bloemen tweeslachtig of gemengdslachtig-tweehuizig. Kelk uit
4—5 vrije, in den knop dakpansgewijze dekkende kelkbladen be-
staande of 4—5-deelig of-tandig. Bloembladen 5, zelden 4, in
den knop dakpansgewijze dekkend of ineengedraaid, vrij of van
onderen min of meer vergroeid. Meeldradenbuis nap- kroes- of bijna
bolvormig, aan den top met kleine of wijde, getande of bijna
gaafrandige opening, helmknoppen 5-—10, binnen de buis besloten
of daar geheel of gedeeltelijk uitstekend. Stuifmeel elliptisch-
driehoekig met 3 poriën. Schijf weinig ontwikkeld. Eierstok lang-
werpig of kort bolvormig, 1—3-hokkig (soms onvolledig) elk hokje
met 1, zelden 2 eitjes; stijl zeer kort; stempel eylindervormig
MELIACEAE. — 126 — ÁGLAIA.
of kegelvormig of afgeplat bolvormig klein of groot. Besvrucht
vleezig of droog, 1—3-zadig; bij A. Ganggo en Husiderozylon hok-
verdeelend splijtend. Zaden zonder of bijna zonder (A. argentea en
elaeagnoides) of met doorschijnenden, geheel met de zaadhuid ver-
groeiden (meeste soorten) zeer zelden met geheel vrijen van de zaad-
huid los te maken zaadrok (jonge zaden van 4. elliptica) ; vaatmerk
basaal of rugstandig; zaadhuid met vezels doortrokken; zaadlobben
meest boven elkaar (bij A. elaeagnoidea naast elkaar); plantje hori-
zontaal, ingesloten, worteltje naar de buikzijde.
Boomen of heesters, melksaphoudend, jonge deelen met sterharen
of schubben bekleed. Bladeren onevengevind, met gaafrandige in
verschen toestand doorschijnend gestippelde blaadjes. Bloemen klein
de Jen Ì in wijd vertakte groote, de 2 en ? in korte weinig ver-
takte okselstandige pluimen. (Nieuwe beschrijving).
Aanm. Het geslacht Aglaia, door C. Dec. gevormd uit de samensmelting der geslachten
Milnea Rox. en Aglaia Lour van de Gen. PI, welke reeds door BENTHAM (F1. Austr. l.c.)
was voorgesteld, bevat bij hem 59 soorten voorkomende in tropisch Azië en Australië.
Kine heeft in zijn bewerking der Flora van Malakka nog een 16-tal nieuwe soorten
beschreven, terwijl hij ook nog twee vroeger als Amoora beschreven soorten met 5 bloem-
bladen Amoora Maingayi HieRN en Amoora dysoryloides Kurz tot dit geslacht overbrengst;
daar hij het geslacht Amoora beperkt tot die soorten, welke 3 bloembladen bezitten
(zie boven bij Amoora).
Ook in Herb. Kps. komen nog eenige nieuwe soorten voor waarvan er hier 4 volledig
konden worden beschreven. (1)
Van de door MrqveL en C. DECANDOLLE beschreven soorten zullen daarentegen waar-
schijnlijk eenige moeten opgeheven worden, die wegens onvoldoend materiaal tweemaal onder
verschillende namen beschreven zijn. Met zekerheid hebben wij dit reeds kunnen aantoonen
voor A. pyrrholepis en bijna zeker voor A. Diepenhorstii en A. mucronulata.
De door C. Dec. wegens de op de buisrand geplaatste helmknopjes naar het geslacht
Hearnia overgebrachte Aglaia elliptica is door ons voorloopig hier bijbehouden; daar
hetzelfde zich ook voordoet bij verschillende andere echte Aglaia-soorten o.a. d. speciosa,
A. Diepenhorstii en A. odoratissima van de laatste vonden wij bij één exemplaar de helm-
knopjes opgericht geheel uitstekend evenals bij 4. elliptica; toch is de verwantschap van
A. odoratissima met A. Roxburghiana zoo groot, dat de beide soorten door vele schrijvers
met elkaar verward zijn. é
Een beschrijving van vrucht en zaad, die alleen naar versch materiaal goed mogelijk is,
ontbrak tot dusver voor de meeste Aglaia-soorten. Wat de veel bestreden zaadrok betreft
konden wij met volkomen zekerheid het voorkomen van een volkomen, oorspronkelijk vrijen
aan de zaadnerf verbonden sappigen zaadrok bij eene aan 4. elliptica verwante als Milnea
Sulingi (HI B 31) in ’s Lands Plantentuin gekweekte soort aantoonen en even zeker het
nagenoeg geheel ontbreken daarvan bij A. elaeagnoidea en A. argentea. Alle overige
onderzochte soorten bezitten de gelei-achtige dikke, maar spoedig verdrogende buiten-
bekleeding, die innig met de onderliggende huid verbonden is en door HierN (Hook. Fl. Br-
(1) Een nieuwe soort wordt voorts nog beschreven door Cas. Drc. in Herb. Borssrer DI. II
p. 551 (1894) als A. Zollingerii, waarvan wij de literatuur tot ons leedwezen niet meer tijdig konden
raadplegen (zie beneden).
ÁGTLAIA. — 127 — MELIACEAE.
Ind. I p. 554) en TriMeN (Handb. Flor. Ceyl. I p. 246) als een verdikte zaadhuid wordt
beschouwd door ons echter wegens haar volkomen analogie met die van A. elliptica
en andere hier niet nader te bespreken redenen voor een echte, maar met de zaadhuid
vergroeide zaadrok wordt gehouden.
MrqveL Ann. IV p. 38 noemt voor Java de volgende (alle boomachtige) soorten :
1. Aglaia Roxburghiana Mrq.
2. Mi latifolia Mrq.
3. 5 odoratissima BL.
4, 5 Sulingi BL.
5. 5 speciosa BL.
6. (5 pyrrholepis Mrq.
Ú5 acuminatissima TerysMm. et BINN.
ed
8. 7 elliptica Br.
e aspera T. et B.
10. argentea BL.
hle = polyphylla MiQq.
12. en longifolia T. et B.
13. zo subgrisea Miq.
14. ë macrophylla T. et B. (nomen fere nudum)
C. DECANDOLLE (l.c) voegt hier nog bij:
15. Aglaia mucronata C. Dc.
16. = Diepenhorstii MrQ.
17. 5 elaeagnoidea BeNTH.
18. ” angustifolia MrQ. var. Horsfieldiana C. Dc.
19. 5 Teysmanniana Mrq.
terwijl hij de soort No. 8 (Aglaia elliptica) wegens de op den rand geplaatste helmknopjes
tot het geslacht Hearnia overbrengt.
Aglaia pyrrholepis Mig. is ons door het onderzoek van bloem en vrucht gebleken niet
soortelijk te verschillen van A. Ganggo Miq. (uit Sumatra, ook uit Perak door Kina
gezonden) zoodat de eerste naam moet vervallen.
Van de andere door Cas. Dec. genoemde soorten schijnt ons A. mucronulata nauwelijks
te verschillen van A. latifolia Mrq. Wij hebben echter geen blad gezien en hebben de
beschrijvlng van Cas. Dec. dus volledigheidshalve overgenomen.
Verder schijnt ons Aglaia Diepenhorstii niet soortelijk verschillend van 4. odoratissima
BrL.; althans de door C. Drc. als zoodanig beschreven Javaansche exemplaren behooren
klaarblijkelijk tot deze soort.
Aglaia Teysmanniana Mrq. wordt door C, Dec. klaarblijkelijk bij vergissing voor Java
opgegeven, daar het authentiek exemplaar, door hem in Utrecht onderzocht uit Sumatra
afkomstig is.
In Herb. Kps. van Java komen een 4-tal nog onbeschreven soorten; van deze zouden
20. Aglaia heptandra K. et V.
21. 7 Busiderorylon K. et V. wegens het aantal meeldraden (resp. 6—7 en 10),
tot het geslacht Amoora moeten worden gebracht en schijnen ten nauwste verwant aan
Amoora Maingayi HrerN; wij volgen echter het voorbeeld van Kina, die het geslacht
Amoora wil beperken tot de soorten met 3 bloembladen, waardoor Amoora Maingayi
en evenzoo de bovenbedoelde soorten tot Aglaia overgebracht worden.
De overige nieuwe soorten zijn:
22. Aglaia acida K. et V. een zeldzame op A. Roxburghiana gelijkende soort uit
Oost-Java, en
23. Aglaia barbellata K. et V. een typische en zeer fraaie soort van de Zuidkust van
West-Java.
Van de bovengenoemde soorten van MrquerL ontbreken in Herb. Kps. nog 4. Roxburghiana
Mrq.; A. Sulingi Bu.; A. speciosa Br.; A. acwminatissima T. et B. en A. longifolia T.
et B, waarvan de 3 laatste van den Salak en uit de nabijheid van Buitenzorg moeten af komstig
MELIACEAE. — 198 ÄGLAIA.
zijn en verder A. polyphylla MrQ., A. macrophylla T. et B. en A. subgrisea Miq.,
waarvan de laatste vroeger in ’s Lands Plantentuin gekweekt was en het voorkomen
op Java niet geheel vast staat en de twee andere zeer onvolledig bekend zijn en als
soort twijfelachtig.
Flores hermaphroditi vel saepius polygamo-dioici. Calye 4—5-dentatus
vel 4—5-sepalus, imbricatus. Petala 5, raro 4 imbricata vel contorta,
libera vel basi connata. Tubus stamineus urceolatus vel subglobosus, rarius
campanulatus, apice ore parvo vel amplo dentato vel subintegro, saepe
intus infra antheras costatus; antherae 5, rarius 6—10, tubo inclusae vel
partim vel totae evsertae. Pollen ellipsoideo-trigonum 3-porosum (in una
varietate globosum). Discus inconspicuus. Ovarium oblongum vel subglobosum,
stylus brevis vel nullus; stigma conoidum vel eylindrieum vel depresso-
globosum. Baeca corticata, exsucca vel carnosa, 1—3-sperma (in A. Ganggo
loculicide fissa). Semina modo exarillata (A. argentea, Eusideroreylum,
elaeagnoidea) modo arillo testae adnato tota obtecta (species pleraegue,) modo
arillo separabili. (Baccae juniores A. ellipticae). Chalaza basalis vel
saepius dorsalis, testa raphe fibrosa et fibris e chalaza eradiantibus
pertensa. Cotyledones superpositae (in A. elaeagnoidea collaterales); plantu-
la horizontalis, stellato-hirsuta, radicula ventrali (vel in A. argentea
lateralt).
Arbores vel frutices lactifluae, partes juniores lepidotae vel stellato-
puberae. Folia imparipinnata foliolis integris in vivo pellucido-punctatis
Flores parvi flavi in paniculas amplas ramosas ($ et 5) vel parvas pau-
ciramosas (@ et #) dispositi. (Descriptio nova).
A. Soorten met 1—4-jukkige bladeren (soort 1—10.)
a. Met meer dan 5 helmhmnopjes (Soort 1—2).
«: Bladeren van onderen met fijne schubjes bedekt.
1. Aglaia Busideroxylon, K. et V. nov. spec. (1)
Woudreus H=—=35—40 M. bij D==150—200 cM. (gemeten);
veelal H —= 30 M. bij D==70 eM. Stam: Zuilvormig; bijna
zonder gleuven; met zeer kleine wortellijsten; zonder knoesten.
Takken: De eerste zware takken niet zelden eerst 20—25 M.
boven den grond. Vertakking vorksgewijze. Uiterste twijgen dun.
Kroon: Onregelmatig; dicht; hoogaangezet. Schors: 4 mM.
dik. Bros. Buiten grauw; nogal glad; soms in dunne niervormige
(1) Nomen ex ligno durissimo,
MRrLIACEAE. Or ÄGTAIA.
platen afschilferende; met fijne barsten. Doorsnede vuil-wit en
spoedig fraai donkerroza verkleurende. Binnen wit; niet verkleu-
rend. Met zeer veel, wit, kleverig, aromatisch-bitter melksap. Met
weinig bladgroen. Met zeer kleine lenticellen. Met aromatischen
aan Cedrela-hout herinnerenden zwakken reuk en zeer bitteren
smaak.
Uiterste twijgen hoekig, gegroefd, jong dicht bruin-beschubd, spoe-
dig kaal. Bladeren matig-gesteeld, meest drie-jukkig. Blaadjes
vrij lang-gesteeld (10—20 mM.) meest afwisselend, zeldzamer over-
staande, zeer veranderlijk van vorm en grootte, meest langwerpig,
of langwerpig-elliptisch, zeldzamer ei-lancetvormig, eindblad meest
ei-elliptisch-lancetvormig met gelijkmatig spitsen voet, de overige
met van voren afgeronden of wigvormigen, van achteren vrij ver
weggesneden voet; alle geleidelijk, vrij lang-stomp-toegespitst ; stevig-
papierachtig, niet doorschijnend-gestippeld (in sicco); van boven
zwak-glimmend, onbehaard, van onderen over de geheele oppervlakte
bedekt met zeer kleine plat-aanliggende kleurlooze gewimperde schub-
jes (alleen bij vergrooting zichtbaar); met 10 —15 schuin uitstaande,
vlak bij den rand opklimmende, van onderen uitspringende zijner-
ven; tusschenaderen alleen aan de bovenzijde zichtbaar. Bladspil
met den steel + 100—200 mM. lang, blaadjes 120—190 bij 35 —55
mM.; ook wel 155—220 bij 70—110 (in een exemplaar 190 bij 45).
Pluimen pyramidevormig, ijl-vertakt, dikwijls aan de toppen der tak-
ken opeengehoopt; ongeveer even lang als de bladspil (80—175 mM.),
dicht lichtbruin-beschubd. Bloemen tweeslachtig, nogal lang-
gesteeld (steeltjes vaak iets langer dan de bloemen) bolvormig of om-
gekeerd kegelvormig, 4—5 mM. lang. Kelk napvormig, met 5 breed-
eivormige tanden, dicht-kort-beschubd. Bloembladen 5 aan den voet
onderling en met de meeldradenbuis vergroeid, zeer ongelijk, (de beide
buitenste zeer breed de overigen insluitend, het binnenste smal-lang-
werpig, de twee tusschenliggende gemiddeld); onbehaard, ruim 3
mM. lang. Meeldradenbuis obconisch-napvormig, onbehaard, wijd
open, met onduidelijk 10-tandigen naar binnen gebogen rand, onder
de helmknopjes geribd; helmknopjes 10, (hoogst zelden 8—9) geheel
ingesloten, midden aan den rug bevestigd; lijn-langwerpig met hart-
vormigen voet; met wijde zijdelingsche spleet openspringend. Eier-
9
MELIACEAE. 0 —S ÄGLAIA.
stok dicht-behaard, gelobd, 3-(—4 ?)-hokkig, met 1-eiige hokjes.
Stempel kegelvormig, groot, drielobbig. Vrucht bol-peervormig
of ellipsoid, 40—50 mM. lang 30—40 breed, okergeel (als Lansium)
zéér fijn-donzig-beschubd 1—3-hokkig, bij één exemplaar (4692 3)
volgens aanteekening in loco 4-hokkig, soms min of meer hokver-
deelend openspringend (of splijtend) met van binnen vuilwitten,
roza verkleurenden, in de jeugd melksaphoudenden, later drogen
vruchtwand. Zaad geheel omgeven door een dunnen, aan de rug-
zijde eenigszins gelobden, dicht aansluitenden zaadrok; zaadhuid dun
aan de buikzijde geheel met den zaadrok vergroeid, aan de rug-
zijde glanzig met talrijke papillen in de oppervlakte der kiem
indringend, waardoor deze aan de rugzijde over de geheele opper-
vlakte witgevreten is; pluimpje geheel glanzig-beschubd; zaadlobben
boven elkaar.
Aanm. Beschrijving naar talrijke bloem- en vruchtdragende specimina van Herb. Kps.
Deze soort, die naar het schijnt nog niet beschreven is en waarvan wij wegens het
iijzerharde hout den naam A. Eusiderorylon hebben gegeven vertoont eenige verwantschap
met Amoora Maingayi HierN met welke de bouw der bloemen (die volgens KinG 4—5
en niet zooals C, DECANDOLLE opgeeft 3 bloembladen hebben) in hoofdzaak overeenstemt.
Echter zijn daar de bladeren 1—2-jukkig en volgens beide schrijvers geheel onbehaard;
hier altijd 3-jukkig en van onderen blijvend beschubd.
Geogr. verspreiding: Uitsluitend in de res. Bëösoeki (Oost-Java)
bij Sémpòlan in afd. Djémbèr op 700—900 M. en bij Pantjoer in afd.
Panaroekan op 900 —1300 M. en boven Rägädjampi in Banjoewangi
op 500 M. zeehoogte. Op die plaatsen algemeen. Elders door ons
niet gevonden. — Buiten Java: onbekend. — Standplaats: Uitslui-
tend op constant vochtigen vruchtbaren en zeer vruchtbaren grond in
schaduwrijk, hoogstammig, altijdgroen, heterogeen oerwoud. — Voorko-
men: Niet gezellig. Maar in de bosschen van Tjoramanis bij Sömpòlan
en Pantjoer in groot aantal naast eenige andere Meliaceae benevens
een paar honderd andere boomsoorten. — Bladafval: Altijdgroen. —
Bloei- en vruchttijd: Vrij constant in Juni bloeienden in Oet. — Nov.
met rijpe vruchten. Zeer rijk vruchtdragend. Meestal ligt dan een
groot aantal vruchten onder den boom. — Ouderdom: Aanzienlijk. —
Hout: Gebruik: Bijzonder gezocht en algemeen gebezigd voor huis-
en bruggenbouw, vooral voor balken, bij welke het op groote duurzaamheid
en sterkte aankomt. Van deze uitstekende houtsoort zijn volgens de
ervaring van T. OrroLanper te Pantjoer en de inlander te Sömpòlan de
sterkte en de duurzaamheid, zelfs bij jaren lange expositie aan wêer en
wind, zeer aanzienlijk. Behoort o. i. tot de duurzaamste en sterkste Javaan-
sche bouwhoutsoorten. Het koffie-etablissement op de koffie-onderne-
ming Pantjoer van den Heer T. OrroLanper is voor een groot deel uit
deze houtsoort gemaakt. Genoemde heer T, O. gaf ons een stuk hout ten
ÄGLAIA. — 131 — MELIACEAE.
geschenke, dat ofschoon 10 jaar aan weer en wind bloot gesteld, er nog
even goed uitziet alsof het pas gekapt is. Van alle in Bësoeki in de bergstre-
ken groeiende houtsoorten is deze Aglaia volgens alle inlichtingen de
deugdzaamste. In sterkte en duurzaamheid moet het geheel gelijk staan met
het beste djatihout en in die streken is dit Aglaia-hout, wat in de West-
Javaansche bergstreken Rasamala voor huis- en bruggenbouw en wat op
Sumatra en Borneo het ijzerhout (Eusideroxvylon Zwageri T.et B) is. Dit
Aglaia-hout is echter buitengewoon hard en zeer zwaar en niet gemak-
kelijk te bewerken. Het wordt in Bösoeki alleen voor balken gebezigd;
daarvan is het niet moeilijk groote balken te verkrijgen. Door ons wer-
den bijv. genummerde boomen dezer soort gemeten van H— 37 M. bij
OND ORCME ESS 40 PM. bij D= 60 eM. en H—32 M. bj D=
125 ecM.; alle met rechte, hoog boven den grond vertakte stammen.
De Heer T. OrroLanper en ook wij zelf hebben ons overtuigd, dat het
hout geschikt is voor draaiwerk; de groote hardheid is hier echter vooral
bezwaarlijk. Vreemd is, dat deze uitmuntende en zooals wij zagen in
sommige streken geenszins zeldzame houtsoort niet is vermeld bij de
lijst van Javaansche houtsoorten, waarvan aankap bij het boschreglement
onder controle gebracht is. Zeer urgent komt het ons voor, dat deze
Aglaia zoo spoedig mogelijk in die lijst wordt opgenomen; zulks om
uitroeiing tegen te gaan. Bij een genummerden boom bij Simpolan
(14560 3) is bij kruinhoogte H—= 40 M. en stammiddellijn D — 60 cM.
het spint nog geen 10 mM. breed en het kernhout als gewoonlijk donk
bloedrood of vuilpurper. Schors, bladeren, enz. niet gebezigd. Vol-
wassen bladeren bijna reukeloos; intens bitter. Cultuur: Sterk aan-
tebevelen om het uitstekende djati evenarende bouwhout van groote
afmetingen. Tot dusver nog niet door het Boschwezen aangeplant.
De aanplant evenwel vooral op 700- 1200 M. zeehoogte aanteleggen
op vruchtbaren grond. Zaden gemakkelijk in groote hoeveelheden te
krijgen. — Inl. namen: Bij Sëmpòlan en bij Pantjoer (Besoeki) con-
stant Lòtòng, md. soms ook Satlòtòng md. Bij Këmiri in distr.
Rägädjampi (afd. Banjoewangi) Langsat-loetoeng, j. De beide madoe-
reesche namen beantwoorden op de genoemde plaatsen uitsluitend aan
onze Aglaia Eusideroeylon en zijn aan alle inlanders dier streek bekend.
Het meest wordt de eerste naam (Lòtòng, md.) gebezigd. Deze naam niet
te verwarren met Loetoeng j. (— Boedéng, j.) waarmede een paar andere
boomsoorten aangeduid worden. De naam Langsat-loetoeng, j. in Banjoe-
wangi ook nog aan een andere Aglaid-soort en zelfs te Poegër constant
hiermede de naverwante A. heptandra K. et V. aangeduid. Voor het
kappen van het hout en voor het inzamelen van zaden kan men zich
op den naam Lòtòng, md. verlaten Een iets minder donkergekleurde
variëteit van Lòtòng, md. heet bij Sémpòlan Lòtòng-pòtò, md. — Habi-
tus: Van alle Javaansche Aglaid’s deze de hoogste en dikste, heeft
het hardste (donkerpurperen) kernhout en het meeste (wit) melksap in
de schors. De schors vertoont op doorsnede bijna altijd spoedig een vrij
karakteristieke violette verkleuring, welke wij bij geen andere javaansche
Aglaia waarnemen behalve bij deze. De groote geheel groene blaadjes
der 3-jukkige bladeren en de op een varieteit van Lansium domesticum
Jaek (Langsat, j. = Langsap, j. = Kokosan, s.) gelijkende, doeh soms min
of meer openbarstende vruchten, waaruit vóór het rijp worden bij insnij-
ding zeer veel wit melksap vloeit zijn verdere kenmerken ter herkenning
dezer nuttige boomsoort.
MELIACEAE. — WÙ ÄGLAIA.
Arbor altissima usque ad 40 M. alta trunco 150—200 cM. in diam.
Ramuli ultimi angulati, rimosi, Innovationes dense avellanen-lepidotulae.
Folia modice petiolata, saepius imparipinnata, trijuga. Foliolia longius-
cule petiolulata, saepissime alterna, rarius opposita, oblonga vel ovato-
oblongo-lanceolati, rarius elliptico-oblonga; basi inaequali, saepius antice
rotundata, postice resecta, apice modice obluse angustato acuminata;
coriacea; nervis lateralibus erebriusculis, subtus lepidibus incoloribus valde
appressis, stellatis, magis minusve dense conspersa; rhachis lateraliter
complanata, cum petiolo superne complanato et petiolulis dense lepidotula,
demum subglabrescens. Rhachis cum petiolo ++ 100—200 mM. Foliola
120—155—190 longa et 35—70—55 lata vel 220 longa et 90 lata. Pe-
tioluli 10—20 mM. long. Paniculae pyramidatae Llave ramosae, saepe
prope apicem ramulorum confertae, foliorum rhachi saepe aequilongae
(180—175 mM.) dense avellaneo-lepidotulae. Flores hermaphroditi longius-
cule pedicellati (pedicellis saepe quam flores longioribus) globosi vel obeoniei;
saepe 4—5 mM. alta. Calyx cupularis profunde 5-dentatus. Petala 5
basi inter se et cum tubo connata valde inaequalia (2 exteriora latissima
cetera amplectentia; 2 intermedia; unum internum anguste-oblongum)
glabra, + 3 mM. longa. Tubus obeonico-eupularis glaberrimus margine
inflexo, (saepe obscure) 10-dentatus, infra antheras 10-costulatus ; antherae
10 (rarissime 8 vel 9) inclusae, medio dorso affivae lineari-oblongae, basi
subcordata valvulis amplis lateraliter dehiscentes. Pollen trigono-ellip-
ticum 16 gz longum, 12 u latum, peris 3. Ovarium dense hirsutum, 3-
lobum 3-loculare; ovulis in loeulo singulis peltatim affivis. Stigma coni-
cum, magnum 3 lobum. Baccae carnosae demum loculicide sub dehiscentes vel
fissae, pyriformes vel oblongo-globosae, dense pulverulento-lepidotulae + 30 —
50 mM. diametri; pericarpio crasso, molli, immaturo valde lactifluo ; meso-
carpio albido, mor rubescente. Semina oblonga; arillo tenui coriaceo,
dorso lobato, ventre testae tenui connato arcte circumdata; cotyledonibus
viridibus, dorso ruminato-rugulosis plantula lepidota.
B Bladeren van onderen met verstrooide grove sterharen.
2. Aglaia heptandra K. et V.— ? Aglaia Teysmanniana Cas.
Dec. quoad specim. jav. non MrqueL. — Frichilia rufinervis Hort. bog.
(an Brume?)
ÄGLAIA. — 133 — MELIACEAE.
Nogal hooge boom: H==20 M. bij D= 50 cM. (grootste door ons
gemeten boom). Stam: Recht; rolrond; zonder knoesten ; beneden
met diepe overlangsche gleuven; met kleine wortellijsten ; eerst + 12
M. boven den grond de eerste zware takken Takkenen Kroon
Niets opmerkelijks. Schors: 5 mM. dik. Bros. Buiten grauwbruin;
nogal glad; met fijne overlangsche barsten en nogal sterk in dunne
groote stukken afschilferend. Doorsnede wit en zeer spoedig eigen-
aardig-violet verkleurend. Binnen wit en niet of zeer weinig
verkleurend. Met veel lenticellen. Bijna zonder bladgroen. Met
zeer veel wit, kleverig melksap. Met zwakken aromatischen, aan
Lansium-vruchtschil herinnerenden reuk en aromatisch-bitteren smaak
als Lansium-zaden.
Uiterste twijgen zwak-gerimpeld. Bladeren 3-, zelden 4-
Jukkig, lang gesteeld. Blaadjes kortgesteeld (+ 5-10 mM) meest
overstaand of bijna overstaand, die der bovenste jukken verder
uiteen (eindblad eenigszins verwijderd soms niet ontwikkeld) ellip-
tisch met afgeronden aan de achterzijde min of meer weggesneden
voet, met kort-, vrij spits- toegespitsten top, vrij stevig, in sicco
olijfbruin fijn-doorschijnend-gestippeld en hier en daar gestreept,
van boven onbehaard van onderen langs de hoofd- en zijnerven en in
de nabijheid daarvan (de jonge over de geheele oppervlakte) met
grove, zeer broze, afvallende sterharen bedekt, met ongeveer 10
scheef uitstaande, van onderen uitspringende zijnerven. Bladspil
en steel rolrond, eenigszins afgeplat 140—240 mM. lang, evenals de
bladsteeltjes met afvallende stervormige haren bedekt. Blaadjes 85
145 mM. bij 45—75. Bloempluimen (&') nabij de toppen opeen-
gehoopt, kortgesteeld, langwerpig of tuil-bolvormig, bijna tot aan den
top vertakt, geheel stervormig-ruig-harig 60-100 mM. lang, 50 breed;
zijtakken uitstaande herhaaldelijk vertakt 20-30 mM. lang, eindtakjes
bijschermvorming. Bloemen klein (+ 2 mM.) op kort dunne
steeltjes (!/,—l mM.). Kelk van binnen en buiten stervormig
beschubd, napvormig met 3 of meestal met 4 stompe tanden
(waarvan één gewoonlijk kleiner dan de overige); bloembladen
4—3, zeer ongelijk van breedte, dakpansgewijs, van onderen voor +
gedeelte tot een korte met de meeldradenbuis vergroeide buis vereenigd ;
buis bolvormig, van onderen versmald, van boven wijd open, onbe-
MELIACEAE. — It — ÄGLAIA.
haard, dunvliezig met naar binnen gebogen ongelijk-getanden rand.
Helmknopjes 7—6, (soms 9?), geheel ingesloten, lang werpig-hart vormig,
van onderen met de rugzijde aan de buis vastgegroeid, in de lengte
openspringend met ver naar voren omgeslagen spleetrand ; helmbindsel
lancetvormig, zwart; zeer kleine dichtbehaarde onvruchtbare eierstok
met opstaande langwerpige stempel. ® Bl. en vruchten onbekend.
Aanm _ Beschrijving der bloem naar een enkel specimen en der bladeren naar talrijka
specimina van herb. Kps. (4688 £) van stam t/m schors vooral naar 19970 2. Bij een
ander zeer waarschijnlijk hiertoe behoorend exemplaar zijn in de nog zeer jonge knoppen
9 beginselen van helmknoppen aanwezig. Deze soort is verwant aan A. Teysmanniana
Mig. (authenthiek specimen uit Sumatra door TEYsMANN. in Herb. Bog.) maar verschilt
door den vorm der blaadjes en de minder grove vlokkige beharing. De door Dec. voor
Java als A. Teysmanniana beschreven soort komt ook nogal met de onze ovoreen.
In ’s Lands Plantentuin (III B. 46) staat onze soort onder den naam Frichilia rufinervis
Br; en in de beschrijving komt deze zeer slecht beschreven en onvolledig bekende soort
ook nogal met de onze overeen; echter is het vreemd dat het origineel door BuuME op
den Gedeh in West-Java zou zijn gevonden, daar zij door ons uitsluitend in Oost- en Midden-
Java werd aangetroffen.
Geogr. verspreiding: Door ons wel in Midden-en Oost-Java
gevonden; maar slechts in de res. Smarang en Bösoeki en uitsluitend
op 0—300 M. zeehoogte bij Kèdoengdjati, Tjandiroeboeh en Karangasöm
(in Sémarang) en bij Poegtr aan Zuidkust-Bësoeki. Zeer zeldzame boom.
Buiten Java: onbekend. — Standplaats: Uitsluitend gevonden op pe-
riodiek zeer drogen (en bij Poegör periodiek ook drassigen) grond in
loofverliezende djatibosschen (van Sömarang) en altijdgroen hoogstammig
oerwoud (o.a. bij Poegër). — Voorkomen: Zeer enkele individuen geïso-
leerd tusschen talrijke andere boomen. — Bladafval:? Altijdgroen. —
Bloei- en vruchttijd: Hoewel vrij talrijke specimina door ons ver-
zameld, slechts één met jonge vruchten (November) en één met bloemen
(in Januari te Poegëör verzameld). Deze soort schijnt dus zelden te bloei-
en. — Gebruik: Hout: Aan bijna alle door ons in loco ondervraagde
inlanders houteigenschappen dezer zeldzame boomsoort geheel onbekend;
volgens enkelen duurzaam en sterk bouwhout. Te oordeelen naar het
uiterlijk van een door ons te Poegör gekapt houtmonster (Kos. 19970 6)
zal het wellicht voor timmerhout geschikt zijn. De stamafmetingen zijn
voor middelmatige balken voldoende. Spint wit; rechtdradig ; reukeloos.
Kernhout breed; licht-roodbruin; op radiale doorsnede met breede spiegels
(mergstralen) als Cedrela-hout; zeer verschillend in uiterlijk van het
hout der naverwante Aglaia Eusiderorylon K. et V. Schors enz: niet door
de inlanders gebezigd. Bladeren bijna zonder reuk of smaak; zeer wei-
nig bitter, — Inl, namen: In res. Sëmarang geheel onbekend ; bij Poegër
in Bësoeki constant Langsat-loetoeng, j. Elders en ook te Poegër een
paar andere boomsoorten (vooral Meliaceae) aldus genoemd. — Habitus:
Als 4. Eusidoroxylon K. et V. bijna even weinig in het oog vallend.
Arbor mediocris in maximo 20 M. alta trunco 50 eM. diam. Ramuli
ultimi leviter rugulosi, glabrescentes. Folia 3—4-juga, imparipinnata,
ÄGTAIA. — 135 — MELIACEAE.
longe petiolata. _Foliola saepis opposita vel subopposita vel superiora alterna,
breviter petiolulata (6—10 mM.) elliptica, basi inaeqwilonga, rotundata, postice
saepius resecta, apice breviter acutiuscule apieulata, flrmula, dense subtiliter
pellueido-punetulata, kine inde lineolata; supra glabra, subtus ad costam
et nervos et prope nervos, (juniora per totam superficiem) pilis stel-
latis, asperulis, deciduis, conspersa; nervis lateralibus subtus et supra
prominentibus patulis prope marginem adscendentibus —+- 10 pertensa;
rhachis subtetragona stellato-hirtella, glabrescens, cum petiolo + 140—240
mM. longa. HFoliola + 85—145 longa et 45—75 lata. Paniculae (+)
prope apicem confertae peduneulatae, oblongae vel corymboso-globosae fere
usque apicem ramosae stellato-hirsutulae ramis patulis dense iteratim ramu-
losis, ramulis extimis eymoso-floridis. Pamiculae 60—100 mM. longae,
5O latae, ramis 20—30 mM. longis. Flores 7 parvi + 2 mM. pedicellis
brevibus gracilibus (E—1l mM.) suffulti. Calyx cupularis obtuse 4-denta-
tus, singwlo dente breviore, rarius 3-dentatus, extus et intus stellato-hir-
tellus. Petala 8 (—4) obovata, apiee rotundata; basi inter se et eum tubo
basi connata glabra ; twbus globoso-cupularis, basi constrictus; glaber ; tenuiter
membranacea ; margine subintegro inflexo ; supra late apertus. Antherae T—6
totae inelusae cordato-oblonga, medio dorso et basi affivae connectivo in sicco
nigrescente lanceolato, valvulis tenuibus antiee ample patentibus. _Ovarium
nullwm;s styli rudimentum gracile hirsutum, stigma teres. Pollen elliptico-
trigonum plicis tribus elongatis poris oblongis medio transsectis + 17 u
longum et 13 latwm. Fl Q et fructus ignoti.
Adn. Deseriptio florum ex specimine singulo abunde florente, foliis
paucis tantum praecbito (Herb. Kops. 4688 (3).
Widem speciei pertinere videtur specimen aliud ejusdem stationis alabas-
tris adhue minutissimis, (ut videtur fructiferum fructibus in fauste amissis)
calycis dentibus 4; petalis 4; staminum rudimentis 9.
B. met 5 helmknopjes (bij witzondering soms 6.) (soort 3—18)
a, volwassen bladeren dik-beschubd,
3. Aglaia elaeagnoidea. Berrtu.! Flor. Austr. 1 p. 383; F. v.
Mverr. Fragm. V p. 145; Cas. Dec. 1. e. p. 611; C. Dec. in Bull.
Soc. bot. Fr. V. 22 p. 231 fig 5. (embryo) ; — „A. odoratissima BeNtn.
in Hook. Lond. Journ. 2, p. 213 (non Brume); — Nemedra elaeag-
noidea A. Juss. 1. e.” (synn. teste C. Drc.); — ?Aglaia lepidota Mrq.!
Fl. supp. Lp. 197, 507; — ?Aglaia Rozxburghiana MiQ. Ann. 1. c.
MELIACEAE. — UE AGTAIA.
41.42 proparte, exelus. synon. Milmea Roxburghiana Wriaur et dis-
trubitione; exel. 5 paupercula! et y balica!
Lage, nogal laag bij den grond vertakte boom ; hoogstens H = 6 —10
M. bij D=10—15 cM.
Jonge deelen, bloeiwijzen; bladspillen en onderzijde der bladeren
vooral langs de nerven dicht bedekt met dikke glanzige roestbruine
schubben. Bladeren 1—2-jukkig. Blaadjes overstaande, langgesteeld,
elliptisch of lancetvormig, (eindblad dikwijls eenigszins obovaat) met
spitsen geheel of bijna gelijken voet en stomp, zeer kort breed toe-
gespitsten top, dik-leerachtig, van boven glanzig, de jongere geheel
zilverwit- of roestkleurig-beschubd, de oude van boven nagenoeg onbe-
haard of met verspreide gewimperde schubjes, onder het vergrootglas
geheel bedekt met ronde groefjes (litteekens der schubben); van
onderen roestkleurig-dikbeschubd meest min of meer, zelden geheel,
kaalwordend; met 6—9 weinig uitspringende zijnerven, boogsgewijs
ineenloopend; de oude van onderen netvormig geaderd, 60—100 mM.
lang bij 26—45 ; steeltjes 10— 12 mM. Bladspil en steel rond, gestreept,
dicht roestbruin beschubd. 60-100 mM. lang. Levende blaadjes zeer
donkergroen zilverwit besprenkeld, van onderen dof bleek roestkleurig.
Bloempluimen der & en & bl. meest veel langer dan de blade-
ren, pyramide-vormig, met afgeplatte, gestreepte hoofdas en lange
dunne herhaaldelijk vertakte zijtakken, uiterste twijgen gesteelde
trosjes en bijschermen vormende. Geheele bloeiwijze zilvergrijs-groen-
achtig. Vrouwelijke bloeiwijzen veel korter met korte dikke, weinig
vertakte zijtakken, en dikke bloemsteeltjes. Bloemen zeer klein
(&£ 1 mM.), op dunne (bij de d dikke) 1—2 mM. lange steeltjes
geelachtig, welriekend. Kelk klein, met 5 eivormige lobben. Bloem-
bladen obovaat, geel, van buiten beschubd. Buis ongeveer half-bol-
vormig, met bijna gaven rand, in de Javaansche exemplaren bijna
ongeribd (in het origineele van Roekinghambay met 5 duidelijke rib-
ben onder de helmknopjes, de afwisselende minder duidelijk of ont-
brekende). Helmknopjes vrij spits kegelvormig met afgeronden voet,
boven het midden der buis ingeplant, geheel ingesloten. Eierstok
dik-beschubd; half bolvormig 2—3-hokkig; met 1—2 eitjes in de hokjes
(volgens BENTHAM en CAS. DRCANDOLLE), in de Javaansche exemplaren
ÁGTAIA. MEeErIACRAE.
onvolkomen tweehokkig met één-eüge hokjes; stempel kegelvormig,
zittend. Bes klein (+ 10 mM.), menierood, glanzig, met verspreide
schubjes, met dunnen vleezigen wand (zoet, eetbaar, door de vogels
gezocht). Zaad halfbolvormig, aan den voet met een kleine door-
schijnende zaadrok (verbreeding van de zaadnerf), overigens zonder
zaadrok met dunne vuilgroene zaadhuid met witte van den voet
uitgaande aderen; zaadlobben naast elkaar, puimpje groen met witte
ruige schubjes, horizontaal, met centraal worteltje.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps, vergeleken met het origineel van BENTH., met
een origineel exemplaar van Aglaia lepidota Mig. door TrysMANN in Sumatra (Lampongs)
verzameld, een ander authenthiek exemplaar van TEySMANN in Poeloe Kèlor (bij Djapärá)
verzameld, (3 angustata M1Q) en met een exemplaar van ZOLLINGER no. 2405 in Malang verza-
meld, door C. Dero. als A. elaeagnoidea gedetermineerd en een hieraan volmaakt gelijk
exemplaar uit den Hort.-Bog. (III B. 38) Naar het laatste is de beschrijving der vrucht.
Al de genoemde exemplaren schijnen ons van de zelfde soort,
Ten onrechte zon dan Mrquev, na vergelijking met een door Hooker toegezonden exemplaar,
het Sumatraansche en het in Djapärä verzamelde exemplaar met Milnea Rorburghiana
Wraeur vereenigd hebben. Bij de laatste zijn de zaden volgens de teekening bij Wraur Ic, t‚ 166
met een dikken vleezigen zaadrok bekleed. Het exemplaar uit Poeloe Sangian, in den
Hort. Bog. (UL B 38) gekweekt (« paupercula Mrq.) is een andere soort? misschien
de echte Aglaia Rorburghiana y Baltica (auth. in Herb. Bog) door Kurz als A. Wallichii
HrerN gedetermineerd, komt ons twijfelachtig voor (kelklobben rond, bloembladen onbehaard,
stempel schijfvormig, helmknopjes ingesloten).
Met Aglaia elaeagnoidea Berrtm (authenthiek F. v. Mürurer, in Herb. Bog.) schijnen onze
exemplaren voldoende overeentekomen.
Geogr. verspreiding: Uitsluitend in Oost-Java en dáár alleen op
2 plaatsen; nl. in Zuid-Bësoeki bij Poegër op het 400 M. hooge uit kalk
bestaande Watangan-gebergte en op de kalkrotsen van (het eiland)
Noesabaroeng. Op beide standplaatsen boven 200 M. nogal algemeen;
vooral op de laatste. Buiten Java: Australië. — Standplaats: In iijl-
groeiende, aan loofverliezende boomsoorten rijke bosschen op periodiek
zeer drogen grond. — Voorkomen: Op de hoogste bergruggen van
Noesabaroeng zeer algemeen. Bij Poegër alleen op het boven 300 M.
zeehoogte gelegen deel der bergen gevonden. — Bladafval: Altijd-
groen. — Gebruik: Geheel onbekend. Voor huisbouw te klein. Bla-
deren (jong en oud) reukeloos en smakeloos. — Cultuur:: Niet aante-
bevelen, tenzij om het bovengedeelte van zeer dorre kalkruggen in Oost-
Java te reboiseeren. — Inl. namen: Constant Patjar-goenoeng, j. of
Pantjal-kidang, j. genoemd (bij Poegër). De verwante Aglaia odoratis-
sima Br. echter soms ook aldus genoemd. — Habitus: In blad, bloem
en vrucht herinnert de boom aan den veel geeultiveerden Patjar-tjina,
ml. (A. odorata L.); de bladeren echter als een Mlacagnus van onderen
roestkleurig beschubd. Van de andere Javaansche Aglaïa-soorten met
van onderen wit- of bruinbeschubde blaadjes is deze soort dadelijk kenbaar
door de meestal slechts 50 mM, lange, ellipsvormige blaadjes. b
g*
MELIACEAE. — 138 — AGLAIA
Arbuscula in maximo 10 M. alta. Ramuli juniores cum innovationibus,
inflorescentiis, petiolis et foliolis subtus dense rufo-lepidotis subnitidulis.
Folia 1—2-juga. Foliola opposita longe petiolulata elliptica, terminalia
interdum subovata, basi aequali vel parum inaeguali; acuta apice obtu-
siuscula vel brevissime apiculata, valde coriacea, supra nitidula, adulta
glabrescentia vel lepidibus incoloris parce conspersa, sub lente foveolis
(e lepidibus deciduis) regulariter dispersis conspicue punctulata, subtus
dense rufo-lepidota, rarius demum glabrescentia, nervis 6 —9 subtus parum
prominulis, patulis, ante marginem arcuato-conjunctis utringue pertensa ;
subtiliter reticulato-venosa; 6GO— 100 mM. longa et 26—45 lata. Rhachis
cum petiolo teretes, striatulae, dense lepidotae, 60—100 mM. longae. Foliola
adulta, in vivo supra obscure viridia magis minusve dense argenteo-conspersa,
subtus pallida canellaceo-lepidota. Panieulae (masculae et hermaphroditae)
saepius folia longe superantes pyramidales, rhachi compressa striatula, ramis
gracilibus congatis ter ramulosis, ramulis ultimis pedunculatis (i.e. a. basi
distanter florigeris) cymose, sub-racemose floridis, in vivo albido-virides-
centes rhachi canellacea, totae dense lepidotulae. Paniculae femineae foliis
breviores, ramis et ramulis brevibus crassioribus, pedicellis crassis. Flores
minuti in vivo Ll mM. vir superantes longiuscule (1—2 mM.) gracile pedi-
cellati, (feminei parwm majores crasse pedicellati), flavescentes, calyce albido,
antheris fuscis, odore grato. Calyx parvus argenteo-lepidotus 5-fidus lobis
ovatis. _Petala obovato-rotundata ; flava ; extus lepidota. Tubus subglobosus,
ore subinteger, glaber infra antheras vix incrassatus (in specimine australiensi
conspicue costatus); antherae inclusae supra medium tubi insertae, apice
orificium tubi attingentes ovatae acutiusculae pollen + 15 wu longum 9
latum, Ovarium semiglobosum dense lepidotum, subincomplete 2-loculare
ovulis adscendentibus raphe basali, micropyle supra; (teste Berman et
Dr CAND. bi-triloculare loculis bi-ovulatis); stigma conicum sessile. Bacca
parva (vie 10 mM.) laete miniata-nitidula, lepidibus appressis conspersa
pericarpio carnoso albido, dulce (avibus grato) ; monosperma. Semen semi-
globosum basi arilli rudimento (dilatatione raphae) indutum, ceterum exaril-
latum, testa tenui olivacea inde a basi dvrso nervis dichotomis teneribus
albis pertensa; cotyledones collaterales plantulam viridem albido-hirtellam
horizontalem radicula ventrali medio includentes.
B Volwassen bladeren kaal (soort 4—12).
1. Helmknopjes in de buis ingesloten (soort 4—8).
a. Blaadjes groot.
4, Aglaia latifolia Mig. Ann. Le. p. 42; Cas, Drc. 1. e. 604; —
(= A. mueronulata Cas. Dec. le. 601 P).
ÄGLAIA. — 139 — MELIACEAE.
Nogal lage boom: H=10—15 M. bij D= 25—35 cM. Stam:
Nogal krom; meestal laag bij den grond herhaaldelijk vorksgewijze
vertakt; zonder wortellijsten; met soms vrij diepe gleuven. Tak-
ken niets opmerkelijks. Kroon: Meestal laag-aangezet; dicht;
onregelmatig. Schors: 2—3 mM. dik. Buiten grauwbruin of
donker-koperkleurig en soms in dunne, vrij groote stukken afschil-
ferend. Met weinig, wit melksap.
Bladeren matig-gesteeld (50—100 mM.) 2—1-jukkig. Blaadjes
kort- en dik-gesteeld (+ 10 mM.), meest overstaand of half-afwisse-
lend, groot, breed-elliptisch, 180 —280 mM. lang bij 110—120, de
onderste meer eivormig-elliptisch met breeden, dikwijls afgeronden
maar bij den steel toegespitsten voet, en stompen of afgeronden, dik-
wijls kort-stomp-toegespitsten top, dun-leerachtig, ondoorschijnend,
(in sicco) niet gestippeld, geheel onbehaard, alleen met verspreide
kleine plat-aangedrukte schubjes langs bladsteel en hoofdnerf; 8—10
paar van onderen witspringende zijnerven, tusschenaderen weinig
zichtbaar. Versche bladeren heldergroen, van onderen iets lichter;
fijn en niet zeer duidelijk doorschijnend gestippeld. Bladsteel en spil
rolrond, dun-aanliggend- fijn- beschubd, 100-130 mM. lang. Bloe-
men tweeslachtig. Pluimen kort- of langgesteeld, langer dan de
bladeren (+ 300 mM.) ijl-vertakt ; met pluimvormige lange zijtakken,
uiterste zijtakjes dun, trosvormig; bloemen alleenstaand of in 1—8-
bloemige bijschermen; hoofdas bijna kaal, zijtakken en takjes dun-
grijsbeschubd. Bloemen op dunne steeltjes, bijna even lang als
de bloem; klein (ruim 2 mM.), geel. Kelk klein met 5 stompe
uitstaande lobben, gewimperd en dun-beschubd; bloembladen onbe-
haard, obovaat-cirkelvormig, aan den voet onderling vereenigd ; buis
obovaat-bolvormig, met bijna gaven rand, onbehaard van binnen
met 10 breede vleezige ribben; helmknopjes eivormig met een zeer
kort spits puntje aan den top; boven het midden van de buis vast-
gehecht, voorovergebogen en met den top even uitstekend, onbehaard.
Stuifmeel 12.5 « lang, 10 breed. Eierstok 3-hokkig, 3-ciig, kort
eylindervormig; stijl bijna even breed, kort; beide beschubd ; stempel
schijfvormig breeder dan de stijl. Besvrucht,elliptisch-bolvormig
of obovaat, (355 mM. lang) met 3 dunne lengteribben; rijp geheel
onbehaard, geelachtig-steenrood 3-hokkig, 8-zadig. Vruchtwand
MELIACEAE. — 140 — ÄGLAIA.
droogvleezig, —+ 3 mM. dik, tusschenschotten stevig-vliezig, door-
schijnend. Zaad half ellipsoid met den smallen navel in het midden
der afgeplatte buikzijde geheel aan den zaaddrager vergroeid voor
het grootste deel omgeven door een dunnen, doorschijnenden, zeer
sappigen, spoedig indrogenden zaadrok, die de rugzijde van het
zaad van boven vrijlaat en daar met een vrijen gegolfden rand eindigt,
overigens geheel aan de zaadhuid vergroeid; zaadhuid dun, donker-
olijfkleurig, aan de rugzijde met breeden gelen zaadnerf, die van
den voet tot het midden vaatmerk doorloopt en dúár in een aantal
gebogen gele nerven uitstraalt. Zaadlobben op de doorsnede lichtolijf-
groen; boven elkaar geplaatst, met een insnijding aan de buikzijde,
worteltje in ’t midden ingesloten zeer klein, pluimpje roestkleurig=
beschubd, naar de rugzijde gekeerd. De zaadrok smaakt aangenaam
zoet als Lansium.
var. Teysmanni K. et V.
Stam, Kroon, Schors, enz, als het type. Bladeren soms 3-jukkig.
Vrucht bolvormig, 25—40 mM diam, 1-3- zadig, van buiten dicht
stervormig-behaard. Vruchtwand dik (5 mM.) droogvleezig, niet
hard. Zaad half-ellipsoid (25 mM. hoog, 22 breed, 14 dik) geheel
omgeven door een dikke doorschijnende, gelei-kraakbeenachtige zaad-
rok, die geheel stevig aan de dunne zaadhuid verbonden is; zaadhuid
met gele zaadnerf en straalsgewijze van het rugstandige vaatmerk
uitgaande vezelstrengen als bij de vorige soort. Zaadlobben op de
doorsnede vuil-wit, overigens als de vorige.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar verschillende exemplaren uit Herb. Kps. uit
Palaboehanratoe en Bantën; van waar ook de exemplaren van KoORTHALS en VAN HASSELT
door MiqveL beschreven afkomstig zijn en naar een levenden boom in Hort. Bogor. XL
D 14, Origineel exemplaar niet gezien.
Een vruchtdragend exemplaar door TEYsMANN op Bali verzameld wordt door Mrquern
als twijfelachtig hierbij gebracht (! één blaadje in Herb. Mus. Bog.) In de beschrijving
wordt ook van Sumatraansche exemplaren gesproken; echter (bij vergissing?) Sumatra
niet als vindplaats genoemd.
Geogr. verspreiding: Het type door ons in geheel Java op 0—300
M. zeehoogte en vooral in Midden- en Oost-Java o.a. in Sèmarang en
Bësoeki, en niet westelijker gevonden dan in de Preanger bij Palaboehan-
ratoe aan de Zuidkust. Van de var. Teysmanni K, et V. door ons slechts
een paar boomen gevonden en alleen in West-Java; n.l. in de Preanger
bij Palaboehanratoe en Tjiratjap in de afd. Soekaboemi) en in 4. W.
AGTAIA. — 141 — MELIACEAE.
Bantën, afd. Tjaringin aan den voet van den G. Pajoeng; op alle 3
plaatsen vlak bij het strand. Buiten Java: onbekend; twijfelachtig blijft
het voorkomen op Bali. De var. Teysmanni door ons uitsluitend aan zan-
dig strand, dus op zout houden grond gevonden; het type op dezelfde
standplaats, maar vooral ook op periodiek zeer waterarmen grond o.a. in
de djatibosschen van Kêdoengdjati (res. Semarang). Niet (of ? hoogstzelden)
in hoogstammig schaduwrijk altijdgroen heterogeen oerwoud. — Voor-
komen: Niet gezellig. Zelden een paar individuen bij elkander. Steeds
verstrooid. — Bladaf val: Altijdgroen. — Bloei- en vruchttijd. Door
ons in Maart Mei en Juli bloemen en vruchten in Juli verzameld. Niet
rijk vruchtdragend. — Gebruik: Geheel onbekend. — Cultuur: Nog
niet aantebevelen. — Inl. namen: Bij Ködoengdjati in Sömarang bij
name geheel onbekend; bij Palaboehan en bij Tjiratjap in Preanger T'anglar,
s. Bij Râgâdjampi in Banjoewangi Langsat-loetoeng, j. Beide namen slechts
aan weinig inlanders bekend en ook voor een paar andere boomsoorten
geldend o. a. voor een paar andere Aglaia-soorten, — Habitus: Niet in
het oog vallend.
Arbor 10—15 M. alta. Folia modice petiolata (5O—100 mM.) 2—1-jugd.
Foliola saepius opposita vel subopposita (terminale distans) magna ; modice
petiolwlata (+ 10 mM.) lato- nune ovato-elliptica, inferiora saepe ovata basi
saepius aequali lata, ima basi acute protracta, apice saepius obtusa vel breviter
obtuse apiculata, modo rotundata subeoriacea, adulta utringue glabra, subtus
ad nervos lepidibus parcis conspersa, nervis lateralibus subtus prominentibus
8—10, subavenia. Rhachis eum petiolo teres, subglabra vel (cum petiolulis)
minute stellato-lepidotula, 100—130 mM. longa; foliola 180—280 mM.
longa et 100—120 lata; petioluli minute lepidotuli. Folia in vivo laete
viridia, swbeonspieue pellucido-punctata, in sicco epunctata. _Panieulae pe-
duneulatae folio longiores (+ 300 mM. longae) pyramidales laxe ramosae,
imprimis ad _ramos et ramulos laxe griseo-stellato-lepidotulae, ramis infe-
rioribus panieulatis, ramulis ultimis patentibus racemoso-cymoso-floridis.
Flores hermaphroditi, parvi, flavi (+ 2 mM. longi), pedicellis gracilibus
is subaeqwilongis suffulti; calyx brevis 5-lobus, lobis ovato-rotundatis parce
lepidotulis ciliolatis; petala obovato-rotundata glabra, basi connata. Tubus
obeonieo-globosus, ore subinteger, glaber, intus costulis 5 infra-stamincis,
totidemgue is alternis carnosulis pertensa. Antherae ovatae, acute ma-
cronatulae, supra medium tubi insertae, apice ad marginem pertingentes
vel parum exsertae. _Ovarium parvum eylindrieum 3-laeulare, lepidotubum.
Stylus brevis ovario aequilatus, stigmate discoideum. Bacca elliptico-
globosa vel obovata, + 35 mM. longa, glabrescens, pallide-aurantiaca
3-lineata, apice subumbilicata 3-loeularis 83-sperma; pericarpium sub-
sicco-carnosum, —+ 3 mM. crassum; dissepimenta pellucida, firmiter
membranacea, Semen semi-ellipsoideum, ventre complanatum arillo tenui
MELIACEAE. WED — ÄGLAIA.
mucilagineo (sapore grato) testae arcte connato, ersiccatione mox toto fere
evanido, pro maxima parte indutum, dorso prope apicem denudato; testa
tenuiter coriacea, fusco-olivacea, raphe e basi usque medium dorsum adscen-
dente et nervis (fibris ramosis) flavescentibus e centro dorsi (chalaza) era-
diantibus eleganter pertensa; embryo sordide albido-olivaceum, farinosum,
cotyledonibus _ventre ineisis, superpositis; plumula ferrugineo-lepidota
dorsali.
var, Teysmanni K. et V.
Folia interdum in ramis sterilibus 3-juga, nervis 8—12. Bacca globosa
griseo-lepidotula, 35 mM. diam.; pericarpio subsicco-carnoso immaturo
lactescente 5 mM. crassum, dissepimentis pergamaceis ; 1—3-sperma. Semen
somi-ellipsoideum vel semiglobosum; 25—30 mM. longum, 22 latum et
14 crassum; Milo lineari, placentae adnatum; arillo crasso pellucido-sub-
cartilagineo testae arcte accreto, completo vestitwm, testa tenui ab arillo
haud separanda; raphe e basi usque medium dorsum (chalazam) pertinente
ibique in ramos albidos divergentes eradiante pertensa. _Cotyledones super-
positae, radieula hilwm spectans, plumula hirsuta.
Adn. Varietas speciei genuinae tantopere affinis ut speciminibus steri-
libus fere nullomodo (nisi nervis lateralibus interdum pluribus, tomento
in petiolulis et rhachi magis conspicuo, foliis saepe 3-jugis) florescentibus
viv (tomento densiore, floribus parum majoribus calyce subturbinato in pedi-
cellos crassiores protracto) distingui possit. Fructus et semen tamen satis
diversa praesertim quoad arilli evolutionem et indolem; qui in A. latifolia
incompletus partem dorsìi denudat, ceterum valde succosus exsiccatione
evanescit; in varietate testae per totam supperficiem aceretus, gelatinoso-
cartilagineus, semen totum testae carnosae instar investit.
b blaadjes middelmatig (soort 5—S8).
5. Aglaia mucronulata Cas. Dec. ! 1. e. p. 601.
„Twijgen onbehaard, zwartgrijs, glad. Bladeren kortgesteeld (+
40 mM.) 3-tallig onbehaard; zijdelingsche blaadjes aan den top van
de bladsteel overstaand, eindblad gesteeld, alle obovaat-langwerpig
met wigvormigen voet, stevig-vleezig, in sieco grijs, geheel onbehaard
eindblad + 110 mM. lang, 35 breed, zijnerven afwisselend, van
onderen iets uitspringend, opklimmend. Pluimen gesteeld (+
30 mM.) veel langer dan de bladeren, vertakt, met verspreide schubben
bedekt, zijtakken en seeundaire zijtakken gestreept. Bloemen kort
ÁGLAIA. — 143 — MELIACKAR.
gesteeld. Kelk vliezig, diep-spits-5-tandig, van buiten dun beschubd ;
bloembladen 5 onbehaard, rond-elliptisch 2 mM. lang; buis eenigs-
zins omgekeerd-kegelvormig, onbehaard, gaafrandig, van binnen met
witte ribben; helmknopjes 5— 6, mueronaat, 0.5 mM. lang (?); eier-
stok schubbig-grofharig, 1-hokkig stijl zeer kort, stempel schijfvor-
mig vleezig. Vrucht onbekend.” (Cas Drc.)
Aanm. Beschrijving naar Cas. Dec. overgenomen, en met het origineel exemplaar uit
Herb. Lugd. Bat. door Kuur en vaN HAssELT verzameld vergeleken (alleen een bloei-
wijze; van het blad bestaat slechts één onvolledig specimen in Herb. Lugd Bat.)
Aan de beschrijving is nog toe te voegen, dat de helmknopjes voorovergebogen, geheel in
de buis ingesloten zijn en alleen met den in een vrij spitsen punt uitloopenden top
uitsteken; onder elk helmknopje is een uitspringende, bij de gedroogde bloemen witte
plooi, en even vele zijn met deze afwisselend geplaatst. Stuifmeel zeer klein, langwerpig,
11 p bij 8 gp.
Ontbreekt in Herb. Kps. tenzij het wat ons waarschijnlijk voorkomt deze z.g. soort
slechts een mannelijke? vorm van Aglaia latifolia Mig. is, waarvan zij bijna alleen door
de geringe grootte der bloemen en van het (éénige?) door Cas. Dec, onderzochte blad. verschilt.
„Foliis breviter petiolatis 3-foliolatis; foliolis lateralibus apice petioli
oppositis, terminalibus petiolulatis, e basi euneatis, oblongo-obovatis utringue
glabris; panieulis peduneulatis, folia multum superantibus, ramosis, lepidi-
bus haud densis conspersis; floribus breviter pedicellatis; calyce membra-
naceo, profunde B-dentato, extus lepidoto-puberulo, petalis glabris, tubo
subturbinato, glabro, integro intus albo-costato, antheris 5—6 mucro-
natis, ovario lepidoto hirsuto, 1-loeulari, stylo subnullo, stigmate discoideo
carnoso. _Ramuli glabri, fuscescenti-argillacei, laeves. Folia circiter 150 mM.
longa; foliola firmulo-membranucea; in sieco argillacea, terminalia circiter
110 mM. longa 35 mM. lata; nervis secundariis alternis, subtus subpro-
minulus, adscendentibus. Petiolulus terminalis circiter 15 mM. longus.
Petiolus cireiter 40 mM. longus, rami et ramuli striati. Calycis dentes
ovato-acuti Petala 5 rotundato-elliptica 2 mM. longa. Antherae & mM.
longae.”
In Java (Kuur et van Hasspur Herb Lugd. Bat. !’) (Cas. Drc.)
Adn. Species A. latifolia Mriqurù valde affinis et vin nisi floribus
parum minoribus distinguenda,
6. Aglaia acida, K. et V. nov. spec.
Nogal hooge boom H==16 M bij D= 20 eM (gemeten, zou wor-
den H—=20 M bij D—=35 ecM). Stam: Recht. Rolrond. Zonder
MELIACEAE. — 144 — ÄGLAlAe
knoesten. Zonder gleuven. Zonder wortellijsten. Onderste takken
hoog boven den grond. Kroon: Nogal hoog aangezet; onregel-
matig; nogal iijl. Takken: Vorksgewijze vertakt. Uiterste twijgen
dun. Sehors: 2 } mM. (gemeten) dik. Bros. Buiten zeer glad en
fraai koperkleurig, vooral dáár waar de buitenste schors afgeschil-
fert; zonder barsten. Doorsnede roodbruin. Binnen vuil-wit. Zon-
der lenticellen. Met veel bladgroen. Met zeer zwakken aan Lan-
sium-vruchtschil herinnerenden reuk. Slechts zeer weinig aromatisch-
smakend, bijna smakeloos.
Jonge twijgen en knoppen, bladspillen en bladsteeltjes dichtroest-
bruin-fijn-beschubd. Bladeren matig-gesteeld (40-—85 mM). 2—4-
meest 3-jukkig met eindblad. Blaadjes meestal afwisselend, zeldzamer
overstaand, matig gesteeld, met van boven gegroefde steeltjes, lang wer-
pig lancetvormig, de onderste meer eivormig, met kort- stomp-toegespit-
sten top en spitsen voet; vliezig, in sicco eenkleurig-groengrijs ; versch
van boven donkergroen, van onderen bleek-geelachtiggroen, van
onderen op de nerven bruinachtig, fijn-beschubd, overigens nagenoeg
kaal; met 6—10 dunne gebogen van onderen uitspringende zijnerven,
overigens bijna ongeaderd. Bladspil met den steel 150—200 mM;
blaadjes 80—150, mM. bij 40—50, steeltjes + 15 mM. Pluim
(slechts één enkel, beschadigd exemplaar) korter dan het blad
(+ 150 mM.) licht bruin-beschubd, onderste zijtakken 70 —25 mM.
de uiterste zijtakjes kort, weinig-bloemig. Bloemen, gesteeld,
klein (+ 2 mM.) geel; bloemsteeltjes even lang als de bloem.
Kelkbladen afgerond, stervormig-beschubd; bloembladen afgerond-
elliptisch, vrij, 2 mM. lang; meeldradenbuis iets korter dan de
bloembladen, napvormig bijna gaafrandig, van binnen met 5 dikke, naar
boven toegespitste met de helmknopjes afwisselende ribben en vijf veel
zwakkere. onder de helmknopjes. Helmknopjes 5, eivormig, spits,
geheel ingesloten. Stuifmeel breed-elliptisch Su breed, 10 lang.
Eierstok klein, kegelvormig, stervormig-behaard; stempel afgeplat-
bolvormig bijna even groot als de eierstok. Besvrucht bolvormig,
meest aan den top afgeplat + 28 mM. hoog 30 breed, geel, 2—3-
hokkig; vruchtwand ongeveer 3 mM. dik, tussehen schotten dun
perkamentachtig. Zaad langwerpig eenigszins driehoekig door eén
sappigen aangenaam zuur smakenden, niet zeer dikken zaadrok geheel
ÁGTLAIA. — 145 — MELIACEAE.
omgeven, alleen met een A-vormige opening nabij den top; navel
lijnvormig ; zaadnerf aan de rugzijde tot dichtbij den top loopend iets
uitspringend ; zaadhuid dun; zaadlobben vleeschkleurig ; pluimpje dicht-
behaard.
Aanm. Beschrijving naar talrijke vruchtdragende en slechts één (defect) bloemdragend
exemplaar uit Herb. Kps. Deze soort komt naar de beschrijving nogal overeen met
A. Sulingi Bu. Het verschil in geographische verbreiding (A. Sulingi alleen gevonden
in de vochtige bergwouden van West-Java en onze soort uit de periodiek zeer droge bosschen
van Oost-Java) gevoegd bij de volgende punten van verschil doet ons echter aarzelen de
twee soorten te vereenigen. De verschillen zijn, dat voor 4. Sulingi Bu. korte dikke
bladsteeltjes (3—6 mM. lang) een grooter aantal bladnerven, en zeer kort-gesteelde kluwen-
vormig bijeengezeten bloemen worden opgegeven, terwijl bij de onze de bladsteeltjes
matig lang (15 mM.) en dun zijn en de bloemsteeltjes even lang als de bloem, Groote
overeenkomst vertoont ook deze soort met A. Roxburghiana (Wrieur) Mrq. (zie beneden)
Deze onvolledig bekende soort schijnt ons door de bladeren, de kleinere (hoogstens 20 mM
volgens TRIMEN) oranjekleurige vrucht en den eenigszins anderen bouw van de meeldradenbuis
af te wijken. De bouw van de vrucht en het zaad met den volledigen, geheel aangegroeiden,
eetbaren zaadrok vertoonen overigens de grootste verwantschap met A. Roaxburghiana,
Geogr. verspreiding enstandplaats: Door ons uitsluitend eenige
boomen gevonden op 100—400 M. zeehoogte op het uit koraalkalk bestaand
Watangan-gebergte bij Poegër in Zuid-Bësoeki, in hoogstammig hete-
rogeen altijdgroen, niet zeer gesloten oerwoud. Zeldzame boom. ‘Buiten-
Java: onbekend. — Voorkomen: Verstrooid.—Bloei-en vruchttijd:
Door ons bloemen en rijpe vruchten in November gevonden. Niet rijk
vruchtdragend. Bloemen en vruchten niet in het oog vallend. — Bla da f-
val:? Altijdgroen. — Gebruik: Aan de meeste door ons ondervraagde
inlanders onbekend; volgens enkele zou het kernhout roodbruin, sterk
en duurzaam zijn, doch zelden gebezigd, aangezien te moeilijk te krijgen.
Spint is wit, reukeloos, en fijndradig. Bladeren geheel reukeloos en
smakeloos; is niet bij vele Meliaceae het geval. „Vruchtvleesch” (arillus)
aangenaam zuursmakend als de variëteit Kòkòsan, s. (Langsat, j. in Ban-
joewangi) van Lansium domesticum Jack. Daarnaar is de boom door de
bewoners van Poegër Langsatan, j. genoemd. Cultuur: Mits eenigszins
veredeld een goede tafelvrucht en daarom cultuur aantebevelen. — In-
landsehe namen: Langsatan, j. bij Poegör. — Naam vrij constant, maar
de boomsoort slechts aan zeer weinig inlanders bekend. — Habitus: De
koperroode, gladde schors en de smakelijke aan Lansium herinnerende
vruchten nogal eigenaardig. Grof-gevinde gaafrandige bladeren, die
zooals bij bijna geen enkele Javaansche Aglaia onbehaard zijn
overigens weinig in het oog vallend en veel op Aglaia odoratissima Br.
gelijkend.
Arbor medioeris. Ramuli juniores cum innovationibus dense minute
fulvo-ferrugineo-lepidotuli. Folia modice petiolata (40—85 mM), rhachi
cum petiolulis et nervis mediis subtus fulvo-lepidotula, 2—A4-juga, saepius
trijuga, cum impari. Foliola longiuscule petiolulata, opposita vel saepius
10
MELIACEAE. — 146 ÄGLAIA.
alterna, oblongo - lanceolata, inferiora magis ovata, basi acuta apice breviter
obtusiuscule acuminata, membranacea in sicco melleo-aeruginea, in vivo.
supra saturate viridia, subtus pallidiora viridi-flavescentia, glabriuscula
supra avenia, nervis lateralibus paucis arcuatis 6—8 subtus via prominulis,
inconspicue reticulata; petiolulis gracilibus supra sulcatis. Rhachis c.
pet. 150 —200 mM., fol. 80—150 longa 40—50 lata, petioluli + 15 mM.
Panicula ex specimine singulo defecto f'ulvo-lepidotula foliis brevior. (+ 150
mM,) ramulis. inferioribus 10—25 mM, ultimis brevibus paucifloris. Flores
parvi d- 2 mM. diam; pedicellis aequilongis suffulti. Sepala stellato-lepi-
dotula rotundata; petala elliptico-rotundata fere 2 mM. longa inter se eta
tubo libera. Tubus petalis parum brevior, cupularis, margine subintegra,
glabra, costulis 5 latis, crassis, apice acutis interstamineis, totidemgue vix
prominentibus infra antheras pertensus; antherae 5 acutae, ovatae, inclusae.
Ovarium parvum, conicum, lepidotulum, stigma depresso-capitatum ovarium
fere aeqguans, stylus subnullus. Bacca globosa vel depresso-globosa, lutea, 2—3
loeularis 28 mM. alta 30 lata, pericarpio — 3 mM. crasso, dissepimentis
tenuiter pergamaceis. Semina subtrigono-oblonga arillo crasiusculo viridi-
flavescente testae accreto acido eduli tota inclusa, hilo lineari, raphe parum
prominente dorsum a basi usque fere ad apicem percurrente ; testa tenuis ;
plumula dense pubescens; cotyledones carneae.
7. Aglaia Sulingi, Br. Bijdr. 1 p. 170; Mrq. Fl. Ind. Bat. 1 2
p. 548; Ann. IV p. 44; non Milnea Sulingi T.et B. Cat. hort. bog.
„Ewijgen hoekig, in de jeugd dicht bedekt met cirkelvormige
schubben. Bladeren gesteeld, 3—2-jukkig. Blaadjes bijna over-
staande of afwisselend, zeldzamer overstaande, aan den voet gelijk-
zijdig of iets ongelijkzijdig; de onderste elliptisch met ronden voet,
de overige elliptisch-langwerpig met vrij spitsen voet, in een stompe
punt uitloopend, leerachtig met 8—12 zijnerven, van onderen langs
en nabij de hoofdnerf beschubd, eindelijk geheel naakt, 75 —175
mM. lang; bladsteeltjes dik-beschubd, 3—6 mM. lang. Bladspil
met bladsteel 100—125 mM. lang, ter dikte van een kraaienpen.
Bloempluimen tuilvormig, lang-gesteeld (SO mM.) langer dan
de bladspil (+ 175 mM.) onderste zijtakken lang, tuilvormig, her-
haaldelijk vertakt, uiterste twijgjes eenigszins kluwenvormig. Bloe-
men zeer kort gesteeld; kelk stomp 5-lobbig, van buiten met rood-
ÄGLAIA. — WA MELIACEAE.
bruingele stervormige schubben bedekt en gewimperd. Kroonbladen
onbehaard; buis omgekeerd kegelvormig, bijna bolrond, bijna gaaf-
randig; helmknopjes geheel ingesloten in de buis.” Vrucht onbe-
kend. (Mrqver).
Aanm. Beschrijving naar MrqveL overgenomen.
Origineel exemplaar door BLUME verzameld op den berg Soeling (district Parong, Bui-
tenzorg”’) ons onbekend; de soort schijnt na BLuMe niet weer verzameld te zijn en in
Herb. Kps. te ontbreken.
„Folüs longe petiolatis, 3—2-jugis; foliolis suboppositis vel alternis,
rarius oppositis; e basi leviter inaequali aequalive; infimis ellipticis reliquis
elliptico-oblongis, obtuse apicwlatis; subtus in costa lepidotulis; demum
glabris; paniculis corymbiformibus, longe pedunculatis, ramis ramulisque
vario gradu compressis;, floribus brevissime pedicellatis, calyce obtuse
5-lobo, eztus stellato-lepidoto-pubescente ciliolatoque, petalis glabris, tubo
obconico-subgloboso subintegerrimo. Antherae inclusae ellipticae.
Ramuli angulati, in juventute lepidibus orbicularibus appresse obducti.
Rhachis cum _petiolo 100—130 mM. longa, pennam corvinam crassa.
Petioluli 3—6 mM. longi. Foliola inferiora e basi rotundata elliptica,
religua e basi aeutiuseula magis oblonga, inferiora 80—180 mM. longa;
nervis, lateralibus 8-12 leviter arcuatis, prope marginem evanidis.
Paniculae fere 160 mM. longae; peduneulus 80 mM. longus, lepidibus in
ultimis ramificationibus in pilos stellatos subconversis. Flores 1 mM.
parum exvcedentes. Calyeis lobi rotundati. Petala obovato-rotundata”
„In Javae occidentalis monte Suling (Br. a nullo deinde lecta) (omnia
ex Mrqveu U. c.)
8. Aglaia Roxburghiana Mrg. Ann. rv p. 41 (non HrerN non
C. Dc); TrrmeNn Handb. rp. 246 (proparte ?) — Milmea Roxburghiana
Warr. Wiert. Teon 1 t. 166!; —? Aglaia lepidota Miq.! Fl. Supp.
Le. an ad 4. elaeagnoidea referenda; — Aglaiae sp. e Pulu Sangian
Teysm.! Cat hort bog. p. 211.
„Iwijgen en bladstelen en blaadjes vooral van onderen en bloei-
wijze geel-okerkleurig-beschubd. Blaadjes 2—1-jukkig met eindblad;
tegenoverstaand (of bijna), gesteeld, met nagenoeg gelijken spitsen
ot stompen voet, elliptisch en elliptisch-langwerpig; stomp-kort-toe-
gespitst, perkamentachtig, met ongeveer 10 paar dunne zijnerven,
Pluimen meest boven de bladoksels met hoekigen steel en spil;
MELIACEAE. U — ÁGLAIA.
de jonge dicht-beschubd, ijl, lang-pyramidevormig, viermaal vertakt,
met korte trosgewijs geplaatste bloemsteeltjes. Bloemknoppen
afgeplat-bolvormig, geheel beschubd, kelklobben afgerond, bloembladen
bijna cirkelvormig onbehaard; meeldradenbuis met 5 stompe tanden,
helmknopjes ingesloten; eierstok 2-hokkig, onbehaard, aan den voet
fijn-behaard” (Mrio.) „Vrucht volgens TRIMEN oranjegeel roest-
kleurig behaard met dunne bros- leerachtigen wand; zaden 1 of 2
met dikken, witten, vleezigen eetbaren, geheel met de dunne bruine
zaadhuid vergroeiden zaadrok.”
Aanm. Beschrijving naar MrqveL overgenomen; vrucht naar TRIMEN. Ontbreekt in
herb. Kps. Zooals Kine (Flor. Mal) opmerkt hebben zoowel HieRN als C. Dec. deze
soort met de in de bladeren veel overeenkomende maar in den bloembouw afwijkende A.
odoratissima Br. verward. Het komt ons echter voor dat ook Mriqveru verschillende
soorten vermengd heeft en dat diens A. Zepidota (auth. spec. TEYsMAN Lampong, in herb.
bog.) zoowel als de door TreysMAN in Djapârâ verzamelde variëteit 3. angustata auth. in
herb. Bog) eerder tot A. elaeagnoidra BeNtz. moeten worden gebracht zie boven aan-
merking blz.) waarop de beschrijving van Mrqver gedeeltelijk past, maar die door de
zeer kleine van alle andere Ag/aia’s afwijkende vrucht gekenmerkt is. Exemplaren dezer
soort, door MrquerL vermeld door vaN HasseLT en HAssKARL in Bantên verzameld, kon-
den wij niet vergelijken. Wij beschouwen het voorkomen dezer soort op Java als twij-
felachtig.
„Ramuli petiolique eum foliolis praesertim subtus et inflorescentia gilvo-
ochraceo-lepidoti; foliola 2—1-juga eum impari, opposita vel subopposita,
petiolulata, e basi aequali vel viv inaeqguali acuta vel obtusa elliptica et
elliptico-oblonga obtusa, apiculata, pergamacea, costulis teneris utringue
circiter 10; paniculae plerumgue sub-supraarillares peduneulatae pedun-
eulo rhachique angulatis, novellae dense lepidotae, pyramidatae, lazae, elon-
gatae, quater ramosae, pedicellis brevibus racemulose dispositis; alabastra
depresso-globosa tota lepidota ; calycis 5-lobi lobi rotundati; petala suborbicu-
laria adulta glabra; tubi staminei dentes 5 obtusi, antheris inclusis; ova-
rium biloeulare glabrum circa basin puberulum. (Mre).
2 helmknopjes op of tegen den buisrand geplaatst, niet ingesloten (soort 9—11).
a. blaadjes 1—3-jukkig, bladspil naakt of met platte schubben.
9. Aglaia odoratissima Bruxe Bijdr. 171; Mrg. Fl. Ind. Bat. 1. 2.
544; Ann. Le. p. 44; C. Dre. Le. 602; — [?] Aglaia Diepenhorstii
Mrg. Fl. Supp. Ip. 197; Ann. le. 48; — „Aglaia Roxburghiana
Hiern F. B. I. 555 et c. Dec. Mon. 702” (teste Kine).
Zeer lage kromme en laag bij den grond vorksgewijze vertakte
ÄGT AIA. — 149 — MELIACEAE.
boom (H==10—12 M. bij D= 15—20 cM.) in de djatibosschen van
Midden-Java en op de kalkrotsen bij Poegêr in Oost-Java; echter in
vochtige bergwouden (o.a. bij Pantjoër in Besoeki) een hooge boom
(H==26 M. bij D= 51 cM. gemeten); en op die plaats: Stam:
Recht; rolrond; zonder wortellijsten. Kroon: Onregelmatig, dicht ;
hoog-aangezet. Schors: 3 mM. dik. Bros. Buiten grauw of fraai
bruin of koperkleurig, glad en bijna zonder barsten. Doorsnede
bruinrood of bruin. Binnen vuil-wit. Met weinig wit melksap.
Zonder lenticellen. Met zwak aromatischen aan Cedrela herinnerenden
reuk en bitter-aromatischen smaak.
Jonge twijgen en knoppen dicht bedekt met zeer kleine bruine
uitgevreten en gewimperde schubben. Bladeren middelmatig
gesteeld (15—40 mM.), 2—l-(zelden 3-) jukkig, oneven gevind
Blaadjes kortgesteeld; geheel of bijna overstaand; het bovenste paar
meestal van den top der bladspil verwijderd en eenigszins obovaat-
lancetvormig, de overige lancetvormig-elliptisch; met spitsen gelij-
ken of iets scheven voet en plotseling vrij lang- en smal-, zeldzamer
kort-, stomp-toegespitsten top, stevig vliezig, in sicco van boven
dofgrijs, onbehaard, van onderen lichtrood-grijs, nagenoeg onbehaard,
soms nabij en langs de hoofdnerf met verspreide schubben, zonder
doorschijnende stippels, met 6—10 dunne v. o. weinig uitspringende
zijnerven, 85—190 mM. (meest 100—135) lang, 40—85 breed,
bladsteeltjes beschubd 4— 10 mM.; topverlengsel 5—18 mM. Bladspil
van boven iets afgeplat, evenals de bladsteeltjes met roodbruine zeer
fijne stervormig gewimperde platte schubben bedekt (voor het bloote
oog onbehaard) met den steel 50 —90 mM. lang. Levende bladeren
donkergroen, iets glimmend, v.o. dof geelachtig lichtgroen, helder
doorschijnend gestippeld. Bloem pluimen kortgesteeld, iets langer
dan de bladspil (150—200 mM.) dun, met korte uiteenstaande zijtakken,
van boven enkelvoudig, zijtakjes niet ver van den voet ontspringend,
15—60 mM. lang; geheele pluim dicht-bruin-stervormig beschubd.
Bloemen zeer kort gesteeld, zeer klein (Ll mM.); bijna bolvormig,
geel met roodbruine kelk en donkerbruine helmknopjes. Kelk diep
5-deelig met afgeronde lobben, dicht roodbruin behaard. Bloem-
bladen aan den voet vergroeid, imbricaat rond, van binnen
concaaf, 2-maal zoo lang als de kelklobben. Meeldradenbuis
MELIACEAE. — 150 — ÄGLAIA.
klok-tolvormig met zeer stomp 5-tandigen rand, waarop de 5 spits
pyramidevormige helmknopjes afwisselend met de tandjes ingeplant
zijn; deze voorovergebogen en met den voet tegen de buis aan-
liggend, met breede spleten naar voren openspringend. Stuifmeel
breed-elliptisch (10 x bij 8) Buis onder de helmknoppen met breede
inspringende lijsten. Bierstok klein, cylinder-kegelvormig, dik-rood-
bruin-beschubd, stempel groot schijfbolvormig, gelobd. Eierstok
onvolkomen 2-hokkig, hokjes 1-eiig. Besvrucht nogal droog, de
buiten-en binnenwand leerachtig, de middelwand sponsachtig, van
buiten dof rood (onder het vergrootglas dik beschubd) van binnen
vuilwit of roodachtig. Zaden 1, met doorschijnende bruingele sappige
geheel aangegroeide zaadrok en zwarte zaadhuid. Zaadlobben boven
elkaar; eenigszins gelobd.
var, B parvifolia K. et V.
Bladeren meest 3-jukkig, blaadjes lancetvormig, stomp-toege-
spitst, 50—110 mM. lang; 24 —32 breed ; bladspil met den steel 60 —
100 mM. lang, met roodbruine schubjes; eindelijk dikwijls geheel
kaal; jonge blaadjes soms van boven stervormig-beschubd. Bloemen
zeer klein, bloembladen onbehaard, helmknopjes zéér klein ver uit-
eengeplaatst; buis iets meer verlengd dan bij het type.
var. y pauciflora K. et V.
Blaadjes 1—2-jukkig, breed-elliptisch, de grootste 125 mM. lang
bij 70, vrij stevig leerachtig, met 6—10 paar zijnerven. Bloem-
pluimen even lang of twee maal zoo lang als de bladspil, kortge-
steeld (10—15 mM), hoofdas vrij stevig met ver uiteenstaande 15 —
30 mM. lange zijtakken, waaraan de bloemen aleen of 2—3 aan een
steeltje trosvormig geplaatst zijn. Bloemen tweeslachtig bijna 2 mM.
lang. Bloembladen van buiten beschubd; buis 1—5 mM. hoog,
napvormig, helmknoppen stomp driehoekig, 0.6 mM. lang, op den
rand geplaatst; stuifmeel bolformig met 3 poriën, 12 z in diam.
Eierstok onvolkomen 2-hokkig, met l-eiige hokjes. Besvrucht
nogal groot, 30 mM. diam., fraai scharlaken rood, van binnen vuilwit,
met leerachtige buiten-en binnenwand en sponsachtige middenwand.
Zaad ongeveer 18 mM. lang.
ÁGLAIA. — 151 — MELIACEAE.
Aanm. Beschrijving naar talrijke specimina van Herb. Kps. ; vergeleken met authenthieke
exemplaren van BLuME en KoRrTHALS, verder met exemplaren door Kina gezonden (2966,
5529 en 6067 Herb. Calc.) uit Sumatra (ForBes) en Perak, en met een levend exemplaar
in ’sLands Plantentuin (UI B. 41). Deze komen alle overeen met het type en hebben
(met uitzondering van een exemplaar van KiNG. met een 3-jukkig blad) alle 1—2-juk-
kige bladeren.
Tot de variëteit parvifolia behooren alle Oost-Javaansche en eenige Midden-Javaansche
exemplaren van herb. Kps. Zij wijkt door de veel kleinere langer gesteelde meestal 3-juk-
kige bladeren nogal van het type af; doch de bloemen hebben in tegenstelling met de
echte A. Roxburghiana alle de meeldraden tegen den rand van de buis geplaatst.
Onze variëteit 4 pauciflora gelijkt zeer veel op het type maar onderscheidt zich door
de armbloemige bloeiwijze met grootere bloemen (en vruchten?) terwijl deze vorm onder
alle Aglaia-soorten alleenstaat door het bezit van bolvormige stuifmeelkorrels. Zij schijnt
beperkt tot één enkele standplaats. (Bij Tjigèntèng in de Preanger Herb. Kps, 4715 @2
en 4709 6).
In beschrijving van Stam t/m Schors van het type zijn de kenmerken van de beide
variëteiten ook opgenomen, omdat geen constante verschillen in deze boomdeelen konden
opgemerkt worden.
Geogr. verspreiding: Het type in geheel Java op 0—1300 M.
zeehoogte; in vele streken niet zeldzaam o. a. in de djatibosschen van
Oost-Sémarang op 100—200 M. en op G. Poelasari in Bantën op 1000
M. De var. parvifolia alleen in Midden- en Oost-Java en niet westelijker
gevonden dan in de djatibosschen van Sëmarang; deze var. bij in Bësoeki
op vele plaatsen vrij algemeen o. a. op den G. Watangan bij Poegër op
0—400 M. bij Pantjoer op Rahoen-Idjèn-gebergte op 1000 M. De
var. panciflora uitsluitend op 1300 M. bij Tjigèntèng in distr. Tjisondari
der afd. Bandong (Preanger). Buiten Java „Malakka; Sumatra’ (Kina)
Het voorkomen in Voor-Indië, enz. onzeker, omdat de synonymie dezer
soort nog onzeker is. — Standplaats: Zeer weinig kieskeurig, behalve de
var. pauciflora welke door ons alleen op zeer vruchtbaren constant voch-
tigen bodem in Rasamala-bosschen (zie onze Bijdrage No. 2) gevonden
is. Het type en de var. parvifolia behalve op een dergelijke stand-
plaats, ook op periodiek zeer droge gronden in loofverliezende bosschen
en zelfs de var. parvifolia vooral op die standplaatsen algemeen. —
Bladafval: Altijdgroen. — Voorkomen: Soms vrij talrijke individuën
in het zelfde bosch; maar niet eigenlijk gezellig. — Bloei-en vruchtiijd:
Bloemen vooral in begin — en vruchten tegen einde-Oost-moesson.
Echter ook bloemen in Oct. gevonden. Nogal rijk vruchtdragend. —
Gebruik: Hout slechts hoogst zelden gebezigd. Eigenschappen echter
aan de meeste inlanders onbekend. Meestal te klein voor huisbouw. Het
zeer bleekroodbruine, breede kernhout zou echter sterk en nogal
duurzaam zijn. Spint roodachtig wit; smal; fijndradig ; reukeloos ; smal.
Schors, enz. Niet gebezigd. De bloemen van de var. parvifolia K. et
V. op sommige standplaatsen (o. a. bij Pantjoer in Bësoeki), maar naar
het schijnt niet overal, zeer welriekend en wellicht geschikt tot bereiding
van bruikbare aetherische olie. Bladeren bijna zonder smaak of reuk. —
Cultuur: Waarschijnlijk bruikbaar in reboisaties van kale berghellin-
gen, vooral op ongunstige, dorre standplaatsen. — Inl. namen: Aan de
meeste inlanders onbekend en wanneer bekend locaal en de naam ook
voor een paar andere boomsoorten geldend. Het tijpe: In Bösoeki
bij Poegër meestal Pantjal-kidang j. Bij Karangasëm in Oost-Sömarang,
MELIACEAR. — 152 — ÄGLAIA.
bij Padan-aroem en bij Pringâmbâ in afd. Bandjarnögara (Banjoemas)
zoomede op G. Poelasari (Bantén) en in de Preanger bij Pangèntjòngan,
Takòka, enz. bij name geheel onbekend. De var. parvifolia in Bëösoeki
bij Poegër (afd. Djémbér) vrij constant Pantjal-kidang j. of? Kajoe-sömoet
j. en bij Pantjoer (afd. Panaroekan) vrij constant Pikòpijan md. Op
G. Pandan bij Klangoen en bij Karang-asëm in S&marang ook Pantjal-
kidang, j. De var. pauciflora bij Tjigèntèng (Preanger) bij name geheel
onbekend. — Habitus: Niet in het oogvallend.
Arbuscula 10—12 M. alta in stationibus humilioribus aridioribus v.
arbor usque 26 M. alta in stationibus montosis trunco usque ad 50
cM. diam. Hamuli juniores cum innovationibus dense minute rufulo-lepi-
dotuli lepidibus margine erosis et ciliatis. Folia 1—2- rarius 3-juga
breviter petiolata (15—40 mM.) HFoliola brevi-petiolulata (+ 41 mM.)
lanceolato-elliptica, terminalia interdum parum obovato-lanceolata, apice
breviter vel longiuscule subeaudato-acuminata, basi saepissime aequali
acuta, rarissime obtusa vel subrotundata; in sieco supra pallide glauco-
grisea, subtus glauco-rubescentia; tenui-coriacea; epunctata ; supra glabra ;
subtus ad nervum medium et hine inde in parenchymate cum petiolulis
parce lepidotula, nervis lateralibus tenuibus 6—10. Rhachis teres cum
petiolo dense minute lepidotula, 35—90 mM. longa. Foliola 85—200
saepius 100—135 mM. longa el + 55 40—85 lata ; in vivo supra saturate-
viridia, conspicue pellucido-punctulata. Panieulae hermaphroditae et masc.
foliis saepius breviores, graciles, dense rufolepidotulae, fere a basi inde
laxe ramosae, ramis saepius brevibus, ramulis ultimis prope apicem den-
sifloris. Paniculae 150—200 mM. longae ranis inferioribus 15—60 mM.
ramulis 5—10 mM. longis. Flores minuti 1 mM.) leviter suaveolentes
haud odoratissimi; brevissime pedicellati, flavi, antheris fuscis, calyce
ochraceo. Calyx 5-lobus, lobis obtusis, stellato-lepidotis. Petala ima
basi connata, suborbicularia, concava, glabra; tubus cupularis ore apertus
inter antheras denticulatus; antheris oviformibus, obtusis vel acutis margini
insertis, inflewis, intus costatus. Pollen late ellipticum 10 longum et 8
latum. Ovarium biloeulare, biovulatum, eylindrieum, parvum, dense lepi-
dotum, stigma depresso-globosum. Paniculae femineae minus ramulosae,
minus densiflorae; antheris cassis, in singulo specimine antherae cassae
erectae exsertae. Bacca parva sordide rubescens, dense lepidotula oeulo
nudo glabra; mesocarpio carnoso, farinoso, rubro, fere asaporo. Semen arillo
hyalino, luteo, apice nune subaperto adnato totum indutum, testa crassa
nigra. Cotyledones superpositae sublobatae.
var. (3 parvifolia K. et V.
ÄGTLAIA., — 153 — MELIACEAE.
Foliola saepius 3-juga, lanceolata, acuminata, 50—110 mM. longa et
24—32 lata; rhachi cum _petiolo 60—100 mM. longa, rufo-furfwrella,
demum saepe glabrescente.
var. y pauciflora K. et V. Folia 1—2-juga, in ramulis florentibus
hine inde unifolivlata. Foliola lato-elliptica, majora 125 mM. longaet 10
lata, firmiuscule-coriacea, nervis lateralibus 6—10 utringue. Paniculae
rhachi aeqwilongae vel duplo longiores, breviter pedunculatae (10—25 mM.)
breviter-ramosae, rhachi tereti, ramis racemoso-floridis, 15—30 mM. longis,
floribus 1—3 peduneulis communibus suffultis, breviter pedicellatis. Flores
hermaphroditi fere 2 mM. longi. Petala extus lepidotula. Tubus 1} mM,
longus obeonico-turbinatus intus 5-costulatus. Antherae margini insertae,
obtuse trigonae, subincurvae 0.6 mM. longae. Pollinis granula globosa
triporosa 12 z diam. Ovarium incomplete 2-loeulare, loeulis uni-ovulatis.
Bacca 30 mM. diam; laete rubra; sub lente dense lepidota, exo- et endo-
carpio coriaceo, mesocarpio spongioso, intus albido. Semen singulum testa
nigra arillo melleo pellucido-succoso.
10. Aglaia Diepenhorstii Mrg.! Supp. r 197, 507; Ann. rv 43;
C. Dec. 1. ce.
„Iwijgen onbehaard, glad, lichtgrijs. Bladeren matig-gesteeld
(+ 50 mM.), 2-jukkig ongeveer 250 mM. lang. Blaadjes over-
staand, lancetvormig, met wigvormig-spitsen voet, en spits toegespit-
sten top (eindblad iets obovaat, ongeveer 145 bij 50, de onderste
ongeveer 95 bij 45 mM.) van boven onbehaard, van onderen met
zeer schaarsche schubben, dof zonder stippels, in sicco van boven
iets blauwgroen, van onderen grijs, zijnerven onder weinig uitsprin-
gend, opstijgend, nogal recht, vóór den rand ineenloopend + 10.
Bladspil en steel rolrond, onbehaard. Bloempluimen ongesteeld,
pyramidevormig vertakt met gestreepte, roodbruine, stervormig-
geschubde zijtakjes. Bloemen vrij langgesteeld (l mM.). Kelk
met 5 stomp-eivormige tandjes, van buiten stervormig geschubd;
bloembladen 5 onbehaard, langwerpig-obovaat; meeldradenbuis obo-
vaat-bolvormig, onbehaard, oppervlakkig gekarteld. Helmknopjes
5 zeer klein ei-bolvormig. Stempel zeer klein nagenoeg gaaf.
Vrucht onbekend.” (Cas. Drc. 1. c.)
10%
MELIACEAE. == UL — ÄGLAIA.
Aanm. Beschrijving overgenomen naar C. Dec. l.c.
Het authentiek exemplaar uit Sumatra in Herb. Bog. heeft een zoo groote overeenkomst
met A. odoratissima Br. dat wij betwijfelen of de beide soorten gescheiden kunnen worden.
De authentieken uit Java ZoLL. No. 3108 in Herb. Dec. en 1587 in Herb. Berl. zijn
ons onbekend. In het origineel exemplaar van Herb. Bogor. zijn evenals bij A, odora-
tissima de helmkn opjes op den rand geplaatst en naar binnen gebogen.
„Foliis modice petiolatis, 2-jugis; foliolis oppositis, lanceolatis, basi
euneato-acutis, apice acute acuminatis, supra glabris, subtus parcissime lepi-
dotis; paniculis subsessilibus, folia circiter aequantibus, pyramidato-ramosis ;
floribus longiuscule pedicellatis ; calyce obtusiuseule 5-dentato, extus stellato-le-
pidoto; petalis glabris, oblongo-obovatis; tubo obovato subgloboso, glabro, leviter
obtuse crenulato ; antheris 5, minutis ; stylo nullo ; stigmate minuto subintegro.”
„Ramuli glabri, laeves, pallido-argillacei. Folia 250 mM. longa.
Foliola firmula, opaca, epunctata, in sicco supra subglaucescentia, subtus
argillacea, terminalia religuis paullo majora subobovato-lanceolata, 140
mM. longa et 50 mM. lata, infima circiter 95 mM. longa et 45 mM. lata;
nervis secundariis subtus vir prominulis, ascendentibus subrectis, ante
marginem anastomosantibus, utringue circiter 10. Rhachis cum petiolo
circiter 50 mM. longo teres, glabra. Paniculae ramuli striati, rufescentes,
stellato-lepidoti. Florum pedicelli circiter 1 mM. longi. Calycis dentes
ovati. Petala 5. Antherae ovato-globosae subacutae.”
„In Sumatra (Dreperum. in. herb. Rheno-Traject spec.n. 13829 floriferum);
Java (ZOLLINGER, n. 3108 in herb. DC. etc. et 1587 in herb. Berol.); Pegu
(Kurz n. 2043 in herb. Kew.) Cas. Dec.
Adn. Specimina Zollingeriana non vidimus, sed ex descriptione vir
dubitamus quin ad A. odoratissimam Br. reducenda sint. Speciem ipsam
vie jure ab. A. odoratissima separandam habemus. Antherae non secus
quam in illa margini tubi insertae sunt.
b Blaadjes 3—4-jukkig, bladspil dik-stervormig-behaard.
11. Aglaia elliptica Br! Bijdr. 171; Mrg. Fl. 1. 2. p. 543;
Ann. Iv. p. 50;— „Aglaia ovata Teysm. et Binn. in Nat. T. N.I.
XXVIL p. 43; — Aglaia inaequalis Trysu. et Binn. Le. 1. p. 305”
(Synn. fide MrQquer); — Hearnia elliptica Cas. Dec.
Zeer? lage boom. Twijgen, bladspillen en steeltjes en onderzijde
der blaadjes langs de hoofdnerven met geelachtige of rossigbruine
lange sterharen dicht bedeht. Bladeren middelmatig-gesteeld
ÁGLAIA. — 155 — MELIACEAE.
3—4-jukkig. Blaadjes meest kort-gesteeld, nagenoeg overstaand, de
onderste meest elliptisch, de volgende meer obovaat-elliptisch-lang-
werpig; het eindjuk en eindblad obovaat-lancetvormig naar beneden
versmald alle met vrij plotseling, smal, stomp-toegespitsten top en
stompen of afgeronden, nagenoeg gelijken of aan de voorzijde eenigs-
zins oorvormig verlengden voet; dun-leerachtig met 10—15 uitstaande
dunne zijnerven. Eindblad 120—220 mM. bij 50—80, onderste paar
100 bij 40—120 bij 60. „Bloempluimen met korte zijtakken
(volgens MrqueL langer dan de bladeren met 150—200 mM. lange
zijtakken), dik-rossig-stervormig-behaard. Bloemen kort-gesteeld.
Kelk napvormig, met 5 spitse (volgens MiqvueL afgeronde) tanden
van buiten dicht-stervormig-behaard; 5 bloembladen bijna tot aan
het midden vergroeid 1). Buis klokvormig, onbehaard met 6 op den
rand geplaatste helmknopjes.”’ (C.DC).
Aanm. Beschrijving der bladeren naar een origineel exemplaar van BLume uit Herb.
Lugd. Kat. en naar een daarmee zeker overeenstemmend exemplaar uit Herb. Bog., cult.
Hort. Bog als A. ovata TeysM. et Binn. (volgens MrqueL de meest typische vorm der
volgens hem zeer variabele soort.)
Een niet bloeiend exemplaar in Herb. Kps. in Bantén verzameld is volmaakt gelijk aan
het origineele; een tweede uit Banjoemas verschilt door de zeer lange smalle blaadjes
(bovenste blaadjes 250 mM. bij 60) maar behoort ongetwijfeld tot deze soort.
De soort ís bij Cas. Dec. naar het exemplaar van Bl. en een van Terysm. in Herb.
Petropolit. slecht beschreven daar het meest onderscheidend kenmerk, de dikke lange
bijna viltige beharing der hoofd- en bladstelen niet vermeld is.
De beschrijving der bloem is naar Cas. Drc. overgenomen. Wij hopen later bij beter
materiaal op deze soort terug te komen.
Geogr. verspreiding: Slechts een paar boomen door ons gevonden
in West- en Midden-Java; nl. bij Tjëmara in Z. W. Bantèn (afd. Tjëri-
ngin) op 200 M. en bij Pandan-aroem in afd. Bandjarnégara (Banjoemas)
op G. Djaran (Rëti Kapal) op 900 M. Zeer zeldzame boom. Buiten Java:
onbekend. — Standplaats: Op constant vochtigen vruchtbaren grond
in hoogstammig heterogeen schaduwrijk oerwoud. — Voorkomen: Ver-
strooid. — Gebruik: Geheel onbekend. — Inl. namen: Bij Tjömara
(Bantén) onbekend; bij Pandanaroem in afd. Bandjarnëgara T'anglar, j.
Aldus elders ook een paar andere boomsoorten. — Habitus: Niet in het
oog vallend.
Arbuscula v.? arbor parva. Ramuli petioluli folia subtus praesertim
in mnervis dense stellato-pubescentia subtomentosa; foliola 3-saepius 4-juga
cum impari, petiolulata, inferiora vel infima breviora, passim subalterna, e
basi swbaurieulato-inaequali elliptica obtuse apieulata; religua saepius op-
1) Volgens Mriquer Le, vrij.
MELIACEAE. — 156 — ÁGLAIA.
posita, longiora, obovato-oblonga, deorsum attenuata, basi obtusa saepius
subaegualia, apice breviter obtuse vel acute acuminata; subcoriacea, costulis
utringue 10 — 15 patulis tenuibus. Pamiculae avillares elongatae, haud
raro folia superantes (in authentico breviter ramulosae), dense rufescenti-
stellato-hirsutae, ramulis densifloris; calyx cupuliformis acute (?) 5-dentatus
extus dense stellato-pubescens; petalaa basi fere ad medium connata (2)
(fide MraueL Wibera), glabra; tubus sub-campanulatus margine 6-antheri-
ferus. Bacca?
Adn. Species (quoad folia a Cas. Dre. male descripta) tomento denso
stellato foliorum rhaches et petiolulos induente insignis. Flores speciminis
originalis non vidimus. Quae in horto Bog. nomine A. inaequalis T. et B.
colitur species, etsi tomenti indole et antheris margini tubi insertis cum
gemwina convenit, nonnullis notis recedit.
B Soorten met 5—12-jukkige bladeren (soort 12—11).
a Volwassen bladeren schijnbaar onbehaard, onder het vergrootglas met bruine schubben.
a Blaadjes 6—9-jukkig, ongelijkzijdig, vrucht tweelobbig.
12, Aglaia Ganggo Mrq.! Fl. Suppl. r p. 197. 506.; Ann. Mus.
Iv 47; Cas. Dec. 1. ce. p. 627; Krve! Fl. Mal. mr 558; — 4. pyr-
rholepis Mriq! Ann. p. 47; Cas. Dec. 1. c. 628.
Nogal hooge ? boom H=—=15—20 M. bij D= 30—40ecM. Stam:
Nogal? recht. Kroon: Nogal dicht. Schors met wit melksap.
Jonge twijgen, bladstelen en bloeiwijzen met fijne, roestkleurige
schubben bedekt. Bladeren lang, langgesteeld, onevengevind
(zeldzaam zonder eindblad), 6—9-jukkig. Blaadjes kortgesteeld,
overstaand of afwisselend, langwerpig, dikwijls zeer ongelijkhelftig,
aan de voorzijde met afgerond-wigvormigen voet, aan de achterzijde
veel smaller met spitsen voet, met stomp-toegespitsten top; van
boven onbehaard; van onderen even als de bladsteeltjes (schijnbaar
onbehaard) dichtbedekt met glanzige, ronde, plat aangedrukte zeer
kleine schubben, met een donkerbruin middelpunt. Zijnerven onge-
veer 10—12 (tot 18 volgens Kine), uitstaand, weinig uitspringend.
Bladeren levend gewoon-groen, onduidelijk doorschijnend gestippeld
en gestreept. Bladspil met den 100—150 mM, langen steel, rolrond,
250—500 mM. lang. Blaadjes 110—170 mM. bij 35—42, bladsteeltjes
ÁGLAIA. — 157 — MELIACEAE.
4 mM. Bloempluim pyramidevormig, gesteeld, ongeveer half
zoo lang tot even lang als de bladspil, bij de @ exemplaren aan den
top enkelvoudig, met stevige hoofdas en zijassen, geheel bruin beschubd.
Bloemen + 3 mM. diam. aan de onderste zijtakken aan secundaire
zijtakjes 2—3 bijeen, aan de hoogere aarvormig geplaatst, zeer kort
gesteeld (+ 4 mM). Kelk 5-deelig met ronde lobben, beschubd en
gewimperd. Kroonbladen langwerpig, van binnen concaaf, onbehaard.
Meeldradenbuis, eivormig van onderen vernauwd, bijna evenlang
als de bloembladen, met een kleine ronde opening aan den top. Helm-
knoppen 1.5 mM. lang, geheel ingesloten, onder in de buis bevestigd
en veel korter dan deze, langwerpig, bij de ® exemplaren zonder
stuifmeel; bij de $ lancetvormig met toegespitsten top; (stuifmeel
13 wv lang 9 breed). Hierstok 2-hokkig, dichtbeschubd, stempel
zittend, kegelvormig, gegroefd; zeer jonge vruchtjes in pluimen,
tweehokkig, tweezadig; het pas gevormde zaad door een vleezigen
zaadrok geheel omgeven. Vrucht dwars-elliptisch, in het midden
ingesnoerd, tweelobbig, tweehokkig, tweezadig, zelden door mislukking
l-hokkig 1-zadig) schijnbaar onbehaard, donkergeel (+ 30 mM.
breed, 20 hoog, 15 dik); met vleezig-leerachtigen vrij dunnen wand,
met een verticale spleet schotverdeelend openspringend. Kleppen
aan den top verbonden blijvend. Zaad afgeplat-half-bolvormig met
slijmig-geleiachtigen zaadrok, die met de dunne bruine geelgeaderde
zaadhuid geheel vergroeid is. Zaadlobben boven elkaar, doorsnede
aan de lucht vuil-paarsch, pluimpje roodbruin beschubd.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. 4730 2 en 4728 2 uit Bantén (vrucht en Q
exemplaar naar levende boomen uit Hort. Bog. vergeleken met origineele specimina van
A. Ganggo, (door TeEYsMANN verzameld; Herb. Bog. 577) en van A. pyrrholepis Mrq.
uit Herb. Lugd. Bat, verder met een bloeiend / exemplaar door Kina gezonden (van
de Andaman-eilanden.
In Hort. Bog wordt de boom gekweekt (LIL B 85 en III C, 14) en draagt gewoonlijk
vrucht in Augustus.
Geogr. verspreiding en standplaats: Door ons slechts een 3-
tal boomen gevonden en alleen in (West-Java) Z W. Bantëön bij Tjömara
op 0—200 M. in hoogstammig, altijdgroen, heterogeen oerwoud op cons-
tant vochtigen vruchtbaren grond. Zeer zeldzame boom. Buiten Java:
„West-Sumatra (TryYsMANN); Andamanen (Kiya) Amboina (ZiePerrus vol-
gens Mrqver). — Voorkomen: Geïsoleerd tusschen een paar honderd
andere boomsoorten. — Gebruik: Aan alle door ons ondervraagde in-
landers evenzeer onbekend als de inl. naam. Deze laatste volgens
MELIACEAE. — 158 — ÁGLAIA.
sommigen bij Tjëmara in Bantên ? Ki-lilin, s. of ? Ki-damar,s. Met dezen
naam elders een paar andere boomsoorten aangeduid. — Habitus: Niet
in het oogvallend.
Arbor medioeris. _Ramuli teretes, laeves, innovationes ferrugineae. Folia
elongata; longe petiolata (100—150 mM.) impari- vel rarius abrupte-pinnata
6--9-juga. Foliola breviter petiolulata, opposita vel subalterna, modo alterna,
oblonga, saepius valde inaeqwilatera, interdum subfalcata, basi antice
rotundato-cuneata, postice resecta acutissima, apice obtuse acuminata, supra
glabra, in sicco griseo-fulva, subtus (oculo nudo glabra) dense lepidotula ;
lepidibus parvis rotundis valde appressis, centro rufis; nervis lateralibus
+ 10—12 (teste Kine 12—18) erecto-patulis, subtus parum prominulis
in vivo laete viridia, vin pellucido-punctulata, exsiccatione mox fulvescen-
tia. Rhachis eum petiolo teres, dense appresse rufo-lepidotula; 250—500
mM. longa. Foliola 110—170 mM. longa et 35—42 lata. Petioluli
4 mM. longi. Panicula (in speciminibus suppetentibus Q) pyramidalis pedun-
culata rufo-lepidotula; infra ramosa, versus apicem subsimplez, folio dimi-
dio brevior, rhachi robusta complanata et striata, ramis inferioribus ramu-
losis, sursum brevioribus racemosis. Panicula 240 mM. longa; pedune.
65, rami inferiores 15 mM. Flores 3 mM. longi, brevissime pedicellati.
Calyx lepidotulus et ciliatus, obconicus, 5-partitus, lobis lato-rotundatis.
Petala oblonga aequalia, concava, glabra, margine tenwiora. Tubus ovoideus,
basi constrictus, apice ore parvo circulari, petalis vir brevior. Antherae
(in spee. supp. cassae) oblongae, prope basin tubi insertae eoque } parte
breviores. Ovarium biloeulare, dense lepidotum. Stigma elongato-conicum
sulcatum. _Baccae transverse ellipticae medio constrictae, bilobae, biloculares,
bispermae (vel abortu monospermae) glabrae (sub lente fortiore lepidibus
minutis obductae) luteae (+ 30 mM. latae; 20 altae et 15 erassae), peri-
carpio carnoso-coriaceo 1 mM. erasso, demum bivalve loculicide dehiscente.
Semen compresse semiglobosum, raphe dorso fere usque apicem pertensum;
testa tenui badia; arillo mucilagineo-gelatinoso, ochraceo, duleci, toto adnato
vestita. Cotyledones superpositi, dissectione purpurascentes. Plumula rufo-
Mirtella.
Adn. In specimine Herb. Calc. 357 (er ins. Andaman) a Kine misso ;
paniculae magis elongatae densiflorae, usque apicem ramulosae. Flores
omnino congruunt sed antheras polliniferas lanceolatas apice apiculatas
continent. Pollen 13 u longum et 9 pz latum. Mrqver qui flores non
viderat, specimina javanica nomine A. pyrrholepis haud jure sejunzit.
ÄGTAIA. — 159 — MELIACEAE.
B blaadjes 3—G-jukkig gelijkzijdig.
13. Aglaia speciosa Br.! Bijdr. r p. 171.; Mrq. Fl. Ind. bat.
Ip. 543; Ann. le. 54.; C. Dre. 1 eo. p. 614.
„Iwijgen met bladstelen en blaadjes (de laatste vooral aan de
onderzijde langs de nerven), bloeiwijze en kelk met donkerbruine
zeer plat-aanliggende gaafrandige en uitgevreten schubben bedekt (voor
het bloote oog onbehaard). Bladeren meest 4—5-, zeldzamer 6- of
3-jukkig-onevengevind, middelmatig gesteeld. Blaadjes overstaande
of afwisselend, gesteeld, langwerpig-elliptisch of lancetvormig, met
gelijkzijdigen spitsen of stompen voet, en vrij stompen of spits-kort-
toegespitsten top; van boven onbehaard, van onderen glanzig- dicht-
beschubd (voor het bloote oog schijnbaar onbehaard); met 12—16
dunne zijnerven, overigens ongeaderd. Bloempluimen korter dan
het blad, kort-gesteeld, pyramidevormig, van onderen 3 malen vertakt,
bloemen trosgewijs soms eenigszins opeen gehoopt aan de uiterste
takken, kort-gesteeld. Kelk napvormig met 4—5 afgeronde lobben ;
bloembladen in den knop aan den voet samenhangend bijna rond,
onbehaard, ruim 1 mM. lang. Helmknopjes niet geheel ingesloten,
rond-eivormig, buis obovaat-tolvormig, onbehaard van binnen zeer
dik geribd. Stamper rudimentair stijlvormig. Bessen ter grootte
van een kers, rossig behaard, zaadhuid rimpelig; zaadlobben boven
elkaar, ongelijk; pluimpje behaard” (Naar MiQ. en Cas. Dec.).
Aanm. Een exemplaar uit Herb. Leiden door REINWARDT verzameld bevat gedeeltelijk
bladeren aan deze beschrijving beantwoordend, gedeeltelijk een blad van Dysooylum
excelsum Bru. De bloemen daarbij behoorend beantwoorden wel aan deze beschrijvingen,
maar de helmknopjes staan evenals bij odoratissima en elliptica nagenoeg op den rand
van de buis, waar zij met een breeden voet aan verbonden zijn, afgewisseld door duidelijke
tandjes; de buis heeft 10 zeer dikke vleezige ribben; de rudimentaire stijlvormige
stamper is even lang als de buis en de stempelvormige rolronde verdikking steekt tusschen
de helmknopjes uit.
Bij de door van HasseLr op den Karang in Bantén verzamelde exemplaren zouden
volgens diens etikette de bloemen 8—10 meeldraden hebben, hetgeen MiqveL voor een
vergissing houdt.
Deze soort is door BruMme in West-Java en door ZrPPELIUsS, REINWARDT en JUNGHUHN
in niet nader opgegeven bergstreken verzameld.
Cas. DECANDOLLE voegt hierbij nog een door ZOLLINGER verzameld specimen (ZOLL. n.
802 in herb. DC.) met veel grootere blaadjes 3, macrophyllum CAs. Drc.; eindblaadje
200 mM. lang 75 breed.
In Herb. Kps, van Java schijnt deze soort te ontbreken.
MELIACEAE. EN) == ÄGLAIA.
„Foliis modice petiolatis, saepius 4—5-jugis; foliolis alternis, petiolula-
tis, oblongo-ellipticis, basi aequali acutis, apice acutiuscule euspidatis,
supra glabris, subtus dense squamulosis; floribus obovato-turbinatis,
breviter pedicellatis, parvis; calyee eupulari 5-dentato, extus dense squamu-
loso; petalis glabris; tubo obovato-turbinato, glabro, intus crasse costato.
Antherae sub-exsertae. Folia circiter 210 mM. longa; foliola opaca 95
mM. longa 20 lata; nervis secundariis subtilibus, patulo-adscendentibus,
utringue 12—16. Petala obovato-rotundata, 1 mM. paullo superantia.
Antherae rotundata-ovatae. Ovarium in specimine sterile.”
„In Java (Herb. Lugd. Bat.).”
B, maerophylla C. DC. foliolis terminalibus ad 200 mM. longis 15 mM. latis.
„In Java (Zouringer n. 208, 2. in herb. DC.).” (Cas. Dec. 1.c.).
Adn. Specimen Reinwardtianum in Herb. Hort. Bog. eraminavimus
foliorum indumento Aglaiam Ganggo et apiocarpam Roxs., floribus minutis,
antheris subersertis A. odoratissimam referens.
b. volwassen blaadjes v. onderen dik-beschubd of stervormig behaard (soort 14—17).
a bladeren dik-zilverwit- of geel-beschubd.
14. Aglaia argentea Br. Bijdr. p. 170; Mrq. Fl. Ind. bat. 1. 2 p.
543; Ann. Le. p. 54. (excl. synon. ancolana et eximia); Cas. Dec. Le.
618; Kine Le. m1 p. 558; — A. speciosa (et var. hepatica) T. et B.!
Cat. Hort. Bog. p. 211 (non BLume) ; — Milnea argentea RriNw. Cat.
„Jonge deelen dik bekleed met roestbruine schubben en sterharen;
geleidelijk overgaande in een witte uit sterharen bestaande beklee-
ding. Bladeren stevig; blaadjes meest 7—10-jukkig (ook wel met
minder jukken) meest overstaand, kort-gesteeld, in vorm zeer ver-
schillend; met geliijkzijdigen of bijna gelijkzijdigen afgeronden voet,
lancetvormig tot elliptisch-lang werpig kort-toegespitst ; bijna leerach-
tig, met 10—25 zijnerven, van boven onbehaard, van onderen met
een dikke, blijvende, geelbruine of later meer witachtige bekleeding
van schubben en sterharen. Pluimen langgesteeld, pyramidevormig,
saamgesteld, dicht viltig-behaard; bloemen zitttend, bundelvormig
opeengehoopt; knoppen geheel met schubben bedekt; kelk 5-lobbig
dicht behaard; bloembladen 5, elliptisch-lang werpig onbehaard ; meel-
dradenbuis met 5 stompe tanden, helmknopjes eivormig, ingesloten ;
eierstok klein, behaard. Bes vrucht omgekeerd-eivormig.” (MiQqver).
ÄGTAIA. — 161 — MELIACRAE.
Aanm. Beschrijving overgenomen; authentiek niet gezien MrquerL onderscheidt, behalve
de gewone, 7 verschillende vormen of variëteiten dezer soort, waarvan er twee op Java
moeten voorkomen.
Cas. Dre. onderscheidt slechts twee variëteiten, waaronder één op Java voorkomende
X cordulata, niet door MrqueL was onderscheiden; ook Kine Flor. Mal. p. 71 onderscheidt
nog een nieuwe variëteit,
Onzes inziens heeft Mrqueu de grenzen dezer soort te ver uitgebreid en moet althans
de var. ewimia zeer bepaald als soort worden afgescheiden,
In Herb. Kps. komen drie vrij scherp onderscheiden vormen voor, waarvan de ééne vrij
nauwkeurig met de A. specivusa T. et B. (in Herb. Bog. en levend in den Hort. bog. (II B. 29) )
overeenkomt en tevens aan de var. cordulata van Cas. Dec. schijnt te beantwoorden.
De tweede, overeenkomende met een levend exemplaar in Hort. Bog. (IIL B. 34) is de
var. microphylla van MrqureL (exemplaar in Herb. Bog. toevallig met zeer kleine blaadjes).
De derde schijnt het meest aan het type te beantwoorden, wegens de 7-9-jukkige bladen.
De door MrqueL genoemde variëtiet angustata ontbreekt in Herb. Kps.
Wij onderscheiden dus de volgende 4 vormen, waarvan wij slechts van twee volledig
materiaal bezitten:
„1. cordulataC. Dec.
„ 2. angustata Mrq.
„ 3. multijuga K. et V.
„ 4. splendens K. et V.
Zooals uit onderstaande uitvoerige beschrijving blijkt, wijkt deze in enkele punten
nogal van Mrquer’s beschrijving af; terwijl ook de beide vormen 1 en 4 zoodanig in blad en
bloem van elkaar verschillen, zonder dat tot dusver overgangsvormen bekend zijn, dat
men ze wellicht met recht als soorten zou kunnen onderscheiden, zooals ook door TEysMANN
en BINNENDIJK is gedaan.
„Innovationes indumento crasso lepidoto stellatogue rubigineo obductae;
indumento sensim in stellatum et albescens transeunte; folia valida;
folola saepius 7T—10-juga cum impari sed et paucius-iugata, opposita
et subopposita; forma valde diversa et basi leviter inaequali vel
aequali rotundata, lancevlata usque elliptico-oblonga; breviter acuminata ;
subcoriacea; costulis utringue 10—25; supra glabra, subtus lepidote a stellata-
que; dense gilvo- deinde magis albido-obducta non glabrescentia. Paniculae
axillares, longe pedunculatae, passim subsupra-axillares, pyramidatae, compo-
sitae, dense tomentellae. Flores fasciculato-sessiles; alabastra tota lepidota
obducta; calyx florens 5-lobus dense pubescens; petala 5 elliptico-oblonga
obtusa glabra; tubi staminei dentes 5 abtusi; antherae ovatae inclusae ;
ovariwm evile hirtellum. Baccue obovoideae, juniores lepidotae, maturiores
glanduloso-lepidoto-rubigineae 1—2-spermae” (Mrquer Le.)
13. var. 1 Aglaia argentea var. cordulata C. Drc.;—4. speciosa
TeysM. et BiNN. Cat. Hort. bog. p. 211.;—?A. hypoleuca Mrq. Suppl.
n. p. 197.507; Ann. le. — A. argentea Br. genwina MiQ. proparte.
- Nogal hooge, dikke boom H == 20—25 M. bij D == 80—105 cM.
11
MELIACEAE. ME AGLAIA.
(gemeten); meestal slechts H == 15—20 M. bij D= 40—50 cM.
Stam: Recht; rolrond; zonder gleuven ; zonder wortellijsten. Tak-
ken: Niets opmerkelijks. Kroon: Hoog-aangezet; onregelmatig ;
nogal iijl. Sehors: 10 mM. dik. Nogal bros. Buiten grauw;
nogal ruw; met overlangsche barsten. Doorsnede vuil-bleek-oranje;
oranjebruin verkleurend. Binnen vuil-wit; niet verkleurend. Met
zeer weinig waterachtig melksap. Bijna zonder lenticellen en
zonder bladgroen. Met zwak aromatischen, aan Lanstum-vruchtschil
herinnerenden reuk; weinig bitter, Op dorre standplaatsen een
nogal kromme laag-vertakte boom.
Knoppen, bladspillen, zeer jonge blaadjes van boven en van
onderen dicht met bruine schubben bedekt, waaronder zich kleinere,
meer stervormige, kleurlooze bevinden. Bladeren lang-gesteeld
(100—200 mM.) onevengevind, 3—7, meestal 5—6-jukkig. Blaadjes
kortgesteeld, de bovenste meest bijna zittend (het eindblad kort-gesteeld),
overstaande, langwerpig-lancetvormig (het eindblad eenigszins obovaat)
aan den voet min of meer ongelijk-hartvormig, met meestal kort-
en vrij spits-toegespitsten top, leerachtig, volwassen van boven onbe-
haard of langs de hoofdnerf met zemelige schubben, van onderen
wit of geelachtig glanzig of dof, roodbruin gestippeld, dik-beschubd
(met fijne dicht aanliggende kleurlooze stervormige schubben en
grootere langer gesteelde fijn-verdeelde en gewimperde kleurloze en
roodbruine daartusschen); zijnerven 12—24 paar, recht, van onderen
sterk uitspringend. Bladsteel rolrond van boven iets afgeplat en
gegroefd 260—460 mM. lang; blaadjes 160—300 bij 40—95 mM.
Jonge blaadjes versch donkerroodbruin, iets glanzig; volwassen van
boven fraai-groen, van onderen zilverwit of meer of minder bruin-
achtig. Bloem pluim langgesteeld (steel half zoo lang als de pluim),
pyramidevormig, dikwijls zeer lang (tot } Meter) met stevige, gegroefde
hoofdas en recht uitstaande of opgerichte lange, stevige gestreepte zij-
takken, waarvan de onderste eens of tweemaal vertakt zijn; uiterste twij-
gen aar- of kluwervormig. Bloemen zittend omgekeerd-ei-bolvor-
mig vuilwit, buis en helmknopjes bruin. Kelk dik-beschubd en gewim-
perd, diep-vijf-spletig met eivormige stompe of spitse lobben ; kroon-
bladen 5, smal langwerpig, opstaande, wit van buiten grijs-beschubd
2 mM. lang; meeldradenbuis kroesvormig met gaven rand; helm-
ÄGLAIA. — 163 — MELIACEAE.
knopjes geheel ingesloten, rond-eivormig, onbehaard, boven het midden
ingeplant en den bovenrand aanrakend,opstaand, met den voet vast-
gehecht, van achteren niet aan de buis vergroeid, stuifmeelhoudend.
Eierstok in de tweeslachtige en 9 bloemen groot (} van de buislengte)
langwerpig, 2-hokkig, 2-eiig; stijl zeer kort, stempel cylindervormig.
Besvrucht droog klein (+ 20 mM. lang) spoelvormig of lang wer-
pig-peervormig met gesnavelden top (snavel dikwijls afvallend), dik
bruin-zemelig-beschubd 1—2-zadig; vruchtwand leerachtig (jong
melksaphoudend). Zaad ellipsoid in de 1-zadige of half ellipsoid
(aan de buikzijde vlak) in de 2-zadige vruchten; zonder zaadrok ;
zaadhuid leerachtig glad, witachtig, dun, aan de eene zijde aan het
zeer dunne tusschenschot vergroeid; zaadlobben boven elkaar, plantje
behaard, zeer klein, precies in het midden ingesloten en dwarsge-
plaatst (evenwijdig aan het tusschenschot).
Aanm. Beschrijving vooral naar talrijke specimina van Herb. Kps,
Geogr. verspreiding: Geheel Midden- en Oost-Java op 0—1100
M. In vele streken nogal algemeen o. a. in laagvlakte van Banjoewangi
bij Rägâdjampi, bij Soebah in Pékalongan. Buiten Java: onbekend. —
Standplaats, Bladafval en Voorkomen: Als de variëteit splen-
dens. — Gebruik: Hout: Als niet zeer duurzaam en nogal grof bij
de inlanders te boek staande en weinig gebezigd. Schors, bladeren enz.
niet gebruikt. — Bloeitijd: vooral? in Juni; vruchten op einde oostmoes-
son. — Cultuur: Niet aan te bevelen. — Inl. namen: In Bësoeki als
de variëteit multijuga. Bij Soebah in Pékalongan constant Doerènan, j.
Bij Pringâmbâ (Banjoemas) soms met localen onzekeren naam ? Lèngsar,
j. en in dat gewest op G. Djaran bij Pandanaroem soms T'anglar-wèrak,
J-. en bij Tjilatjap Slang, j. Al deze namen ook voor een paar andere
boomsoorten geldend. — Habitus: Nogal eigenaardig door de grof gevin-
de bladeren, waarvan de van onderen kaneelbruin gekleurde blaadjes
zeer op Durio (Doerèn, j.) gelijken. In bloem en vrucht niet meer dan
in blad de aandacht trekkend. Van de andere variëteiten o.m. te onder-
scheiden aan hartvormigen „blad”-voet.
Aglaia argentea var. cordulata C. Drc.
Innovationes, foliorum rhaches, foliola novella supra et subtus dense rubi-
ginoso-lepidota. Folia longe petiolata (+ 100—200 mM.) imparipinnata,
3 —1-, saepissime 5—b6-juga. Foliola breviter petiolwlata (petiolulo 3 mM.
longo), swmma saepius sessilia vel subsessilia, opposita vel subopposita,
oblongo-lanceolata (terminale obovato-oblongum basi attenuatum, breviter
petiolwlatwm), ima basi parwm inaequali cordata; apice breviter acute
acuminata; coriacea; adulta supra glabra vel ad costam mediam furfurella;
… en ae Ee
ES 0
MELIACEAF. bi — AGLAIA.
subtus dense albido-lepidota (saepe splendentia) rubigineo-punctulata
(lepidibus parvis stellatis als majoribus radiatim striatis margine
laceratis et ciliolatis, hinc inde fuscis subaeguidistanter intermixtis) ;
nervis lateralibus utrinque 12—24 etrectis, subtus valde prominentibus,
supra depressis. Folia novella in vivo fusco-rubiginosa, subsplendentia,
adulta in vivo supra laete viridia, subtus argenteo-grisea, magis
minusve rubiginoso-punctulata. Moliola saepius 160 mM. longa et 40
lata, saepe 230—300 longa ct T0—95 lata. Rhachis cum petiolo 260—
460 mM. teres supra parwm complanata. Panicula longe pedunculata
(peduneulo dimidium rhachis saepe aequante) pyramidalis valde elongata
(usque 3 metralis) rhachi robusta striata, ramis patentibus et suberectis, infe-
rioribus bis ramulosis, ramulis brevibus spicatim, modo glomerulatim florigeris
bracteis et bracteolis subulatis (1—2 mM. longis). Flores sessiles sordide-
albi, tubo et antheris fuscis, obovati, 2—3 mM. longi. Calye dense lepi-
dotus, S-fissus, lobis acutis vel obtusis; petala 5 aequalia ; anguste oblonga,
erecta, concava, extus lepidota; tubus urceolato-eylindrieus ore integer;
antherae totae inelusae ovato-orbiculares; supra medium insertae, erectae,
basifiwae, dorso a tubo libero, glabrae. Pollen 21 longum et 16 pz latum.
Ovarium (in floribus hermaphroditis et femineis) magnum (3 tubi fere
aeguans) oblongum, dense hirsutum, 2-loeulare, 2-ovulatum; stylus brevis,
tenuis, stigma conico-cylindrieum parvum. Bacca parva (+ 20 mM. longa)
fusiformis vel elongato-pyriformis, apice saepe apiculata, dense fusco-
furfuracea, 1—2-sperma; pericarpio exvsucco coriaceo (immaturo lactescente).
Semen ellipticum (în monospermis) vel saepins dimidiato-ellipsoideum,
evarillatum, testa coriacea laevis, albida wno latere dissepimento adnata.
Cotyledones _superpositae, embryonem minimum _hirtellum medio ipso
imeludentes; plumula in seminibus bispermis transversa (dissepimento
parallela).
18. var. 2 Aglaia argentea var. angustata Mrg. Ll. c.
„Blaadjes ongeveer 6-jukkig, nagenoeg zittend, lancetvormig iets
toegespitst, met spitsen voet, 75—130 mM. lang, 8—20 mM. breed,
de onderste kleiner (+ 50 mM. lang), met 10—25 zijnerven, van
onderen geelbruin beschubd.” (Mrqver).
Aanm. Beschrijving overgenomen. Ontbreekt nog in Herb. Kps.
Geogr. verspreiding: „West-Java 3000—6000’ Jureuvan”’ (MrQver).
ÁGLAIA. —165 — MELIACEAE.
A. argentea var, angustata Mr.
„Foliolis circiter 6-jugis, subsessilibus, e basi acuta vel subacuta lanceo-
latis sub-acuminatis, inferioribus minoribus 50 mM., reliquis 175— 130 mM.
longis, 20—9 latis (3—t poll. Mra.) costulis utringue 10 —25, subtus
gilvo-obduetis.”” _(Mrever).
13 var. 3. Aglaia argentea var. multijuga K.et V.;— 4. argentea
(Br) Mr. genwina proparte,
Boomhoogte, Stam, Kroon en Schors ? geheel als var. cordulata.
Jonge deelen grijs-beschubd. Blaadjes 6 — 10-jukkig, min
of meer afwisselend, kort of middelmatig gesteeld, langwerpig met
spitsen of stompen soms wigvormigen eenigszins ongelijken voet,
van onderen zilverwit met fijne of bijna zonder donkere stippen.
Bladsteel rolrond of afgeplat S80—220 mM. lang, niet gegroefd,
met de bladspil 300 — 740 mM. lang. Bloemen onbekend. Vruch-
ten obovaat dichtglanzig-grijs-beschubd, glad, zonder snavel, 30
mM. lang, 25 breed; kiem dwars.
Aanm. Beschrijving naar eenige specimina van Herb. Kps
Geogr. verspreiding en Standplaats.: Uitsluitend in res. Bë-
soeki op 0—900 M. zeehoogte; bij Sémpòlan - Tjoramanis in afd. Djömbèr
aldaar nogal algemeen; bij Rägädjampi in Banjoewangi niet zeldzaam.
Uitsluitend op vruchtbaren constant nogal vochtigen grond in hoogstam-
mig heterogeen altiijjdgroen oerwoud. — Buiten-Java: onbekend. _ Voor-
komen: Niet gezellig. — Bladafval: Altijdgroen. — Bloei- en
vruchttijd: vruchten in Sept. — Nov. Nogal rijk vruchtdragend. —
Gebruik: Hout: volgens inlanders niet zeer duurzaam en weinig ge-
bezigd. Schors, enz. niet gebruikt. — Inl. namen: Evenals de var.
cordulata bij Sëmpòlan in afd. Djëmbér en bij Pantjoer in afd. Panaroe-
kan vrij constant Bangsol, md. en bij Rägädjampi in Banjoewangi Doerènan,
j. of ? Walikangin, j. De laatste naam ook voor een paar andere boom-
soorten met van onderen zilverwitte of grijsbruine bladeren. — Habitus:
als de volgende variëteit splendens. Evenals deze van de var. cordulata
vooral door de meer witte kleur der bladonderzijde en den niet hartvor-
migen bladvoet onderscheiden.
A. argentea var. multijuga K. et V.
Innovationes griseo-lepidotae. Foliola 6—10-juga, saepe subalterna, bre-
viter vel modice petiolulata, oblonga, basi acuta vel obtusa, saepe parum
maeguali, subtus argentea subtiliter nigro-punctulata vel saepius epunctu-
lata. Petiolus teres vel sub-complanatus, 80 —220 mM. longus, cum rhachi
300— 700 mM. longus. Flores ignoti. Baccae evsuccae obovatae apice
rotundatae, laeves, argenteo-lepidotae, fusco-punctulatae; 30 mM. longae et
25. latae. _Plwmula transversa.
MELIACEAE. — 166 — ÄGLAIA.
13. var. 4. Aglaia argentea var. splendens K. et V.; — (4.
argentea var. microphylla Mriq. nomen e specimine manco).
Boomhoogte, Stam, enz.? als var. cordulata.
Jonge twijgen, bladstelen enz. vwil-zilvergrijs beschubd. Blade-
ren lang-gesteeld 3 —8-(meest 6 of 7-) jukkig; blaadjes kort-
of lang-gesteeld (5—20 mM.), lancetvormig of ei-lancetvormig, de 3
of 4 onderste paren dikwijls elliptisch met nagenoeg gelijken spitsen,
stompen of afgeronden voet, spits-toegespitst; in sicco van boven olijf-
bruin v. o. geelachtig-zilverwit glanzig, bijna niet bruingestippeld,
levend van boven donkergroen, van onderen zilverwit. Bladsteel
half rolrond, van boven vlak of iets uitgehold met scherpe randen;
bladspil met den steel 280—420 mM. Blaadjes gemiddeld 150 —180,
soms tot 245 lang 5085 breed; aan bloeiende twijgen dikwijls
slechts 55—130 lang, 30 —40 breed (A. microphylla M1Q). Bloem-
pluimen lang pyramidevormig, lang-gesteeld, zijtakken gesteeld,
tweemaal vertakt, uiterste twijgen aarvormig, ongesteeld zelden tot klu-
wens verkort. Bloemen tweeslachtig zittend 35 mM. lang; Kelkbladen
breed-afgerond (breeder dan lang) met twee kleine schutblaadjes aan
den voet. Bloembladen 3 mM. lang; de buitenste elliptisch, de bin-
nenste lancetvormig, onbehaard; buis verlengd-obovaat met kleine
iets gekartelde opening. Helmknopjes eivormig, met hartvormigen
voet, ongeveer } der buislengte van den top verwijderd; onder het
midden van de bwis vastgehecht. Eierstok klein, bolvormig 3-hokkig,
g-eiig, wit beschubd; stijl dun, rolrond, zeer kort; stempel groot,
eylindervormig. Vrucht onbekend.
Aanm. Beschrijving naar een paar specimina van Herb. Kps, en levend exemplaar
(LIL B 34) in Hort. Bog.
Geogr. verspr. en Standplaats: Alleen in Bantèn en Preanger op
0—400 M. gevonden; nl. bij Sanggrawa in distr. Djampang-koelon op
400 M. en bij Palaboehanratoe aan Zuidkust-Preanger op 100 M. en bij
Tjömara in 4. W. Bantën (afd. Tjaringin) op 0—200 M. zeehoogte Op
die plaatsen niet algemeen. Op constant vochtigen grond in hoogstammig,
zeer heterogeen altijdgroen oerwoud. Buiten Java: onbekend: — Bladaf-
val: Altijdgroen — Voorkomen: Niet gezellig. — Gebruik: Hout:
zou bruikbaar zijn voor huisbouw. Schors enz. niet gebezigd. — Inl.
namen: Bij Tjémara (Bantën) en Palaboehan (Preanger) vrij constant
Tanglar, s. of Tanglar-goenoeng, s. Met beide namen een paar andere
boomsoorten eveneens aangeduid. — Habitus: Typisch door de groote
AGLAIA. — 167 —= MELIACEAE.
grof gevinde bladeren, waarvan de blaadjes van onderen fraai zilverwit
zijn en in vorm en groote op Durio (Doerian, ml.) gelijken.
A. argentea var. spendens K. ef V.
Ramuli juniores cum petiolis et inflorescentiis sordide-argenteo-lepidoti.
Folia longe petiolata 3—8-juga; foliola breviter (vel in ramulis sterilibus
longe) petiolulata (5—20 mM.), lanceolata, vel ovato-lanceolata (juga 3—4
inferiora saepe elliptica minora), basi aequali vel subaeguali acuta vel obtusa
vel rotundata, apice anguste acute acuminata ; in sieco supra olivacea, subtus
ochroleuco-argentea vie rubigineo-punctulata; in vivo supra saturate viridia
subtus splendide alba. Petiolus senviteres, supra complanatus acutangulus
cum rhachi tereti 289 —420 longus. Foliola saepius 150—180 longa et + 50
lata, nonnaungwam 245 longa et 85 lata; interdum 55—130 longa et 30 — 40
lata. Panicutae elongatae, pyramidales, longe peduneulatae, ramis paniculatis
pedunculatis bis ramulosis; ramulis ultimis a basi spicatim florigeris, raro
in glomerulas abbreviatis. Flores sessiles 3 mM. longi. Calyx profunde
B-partitus, segmentis latis rotundatis obovatis, bracteis 1—2 conformibus, 4
brevioribus suffultus. Petala 3 mM. longa, exteriora elliptica, interiora
lanceolata. Tubus obovato-oblongus apertwra parva swberenutata. _Anthe-
rae ovatae, basi cordatae, glabrae, erectae, parum infra medium tubum in-
sertae, apice a tubi orifieio } parte tubi longitudinis distantes, filamentis
aeqwilongis (& mM.) parum prominulis. Pollen oblongo-trigonum 20 u
longum et 12 latum; plicis 3 subtilibus meridionalibus, poris tis transversis
oblongis. Ovarium incomplete 3-loculare, 3-ovulatum, argenteo-lepidotum
subglobosum parvwm. Stylus tenuis brevissimus. Stigma magnum cylindri-
cwm. _Bacca matura nondum visa.
£. Blaadjes van onderen roestbruin-viltig, veelnervig 10 —12-jukkig.
15. Aglaia barbatula K. et V. n. spec.
Nogal hooge boom H == 20—25 M-bij D= 40—50 cM. Stam:
Nogal recht. Kroon nogal iijl. Schors van een 13 M. hoog individu
(4703 3) met onvertakten kaarsrechten stam en slechts aan den top
geplaatste ruim | Meter lange bladeren: 6 mM. dik. Bros. Buiten
grauw. Doorsnede en binnen vuilwit. Zonder lenticellen. Met wei-
nig wit melksap. Zonder bladgroen. Met aromatischen aan Cedrela-
schors herinnerenden reuk en zeer bitteren smaak.
Jonge twijgen, bloeiwijzen en bladspillen donkerbruin-kort-viltig
behaard. Bladeren lang, onevengevind, 10—12-jukkig, lang-gesteeld
Dr Ds
Per :
- J -
MELIACEAR. — 168 SS ÄGLAIA.
(cE 200 mM.) Bovenste blaadjes meest tegenovergesteld, de lagere
afwisselend, kort gesteeld, langwerpig, met afgeronden of hartvormigen
voet en kort spits toegespitsten top, leerachtig, van boven onbehaard,
van onderen dicht roestbruin-stervormig-viltharig, met talrijke (28— 30)
rechte evenwijdige van onderen uitspringende zijnerven. Bladsteel,
afgerond-vierkant, van boven met een diepe breede groeve, aan den
voet sterk aangezwollen; bladspil rolrond, met fijne rimpels, + 760
mM. lang. Blaadjes 140—250 meest 210 mM. lang bij 60—85,
meest 70; bladsteeltjes 8 mM. Bij niet bloeiende exemplaren van
een nabijgelegen vindplaats zijn de bladeren reusachtig (tot 15 Meter
lang); blaadjes van *|, tot bijne *t/, Meter lengte, 35— 40-nervig,
met hartvormigen voet en vrij lang toegespitsten top. Pluimen
(van een vrouwelijk exemplaar) veel malen korter dan de bladsteel
(+ 90 mM.) met dikke hoofdas, gesteeld (30 mM.), kort vertakt
aan den top enkelvoudig; zijtakken 10 —20 mM. lang, stevig, recht
uitstaand. Bloemen klein + 3 mM; op zeer korte dikke steeltjes
met zeer klein schutblaadje even lang als de de kelk. Kelk napvormig
met 5 korte stompe lobben, dik stervormig-ruigharig en gewim-
perd; bloembladen 5 elliptisch, onbehaard ; meeldradenbuis bijna zoo
lang als de bloembladen, omgekeerd ei-elliptisch, met nogal wijden
zwak gekartelden rand, fijn gewimperd; helmknopjes iets boven het
midden van de buis ingeplant, met de rugzijde daaraan vergroeid,
rechtopstaand, eivormig-rond, met breed connectivum, aan den top
en langs de randen kort wollig-behaard; eierstok half met den kelk
vergroeid, na den bloei bovenstandig, 3-hokkig, met twee eitjes naast
elkaar in elk hokje; stijl dun, langer dan het vrije deel van den
eierstok en evenals dit dik-wollig behaard, stempel kegelvormig, groot.
Bes niet rijp, bolvormig, groot, (+ 60 mM.) roestkleurig viltharig
zonder overblijfselen van den kelk, met zeer dikke vleezigen, melksap-
houdenden wand, 3-hokkig, 6-zadig. Zaden langwerpig, zijdelings
afgeplat, met dikken weeke zaadhuid (of volledigen aan de zaadhuid
aangegroeiden zaadrok?) zaadlobben boven elkaar, kiem zeer klein,
in het midden ingesloten.
Aanm. Beschrijving naar één enkel bloeiend en vruchtdragend exemplaar van Herb.
Kps. (4706 2) uit Bantén en naar eenige niet-bloeiende door de reusachtige bladeren uit-
muntende exemplaren (4712 2 ete.) uit Djampang (Preanger).
AGT AIA. 169 MELIACKAE.
Door den vorm der bladeren en de beharing nadert deze soort tot A. argentea, en ook
eenigszins door den vorm der bloemen en de vertakking der bloeiwijze ; met baardjes voor-
ziene helmknoppen zijn echter nog slechts bij één andere Aglaia bekend, namelijk bij
A. trichostemon C. Dec. uit Borneo, die overigens niet met onze soort overeenkomt.
Aglaia grandis Kortu. (uit Borneo), waaraan de soort door den vorm en de grootte der
blaadjes herinnert heeft een geheel ander karakter van beharing.
Geogr. verspreidingenstandplaats: Door ons slechts 3 boomen
gevonden: tusschen Takòka en Soekanëgara in distr. Djampang-wètan
2) bij Sanggrawa in distr. Djampang-koelòn (Preanger) op 800 M.
zeehoogte en 3) bij Tjömara in afd. Tjaringin in Bantën op 200 Meter;
alle op constant vochtigen vruchtbaren grond in hoogstammig heterogeen
aldijdgroen oerwoud. Zeldzame boom. Bwiten Java: onbekend. — Bladaf-
val: Altijdgroen. — Bloei- en vruchttijd: Juli door ons bloemen en
vruchten verzameld. — Gebruik: Hout: Volgens in Djampang verkregen
inlichting zoude het kernhout roodbruin zijn, sterk en duurzaam en met
aan Cedrela- hout herinnerenden, doch minder sterken reuk, en zeer geschikt
voor huisbouw. Boom echter zeldzaam, en alleen daarom zelden gebezigd.
In Bantén bij Tjëmara aan de inlanders eigenschappen van het hout
onbekend. Schors enz.: niet gebezigd. Bladeren reukeloos; met eenigszins
bitteren smaak. — Cultuur: Aantebevelen als sierboom om de sierlijke
bladeren en wellicht ook om het hout. — Inl, namen: In distr. Djampang
(Preanger) constant Siloewar, s. In Z. W‚ Bantên aan inlanders onbekend
Habitus: Typisch. o. m. te herkennen aan de zeer lange (ruim 1 Meter)
gevinde bladeren met sierlijke '/, M. lange onder kaneelbruine gaafrandige
blaadjes; wit melksap in jonge takken. Herinnert in blad eenigszins aan
Meliosma ferruginea Br.; dáár echter geen wit melksap.
Arbor medioeris; cire. 20—25 M. alta. Ramuli juniores; inflores-
centia et rhaches foliorum canellaceo-tomentellae. Fotia longe petiolata (+
200 mM.) longa, impari-pinnata 11—12-juga. Foliola superiora saepe oppo-
sita, inferiora alterna, brevi-petiolulata, oblonga; basi rotundata vel sub-
cordata; apice breviter acutiuscule cuspidata ; coriacea ; supra glabra; subtus
ferrugineo-stellato-tomentosa; nervis lateralibus cum costa subtus valde
prominentibus strictis, parallelis + 28— 30 utringue. Petiolus subtetragonus,
profunde late sulcatus, basi inerassatus, eum rhachi tereti, rimulosa, 760
mM. longus. Foliola 210 (140—250) mM. longa et 70 (60-85) lata ; petioluli
8 mM. longi. Paniculae (femineae) petiolo multoties breviores modice
pedunculatae pauci-ramosae, superne simplices, ramis brevibus, crassis, a
basi inde racemosis; paniculae +- 90 mM. longae, ramis 10—20 m M. longis.
Pedunculus 30 mM. longus et 5 mM. crassus. Flores Q +3 mM. longae
brevissime crasse pedicellati; bractea minuta suffulti et bracteola calyci
appressa et subaequilonga munita. Calyx cupularis, breviter 5-fidus,
lobis obtusis, dense stellato-hirsutus et ciliatus. Petala 5 subaequalia ellip-
tica glabra. Tubus petalis vix brevior obovato-ellipticus late apertus, ore
obtuse suherenulatus, minute ciliolatus. Antherae inclusae supra medium
It
MELIACEAE. — 170 — ÁGLAIA.
tubi insertae ejusque dimidium aequantes, ovato-rotundae, cassae, connectivo
lato apice et ad margines dense barbatulo. Ovarium semiinferum, demum
superum 3-loculare; ovulis binis collateralibus; cum stylo brevi gracili
dense tomentosum ; stigma magnum conicum. Bacca globosa magna (+ 60
mM. diam) ferrugineo-tomentella, calycis vestigia nulla exhibens, pericarpio
crasso (10—75 mM ) carnoso. Semina immatura tantum visa nec bene
conservata in loculis singula vel bina, et tum lateraliter valde compressa,
oblonga, 30 mM. longa et 10 lata; testa coriacea, arillo ommino adnata
induta (an ipsa testa incrassata, arillo nullo?).
Adn. Specimina sterilia in alio loco sed a praecedenti haud procul
collecta et sine dubio econspecifica, foliis 1—14 metrum longis 10-jugis
foliolis terminalibus fere semimetralibus usque 40-nervis basi cordatis
apice longius cuspidatis, modice petiolulatis, insignia sunt.
Nomen barbellatam ob antheras barbellatas in genera Aglaia sat raras
dedimus.
„ Bladeren van onderen met bruine sterharen en 5-jukkig, bloemen zeer klein 1/, mA.
16. Aglaia aspera Teysm. et BiNNEND.! Nat. Tijdschr. N-I.
XXVII p. 43 Mrq! Ann. IV p. 52.; Cas. Dec. le. 620.
Nogal hooge boom: H==20—25 M. bij 35—40 cM. Stam:
Recht; nogal rolrond; met ondiepe gleuven; zonder knoesten; bijna
zonder wortellijsten. Kroon: Nogal ijl; onregelmatig ; hoogaangezet.
Takken: Niets opmerkelijks. Schors: 5} mM.dik. Bros. Bui-
ten grauw; doorsnede bruinrood; binnen vuil-bruinachtig wit. Met
lenticellen in fijne overlangsche barsten. Zonder melksap (maar met
witachtig melksap in de jonge takken). Met aromatischen, stinkenden
reuk en bitter-aromatischen smaak.
Twijgen, bladstelen en bloeiwijzen, roodbruin-kort-melig-beschubd.
(stervormige schubben). Bladeren lang, langgesteeld (100—175 mM.),
onevengevind, meest 5-jukkig, zeldzamer 6—7-jukkig. Blaadjes meest
overstaande, langwerpig-lancetvormig, nu en dan ei-lancetvormig,
kortgesteeld met ongelijken, wigvormigen, bij het steeltje eenigszins
afgeronden voet (het eindblad van onderen gelijkmatig versmald en
in een vrij langen bladsteel uitloopend); aan den top in een lange
of korte zéér spits witloopende punt eindigend; van boven langs de
middelnerf (bij de jongere over de geheele oppervlakte) met grove
ÄGLAIA. ll == MELIACEAE.
stervormige schubben, met plat aanliggende veelstralige stervormige
haren bedekt, waartusschen grovere, langere, roodbruine (dennenboom-
vormige) vooral langs de tusschenaderen verspreid zijn, rwwharig ;
zijnerven 16—20, in andere exemplaren + 25, evenwijdig recht
uitstaande, van onderen sterk uitspringend. Bladspil en steel rolrond,
250—360—530 mM. lang ; blaadjes 150—250 bij 48—70, bladsteeltjes
46 mM; punt 10—25 mM. lang. Blaadjes levend dofgroen, van
onderen licht roodbruinachtig-groen. Pluimen gesteeld, bijna even
lang als de bladeren, pyramidevormig, zeer vertakt, 200—340 mM.
lang, van onderen 100—160 mM. breed; hoofdsteel 50 mM. ; takken
schuin opgericht, de onderste 200 mM. lang, herhaaldelijk vertakt,
uiterste twijgen dun, trosvormig. Bloemen zéér klein (nauwe-
lijks 0.5 mM.), gesteeld, onder het steeltje gearticuleerd en door een
zeer klein eivormig schutblad gedragen. Kelk diep-vijfdeelig, met
stompe of afgeronde segmenten, beschubd en gewimperd. Bloem-
bladen cirkelrond, onbehaard. Meeldradenbuis onbehaard, napvormig ;
helmknopjes zeer nabij den rand geplaatst en voorovergebogen, miet
geheel ingesloten, breed- eivormig stomp, stuifmeelhoudend (stuifmeel
13 wg lang 8 w breed); buis onder de meeldraden niet duidelijk ge-
ribd; eierstok klein, eylindervormig (één-hokkig?); stempel groot,
breed-schijfvormig, gegroefd. Besvruchtlangwerpig-bolvormig 35
mM. lang bij 30, licht-steenrood, zeer kort-stervormig-behaard, met
zeer dikken, van buiten korstharden, brozen, van binnen weeken,
witten wand, éénzadig. Zaad ellipsvormig aan de buikzijde afge-
plat, met zwarte zaadhuid met zaadnerf, die langs de rugzijde tot
over het midden verlengd is en aan den voet kielvormig uitspringt ;
geheel omgeven door een sappige, gelatineuse, lichtgroene zaadrok ;
zaadlobben boven elkaar geplaatst, van binnen vuil-vleeschkleurig.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. behalve van de vrucht, Deze naar een levend
exemplaar uit Hort Bog. III B 36 (in Juli vruchtdragend; onder den tuinnaam A.
acuminatissima T. et B.) Vergeleken met authenthiek exemplaar in Herb. Bog.
Geogr. Verspreiding en Standplaats: Door ons slechts eenige
boomen gevonden bij Takòka op 1000 M. in afd. Soekaboemi (Preanger)
en bij Tjömara op 200 M. in de afd. Tjaringin (Bantön); op constant
vochtigen, vruchtbaren grond in hoogstammig, zeer heterogeen, altijdgroen
oerwoud. Zeldzame boom. De in Hort. Bogor. staande boom, waar-
schijnlijk van den G. Salak bij Buitenzorg afkomstig. Buiten Java:
MELIACEAE. =D == AGLAIA.
onbekend. — Bladafval: ? Altijdgroen. — Bloei- en vruchttiijd:
Door ons bloemen in April en vruchten in Juli verzameld. — Gebruik:
Hout: volgens in Bantèn verkregen inlichtingen niet duurzaam en slechts
hoogstzelden gebezigd. In Preanger bij Takòka voor bovenbouw (onder
dak) bruikbaar geacht; evenwel ook zelden gebezigd. Schors enz.: Niet
gebruikt. Bladeren soms zeer zwak naar ? uien riekend, met onaangenaam-
aromatischen smaak. — Cultuur: Niet aan te bevelen. — Inl. namen:
Bij Tjömara (Bantën) soms T'anglar-peutjang, s.; bij Takòka (Preanger)
van meeste inlanders onbekend, soms Ki-siloewar, s. genoemd. Beide
namen onzeker en ook voor een paar andere boom soorten gebezigd
(vooral voor een paar Aglaia-soorten). — Habitus: Niet in het oogval-
lend; is de kleinst-bloemige van Javaansche Aglaia’s.
Ramuli, petioli, inflorescentiae breviter rufo-stellato-furfwracei, subgla-
brescentes. Folia longa; longe petiolata (100—150 mM.) imparipinnata,
saepissime 5-juga(— T-juga). Foliola saepius opposita, oblongo-lanceolata,
modo ovato-lanceolata, breviter petiolulata, basi inaeqguali acuta vel obtusa
(foliolum terminale paullo longius petiolwlatum, basi aequali attenuatum)
apice subabrupte in acumen longum, rarius breve, angustum, acutissimum
producta; supra ad costam mediam (juniora per totam superficiem) rufo-
lepidotula, subtus pilis stellatis orbicularibus incoloribus appressis majoribus
(piniformibus) erectioribus, rufis imprimis ad nervos intermirtis, dense
conspersa, aspera; nervis lateralibus modo 16—20 modo 24 patulis, subtus
prominentibus. _Rhachis cum petiolo teres 250—360 mM. longa. Foliola
in vivo supra opaco-saturate-viridia, infra sordide rufulo-viridia; 150—250
mM. longa et 4A8—7TO lata; petioluli + 4—10 mM.; acumen 20—25 mM.
Paniculae alabastriferae 200 mM. longae, pyramidatae, foliis parum bre-
viores, pedunculatae, pyramidatae, valde ramosae, 200—340 mM. longae et
100 —160 mM. latae, peduneulo 50 mM. ramis erecto-patulis, infimis usque
200 mM. longis iteratim ramulosis, ramulis ultimis teneris racemoso-floridis.
Flores parum aperti, globosi, minuti (via 0.5 mM.), pedicellati, sub pedicellum
gracilem flori subaequilongum articulati, bractea minuta suffulti. Calyx
profunde 5-partitus, segmentis rotundatis lepidotis, ciliatis. Petala 5 glabra,
rotundata. Tubus cupularis, subinteger, glaber, intus haud conspicue cos-
tatus. Antherae ovatae, prope marginem insertae, inflexae, haud totae in-
clusae, polliniferae (pollen 13 mz longum et S pa latum). Ovarium parvum,
eylindrieum (fertile?) Stigma lato-discoideum, suleatum, Bacca monosperma,
subglobosa 35 mM. longa 30 lata, pallide latericia glabra; pericarpio crasso
(5—10 mM.) extus durissimo, crustaceo, intus molli. Semen dimidiato-
ellipsoideum arillo gelatinoso-pellucido (sapore acidulo, odore Lansii) viri-
descentt vestitum; testa nigro; raphe basi in carinam producta, in dorsum
seminis adscendens; cotyledones superpositae, intus sordide carneae.
ÄGLAIA, — 173 — MELIACHAE.
ò, Blaadjes van onderen met grove sterharen, 10 maal langer dan breed.
17. Aglaia angustifolia Mrq. Ann. 1. e. p. 55; Cas. Dec. 1. e. 617; —
Hartighsea angustifolia Miq. Fl. supp. 1 p. 161, 504.
„Bladeren lang-gesteeld (130 mM.); 7—10-jukkig; blaadjes tegen-
over elkaar, zéér kort gesteeld, zeer lang, smal-lancetvormig, aan
den voet iets ongelijk-afgerond of bij de bovenste gelijk en stomp ;
vrij stevig; in sicco dof, bleek; van boven onbehaard, van onderen met
stervormige grove haren en schubben; middelnerf van onderen uit-
springend; zijnerven een weinig uitspringend; zijnerven een weinig
uitspringend, opklimmend, recht, ongeveer 40 aan weerskanten. Blaad-
jes tot 350 mM. lang bij 25. Bladspil en steel stervormig-grof harig,
van boven gegroefd. Pluimen ongeveer even lang als het blad,
gesteeld, pyramidevormig, iijl-vertakt, met rosse, lange sterharen be-
dekt; kelk diep, stomp 5-tandig, van buiten stervormig-beschubd en
gewimperd; bloembladen onbehaard, obovaat-rond; buis omgekeerd-
eivormig, onbehaard, bijna gaafrandig; eierstok zeer kort. Bes bol-
vormig, rossig-stervormig-viltig” (C. DC. L c.)
var. @. Horsfieldiana, Cas. Dec. Blaadjes afwisselend, korter dan
in het type en spits-toegespitst; pluimen even lang als de bladeren;
bloembladen obovaat-elliptisch; besvrucht + 20 mM. dik.
Aanm. Ontbreekt in Herb. Kps.
Geogr. verspreiding: Het type alleen van Sumatra bekend. De
var 3 door HorsrieLp op Java gevonden ; zonder nadere omschrijving van
vindplaats.
„Folùis longe petiolatis, T—10-jugis; foliolis oppositis, subsessilibus vel
brevissime petiolulatis, longissimis, anguste lanceolatis, basi Jaeviter inaequali
rotundatis vel superioribus basi aequali obtusiusculis, supra glabris, subtus
stellato-hirsutis lepidotisque; paniculis folia subaequantibus, pedunculatis,
laze pyramidato-ramosis, rufescenti-stellato-villosis; calyce profunde obtuse
S-dentato, extus stellato-lepidoto ciliolatoque; petalis glabris; tubo obovato,
glabro, subintegro; ovario brevissimo; bacca globosa, rufescenti-stellato-
tomentosa. HFoliola firmula, in sicco pallida, ad 350 mM. longa et 25 lata;
nervo medio subtus prominente secundariis subtus prominulis, adscendenti-
MELIACEAE. — 174 —= ÄGLAIA.
bus, rectis, utringue circiter 40 Rhachis cum petiolo 13 cent longo dense
stellato-hirsuta, supra sulcato, circiter 3 mill. crassa. Petala obovato-
rotundata.”
„In Sumatra (Mra. in herb. Kew. et Petrop.)
£ _Horsfieldiana; foliolis alternis subalternisve, quam in typo brevio-
ribus et acute acumimatis; paniculis folia aequantibus; petiolis obovato-
elliptieis; bacca circiter 2 cent. crassa.”
„In Java (Horsrieup in herb. Brit. Mus.) (Cas. Drc.).
C Onvolledig bekende soorten.
a twijgen en bladspillen dicht-donkerbruin-behaard; bladeren 9—11 jukkig.
18. Aglaia longifolia Teysm.et Binn. ! Nat. Tijdschr. N. L. XXVII.
p--49; Mio. Ann. Le. 97; Gag! Dre. lob B7
„Fwijgen dik bijna rolrond, evenals de bladspillen en steeltjes
met een dikke roestkleurige stervormig-melige haarbekleeding; blad-
steel en spil eenigszins 4-hoekig, de eerste van boven oppervlakkig
gegroefd; blaadjes 9—11l-jukkig, bijna overstaand, gesteeld, de onder-
ste dikwijls afwisselend en breeder, de overige lancetvormig, kort-
toegespitst met breed wigvormigen ongelijken voet, de drie boven-
ste nabij elkaar; het eindblad iets langer gesteeld; van boven met
afvallende sterharen, weldra onbehaard, van onderen met stervormige,
rossige haren langs de hoofd-en zijnerven en kleinere op de tus-
schenaderen; met 15—20 uitstaande stevige zijnerven’”’ (Miquer Le.).
Aanm. Deze soort ontbreekt in Herb. Kps. Authenthiek exemplaar (van één in den tuin
gekweekt exemplaar afkomstig in Herb. bog. en enkele blaadjes uit herb. Rhen. Traj.)
karakteristiek door de roestbruine, dikke beharing der twijgen en bladspillen, en door de
grove ver uiteenstaande sterharen der bladonderzijde, zeer gelijkende op 4. angustifolia
en nauwelijks soortelijk te onderscheiden. De beharing der bladeren komt overeen met
die van 4 subgrisea Mriq. en volgens C. Dec. met die van 4. aspera T, et B. Soort volgens
TEYSMANN op den Salak verzameld.
Geogr. verspreiding. TeysmanN op den Salak, vroeger gekweekt
in Hort. Bog.
„Foliis magnis, longe petiolatis, 9—11 jugis; foliolis suhalternis, breviter
petiolulatis, anguste oblongis, basi inaequali, cuneato-acutis, supra glabris,
subtus parce stellato-lepidotis”
„Ramuli dense fuliginoso-lepidoti. Folia ad 500 mM. longa; foliola fir-
AGTAEN, en MErLIACEAF.
mula, subopaca, in sicco supra glaucescentia ad 160 mM. longa et 35 mM.
lata inferiora et suprema paullo minora ; nervis secundariis subrectis, patulo-
ascendentibus, subtus, subprominulis utringue 15—20. Rhachis cum petiolo
circiter 90 mM. longo teres, dense ferrugineo-stellato-lepidota.”” (Mrquer 1. c.)
b twijgen en bladspillen dicht-stervormig-melig-beschubd; bladeren 9—10-jukkig.
19. Aglaia polyphylla MrQ. Ann. Lc.
„Ewijgen bladstelen en bloeiwijzen met klierachtige zemelige en
stervormige schubben dicht-bedekt. Blaadjes 9 — 10-jukkig, vrij lang-
gesteeld, afwisselend, lancetvormig, met een breeden ongelijken bijna
afgeknotten voet, de jongere van boven stervormig beschubd, van onde-
ren, rossig-stervormig-viltig, gedeeltelijk kaal wordend, met 16—20
uitstaande zijnerven; pluimen axillair even lang als de bladeren met
hoekige assen, knoppen aarvormig aan de zijtakjes, geheel rossig-
viltig”. (Mriquer l. c.)
Aanm. Beschrijving overgenomen.
Deze door JUNGHUEHN verzamelde soort is volgens Mrqurr zelf (l. ce. p. 57) niet met vol-
doende zekerheid van 4. longifolia T. et B. onderscheiden.
Authenthiek niet gezien. Misschien & of ij van 4. barbellata K. et. V.?
„Ramuli petioli eum inflorescentia furfure glanduloso et indumento sub-
stellato dense rufo-obducti; foliola utrinque 9—10 cum impari, alterna,
longiuseule petiolulata, e basi lata inaequali subtruncata, lanceolata, sub-
acuminato-aeuta, iumiora supra pube stellata in venis diutius persistente
adspersa, subtus costulis utringue 17— 20 patulis pertensa, juniora rufo-stella-
to-tomentella, partim glabrescentia paniculae axillares foliis subaeqwilongae
axibus compressis angulatisque, ramulis nune spicato-alabrastriferis; ala-
bastra tota rufo-tomentella.”’ (MrQueu Lc.)
@ Bladspillen en blaadjes met platte ronde sterschubben, blaadjes 6-T-jukkig, zéér groot.
20. Aglaia acuminatissima Teysm. et Binn. Nat. T. N.I. 27 p. 43;
Mig. Ann. 1. ce. p. 48; Cas. Deo. 1. e. p. 625.
„Bladeren groot, langgesteeld (+ 100 mM.) 6-7-jukkig, de drie
bovenste dicht bij een, het onderste juk half zoo groot als de overi-
MELIACEAE. — ITerE AGTAIA.
gen; allen dik-gesteeld; langwerpig met stompen bij de steel iets
uitgeranden voet, vrij plotseling smal en spits toegespitst, in sicco
perkamentachtig; met 16—24 uitstaand opgerichte zijnerven, die bij
den rand niet ineen loopen, met dunne rechthoekige tusschenaderen,
van boven onder het vergrootglas donker-gestippeld, op de middelnerf
met fijne gewimperde zemelige schubben, van onderen met gele en
bruine gewimperde schubben als ’t ware gestippeld, op de nerven met
vlakke ronde sterharen, die in het midden klierachtig zijn ; de bovenste
+ 300 mM. lang de onderste 130 —150.
var. 2 Kambangana Mrq.!l.e. verschilt door breedere, rechte of eenigs-
zins scheve, soms obovaat-langwerpige, kort toegespitste, (de onderste
apiculate) bladeren, met 26—30 paar zijnerven” (MrqueLl. c.)
Aanm, Een authenthiek exemplaar niet gezien. Hen exemplaar in Hort. bog. als
A. acuminatissima gekweekt behoort tot A. aspera T. et B.
Van de variëteit Kambangana zagen wij één blaadje, dat door de grove, ver uiteenstaande
borstelige sterharen vrij belangrijk van de beschrijving van MrqverL afwijkt.
Naar de beschrijving te oordeelen wellicht synoniem met 4. aspera T. et B. Dit is
alleen door vergelijking met het authenthieke uit te maken.
„Folia longa, petiolo proprio longo subeylindrieo suffulta; foliola utrin-
que T cum impari, tria suprema approvimata, infima mediis duplo minora,
omnia crasse petiolulata,e basi obtusula, supra petiolum minute emargi-
nella, oblonga, subabrupte anguste acuteque acuminata, (in sicco) perga-
macea, costulis utringue 16 (infimorum24) subpatule erectis prope margi-
nem arcuato-erectis nec unitis, venis rectangule interiectis teneris, supra ad
lentem dense punctata in costâ lepidibus erilibus ciliatis furfurella, subtus in
parenchymate lepidibus flavidis fuscisque ciliatis quasi punctata, in nervis
lepidibus longe ciliatis seu pilis stellatis strictis centro glandulosis orbicu-
laribus (uti petioli) obducta; inflorescentiae gemma _supra-axillaris”
(Mrqver 1. c.)
d Zwijgen en bladonderzijde met stervormige schubben, bladeren 2—3-jukkig.
21. Aglaia subgrisea Mrg.! Ann. IV p. 54; — Milnea montana
Teysm. et BinN.! Cat. p. 211 (fide MrqueL excl. syn. Jack).
AGLAIA. —= U MELIACEAE.
„Twijgen stervormig-beschubd, grijs. Bladeren matig gesteeld
(H- 55 mM.) 2-jukkig, ongeveer 300 mM. lang. Blaadjes overstaande,
zeer kort gesteeld, elliptisch, met een gelijkzijdigen spitsen of stompen
voet, en een vrij lang spits toegespitsten top, van boven onbehaard
met stervormige afvallende haren op de nerven, vliezig, eenigzins
doorschijnend, zonder doorschijnende stippels, van onderen vooral
op de nerven stervormig beschubd, in sicco groenachtig; bovenste
blaadjes grooter dan de overige, ongeveer 210 mM. lang bij 95 ; zij-
nerven van onderen niet zeer uitspringend, uitstaand-opklimmend,
ongeveer 13—16 paar. Bladspil en steel dicht-stervormig beschubd.”
(MrqverL. L. c.)
Aanm, Beschrijving overgenomen.
Het voorkomen dezer soort op Java onzeker. De beschrijving van MrQqueL is naar een
in den Hort. Bog. gekweekt door TEyYsMANN toegezonden exemplaar (onder den volgens
MrquerL onjuisten naam Milmea montana JACK) dat op Java of op Sumatra verzameld was en
op beide eilanden zou voorkomen. Het authenthiek exemplaar in Herb. Hort. bog, van
een gekweekt exemplaar afkomstig gelijkt buitengewoon veel op A. acuminatissima
var. kambangana Mrq. In de beschrijving vaa Mrquer is de beharing niet volkomen juist
teruggegeven, daar de stervormige haren niet alleen langs de nerven maar over de geheele
ondervlakte gelijkmatig verspreid zijn. Bij het exemplaar in Herb. Bog. zijn de blaadjes
soms 3-jukkig en smaller dan bij het authenthieke (één enkel blaadje) uit Utrecht toe-
gezondene,
„Ramuli petioli foliolagque subtus in nervis pilis stellatis griseo-furfurello-
tomentella, pilorum radüis erecto-patentibus; foliola utringue 2 eum impari,
alterna subiugato-approvimata, raro opposita, petiolulata, superiora maiora,
e basi rotundata raro obtusula acutave lato-elliptica lenge angusteque
acuminata, maiora versus apicem obsolete lato-repandula supra in nervis
parce deciduegue stellato-pubera, subtus in nervis densius stellato-furfurellu,
costulisque utringue 13—16 suhpatulis leviter arcuatis ante marginem
areuo-tenuis unitis ; pandeulae.” (Mrqver U. c.)
Adn. Specimen authenthicum in herb. Hort. Bog. foliola 2—3-juga
subalterna, infra per totam superficiem pilis stellatis appressis conspersa
exhibet et vin ab A, aeuminatissima var Kembangana distingwenda videtur.
Panieulae (floribus in fauste comesis) laxe ramosissimae ochraceo-tomentosae
adsunt.
Niewwe onvolledig bekende soort (1)
22. Aglaia Zollingeri Cas. Dec. in Bull. Herb. Borss. 1 (1894)
p. 579.
(1) Zie boven blz. 126 onderaan.
12
MELIACEAE. — 178 — ÄGLAIA.
Onbehaard. Bladeren lang-gesteeld, evengevind, 3-jukkig, onge-
veer 140 mM, lang. Blaadjes overstaand, bijna zittend, ei-lancetvor-
mig met spitsen voet en stomp-toegespitsten top, in sicco vliezig,
lichtgroen, tot 125 mM. lang bij 65 breed; bladspil rolrond, onbe-
haard evenals de 60 mM. lange bladsteel. Pluimen eindstandig,
ongeveer even lang als de bladeren, ijl vertakt met armbloemige
zijtakken, buitente bijschermen 1-bloemig; bloemsteeltjes nogal lang
onbehaard. Kelk stomp 4-tandig; bloembladen 4 met afgezonden
top, in den knop gedraaid + 3—5 mM. lang; buis kroesvormig,
onder den top vernauwd met fijn getanden rand, tandjes uitgerand ;
Helmknopjes 8 afwisselend met de tandjes. Hierstok onbehaard
eylindervormig, gegroefd, op den zeer korten steelvormigen schijf
geplaatst. Stijl zeer kort, stempel rond.
Aanm. Beschrijving (naar een exemplaar van Zour. No. 2846 in Herb. Borss.) geheel
van Cas. Dec. l.e. overgenomen; ontbreekt in Herb. Kps. ; door het bezit van 8 helmknopjes
komt zij alleen met Aglaia Busideroxylon en heptandra K. et V. overeen, van welke
beide soorten zij echter o.a. door het gemis van beharing geheel afwijkt.
„Glabra foliis longiuseule petiolatis, abrupte pinnatis 3-juais; foliolis oppo-
sitis, subsessilibus, ovato-lanceolatis, basi ima acutis, apice obtusiuscule acu-
minatis; panicula folio fere aequilonga, lave ramulosa floribus longiuscule
pedicellatis glabris, calice obtuse 4-dentato, petalis 4 apice rotundatis, tubo
wreeolato sub apice contracto margine denticulato, antheris 8.”
„Folia alterna eirciter 14 cM. longa. Foliola in sicco membranacea laete
virescentia ad 124 cM. longa et ad 6} cM. lata. Rhachis cum petiolo
circiter 6 cM. longa, teres glabra. Pamieulae terminalis ramuli pauciflori
eymulae ultimae uniflorae, ergo neque spicatim neque glomeratim florigerae.
Petala in aestivatione contorta, circiter 35 mM. longa. Tubi denticuli apice
emarginulati. Antherae cum denticulis alternae. Ovarium glabrum, eylindri-
cum, swlcatwm, disco eo multum breviore stipitiformi insidens, 2-loculare.
Stylus brevissimus. Stigma orbiculare. (Cas. Drc).”
In Java (ZouLineer, n. 2846 in herb. Borss.)
8. LANSIUM, Rumph.
Bloemen gemengdslachtig-tweehuizig, 5-tallig. Kelkbladen afge-
rond, dakpanswijze dekkend in den knop. Bloembladen afgerond,
LANSIUM. — 179 — MELIACEAE.
naar elkander geneigd, dakpanswijze dekkend in den knop. Meel-
dradenbuis kogelvormig, gekarteld; helmknoppen 10, stomp, in een
of (meestal) in 2 rijen, de kortste binnen de buis, de langste daar
gedeeltelijk boven uitstekend, soms gepunt. Schijf weinig ontwik-
keld.Bierstok bolvormig, 3—5-hokkig; hokjes met 1—2-eitjes; stijl
zeer kort en dik ; stempel afgeknot, 3-5-lobbig. Besvrucht 1 —5-hokkig ;
hokjes 1—2-zadig. Zaden langwerpig, met buikstandigen navel, in
een geleiachtigen zaadrok besloten, zonder kiemwit.
Boomen of heesters met melksap. Bladeren onevengevind, met
gaafrandige, afwisselende of tegenovergestelde, kort gesteelde blaadjes
Mannelijke bloemen in losse pluimen de vrouwelijke en tweeslach-
tige in aren of trossen; axillair of aan de oude takken geplaatst.
Aantal soorten 4-6 in HEngelsch-Indië en den Maleischen Archipel.
Eene soort L. domesticum Jack. wordt aldaar en in de Philippijnsche
eilanden gekweekt. Voor Engelsch-Indië zijn een drietal soorten onvol-
ledig beschreven, waarvan twee op Malacca voorkomen.
Op Java zijn twee soorten wildgroeiend aangetroffen waarvan één
L. humile HasskK ook op Sumatra en misschien ook op Malacca (L. cinereum
Hook) voorkomt en door de schrijvers geheel ten onrechte met L. domes-
tieum is vereenigd, terwijl de andere thans voor het eerst wildgroeiend
aangetroffen waarschijnlijk een variëteit van JL. domesticum is en mis-
schien dezelfde als de slecht bekende L. aquewm, die op Sumatra is
waargenomen.
Flores dioici. Sepala 5, rotundata, imbricata. Petala 5 rotundata, conni-
venta, imbricata. Tubus stamineus globosus, ore crenulato ; anthérae 10
inelusae, subacutae uniseriales vel biseriales 5 alternis insertae, semiexsertae.
Discus inconspicuus. Ovarium globosum, 3—5-loeculare ; stylus brevissimus,
crassus, stigmate truncato 3—5-lobo wv. radiato; ovula in loculis 1—2, ax
affiza. Bacca corticata, 5-locularis, indehiscens v. arbortu 1—4-locularis,
loeulis 1—2-spermis. Semina solitaria v. gemina, collateralia, oblonga, hilo
ventrali, arillo pulposo completa, testa coriacea; cotyledones transversae;
radicula supera.
Arbores lactescentes, glabrae v. ramulis pubescentibus. Folia impari
pinnata. Inflorescentia axillaris vel ex trunco oriunda ; flores parvi, ” laxve
panieulati ramosìi & et & racemosi. Baccae majusculae, flavae v. rubrae
arillo interdum eduli.
Obs. Genus nullo charactere essentiali ab Amoorae (Pseudo-aglaiae) sive
Aglaiae speciebus decandris (ev propositione Kine) discernendum.
MELIACEAE. — is LANSIUM.
1. Lansium domesticum Jack. in Trans Linn. Soc. XIV 115 t.
IV f. 1; CoRREA Di SERRA in Ann. Mus X 157 t. 7 f. 1; BLUME
Bijdr. 165; Kie. Flor mal. II p. 569; — ? L. agueum JACK Le. ;— L.
Javanieum Róm. syn. p. 93.
Nogal hooge boom: H==15—20 M. bij D=35—40 cM. Stam:
Nogal recht of recht met talrijke hoog oploopende diep overlangsche
gleuven. Schors: buiten grauw. Bladeren !/,„—!/, M. lang;
blaadjes 5—7, afwisselend, leerachtig, langwerpig elliptisch of eenigs-
zins obovaat, plotseling kort en stomp toegespitst, naar den voet
versmald en eenigszins ongelijk, aan beide zijden glanzig, netvormig
geaderd, onbehaard of bij den voet iets behaard; zijnerven + 10
paar, opklimmend, boogvormig, boven ingezonken, beneden uit-
springend (in sicco); lang 125 —250 mM. bij 70—100 ; bladsteeltjes 13
mM.; het eindelingsche 25 mM., geleed. Aren tweeslachtig, aan
den stam en de onderste takken alleenstaand of in bundels, behaard,
veel korter dan de bladeren. Bloemen zittend of op zeer korte,
behaarde bloemsteeltjes, alleenstaand, met zeer kleine schutblaadjes
aan den voet; kelk vleezig fijn-behaard met 5 ondiepe ronde tanden ;
kroonbladen langer dan de kelk, bijna rond, onbehaard. _Meeldraden-
buis bijna bolvormig, mond bijna gaaf, afgeknot, korter dan de
bloembladen, meeldraden in één rij; eierstok bolvormig, viltig-behaard
S-hokkig; stijl kort dik met 10 groeven, stempel breed, schijfvormig.
Bes langwerpig-eivormig tot omgekeerd-eivormig ; tijn-viltig behaard
25—40 mM. lang; zaden gewoonlijk 2 met dikken vleezigen door-
schijnenden zaadrok.
var. 2 pubescens K et V.;— (? L. agueum JACK.)
Bladeren van onderen evenals bladspillen en bladsteeltjes dicht-
zacht- behaard. Kelk diepgedeeld of bijna vrijbladig met ronde
dicht behaarde segmenten. Vruchten bolvormig in lange trossen
dicht opeengehoopt.
Aanm, Beschrijving van het type in hoofdzaak naar KixG overgenomen, (daar het
ons aan voldoende materiaal van deze cultuur-boomsoort ontbreekt) en onze var. pu-
bescens naar een boom in Hort. Bog (II C 4), naar gecultiveerden boom in Buitenzorg en
naar Herb. Kps. 3 5127 (wildgroeiend)., De in West-Java als Kòkòsan gekweekte vorm schijnt
ons door de boven opgegeven kenmerken zoozeer van ZL. domesticum af te wijken dat
LANSIUM. — 181 — MELIACEAE.
wij meenden haar als variëteit pubescens te moeten afzonderen, Waarschijnlijk behoort
tot deze variëteit een steriel exemplaar van Herb. Kps (van een wildgroeiende boom uit
Bantén) (5127 8). Ook komt zij in de beide kenmerken in, Jack’s eenregelige beschrij-
ving genoemd met diens ZL. aquewum overeen. JACK voegt hier nog bij dat zij om den
waterrijken zaadrok door de Maleiers op Sumatra als „ajer-ajer’” wordt onderscheiden
van Lansiwm domesticum JACK,
Geogr. verspreiding: „Malakka-Maleische Archipel” (Kina). Op
Java waarschijnlijk alleen een der variëteiten (var. Kòkòsan Hassk. — var.
pubescens K. et V.) wild of verwilderd. De var. « en (3 van Hassk.
(Doekoe en Bidjitan HasskK) op Java en elders vrij zeker alleen gecultiveerd.
Geheel Java tot op 1200 M. zeehoogte; (vooral op 0—600 M.) geplant.
Gecultiveerd in bijna alle groote dorpen van Java. — Standplaats:
Alleen op constant vochtigen bodem soms verwilderd (of ? wildgroeiend). —
Bloei- en vruchttijd. Vruchttijd in westmoesson. De variëteiten in
dezelfde streek naar het schijnt in verschillende maanden vruchtdragend.
Rijk vruchtdragend. Soms in 4 M. en volgens Rumrurus tot 1 Meter
lange dichte trossen, die bij de var. Kokossan HasskK. soms op dichte
reusachtige driuventrossen gelijken. — Gebruik: Hout: Algemeen vooral
van een der (?) wildgroeiende variëteiten, gezocht voor stelen van bijlen
en lansen. Wordt als taai fijndradig en sterk genoemd. In Bësoeki bij
Djémbër werd vooral het hout van de dáár Tjeloring, j. genoemde variëteit
zeer geroemd. Schors, enz. De zeer bittere groene zaden als anthelmin-
tieum. De gedroogde schillen, vooral van een der variëteiten gedroogd
soms als (inferieure) wierook gebezigd; soms vermengd met hars van
Styrar Benzoin Drianp. — Cultuur: Algemeen om de vruchten in en
bij alle groote dorpen gecultiveerd. In sommige streken o. a. in het
distr Rägaädjampi in Banjoewangi de variëteit Langsat, j. zoo veelvul-
dig, dat men dààr van Langsat-boomgaarden kan spreken. Verlaten
koffietuinen aldaar een 20 tal jaar geleden zijn vooral met deze soort
met succes gereboiseerd. Inheemsehe boomsoorten zijn dààr langzamerhand
naast Lansivm opgeschoten en van grasgroei is in het „Lansiwm-bosch’’
niets meer te vreezen. — Cultuur zeer aan te bevelen. — Inl. namen:
In West-Java o. a. bij Buitenzorg en Batavia onderscheiden 1) Doekoe,
ml. s; °) Bidjitan, s. en %) Kòlòsan, s. De eerste met de grootste en
smakelijkste vruchten met zeer weinig melksap in de rijpe vruchtwand;
de laatste ook met smakelijke, doeh meer rinsche vruchten, maar steeds
met veel kleverig, wit melksap in de dikke vruchtschillen en de vruchten
zeer dicht opeen gezeten. De Bidjitan, s. schijnt ongeveer het midden
te houden tusschen beiden doch iets nader verwant aan Doekoe en zich
o. a. door zeer dunne vruchtschil en groote pitten te kenmerken. In afd.
Djémbèr en Banjoewangi houdt men volgens ons in loco verstrekte mon-
delinge mededeeling van den Heer H. VriszeLaar de 3 vormen op de
volgende wijze uit elkander:
Langsep, j. Doekoe, j. Tjeloring, j.
Dun, het mees-| OL GEE Dik, minder melk-
Aran ohtschil te melksap bevat- [nagenoeg oee sap dan Langsèp
went cede EL zeer el me eeerniet gezocht voor
zocht voor wie-|_.
voor wierook en „wierook.
MELIACEAE. — 182 — LANSsIuM.
Langsëp, j. Doekoe, j. Tjeloring, j.
Langwerpig, klei- 3
Vrucht... Kogelvormig, groot. ag het
En dan bij Lang emee
Patten snert Klein; weinig. Klein; weinig. Groot; veel.
. Scherp zuur; zeer
: Eee 5 Zoet; dik of zeer | PS
Zaadrok ns Rinsch; dik sappig: diks He sappig. peet Ee niet zeer
Zeer duurzaam;
Duurzaam en Duurzaam en|en buitengewoon
Houtsn. More renee nogal veerkrach-{nogal veerkrach-{veerkrachtig uit-
lig. tig. stekend voor rek-
stokken.
SIEA. Diep hoog-gesleufd. Id. Id.
ì {_ Het hoogste van
Boomhoogte. Nogal hoog. Nogal hoog. ene
HasskarL onderscheidt in Zen Catal. Hort. Bog. 3 variëteiten door
hem Doekoe, Bidjitan en Kòkòsan geneemd. Rumenrvs onderscheidt van
Lansium slechts 2 variëteiten alleen een „wilde” (stamvorm) en een
„tamme, Im Buitenzorg onderscheidt men van Kòkòsan, s. een witte
en een gele (Kòkòsan-poeti, s. en Kòkòsan-kònèng, s.) Naar het schijnt
is de naam Langsat, j. van de afd. Banjoewangi synoniem met Langsêt,
j. uit Midden-Java en met Kòkòsan, s. van West Java; en de naam
Bidjitan, s. synoniem met Tjeloring, j. of Tjlorèng, j. uit afd. Banjoewangi.
De laatste naam niet te verwarren met Tjelering, j, Aldus heet in res.
Djapârà een Pithecolobium-soort. — Habitus: Nogal eigenaardig; ook
zonder bloemen en vruchten. De stam kenbaar door de diepe, hoog
oploopende gleuven. In vruchttijd dadelijk te herkennen aan de duivenei-
tot kippenei-groote gele vruchten die Rumpmtus terecht met „druiven-tros-
sen” vergelijkt. Deze „trossen komen uit de andere ontbladerde takken,
vooral nabij den stam en soms ook aan het bovendeel van stam zelf.
Arbor mediocris; trunco erecto sulcata. Folia *—t M. longa; foliola
alterna, breviter petiolulata 5—7 (-8); oblongo-elliptica, basi ima leviter inae-
guali acuta, apice breviter obtuse acuminata, utringue nitidula, reticulata,
glabra vel ad nervos supra et subtus prope basin puberula; nervis later-
alibus —- 10 utringue, adscendentibus, arcuatis, (in sicco) supra depressis,
subtus prominulis; long. 125—250 mM. lat. 70—100, petiolulis articulatis
13 mM. longis, terminali 25 mM. Paniculae spicatae hermaphroditae e
trunco oriundae solitariae vel fasciculatae, foliis multo breviores. Flores
sessiles vel pedicellis brevissimis pubescentibus suffulti, solitarii, bracteolis
minutis; calyx carnosus puberulus, denticulis brevibus, rotundatis; petala
rotundata glabra; tubus fere globosus, ore subinteger truncato, petalis
brevior, antheris uniserialibus, disco annulari hirsuto, ovario hirsuto, 5-
loceulari, stylo brevi 1O-sulcato, stigmate lato discoideo. Bacca oblongo-
ovata vel -obovata, brevissime tomentella, 25—40 mM. longa. Semina saepius
2 arillo erasso, pellucido, gratissimi saporis.
LANSIUM. —= UB MELIACEAE.
var 3 pubescens K. et V.— ?Lansium aqueum Jack Trans L. S.
ENV 16.
Foliola subtus eum petiolulis et petiolis communibus dense pubescentia
Calyx 5-sepalus vel profunde 5-partitus segmentis orbicularibus. Baccae
globosae im racemos elongatos dense confertae.
2 Lansium humile, Hassk. Retz. ed. nov. p. 121; Mrq. F. 1.
B r 1 p. 544; Ann. IV 34;- (? L. cinereum HrerN. Hook. F. B
IL, r 558).
Jongste uiteinden zeer kort dun behaard (met enkelvoudige haren)
spoedig in alle deelen geheel onbehaard. Bladeren 2—3-jukkig met
of zonder eindblad, kort gesteeld met heen en weer gebogen, eenigs-
zins hoekige spil. Blaadjes afwisselend, zelden bijna overstaand,
met korte aan de spil geleede bladsteeltjes, elliptisch of elliptisch-
lancetvormig stomp toegespitst, met spitsen in het steeltje afloo-
penden voet, dun-leerachtig, zijnerven ver uiteenstaand, dun, in sicco
aan weerszijden uitspringend, voor den rand boogvormig vereenigd
en door netvormige aderen met een dunne bochtige dicht langs den
rand verloopende ader, die dikwijls niet duidelijk is, verbonden,
met talrijke horizontaal verloopende en gedeeltelijk wit de hoofdnerf
ontspringende netvormende secundaire aderen. Bloem pluimen axil-
lair, korter dan de bladeren, weinig vertakt of enkelvoudig, aan den
top aarvormig en met aarvormige zijtakken. Bloemen bolvormig,
zittend, ver uiteengeplaatst met 2—8 zeer kleine ronde schutblaadjes
aan den voet; kelksegmenten bijna rond, fijn gewimperd; bloem-
bladen elliptisch, sterk dakpanvormig, „geelgroen” (volgens Hass-
KARL); meeldradenbuis bijna bolvormig onder de helmknopjes met
dikke vleezige ribben; helmknopjes 10,—5 beneden de helft van de
buis ingeplant geheel ingesloten — 5 daarmee afwisselend hooger
ingeplant en met den top even uitstekend en de opening van de
buis afsluitend; eierstok pyramidevormig 5-ribbig; naar boven in
den korten vleezigen stijl uitloopend; hokjes geheel onderin ge-
plaatst; stempel kegelvormig, schijf ontbrekend. „Vrucht bol-
vormig vaal-oranje met leerachtigen boven het midden wratachtigen
buitenwand, bij den top met 5 korte straalsgewijze verhevenheden,
MELIACEAE. —= Wi — LANSIUM.
tusschenschotten verdwijnend. Zaden 5 of minder, kiem groen,
pluimpje bruin-gewimperd.”
Hooge boom H —= 25 M. bij D==50 cM. (gemeten) Stam:
(van boom II B 47 in Hort. Bog.): Nogal recht; rolrond; zon-
der wortellijsten; nogal laag vorksgewijze vertakt. Uiterste twij-
gen dun, hangend. Schors: Buiten grauw; in dunne groote
lange onregelmatige platen afschilferend en daaronder glad lichtgrijs.
Bladeren + 60 mM. lang met + 40 mM. langen bladsteel.
Bovenste blaadjes 120—150 mM. lang bij 50—54 mM. breed;
onderste 85—100 lang bij 42—45 breed met 6 mM. lang blad-
steeltje. Blaadjes boven donkergroen-glimmend, onder nogal donker-
groen-dof; bijna reukeloos; eenigszins aromatisch smakend. Bloem-
pluimen 60—150 mM, lang. Bloemen 5 mM. in diam. Bloem-
bladen 5 mM. lang bij 3 breed. Meeldradenbuis 3 mM. lang. Pollen
met 4 poriën, 18 « lang bij 15 breed. Vrucht + 30 mM. in diam.
Aanm. Beschrijving naar één bloemendragend exemplaar van Herb. Kps (22253 @ )
vergeleken met waarschijnlijk anthenthiek exemplaar in Hort. bog (IIL B 47) en goed
beantwoordende aan de uitvoerige beschrijving van HAsskARL le, Vrucht naar HAssKARL,
Geogr: verspreiding: Op den Salak in West-Java ontdekt door
HasskARrL. Door ons op Noesakambangan bij Tjilatjap op ongeveer 25
eM. zeehoogte gevonden in hoogstammig heterogeen altijdgroen oerwoud.
Buiten Java „Malakka? Sumatra”. — Bloeitijd: Bloemen in Dec. bij
Tjilatjap. — Inl. naam: Bij Tjilatjap (denkelijk om den in dunne lappen
afschilferende schors) T'ipis-koelit, j. geheeten. Die naam locaal van waar-
de, maar elders op Java ook voor eenige andere boomsoorten gebezigd. —
Habitus: Deze zeer karakteristieke zeldzame soort heeft naarde bla-
deren veel meer het uiterlijk van een Aglaia dan van een Lansium; bloem
en vrucht zijn echter geheel als bij Lansium.
Innovationes brevissime puberulae (pilis simplieibus) cetera glaberrima. Folia
2—3-juga breviter petiolati, rhachi flexuosa sub-angulata. Foliola alterna,
rarius swbopposita breviter petiolulata, (petiolulis artieulatim insertis) elliptica
vel elliptico-lanceolata obtuse acuminata ; basi acuta, in petiolum decurrentia;
tenwiter coriacea glaberrima; nervis lateralibus primartis dissitis, teneribus,
utringue prominulis, ante marginem inter se et cum vena intramarginali
sinuosa tenerrima saepe obsoleta retieulato-conjuncta, venis secundariis
primariis parallelis, crebris, e costa media ortis prominulis, dense retieu-
lato-venosa, in sicco cinerea. Paniculae axillares, glaberrimae paucira-
mosae vel simplices, foliis breviores, rhachi superne et ramis spiciformibus.
LANSIUM. — 185 — MELIACEAE.
Flores hermaphroditi, globosi, sessiles, dissiti (scil. in spee. nostro ; fide Hassr.
brevissime pedicellati), bracteis minutis, sepaliformibus suffulti; sepala subor-
bieularia, eiliolata; petala elliptica valde imbricata, teste HasskarL flaves-
centi-viridia; tubus stamineus subglobosus, orificio sinuoso apice antherarwm
intercluso, infra antheras 10-costatus, antheris 10 inelusis, biserialibus :
5 altius insertis, apice mucronato subersertis,5 infra medium tubum insertis
inclusis; ovarium pyramidale 5-costatum, ima basi 5-loceulare, superne in
stylum brevem, carnoswm attenuatwm, stigma conicum; discus obsoletus.
Fructus _elliptico-globosi, alutacea-awrantiaci, pericarpio coriacco supra
mediwm verrucoso, apice lineis elevatis radiato; subuniloculares 5-spermi;
plumula fisso-ciliolata. (Fructus ex HAssKARL.)
Arbor 25 metralis trunco 50 eM. in diam. eortiee deciduo. Foliorum
rhachis, cum petiolo + 40 mM. longo circ. 100 mM. longa; foliola supe-
riora 120—150 mM. longa, 54—100 lata, inferiora 85— 100 longa 42—45
lata, petioluli + 6 mM. Paniculae 60—150 mM. longae, ramis 2—3,
30—55 mM. longis. Flores 5 mM. diam; petala 5 mM. longa 3 lata,
tubus 3 mM. longus. Fructus +- 30 mM. diam. Pollen 4-sulcatum, 4-
porosum 18 vz longum 15 latum.
Obs. Species rara foliis parvis et foliorum innervatione valde distincta,
facie potius Aglaiae quam Lansii, ab auctoribus (Mrquer, Kine) nullo jwre
ad Lansium domestieum relata. L. cinereum Hrern. ew descriptione (ubi
venae primariae ecreberrimae dicuntur) valde affinis videtur sed ovarium
pubescens fide Kine.
9. WALSURA Rorb.
„Kelk kort, 5-spletig of -deelig, dakpanswijze dekkend in den knop.
Bloembladen 5, eirond-langwerpig, uitgespreid, in den knop licht
dakpanswijze dekkend of klepswijze aaneensluitend. Helmdraden
10 of 8, lijn- of priemvormig, vrij of tot eene buis vergroeid; helm-
knoppen eindelingsch of ingeplant in een inham aan den top van den
helmdraad. Schijf meestal ringvormig, vleezig. Bierstok kort, 2—3-
hokkig, in de schijf besloten; stijl vrij kort; stempel schijf- of knop-
vormig, 2—3-tandig; eitjes 2 in elk hokje. Besvrucht kort-viltachtig,
niet openspringend, 1-, zelden 2-hokkig en zadig; zaad in een vlee-
zigen zaadrok besloten, zonder kiem wit.”
„Boomen. Bladeren 1—9-tallig; blaadjes tegenovergesteld, geheel
MAN
MELIACEAE. UN == WALSURA.
gaafrandig, van onderen bleek. Bloemen klein, in okselstandige en
eindelingsche pluimen.” (BOERLAGE).
Aantal soorten 14 in Britsch-Indië en den Maleischen Archipel.
Calyx ‘brevis B-fidus, imbricatus. Petala 5, libera, oblonga, patentia,
in aestivatione valvatu. Tubus stamineus profunde 8—10-fidus, laciniis
linearibus apice subulatis vel 2-fidis vel filamenta 8—10 libera; antherae
8—10 terminales, erectae, exsertae. Discus annularis, carnosus. Ovurium
depressum 2—3-loculare, disco immersum, in stylum brevem attenuatum,
stigmato turbinato 2—3-dentato; ovula in loculis 2 infra apicem loculi
collateralia, pendula. Bacca carnosa, indehiscens, 1-locularis. 1-sperma,
Semen inversum, arillo carnoso inelusum, radieula supera.
Arbores. Folia 1—4-juga, interdum 1-foliolata. Paniculae axillares et
terminales multiflora. Flores parvi.
Walsura pinnata Hassk. Retzia 1 p. 147, 235; Mig. F. IL. B.
TI p.542; Ann. 1. ce. p. 389.
Nogal hooge boom, met dichte kroon. Takken rond, grauw,
gerimpeld.
Bladeren matig-gesteeld + 60—120 mM. meest 2-jukkig, zel-
den 3-jukkig, met langgesteeld (zelden ontbrekend) eindblad ; blaadjes
tegenoverstaand, middelmatig gesteeld (10 —15 mM.) langwerpig of
obovaat; met wigvormigen, bijna gelijken, ook wel scheef-afgeronden
voet en toegespitsten top gaafrandig, geheel onbehaard, in sieco van
boven blauw-grijsgroen; met vrij talrijke (9—12) uitstaande van
onderen uitspringende, van boven ingezonken zijnerven, en talrijke
dunne korte recht uitstaande, daartusschen uit de hoofdnerf ont-
springend. Bladsteel van boven sterk-afgeplat, scherpkantig even-
als de rolronde op de knoopen gezwollen en daar met de steeltjes
geleede spil geheel onbehaard, + 160—240 mM. lang. Blaadjes
100—200 mM. „Pluimen aan de toppen der takken axillair, in
bundels, onbehaard met uitstaande takken; bloemen zeer talrijk,
wit, klein (4.5 mM.); eierstok door een helderrooden ringvormigen
schijf omgeven; 2-hokkig met 2 eitjes in elk hokje,” Vrucht ellips-
vormig onbehaard, leerachtig ongeveer 20 mM. lang, door misluk-
WALSURA. — 187 — MELIACEAE.
king éénzadig. Zaad met een sappigen, zoeten zaadrok, met dikke
roodachtige zaadlobben naast elkaar geplaatst; worteltje naar den top
gekeerd, even uitstekend, afgeknot; pluimpje onbehaard, klein.
Aanm, Beschrijving naar HAssKARL, vergeleken met het authentiek exemplaar levend
in ’sLuands Plantentuin (III B 20) nu niet bloeiend en een evenzeer steriel exemplaar uit
Herb. Kps. (979 3).
Geogr. verspreiding: Uitsluitend in West-Java in Bantén gevon-
den. In dat gewest (afd. Tjaringin) bij Tjëmara op 50—200 M. door
ons een paar boomen gevonden, Zeldzame boom. In centraal Bantèn door
HasskarL ontdekt. Buiten Java: onbekend. — Standplaats: Op con-
stant vochtigen vruchtbaren bodem in hoogstammig zeer heterogeen
schaduwrijk oerwoud. — Bloeitijd: Door ons zeer jonge vruchten
met bladeren verzameld in Juni; dus waarschijnlijk in Mei bloeiend. —
Gebruik en inlandsehe namen: aan de door ons in loeo onder-
vraagde inlanders geheel onbekend. — Habitus: De grof gevinde bla-
deren met gaafrandige blaadjes gelijken bedriegelijk op de bladeren van
sommige Canarium-soorten; vooral door de bladstelen die op de knoopen
sterkgezwollen zijn. In blad valt de boom zeer weinig in het oog.
Arbor mediocris coma dense globosa, ramis teretibus, cinereis rimulosis;
foliis alternis pinnatis longe petiolatis (60—120 mM.), 2-jugis (rarissime
3-jugis), rhachi ad foliolorum insertionem et petiolulis basi et apice nodoso-
inerassatis; foliolis versus apicem folië majoribus, coriaceis, glaberrimis ;
supra concavis, oblongis aut oblongo- (terminalibus nunc obovato-) -lanceo-
latis longe acuminatis, busi breviter attenuatis et inaeqwilateris, integerrimis,
nervis lateralibus 9—12 conspicwis suboppositis patentibus; in sicco supra
vel utringue glaucescentibus. Paniculae ad apicem ramulorum azillares,
fastigiatae glabrae, ramis patentibus. Flores copiosisimi, albi, parvi (4—5
mM.) Ovarium annulo laete rubro circumvaginatum; biloculare ; loeulis
bi-ovulatis. Bacca flavescens, ellipsoidea, glabra, coriacea, circ. 20 mM. longa
abortu monosperma. Semen arillo baccato duleì vestitum, cotyledonibus
erassis collateralibus rubescentibus, radicula supera subexserta truncata,
plumula glabra minuta. Rhachis eum petiolo 166-240 mM. Foliola
100—200 mM, Paniculae totam arborem obtegentes lutescentes.
10. CARAPA, Aubl.
Kelk kort, uit 4—5 vrije kelkbladen bestaande of 4—5-spletig.
Bloembladen 4—5, teruggeslagen, links gedraaid in den knop. Meel-
dradenbuis urnvormig, 8-tandig aan den top ; helmknoppen 8, 2-hokkig,
MELIACEAE. — 188 — CARAPA.
op den rand der buis zittend, met de tanden afwisselend, en daar
niet boven uitstekend. Schijf groot, vleezig, kussen- of napvormig,
de basis van den eierstok min of meer omhullend en daarmede
vergroeid. Bierstok 4—5-hokkig, met 4 groeven; hokjes met 2—8
eitjes; stijl kort ; stempel schijfvormig. Doosvrucht kogel- of eivormig,
groot, 6—16-zadig; schil vleezig, met 4 kleppen openspringende
tegenover? de verdwijnende tusschenschotten. Zaden groot dik en
hoekig; zaadhuid dik en sponsachtig; zaadrok ontbrekend; navel
groot buikstandig; zaadlobben dik, naast of boven elkander, ongelijk,
meestal onderling versmolten; kiemworteltje naar buiten gericht,
half ingesloten. Zaden soms in de vrucht kiemend.
Onbehaarde boomen met beschubde bladknoppen en afwisselende
even- of onevengevinde bladeren; blaadjes tegenovergesteld, geheel
gaafrandig, zwaknervig. Bloemen in pluimen, meest aan de toppen
van kleine axillaire weinig-bladige zijtakjes.
Aantal soorten volgens Cas. Dr Canporre 6, waarvan 3 in tropisch
Amerika alleen voorkomen, 1 tevens uit Afrika bekend is, terwijl de
2 andere tusschen de keerkringen aan moerassige zeekusten van de oude
wereld wijd verspreid zijn, en ook op Java voorkomen. De laatste wer-
den door MrqureL en anderen ten onrechte als een afzonderlijk geslacht
Xylocarpus Korrta beschouwd
Beide zijn door verschillende auteurs dikwijls verward en o.a. door
Hiern en TrimeN voor dezelfde soort gehouden. Zij zijn gemakkelijk
uiteen te houden door de volgende kenmerken:
Blaadjes altijd twee (—1-) jukkig, elliptisch of obovaat met afgeronden
of zeer stompen top en spitsen voet, in sicco dik-leerachtig, bloemen middel-
matig, langgesteeld, tandjes der meeldradenbuis uitgerand, of ingesneden.
1. Carapa obovata Br.
Blaadjes meest 3-jukkig, elliptisch of eivormig of eilancetvormig met
toegespitsten top en dikwijls afgeronden voet, in sieco dun-leerachtig ;
bloemen klein, tandjes der meeldradenbuis gaaf.
2. C. moluccensis Lam.
Aan niet bloeiende exemplaren is het dikwijls moeielijk de beide soorten
uiteen te houden, daar bij beide elliptische blaadjes met stompen top
voorkomen. In Noesakambangan (bij Tjilatjap) worden door de inlanders
twee soorten scherp uiteen gehouden, waarvan de ééne aldaar de Njirih j.
genoemd de typische C. obovata is, en de andere de Njoeroeh, j. geheeten
3-jukkige kleine elliptische blaadjes heeft en door ons als een var. van
C. moluccensis is beschreven. Van de Njirih, j. onderscheiden zij twee
variëteiten waarvan de ééne de Njirih-abang, j. zich naar het herbarium
slechts door iets kleinere blaadjes van C. obovata schijnt te onderscheiden
en de tweede Njirih-goedik, j. daarentegen met eivormige 3-jukkige vrij
groote blaadjes veel meer het type van C. moluccensis vertoont, doch
zeer stompen bladtop heeft.
CARAPA. — 189 — MELIACEAE.
ScuiMPER Strandflora l.c. geeft voor onderscheiding der beide soorten
o.a. de volgende kenmerken op: 1) C. obovata Bu. die Wurzeln entbehren
der negatiev-geotropischen Seitenäste, ragen aber keilartig aus dem
Schlamm hervor 2) C. moluccensis Lam. „in schlammigem Boden erzeugen
die Wurzeln negativ-geotropische Seitenäste, ähnlich wie Sonneratia,
Avicennia, ete.”
G. KarsreN beschrijft op p. 21 van zijne verhandeling (Heft 22 der
Bibliotheca botanica) „Ueber die Mangrove-Vegetation in Malayschen
Archipel” zeer nauwkeurig den bouw van het zaad en van het ovulum.
Calyx brevis 4—5-fidus vel-partitus; imbricatus. Petala 4—5 libera
reflexa, aestivatione sinistrorsum, contorta. Tubus stumineus urceolatus,
8—10-dentatus vel-fidus, laciniis integris vel 2-partitis; antherae dentibus
alternae, inclusae. Discus crassus, hemisphaericus. Ovarium in disco
sessile, 4— 16-costatwm vel suleatum, 4—5-loeulare ; stylus brevis, stigmate
disciformi; ovula in loculis 2—5 ew apice avis pendula ; capsula sphaerica
vel ovoidea, carnosa vel lignosa, 1—B5-locularis, septis tenuissimis demum
evanidis, loculis 2—5-spermis. Semina magna, crassa, circa axzis centralis
religwias in globwn compacta, pyramidato- angulata, dorse convexa, umbilico
ventrali, testa spongiosa exarillata; cotyledones superpositae, saepe confer-
ruminatae; radicula subinelusa dorsalis.
Arbores littoraies glaberrimae. Folia impari vel abrupte-pinnata, foliolis
paucis vel numerosis. Paniculae pseudo-terminales, multiflorae vel pauci-
florae. Flores inconspicui.
1. Carapa obovata Br. Bijdr, 1 p. 179; Cas Drc. Lc.p. 718; —
Kime Fl. Mal. II p. 575; Kurz. For Flor. 1 226; — C. Moluccensis,
(ex parte) HrieRN in Hook. F.B. J. 1. 567; TrimeN Flor. Ceyl. p.
251; — Aylocarpus obovatus Juss. Mém. p. 344; Mrq. F. J. B. L
2 p. 546; Ann. Le.p. 62; Bepp. Fl. sylv. tab. 136 fide Kurz.
Le. ;— Martahal parvifolius Ruueu. pag. 93 tab. 61 (af beelding weinig
typisch!) — ScHIMPER Indo-mal. Strandflora p. 99.
Lage dikke boom H==l0—12 M. bij D==50—80 cM. Stam
steeds krom en laag bij den grond zich herhaaldelijk vorksgewijze
vertakkende; met veel knoesten en ondiepe gleuven; bij alle door
ons onderzochte boomen volwassen steeds hol (dit wordt ook door
Rumemus le. gemeld). Bijna zonder wortellijsten. Takken zeer
rijk vertwijgd. Uiterste twijgen dun. Kroon: laag aangezet;
nogal dicht; min of meer breedeivormig of onregelmatig. Schors:
MELIACEAE. UD —= CARAPA.
2—3 mM. dik (bij 50 eM. stammiddelliijjn). Zeer taai. Buiten
grauwgrijs; in lange dunne reepen afschilferende; met fijne over-
langsche barsten, met veel in de barsten geplaatste lenticellen. Met
zeer veel bladgroen. Doorsnede fraai donkerroza of lichtpurper.
Binnen wit; geelachtig verkleurend. Reukeloos. Samentrekkend
en zeer bitter. Wortels: Dimorph. Dikke knievormig gebogen
en lijstvormige boven den grond uitstekende en met groote lenticellen
voorziene ademwortels en onder den grond blijvende gewone voedings-
wortels.
Blaadjes meest 2-jukkig, (soms 1-jukkig) kort-gesteeld (4 —10
mM.) elliptisch of omgekeerd-ei-vormig-of langwerpig-elliptisch, (in
zeer enkele exemplaren min of meer eivormig) met meest afgeronden,
somtijds zeer stompen zeer kort toegespitsten top, met gelijkzijdigen
spitsen voet, leerachtig van boven glimmend, in sieco aan beide
zijden grof-netvormig-geaderd met 6—9 zijnerven, 85 - 145165
mM. lang, 36—75-—65 breed. Pluimen meest aan de toppen van
kleine zijtakjes, die eenige weinige 1-tot 2-jukkige bladeren voort-
brengen, dikwijls tegenover een blad en aan den voet met een schub-
vormig zeer klein schutblad; weinig langer dan de bladsteel (50 —70
mM.) uit langgesteelde (6—15 mM.) 3-(zeldzaam 1-) bloemige bij-
schermen saamgesteld. Bloemen tweeslachtig of door mislukking
polygaam, geheel onbehaard, middelmatig klein, lang-gesteeld. (steeltjes
6—10 mM.), witachtig (Zorr.) Kelk uitgespreid, 4-spletig met afge-
ronde of puntige lobben, 5 mM. in diam. Bloembladen breed ellip-
tisch, uitgespreid, leerachtig, 6 mM. lang 3 breed. Buis kroesvor-
mig, breed, 4 mM. lang met 8 min of meer diep uitgerande tanden.
Helmknopjes langwerpig aan de rugzijde onder het midden vastge-
hecht bijna zittend, op den buisrand ingeplant, iets korter dan de
tanden, somtijds onvruchtbaar. Schijf vleezig, groot, onder den eierstok
geplaatst, min of meer napvormig. Eierstok nogal verschillend van
vorm, kegelvormig of langwerpig met S lengtegroeven, naar boven
in den meest zeer korten stijl overgaand, met den voet slechts
weinig ingezonken, 4-hokkig, elk hokje met meest 4 (volgens C. Dec.
tot 6 eitjes) aan of nabij den top van de as bevestigd, alle uit één
punt, (niet in twee rijen boven elkaar zooals bij C. guianensis
afbeeld C. Dec. Tab. 9 fig. 2); stempel breed schijfvormig met een
CARAPA. — 191 — MELIACEAE.
kleine holte aan den top en naar beneden gebogen rand. Doos-
vrucht in onze (2) specimina + 100 mM. dikwijls 150—200 in
diam. 4-kleppig, met bijna geheel verdwenen (met de kleppen afwis-
selend geplaatste?) vleezige tusschenschotten, hoogstens 16-zadig
(volgens C. Deo. en King 6—12-zadig). Zaden 4-zijdige pyramiden
vormend, die met de toppen samenkomen en waarvan de afgeronde
basis de rugzijde van het zaad vormt (ongeveer 40—50 mM. hoog);
zaadhuid in sieco leer-kurkachtig, aan de rugzijde dun, aan de buik-
zijde vleezig verdikt; kiemworteltje schijf-bolvormig (4 mM. diam)
ongeveer in het midden der rugzijde tusschen de aaneengegroeide
zaadlobben uitkomend.
Aanm. Beschrijving naar talrijke exemplaren van Herb. Kps., een specimen van
Pasoeroean (ZoLr. 2395), een exemplaar van TEYsMANN uit Halmaheira, en een exemplaar
door Kine verzameld uit Bengalen.
De slippen der buis zijn bij alle exemplaren meer of minder diep uitgerand in
tegenstelling met de volgende soort, waar zij geheel gaaf zijn en in de knoppen in een spits
puntje eindigen.
Volgens C. Dec. le. is het juist omgekeerd; de andere schrijvers maken van dit kenmerk
geen melding.
Aan de buitenzijde der zaden (in de vrucht werden door ons stukjes van een doorschijnend
op gom gelijkend secreet waargenomen.
Geogr. verspreiding: Geheel Java uitsluitend op 0 M. zeehoogte.
In sommige streken o. a. bij Poegër en Tratas in res. Bèsoeki en bij
Tjilatjap zeer algemeen. Bwiten Java: Sumatra, Halmaheira, Amboina,
en andere eilanden van den Maleischen Archipel. „Malakka, Ceylon,
Z.-Voor-Indië (Kra). — Standplaats: Uitsluitend in Rhizophoren-bos-
schen, op periodiek door eb en vloed overstroomden en bij Poegër op
zeer modderigen bodem, naast Brugwiera, Avicennia en Rhizophora groeiend.
— Voorkomen: Soms min of meer gezellig o. a. bij Poegër. — Blad-
afval: Altijdgroen. — Bloei- en vruchttijd: Naar het schijnt niet
zooals de meeste plantensoorten der Mangrove het geheele jaar door;
althans in Nov. zeer talrijke boomen te Poegër door ons onderzocht en
deze alleen in blad met onrijpe en rijpe vruchten en verdroogde bloemen.
Bloeitijd dus in (?) oost moesson. Elke boom zelden meer dan een 10 tal
vruchten dragend; niet rijk bloeiend en bloemen zeer weinig in het oog
vallend. — Vermenigvuldiging: De groote op water drij vende zaden
door eb en vloed verspreid. Vergelijk Scmimrper, Die Indo-malayische
Strandtflora (1891). — Gebruik: Hout. Het kernhout fijn, sterk en duur-
zaam geacht, maar alleen in zeer kleine afmetingen te krijgen; daarom
alleen voor handvatten van wapens, voor sommige onderdeelen van kleine
inlandsche vaartuigen, enz. gebezigd. Alle door ons te Poegër (Bèsoeki)
onderzochte volwassen boomen hadden holle stammen, met zeer weinig
wit spint, slechts 2—3 mM., daarop volgende een 40—50 mM. dikke
laag vleeschkleurig, vuilbruinrood of purperrood kernhout en daarbin-
nen een 50—100 mM. dikke donkerbruine laag, meer of minder verrot
MELIACEAE. ID CARAPA.
hout. Al die onderzochte volwassen holle boomen met stammen van
40—60 ecM. diameter hadden nog volle kronen en zagen betrekkelijk
gezond uit. Reeds aan Rumpmrus was het bekend, dat dikke stammen
dezer boomsoort steeds hol schijnen te zijn en daardoor nooit timmerhout
van groote afmetingen kunnen opleveren. R. vermeldt deze eigenschap
voor beide Carapa-soorten. Wij hebben deze waarneming alleen nog
voor C. obovata Br. kunnen bevestigen. Volgens R. het hout op Ternate
voor spijkers van prauwen gebezigd. Schors, enz. De schors bij Poegër
zoozeer voor het tanen van vischnetten gezocht, dat het ons moeilijk viel
onder de zeer talrijke daar groeiende Carapa-boomen er een enkelen
aantetreffen, waarvan nooit schors was ingezameld. De boom herstelt
zich blijkbaar gemakkelijk van dit schillen. Rumrpmrus vermeldt nog voor
den schors en de vruchtschillen gebruik tegen buikziekte. In de Minahasa
(Celebes) wordt de schors algemeen gebezigd om de saguweer (gegist
arenpalm-sap) een bitteren pikanten smaak te geven en tevens dien drank
langer te kunnen bewaren. Voor dit doel worden volgens Ruxearus
soms de vruchtschillen gebezigd. — Cultuur: Niet aantebevelen. —
Inl. namen: Bij Poegër in afd. Djëmbëér en bij Tratas in Ban-
joewangi evenals de volgende soort, doch met uitsluiting van alle
andere boomsoorten, constant Djombo, j. of Niri, (?) boeg. Bij Tjilatjap
constant Njiri, j. of Njiri-abang, j. Bij Balekambang aan Zuidkust van
distr. Djampang-Koelon in Preanger? Miri, s. (Niri s.). De laatste
naam niet te verwarren met Miri, j. of Kömiri, j., den naam voor Aleurites
triloba Forsr. De eerste namen voor de opsporing der soort zeer bruik-
baar. Om reden de vruchten soms gebezigd worden als spel om te raden
hoeveel zaden er in zitten heet de boom op hoofdplaatsen van Java soms
Pohon-kira-kira, ml. Die zonderlinge naam wordt reeds door Mrqver in
de Annales opgegeven als geldig voor Banda. — Habitus: Vruchtdra-
gend hoogst eigenaardig en in de Rhizophoren-bosschen dan ook dadelijk de
aandacht trekkende door de kolossale (vaak mans-hoofd-groote) kogelvor-
mige geelbruine vruchten. In blad herinnert de boomhabitus soms zeer
aan Avicenmia officinalis L. Door de grofgevinde bladeren daarvan echter
te onderscheiden. De kolossale, min of meer op een tetraëder gelijkende
met een kurkachtige laag bekleede zaden zijn zeer kenbaar en moeilijk
met andere zaden te verwarren.
Arbor parva. Foliola 2-juga (raro 1-juga) breviter petiolulata (4+—10
mM.) elliptica, vel obovato-vel oblongo-elliptica, rarissime subovata; apice
rotundata vel obtusissime brevissime acuminata; basi aequali acuta vel
attenuata; coriacea; supra nitida; in sicco retieulato-venosa, nervis later-
alibus 6—9 ante marginem arcuatim conjunctis; 85—145—165 longa et
36—75—65 lata. Paniculae subterminales vel oppositifoliae, saepius in
ramulis brevibus axillaribus paucifoliatis, petiolis vie longiores 50—7T0
mM. longae e eymis 3-floris longe pedunculatis (10—15 mM.), lavis
compositae, basi bractea squamiformi caducissima, bracteolis minutis
caducis. Flores hermaphroditi (vel abortu polygami) longe pedicellati,
glaberrimi. Calyx patens, 4-fidus, lobis rotundatis, vel subapiculatis
Petala elliptica, coriacea, patentia. Tubus ureeolatus subinflatus, dentibus
CARAPA. — 193 — MrErLIACKAE.
8 emarginatis. Antherae oblongae dorso infra medium affivae tubi
margini insertae dentibus breviores. Pollen globosum 4-porosum, 36 u diam.
Discus magnus carnosus inferus, saepius swbeupularis. Ovarium disco
impositum et basi magis minusve immersum oblongum vel conicum radiatim
8S-sulcatum, stylo brevissimo vel (in maseulis?) longiore, stigmate discoideo
vertice foveolato margine inflevo, 4-loeulare, ovulis in loculis 2—4 (fide
CDC. 6) azi supra medium affivis. Calyv 5 mM. diam. Petala 6 mM.
longa 3 lata. Tubus 4 mM. longus. Pedicelli 5—10 mM. longi. Capsula
matura in speciminibus suppetentibus 100—200 mM. diam septicide 4A-valwis,
dissepimentis evanidis 16-sperma haud raro pauciora seminibus saepius
pyramidas 4-lateras basi (seminis dorso) convera, apice connmiventes + 40
50 mM. altas sistentibus; testa in sicco suberosa ventre valde inerassata ;
embryonis radieula discoideo-globosa, dorso medio embryonis exserta + 4
mM. diametro.
Adn. Notandwm est quod Cas Dro. lacinias twbi staminei in hac specie
integras cuspidatas dieit, in C. Molueccense 2-fidas. Nos autem in specimi-
nibus hujus speciei ex herb. Zorr., Kina, Kps, lacinias semper emarginatas
vel subbifidas invenimus; in altera specie contra integras acute cuspidatas!
An character hoe inconstans?
2. Carapa Moluccensis Lam. Dict. 1 p. 621, DC. Prodr. rp. 626;
Kurz. For. Fl. p. 226; ScrimPer 1. ce; HieRrN in Hook. F. B. IL,
mm p. 567 pro parte; „Bepp. Fl. sylv. tab. 136.” (fide Cas. Dec. et
Kine); — Aylocarpus Granatum WirLp. sp. 3 p. 328; (A. Juss. Mém.
Mus 19 p. 245 tab 202); Mrg. F. 1. B. 1. 2 p. 546; Ann. 1. c. 4
p. 62. („Carapa indica A. Juss. Dict. Sc. Nat. vir p. 31. ; — Xylo-
carpus Forstenii MriQ. Ann. l. e. 62” fide Kina); — Martahul lati-
folia var. Ruuen. Do. mr p. 92 (Herb. Amb. Liber rv Cap. 53
tab 621)
Nogal lage boom. Hoogste door ons gemeten boom (bij Tjilatjap):
HH 174 M. bij D= 37 cM. Dus (®) iets hooger en niet zoo dik
als de vorige soort. Stam: Meestal? niet zoo krom en volgens in
loco gekregen mededeeling op hoogen leeftijd niet altijd hol (zooals
de vorige soort) en schors iets dikker. Wortels dimorph (zie
hieronder de aanmerking.)
13
MerErLIACEAE. — 194 — CARAPA.
Blaadjes 2—3-jukkig, — de 2-jukkige enkele malen met een
eindblad of een rudiment daarvan —, zeer kortgesteeld, eivormig stomp-
toegespitst, zeldzamer elliptisch, met breed-afgeronden, bij den steel
dikwijls wigvormigen voet, in sicco dun-leerachtig, vaak bleek-groen-
achtig-geel met 5—7 zeer dunne zijnerven, meest sterk netvormig-
geaderd, 60—120 mM. lang, 30—65 breed, bladspil met den steel
(80 mM. lang) + 160 mM. lang. Pluimen aan de toppen van korte
10_—20 mM. lange zijtakjes, alleenstaand of opeengehoopt, vertakt.
35—60 mM. lang. Bloemen half zoo groot als in C. obovata,
bloemsteeltjes iets korter dan de bloemen, kelklobben afgeknot,
apieulaat. Slippen van de meeldradenbuis gaaf, afgerond. Eierstok
enz. als bij C. obovata; eitjes aan navelstrengen van ongelijke lengte
aan den top van de as hangend 2—4 in elk hokje. Kelk in sicco
2—5 mM. diam, bloembladen 5 mM. lang ; buis 3 mM. bloemsteeltjes
2—5 mM. Vrucht volgens ScmimPeRr veel kleiner dan bij de vorige
soort, volgens Kine tot 260 mM. in diam. dus veel grooter.
var. elliptica K.et V. (Martahul latifolia Ruxeul.c. 92?) Blaadjes
3-jukkig, nogal klein 80—100 mM. lang 36—60 breed, lang werpig-
elliptisch zeldzamer breed-elliptisch met spitsen voet, stomp- en kort
toegespitst. Bloemknoppen als bij het type, tanden der meeldraden-
buis spits-puntig Bijna rijpe vrucht 70—80 mM, diam; vruchtwand
dunner, aantal zaden geringer dan bij C. obovata.
dAanm. Beschrijving naar Herb. Kps. (Java) en TEYsMANN. (Halmaheira).
Zooals ook door LAMARCK, A. Dec. (Prod. l.c.) Kurz. en RuMenies wordt opgegeven
zijn de bladeren hier dikwijls 3-jukkig of 2-jukkig met eindblad; volgens Cas. Dec, en
Kine echter 2-jukkig; ook omtrent de grootte der vruchten zijn de beschrijvingen tegen-
strijdig.
De beide soorten schijnen ons door Kurz. zéér goed uiteen gehouden te zijn (de door
hem als 5-tallig beschreven bloemen van C. Moluccensis zijn waarschijnlijk een uitzonde-
ring en ten onrechte heeft KiNG onlangs de C. Moluccensis Kurz. bij C, obovata gevoegd.
Geogr. verspreiding en standplaats. Door ons nog alleen in
Midden- en Oost-Java in Rhizophoren-bosschen op modderigen of zandigen
door eb en vloed periodiek overstroomden grond; o. a. bij Tjilatjap in de
Sègara-anak en in afd. Banjoewangi bij Tratas en bij Gradjagan. Zonderling
kon in de tusschen Tjilatjap en Gradjagan gelegen Rhirophozen-bosschen
van Poegër aan de Zuidkust der afd. Djömbèr, waar Carapa obovata Br. in
zeer grooten getale voorkomt, geen enkel exemplaar van C. Moluccensis Lam.
door ons gevonden worden; terwijl bij Tratas (Banjoewangi) en Tjilatjap
(Banjoemas) in dezelfde bosschen beide soorten door ons aangetroffen
(4) volgens C. Dec. en Juss. fig. Ll. c. tweespletig (zie boven aanm.)
CARAPA. — 195 — MrELrACKAR.
werden. Op sommige plaatsen o. a. bij Tjilatjap zeer algemeen en dáár
een paar variëteiten door inlanders onderscheiden (zie hieronder) De var.
elliptica K. et V. alleen gevonden bij Tjilatjap. Buiten Java: Voor-
komen moeilijk nauwkeurig na te gaan, aangezien door verschillende
schrijvers deze soort vaak met de vorige soort verward. Ongetwijfeld
echter op Ambon; en waarschijnlijk ook op Celebes. Volgens Kiya niet
op Malakka. — Voorkomen: Soms in talrijke individuen naast Bru-
gwiera, Avicennia, enz. en de andere Carapa, maar niet bepaald gezellig. —
Bloei-en vruechttijd: Door ons in Nov, bloemen en rijpe vruchten
gevonden. Arm-vruchtdragend. Het ovarium derCarapa - bloemen volgens
G. KARrsTEN vaak door een larve vernield en daarom het gering aantal
vruchtzettende bloemen verklaarbaar. — Bladafval: Altijdgroen. — Ge-
bruik: Hout. Als? vorige soort; maar volgens een in Tjilatjap door
ons gemaakte aanteekening zoude deze soort, niet zooals de dáár Njiri-
goedik, j. genoemde variëteit (van deze species) en zooals de C. ohovata
Br. bij volwassen boomen steeds holle stammen hebben. Schors enz. : als
vorige soort. — Cultuur: Niet aan te bevelen, — Inl. namen: Bij
Gradjagan en Tratas in afd. Banjoewangi Niri, j. Bij Tjilatjap constant
Njoeroe, j.; ook onze variëteit elliptica; terwijl de wellicht dáár ge-
bruikelijke naam Njiri-goedik, j. een nog niet beschreven, ons nog
alleen in blad bekende variëteit obtusifolia dezer species is en terwijl al-
daar C. obovata Bru. anders constant Njiri, j. heet. — Habitus: Bijna
even eigenaardig in den vruchttijd alsde vorige boom, maar blaadjes
meestal aan den top spits toeloopend, vrucht niet grooter dan een granaat-
appel (Punica Granatum L.) en dus kleiner dan de vorige soort. Zie
verder de Aanm. onder het geslacht Carapa.
Arbor parva v. mediocris usque ad 174 Metros alta. Foliola (in spec.
jaran.) 2- vel saepius 3-juga, brevissime petiolulata (O—2 mM.) ovata vel
rarius elliptica, apice obtuse acuminata; basi saepius lato-rotundata, ra-
rius ewneata; tenui-coriacea; in sicco saepius viridescenti-straminea, nitida,
nervis lateralibus tenuibus 5—T7 dense reticwlato-venosa; 60—120 mM.
longa et 30—65 lata; rhachi cum petiolo (80 mM. longo) + 160 mM.
longa, in sicco rubro-fusca. Paniculae ramulas laterales breves (10—20
mM. longas) subterminantes interdum confertae ramulosae (35—60 mM.
longae) Flores quam in precedenti specie dimidio minores, pedicellis flore
subbrevioribus suffulti calyces lobi truncati, denticulati. Tubi staminci
dentes apice integri in alabastris apiculati vel acuti demum rotunda!s.
Ovula ea apice amis funiculis variae longitudinis suspensae, 2—A4 in loculis.
Calyt in sicco 2—5 mM. diam. Petala 5 mM. longi. Tubus stamineus
3 mM. Pedic. 2—4 mM. Capsula nobis non visa, teste Scrimeer, qui spc-
ciem hane in insula Noesa Kambangan observavit quam illa C. obovatae
multo minor fide Kina autem 260 mM. diam.
var. B elliptica K. ef V. Foliola 3-juga, brevissime petiolulata; ellip-
tico-oblonga; basi attenuata; apice obtuse acuminata; saepius 80 mM.
MELIACKAR. UN == CEDRELA.
longa et 36 lata, usque 100 longa et 60 lata; alabastri (aperti non visi)
formae genuinae similes; tubi dentibus acute apiculatis. Capsula fere
matura T0—80 mM. diam, illae C. obovatae similis sed pericarpium ut
videtur minus inerassatum, semina pauciora magis elongata.
1. CEDRELA. L.
Kelk kort, buisvormig, 5-tandig of uit vrije kelkbladen gevormd.
Bloembodem tot eene schijf of eene zuil verlengd, welke aan den
top de voorplantingswerktuigen draagt. Bloembladen 5, afwisselend
met de kelkslippen, vrij, aan de zuil verbonden door middel van
eene uit den voet van het bloemblad ontspringende, verticale kiel,
bij de soorten der oude wereld weinig ontwikkeld. Meeldraden 5,
met de bloembladen afwisselend, vrij, op den top der zuil ingeplant,
met priemvormige helmdraden en bewegelijke, aan de basis hart-
vormige helmknoppen; staminodiën ontbrekend of ten getale van
5 tegenover de bloembladen. Eierstok zittend op den top der zuil,
S-hokkig; hokjes tegenover de bloembladen geplaatst, elk met 8—12
eitjes in 2 rijen; stempel schijf- of knopvormig. Houtachtige of
vliezige doosvrucht, aan den top schotverbrekend, 5-kleppig open-
springend; in elk hokje talrijke, hangende, zijdelings samengedrukte,
langgevleugelde zaden met een dun kiemwit; zaadlobben bladachtig,
een weinig vleezig; kiemworteltje naar buiten stekend en naar bo-
ven gericht.
Boomen zonder melksap, met beschubde bladknoppen. Bladeren
afwisselend, evengevind met gaafrandige of lichtgezaagde blaadjes,
zonder doorschijnende stippels of strepen. Bloemen tweeslachtig,
in okselstandige of eindelingsche pluimen.
Aantal bekende soorten ongeveer 20, meest alle in de tropische en
subtropische streken der oude en nieuwe wereld. Mrqver Ann IV p.
63 noemt voor Java in navolging van HasskarL Retzia ed. nova p. 127
3 soorten:
1. C, febrifuga Bu.
2. C. inodora HassK. en
3. CO. Teysmanni Hassk.
De eerste was door hem in F, TI. B. I. 2. p. 548 met C. Toona Roxs.
die op het vaste land van Engelsch Indië, vooral in den Himalaya thuis
hoort, vereenigd, hetgeen ook door Hrerr in Hook F. B. 1. 1 p. 568
wordt gedaan.
CEDRELA. — 197 — MELIACEAE.
Cas Dec. heeft echter de soort van BLumre wegens een aantal meer
of minder belangrijke verschillen weder afgezonderd. Ook Kina heeft
dit voorbeeld voor de soort uit Malakka, die met die van Brumer schijnt
overeen te komen, gevolgd. Hij verschilt echter in zooverre in meening
van Cas. Drc,, dat hij de soort van Brume voor identiek houdt met
C. febrifuga Forsren (Diss. de Cedrel. p. 16) terwijl deze laatste volgens
Cas. Dec. ongetwijfeld met C, Toona identiek is.
Daar de exemplaren van C. Toona Rox. in Herb. Bog. door de volgende
eigenschappen verschillen, zullen wij het voorbeeld van Kiva volgen:
C. Toona: Blaadjes klein, volwassen onbehaard, bloembladen geheel
onbehaard, vrucht 15—20 mM. lang, helmknopjes puntig.
C. febrifuga Bu: Blaadjes nogal groot, volwassen behaard of onbehaard ;
bloembladen van binnen altijd, van buiten somtijds min of meer dicht
behaard; vrucht 25 mM. lang; helmknopjes stomp.
Van Cedrela Teysmanni, Hassk. (uit Banjoewangi TeryYsMANN), gemak-
kelijk kenbaar aan de ook bij volwassen boomen lang-behaarde bladeren
levend exemplaar in Hort. Bog. III A. 15 en herb. Kps. 4866 (3 zijn
de bloemen onbekend; zij is echter waarschijnlijk slechts een variëteit
van de gewone C. febrifuga Br.
Aan de beschrijving van C. inodora Hassk. schijnt te beantwoorden
een variëteit dezer soort in West-Java, die weinig riekend, witachtig kern-
hout zou hebben, en die zich tevens door de geheel onbehaarde jonge
bladen en van buiten onbehaarde bloembladen onderscheidt; echter komen
de laatgenoemde eigenschappen cok bij exemplaren met rood aromatisch
kernhout voor.
Calyx brevis, 5-partitus, interdum -fissus. Petala 5 erecta, intus basi vel ad
medium carinata, interdum ope carinae toro agglutinata, imbricata v. con-
torta v. basi valvata. Discus crassus v. elevatus et columnaris, 4— 6-lobus.
Stamina 4—6, apiee disci inserta, interdum cum staminodiis totidem alter-
nantia, filamentis swbulatis; antherae late oblongae, apice muticae v. api-
eulatae, versatiles. Ovarium apice disci sessile, ovoideum, D-loculare, in
stylum attenwatum, stigmate discoideo; ovula in loculis 8-—12, 2-seriata,
pendula. Capsula coriacea vel membranacea, 5-loeularis ab apice septifrage
5-valvis, interdum 2-lamellatis ab axi septifero solutis. Semina pendula
compressa, imbricata, apiee vel utringue alata, albumine carnoso parco;
cotyledones planae, subfoliaceae; radicula brevis, supera.
Arbores elatae, succo aquaco ligno saepius colorata. Folia impari-
pinnata, foliolis multijugis petiolatis saepissime integerrimis. Flores parvi
panieulati.
C, febrifuga, Br. Bijdr. 1 p. 180 (non Forster, fide Cas. Drc.),
Mrg. Ann. lLe.p. 63; Cas. Dec. le. p. 744; Kine Flor. Mal. 2 p.
577; Juss. Mem, Le. p. 255 (103); Hassk Ed. nov. p. 129; —C. Toona
(proparte) MiqurL- Fl, Ind, B. 1 2 p. 548; HrierN in Hook F. B.
MELIACEAE. IG CEDRELA.
L. 1 569; — Toona febrifuga Rorm. Syn. fase. 1 139; — (Cedrela
inodora et Teysmanni Hassk. 1.c.?)
Woudreus. Soms H== 55—40 M. bij D= 200—300 cM. in de
bergstreken; in de laagvlakte meestal hoogstens: H== 23—30 M. bij
D=80—100ecM. Stam: Meestal nogal recht en op middelmatige
hoogte boven den grond zich vorksgewijze, in zeer dikke, kromme
rijkvertwijgde takken splitsend; soms zuilvormig en eerst hoog
vertakt. Zonder of met hoog oploopende ondiepe gleuven. Met
groote wortellijsten, evenwel bij boomen van D= 40cM. nog
met zeer kleine wortellijsten. Meestal zonder knoesten. Kroon:
Meestal nogal breed en nogal dicht en afgeplat, half kogelvormig.
Schors: ongeveer 12 mM.dik. Nogaltaai. Buiten bijna altijd don-
ker grauw bruin nogal ruw en met talrijke diepe overlangsche bar-
sten. Doorsnede roodbruin. Binnen vuilwit. Met zeer weinig of zon-
der bladgroen. Zonder lenticellen. Zonder melksap, doch met water-
achtig sap en soms kleine hoeveelheden van een gomachtige stof
afscheidende. Sterk aromatisch als sigarenkistenhout. Met zeer sa-
mentrekkend-bitteren smaak.
Twijgen donkerbruin of roodbruin, met talrijke groote lenticellen.
Bladeren vrij lang-gesteeld 5—12- (meest 8-) jukkig, (bij jonge
loten 16 —20-jukkig). Blaadjes middelmatig-, zeldzamer kort-gesteeld,
overstaande of (zeldzaam) afwisselend, eilancetvormig, ongelijkhelftig,
meestal gekromd, met lang spits toegespitsten top en aan den voor-
rand breed-afgeronden voet, gaafrandig, nogal stevig met 12—18
van onderen goed zichtbare, dunne zijnerven, in sicco evenals de hoofd-
nerf, bladspil en steeltjes roodbruin gekleurd, zeldzamer éénkleurig
(bij het origineel exemplaar (1); zeer veranderlijk in beharing, maar
meest van onder op de hoofd- en zijnerven en de steeltjes zeer kort
donzig-behaard of geheel onbehaard. Bladspil kort-donzig-behaard
of onbehaard, met verspreide lenticellen. Versche bladeren glim-
mend donkergroen, dikwijls met roodachtige nerven, zonder doorschij-
nende stippels maar met zeer sterk regelmatig-vertakt doorschijnend
adernet (dit ook bij de andere soorten van het geslacht). Jonge blaadjes
(1) Volgens Hassk. zijn bij een jongen in den tuin gekweekten boom de onderste blaadjes
van vele jukken grof-oppervlakkig-gezaagd. In herb. Kps. vonden wij slechts sporen
van zaagtandjes bij zéér enkele bladeren, „iet bij jonge boomen.
CEDRELA. — 199 — MELIACEAE.
licht roodachtig-groen. Lengte der bladeren 240—700 mM. bij jonge
loten 1—1.5 M.; blaadjes gemiddeld 120 bij 50, de middelste 140—170
bij 55, soms 200 bij 75, de onderste en bovenste kleiner. Bloem-
pluimen 4 M. lang, geheel kort-behaard ; onderste zijtakken 4 M.—
300 mM.; secundaire zijtakken nogal kort, dun, ver uiteenstaande,
uiterste twijgen kort, dicht-bloemig. Bloemen kort-gesteeld 5 mM.
lang, wit. Kelk dun behaard gewimperd, 5-spletig met stomp-eivor-
mige lobben; bloembladen eivormig-langwerpig, opstaande, van buiten
vooral in het midden behaard of onbehaard, van binnen dun-
behaard; helmdraden opstaand, veel korter of even lang als de
stijl, priemvormig, dun-langharig, helmknopjes breed elliptisch, van
onderen tweelobbig, aan den top stomp of witgerand, soms met het
beginsel van een stekelpuntje; stuifmeel bolvormig 16—26 u in
diam. Eierstok klein kegelvormig of groot bolvormig, behaard, stijl
vleezig, onbehaard, schijf dik behaard, oranje-geel. Vrucht donker-
bruin met lichtelenticellen, obovaat-wigvormig, 25—30 mM. lang,
10—12 breed, hokjes 6—8-zadig. Zaden wan boven en van onderen
en aan eene zijde gevleugeld.
var. @ glabrior Cas Dec.
Bloembladen buiten onbehaard of nagenoeg onbehaard.
<
Aanm. Beschrijving van type en var. @ naar talrijke exemplaren van Herb. Kps.
Deze soort varieert in de beharing der jonge deelen, der volwassen bladeren, de meer-
dere of mindere breedte van den bladvoet, in de uitwendige beharing der bloembladen,
de lengte der helmdraden en op enkele plaatsen in West-Java naar het schijnt in kleur
en reuk van het hout, zoo worden in Pèngalèngan (West-Java) drie variëteiten onder-
scheiden, waarvan er twee, de meest algemeen voorkomende, lichter gekleurd, witachtig:
(?) en weinig-riekend hout zouden hebben. Bij deze zijn tevens de jonge bladeren reeds
geheel onbehaard en de bloembladen van buiten onbehaard.
De typische vorm met van buiten behaarde bloembladen komt slechts op enkele
plaatsen in West-Java voor: Preanger, Bantèn.
De exemplaren van Midden- en Oost-Java behooren tot de var 2 glabrior Cas. Dec.
met van buiten onbehaarde of bijna onbehaarde bloembladen. Voor een meer uitvoerige
onderscheiding der verschillende variëteiten zou een ingrijpend onderzoek met zeer volledig
materiaal vereischt worden.
Uit de omstandigheid, 1/ dat in vele nog vrij nieuwe botanische werken onder
Cedrela Toona Roxp. 4 soorten werden samengevat, die in de recente Monographie der
Meliaceae van Cas. DrCANDpoLLE gescheiden zijn (C. serrata Roxs.; C. glabra C.DC. ;
C. Toona RoxB. in engeren zin en C. microcarpa C.DC.) en 2/dat voorts Mrquer in zijn
Flora N. IL, de C. febrifuga Br. van Java synoniem beschouwd heeft met C. Toona Rox.
van Voor-Indië en 3/dat ook volgens ons onderzoek de C. febrifuga Bu. en vooral de
var. glabrior bijzonder na verwant is met C. Toona Roxs. hebben wij gemeend, dat het
van belang was de kenmerken van de laatstgenoemde in Voor-Indië door BRANDIS, GAMBLE,
MELIACEAF. == LON) — CEDRELA.
e.a. zoo grondig onderzochte soort bij de beschrijving van het hout, de cultuur, enz. van
C. febrifuga Bu, hieronder natuurlijk afzonderlijk te vermelden.
Vap het z.g Roode Cederhout van Australië (N. Z. Wales), zegt de „Consulting botanist”
J. H. MaArpeN in een stuk over „Useful Australian plants’, dat die houtsoort de Cedreln
australis F. v. Mürr. òf identiek o.a. volgens BENTHAM is met òf in elk geval zeer
nauw verwant is met de C. Toona RoxB van Voor-Indië. Dit geeft ons aanleiding ook
eenige voor die soort eigenaardige bijzonderheden natuurlijk ook afzonderlijk overtenemen.
Geogr. verspreiding: Geheel Java van 0—2000 Meter; vooral
op 0—1200 Meter zeehoogte. In vele streken zeer algemeen; o. a. op
1100 M. op het Idjen-plateau bij de onderneming Kalisat (Simpòl) een
der meest algemeene hooge woudboomen. In Oost- en Midden-Java
naar het ons schijnt algemeenen dan in West-Java, evenwel ook daar
in vele streken nogal algemeen. Buiten Java: Uitsluitend op Java. De
door Rumepnius Herb. Amb. 1. ce. beschreven „soerèn’’ waarschijnlijk deze
soort. De echte C. Toona RoxB waaraan deze species en vooral C. febrifuga
Br. de var. glabrior CDC. zóó nauwverwant is, dat bijna alleen in de
beharing der bloembladen eenig verschil schijnt te bestaan, is alleen van
Voor- en Achter-Indië en Malakka met zekerheid bekend, De bedoelde
var. glabrior C, DC. hoofdzakelijk in Midden- en Oost-Java en het type
van C. febrifuga Bu. door ons met zekerheid in West-Java gevonden (zie
aanm.). — Standplaats: De var. glabrior C. DC. bij voorkeur in loofver-
liezende homogene bosschen op periodiek drogen of zeer drogen bodem
o. a in de meeste djatibosschen van Midden-Java algemeen; evenwel ook
in heterogene altijdgroene hoogstammige wouden op periodiek-weinig
of niet uitdrogenden bodem o. a. bij Kalisat (Idjèn-plateau) en bij Sëm-
pòlan en Tjoramanis in afd. Djëmbër. Naar het schijnt deze varieteit
bij voorkeur op gronden, waar de invloed van den drogen moesson
meer of minder merkbaar is en het type van C. febrifuga Bu. bij voorkeur
of bijna uitsluitend in heterogene hoogstammige altijd groene schaduwrijke
bosschen op constant vochtigen, zeer vruchtbaren grond o. a. bij Takòka
(distr. Djampang-wètan) en bij Tjibòdas (bosch van ’s Lands Plantentuin)
beide in de Preanger. — Voorkomen: Meestal verstrooid. Alleen bij
Kalisat (zie boven) min of meer gezellig groeiend. — Bladafval:
Terwijl op de berghellingen van den G. Wilis bij Ngëbèl in Madioen op
700 Meter Albizzia stipulata Berrtu. en eenige andere boomen lang blader-
loos stonden, prijkten alle boomen van de var. glabrior in vol blad. Elders in
de bergstreken van Java naar het schijnt ook altijd groen, in tegenstelling
met op Java geplante C. serrulata Mr. Ook in Voor-Indië is de aan 3
glabrior K. et V. zeer naverwante C. Toona Rxb. volgens Branpss altijd
groen, maar volgens BraNpis soms loofverliezend. In de djatibosschen
van Java steeds? loofverliezend. C.australis F. v. Müru. (zie boven de
aanm.) is volgens MarpeN een der weinige loofverliezende boomsoorten
van W. Z. Wales. Deze soort is echter op sommige standplaatsen in dat
land soms „semi- deeiduous”’ en soms altijdgroen. — Bloei- en vrucht-
tijd: Bloeitijd meestal begin oostmoesson (o. a. Mei) en rijpe vruchten
tegen begin westmoesson (o. a. Oct). Zeer rijk bloeiende ; dan met talrijke
niet zeer in het oog vallende vrij groote min of meer hangende pluimen
van kleine witte bloemen. Rijk vruchtdragend. — Vermenig vuldi-
ging: Zeer gemakkelijk door zaad. Gamsrr zegt van CQ. Toona Rxp.
„coppices freely”; Rumepurus bericht echter: „zeer moeilijk te stekken”. —
Groeisnelheid: Snelle groeier. Im Voor-Indië door Branprs gemeten
CEDRELA. — 201 — MELIACEAE.
35 jarige boom D=—=69 cM. Op 1300 Meter zeehoogte bij Pangèntjòngan
(Preanger) door ons gemeten 30 jarige boom H — 16 M. bij D= 75 cM. —
In N. W. en Centraal-Indië C. T'oona RxB. volgens BRANDrs in maximum
slechts 25 M. hoog bij D= 300 ecM. In Bengalen, Assam en Burma zijn
boomen met een stam, waarvan de eerste takken op 25—30
Meter boven den grond beginnen en met 200 ecM. op borsthoogte.
Ouderdom: Aanzienlijk. — Gebruik: Hout, Schors enz.: Op Java zonder
uitzondering zeer gezocht voor planken, tafels, kasten, enz, Een der meest
gezochte houtsoorten, en onder dak algemeen zeer duurzaam geacht, maar
niet lang bestand tegen wêer en wind en niet sterk genoeg voor dwars-
balken of stijlen van bruggen of huizen. De duurzaamheid bij expositie
aan wêer en wind is evenwel niet zoo bijzonder gering. Dit blijkt daaruit,
dat van de zeer talrijke boomsoorten, die op de koffie-onderneming van
den Heer T. OrroLanper groeien en aldaar vóór 10 jaar geveld werden
ook C. febrifuga tot de weinige houtsoorten behoorde, waarvan in de
koffietuinen in 1895 nog enkele bruikbare stamstukken te vinden waren.
Op de hoofdplaats Sëmarang is in een sigarenfabriek aldaar op verzoek
van houtvester A. B. J. Bruinsma met succes een proef genomen met in
Midden-Java gegroeid Soerèn-hout voor sigarenkisten. Vroeger kreeg
die fabriek het Cedrela-hout uit Manila, thans uit Java’s bosschen. Het
hout laat zich zeer gemakkelijk bewerken. De Heer A. B, KerKHOVEN zegt
in Teysmannia 1895 Jg. 6 p. 573: „De qualiteit der op Java inheemsche
Cedrela’s is nogal verschillend. Meestal is het Soerèn-hout (Cedrela febrifuga
Br.) zeer geschikt voor theekisten. Voor aanplant zijn deze boomen
niet aantebevelen. Buiten het bosch lijden zij erg aan ziekten en sterven
vroegtijdig.” Dit slaat alles op de bergstreken van Preanger en dus? op
de typische C. febrifuga Bu. BrANpis en GamBLe berichten over C. Toona
RxB. voor Britsch-Indië het volgende: „Het hout is duurzaam; wordt
niet door witte mieren aangetast; wordt hooggeschat en algemeen gebezigd
voor allerlei soorten van meubels, paneelen en snijwerk. Uit Burma
wordt het uitgevoerd onder den naam: „Moulmein Cedar’ en is onder
dien naam op de engelsche markt bekend. Te Londen was de prijs (1881)
Rs. 65 per ton. Im Bengalen en Assam is dit de belangrijkste houtsoort
voor theekisten, maar door den grooten aankap begint het eenigszins
schaarsch te worden. In Bengalen en Assam soms voor kano’s.” — De
bladeren, bloemen en vruchten schijnen op Java niet door de inlanders
gebezigd, te worden de schors soms voor medicijn Hout (techn.
eigensch.): Voor het in Voor-Indië gegroeide hout van C. Toona Rob.
volgens BrANDpIs en GAMBLE: „Spint witachtig. Kernhout steenrood
of roodbruin; zacht; glanzend; gelijkmatig van structuur maar met groote
poriën, met aromatischen reuk, droogt gemakkelijk en trekt niet krom.
Jaarringen duidelijk gekenmerkt door een ring van talrijke en groote
poriën. Poriën vaak in tweeën gedeeld, ongelijk verdeeld, in gering aantal
in het „herfst’-(— begin-oostmoesson op Java)-hout; eenigszins on-
gelijk van grootte, in het oogvallend op overlangsche doorsnede; in
het „voorjaars”- hout grooter. Mergstralen rood, fijn, middelmatig -
breed, alle even groot; de afstand tusschen 2 mergstralen meestal gelijk
aan den afstand van den diameter der poriën. Spec. Gew. (van luchtdroog
hout) == 0.46 —0.53; dus een lichte houtsoort. Sterktefactor P == 420 —560 ;
dus niet bijzonder sterk.” De bouw van het op Java gegroeide hout van
C. febrifuga Br., vooral van de var. glabrior CDC. komt hiermede o. i.
goed overeen. Het schijnt ons toe, dat het kernhout van de var. glabrior
13%
MELIACEAR. OR CEDRELA.
(van Midden- en Oost-Java) donkerder gekleurd is en er beter uitziet
dan het hout van de C. febrifuga Br. genuina uit de bergstreken van
West-Java, inzonderheid van sommige variëteiten. In Midden- en Oost-Java,
dus van de var. glabrior schijnen met uitzondering van Sémpòlan in afd.
Djtmbèr (Bësoeki) door de inlanders geene variëteiten onderscheiden te
worden. Zulks is wel het geval in enkele streken van de Preanger. Op
het Pengalèngan-plateau aldaar 3 Soerèn-soorten onderscheiden. Deze
laatste 1) Soerèn-tali, 5. 2) Soerèn-tandoek, s. en 3) Soerèn-kapas. Volgens
in loco gemaakte aanteekening zou het hout van No, 2 fraai donker-rood-
bruin en het meest gezocht zijn, terwij No. 3 het minst gekleurd, zeer
lichtbruin of witachtig bruin niet zeer geacht kernhout zou hebben.
Het „hout van No. 1 zoude het midden houden tusschen beide en
het meest algemeen zijn op dit (Pengalèngan) plauteau. Bij S&mpòlan
(Bèsoeki) heet de dáár zeer algemeene Soòren, md. en de var. Teysmannii
K. et V. soms ook aldus, soms Béroeh, md. Bij Tjibòdas (bergtuin van
's Lands Plantentuin) onderscheiden enkele inlanders van C. febrifuga
Br. Soeren, s. en Leungsir, s.…, terwijl elders in de Preanger meestal
Pometia pinnata Forsr met laatstgenoemden naam aangeduid wordt.
Rumruivs onderscheidt 2 „soorten van Soerèn, namelijk een witte en
roode soort. De laatste zou donkerder kernhout en sterker riekende
schors hebben. Het hout van de eerste soort zou om de lichtere kleur
minder gezocht zijn. Beide zouden in blad en vrucht niet verschillen.
Dit komt met ons onderzoek overeen voor de variëteiten op Java. R.
zegt nog het volgende: „Door de inwoners van Uliassers wordt dit hout
bijzonder gezocht om prauwen van te maken, omdat het zeer licht en
in zeewater duurzaam is. Soms ook voor houten schilden gebezigd.
De planken zijn met schaven alleen moeilijk glad te maken en zien er
daarom, mits ongepolijst meestal nogal ruig uit’ Over de met de
Javaansche Cedrela zeer nauwverwante en vroeger daarmede identisch
geachte C. australis F. v. Mürr. deelt Marpen, Consulting botanist of
New South Wales in een recent artikel over „Useful plants of N. 8.
Wales” het volgende o. a. mede: De naam, waaronder deze houtsoort
in Australië en in den handel bekend is, is Red-cedar. Zonder eenigen
twijfel is het Red-cedar de belangrijkste van alle houtsoorten van Nieuw-
Zuid-Wales, en het wordt zeer algemeen en vooral voor tafels, kasten,
deur- en zolderplanken gebezigd. Indien het hout tegen water en zon
beschut wordt, is de duurzaamheid zeer aanzienlijk. Het is moeilijk in
Australië timmerhoutsoorten te vinden, die uitgezochte en zorgvuldig
bewerkte stukken van Red-eedar overtreffen. Het wordt, hoogst zelden
door witte mieren aangetast. Sigarenkisten worden in N. Z. Wales uit
de zachtste variëteiten van dit hout gemaakt. In Sydney was de prijs
(1894) 15. shilling per 100 kub. voet. Uit de bloemen kan een kleurstof
gemaakt worden, welke evenwel uit een handelsoogpunt niet van eenig
belang is. Volgens enkele personen zoude de bast van Red-cedar bruik-
baar zijn voor leerlooierij. Volgens MameN is die meening onjuist.
De bast wordt in Australië en zooral in Indië tegen dysenterie en
koorts gebezigd. Aan Marmer is onbekend of er een alcaloid in gevonden
is.’ In Biscuop GRrEVELINK. Nuttige Planten p. 498 staat „De heer Rost vAN
ToNNinceNn (te Buitenzorg aan ’s Lands Plantentuin werkzaam) heeft
ontdekt, dat: in de bast (van C. febrifuga Br.) geen alkaloid aanwezig
is. De Cedrela odorata van West-Indië komt in alle eigenschappen van
het hout metde Cedrela van Java (C. febrifuga Bu.) overeen.” Im Maiden
OCEDRELA. — ZB == MELIACEAE.
Le. staat verder: De Red-cedar scheidt uit de schors een gom af, evenwel
niet op alle standplaatsen en meestal slechts in zeer geringe hoeveelheid.
De door mij onderzochte gom was doorschijnend geelachtig en was in
stukjes van een duim lang gevonden. Hoewel niet zeer gemakelijk lost
de „gom bijna geheel in water op en deze gomsoort vormt een overgang
van de gomsoorten, die in water alleen opzwellen en andere, die spoedig
geheel oplossen. De opgeloste gom is zeer bruikbaar om te plakken.
Doordat echter slechts zeer kleine hoeveelheden van deze gom verkregen
kunnen worden, is de gom uit een handelsoogpunt waardeloos. ” De
naam Cedrela is afgeleid van Cedrus, dat in het latijn de naam van een
welriekende houtsoort. Daarvan is de naam ed-cedar afgeleid. Volgens
den Heer T. OrrorLANper zijn de resultaten van proefnemingen door een ge-
neesheer te Bondowoso met schors van C, febrifuga Bu. uit Pantjoer-Bösoeki
(inwendig) tegen sommige op dysenterie gelijkende chronische ingewands-
aandoeningen met succes bekroond. De naam „koortsverdrij vend” (febri-
fuga) door Brume aan de Javaansche Cedrela gegeven, berust op het
gunstige oordeel van Dr. Brumw, Het geneeskundig gebruik van Cedrela-
schors is echter op Java in vele streken aan de meeste inlanders onbekend
gebleven. — Cultuur: Zeer aantebevelen om het hout o. a. verspreid in
djatieulturen. In de hoogere bergstreken van geheel Java tot op 1500
M. nog vrij spoedig timmerhout van groote afmetingen opleverende en
daarom vooral ook dáár zeer aantebevelen. Aldaar o. i, ook bruikbaar
voor reboisatie m. h. oog op irrigatie en grondverbetering mits vermengd
met andere boomsoorten. De cultuur volgens den Heer KERKHOVEN
in West-Javaansche bergstreken echter niet zeer gemakkelijk (zie hier-
boven). Tot dusverre nog niet door het Boschwezen in het groot aan-
geplant. — Inl. namen: In geheel Java Soerèn, j. s. ml. waarbij hier
en daar nog een tweede naam er achter komt ‚bij Soerèn-kapas, s. om
variëteiten aan te duiden (zie boven onder „Hout”). Bij Ngébéël in Madioen
hek de inlanders meer Redani, j. dan Soerèn, j. genoemd en bij Tjömara
in W. Bantén (afd. Tjaringin) meestal Ki-bewreum, s. (== rood-hout)
En in plaats van Soerèn, s. Hoogstzelden door de inlanders met
andere boomsoorten verward en de naam Soeren, j. daarom van zeer veel
waarde voor het opsporen van deze houtsoort. De uitheemsche hier en
daar op Java gecultiveerde Cedrela-soorten ook constant Soeren genoemd
maar met een bijvoeging, die ongeveer de beteekenis van „uitheemsch”
heeft bijv. Soeren-sabrang j. De hollandsche naam op Java : Sigaren-kisten-
hout of Bastaard-ceder, — Habitus: Woudreus met groote wortellijsten,
fraaie kroon, grof gevinde gaafrandige bladeren, groote pluimen met
kleine witte bloemen en zeer kenbare, met 5 stervormig uitstaande kleppen
_ openspringende, nogal kleine vruchten, gevleugelde zaden en zeer typischen
naar juttepeeren of naar ? sigarenkisten) reuk van het roodbruine hout
en de schors. Aan de laatste eigenschap alleen reeds in het bosch dadelijk
van alle Javaansche woudboomen te herkennen. De Amerikaansche C.
odorata gelijkt vooral in blad zeer op deze soort, maar is daarvan door
de stinkende bladeren te onderscheiden en C. serrata Rorue (op Java het
meest gecultiveerd) door de gezaagde blaadjes.
Arbor altissima circ. 35—40 Meter alta, trunco haud raro 200—300
cM. diameter. HRamuli rubescenti-fusci, glabri; lenticellis albidis vel con-
coloribus conspersi. Folia longiuscule petiolati 5—12- (saepius 8-) jugi
MErIACEAF. 0 CEDRELA.
(in plantis juvenilibus 16—20-jugi). Foliola modice, rarius brevi-petiolulata
opposita vel raro alterna; ovato-lanceolata; inaequilatera ; saepius falcata;
deorsum antice late rotundata; apice longe acute acuminata, integra (1),
firmula, nervis lateralibus 12—18 subtus conspicuis in sicco saepius cum
costa, petiolulis et rhachi rubescentibus patulo-arcutis, quoad pubescentiam
quam maxime varia, saepius glabra vel subtus ad nervos et petiolulos bre-
vissime velutina vel glabra saepe lenticellis parvis conspersa. Foliola in
vivo saturate viridia, nitidula haud pellucide punctata, venatione dense
ramosa, regulari, pellucida, Folia novella pallide rubescentia. Folia
240—700 mM. longa; in juvenilibus saepe 1—14 M. longa. Foliola sae-
pius 120 longa et 50 lata; in medio folii saepe 140—170 mM. longa et
55 lata vel 200 longa et 75 lata inferdora et superiora minora. Panicu-
lae foliis aequilongae vel breviores, puberulae, ramis inferioribus 250 — 300
mM., seeundariis breviusculis gracilibus, laxis, ultimis densifloris. Flores
breviter pedicellati (L—2 mM.), albi, 5 mM. longi. Calyx parce hirtellus,
ciliatus, 5-fidus lobis obtuse-ovatis, petala extus (imprimis medio) hirtella
vel glabra, intus villosula, oblonga, erecta. Filamenta subulata stylo
multo brevioria, rarius subaequilonga pilosa, antherae late ellipticae basi
cordatae apice emarginatae muticae vel obsolete mucronulatae. Pollen
globosum 16 jz diam. Ovarium parvum conoideum vel magnum globosum
pilosulum, stylus carnosus glaber. Discus hirsutus aurantiacus. Capsula
atro-fusca, pallide lenticellata, obovato-fusiformis, 25-30 mM. longa et
10-12 lata; loeulis saepius 6-spermis, semina utrinque alata.
8. glabrior Cas. Dec. Petala extus glabra vel subglabra.
2. Cedrela serrata, Rovre Ill. p. 144, tab. 25 ! BRANDIS For. fl. p.
738; C. Dc. Mon, p. 742; — C. serrulata Mriq. F. 1. B. 1 (exe. fructu) ;
Ann. rv Ll. e; — Toona serrata = Roem. Syn. fasc. 1 (teste C. Do.) —
Cedrela Toona HierN in Hook. F. B. 1. l e. proparte.
Hooge woudboom. In ’s Lands Plantentuin een ongeveer 30 M.
hooge boom met rechten 70—80 cM. in middellijn metenden stam
Bladeren lang-gesteeld 1/,—8/, M. lang, 10—14-jukkig. Blaad-
jes langwerpig-lancetvormig of langwerpig-elliptisch; weinig scheef
met stamper of afgeronden voet, aan den top lang-stomp-
toegespitst, oppervlakkig maar meest zeer duidelijk gezaagd (bij de
(1) fide Hassk. foliola inferiora arborum juvenilium hinc inde parce serrata.
CEDRELA. AD MELIACEAE.
op Java gekweekte nooit, bij de Eng‚-Indische dikwijls volgens C. Dc.
gaafrandig), geheel onbehaard, evenals de korte bladsteeltjes en de rol-
ronde spil versch nogal donkergroen, met lichtere nerven; bladspil,
bladsteeltjes en middelnerf van onderen dikwijls roodachtig. Plui-
men langer dan de bladeren 1--1t M.; zijtakken '/, M. Zij
takken der tweede orde kort, rolronde pluimen vormend, uit gesteelde,
dikwijls 7-bloemige bijschermen gevormd, zeer dun-kort-behaard
Bloemen geheel onbehaard ongeveer 5 mM. lang, rozerood, zwak
naar honig riekend, niet aangenaam; kelk uitgespreid, 5-spletig,
lobben min of meer gewimperd; bloembladen wit of van buiten
min of meer rozerood; klieren aan den voet der helmdraden rood-
oranje geheel onbehaard, helmknopjes stomp. Hierstok langwerpig,
onbehaard. Vrucht 20—30 mM. lang met weinige, (hoogstens 4)
zaden in elk hokje, van buiten bijna glad of met kleine wratten
bedekt, + 16 mM. lang met spitsen voet en één dunnen vleugel zij-
delings aan den top.
Aanm. Beschrijving naar een paar boomen in 's Lands Plantentuin te Buitenzorg en vooral
ook naar een in de nabijheid van Buitenzorg gekweekt exemplaar. Wijkt van de door
C. Dec. beschreven soort uit Engelsch-Indië naar het schijnt uitsluitend af door de kleinere
bloemen (C. Dec. geeft op 7 mM. voor de lengte der bloembladen, die bij de onze 4—5
bedraagt), maar komt overigens met diens beschrijving en eveneens met de beschrijving van
BrANpis geheel overeen. Belangrijk is o.a, dat ook BRANpis opgeeft, dat de zaden slechts
aan één zijde gevleugeld zijn (in tegenstelling met C. -Toona). Toch is deze soort, die
van uit ’s Lands Plantentuin over Java is verspreid oi. ongetwijfeld dezelfde als Mrquer's
C. serrulata, die door TeyYsMANN uit Sumatra naar den Plantentuin was overgebracht.
Wel geeft MrqueL F. IL. B. le. p. op, dat de zaden aan beide zijden gevleugeld zijn,
doeh deze naar het schijnt op een verwarring berustende bewering, wordt in zijn
nieuwere beschrijving Ann. l.c. weggelaten.
In Hort. Bogor, levend XI D I en II A 16.
Op Java niet wildgroeiend.
Dr. van RoMmBureu le. zegt van deze boomsoort het volgende:
Oorspronkelijk vond TrysMANN den Soerian op Sumatra en bracht
dien in 1856 naar Buitenzorg. Hij beval den boom aan om het
uitstekende hout. Men zou ze over Java verspreiden en planten op
hoogten van 300—600 M. In dat jaar nog werd een proef genomen
in Kadoe, Bagèelën en Banjoemas met plantjes uit Buitenzorg ver-
strekt. Later nam men meerdere proeven, die leerden, dat zoowel
op 150 M. als op 1200 M. goede resultaten verkregen kunnen worden.
In Midden-Java schijnt de boom minder goed te gedijen, omdat hij
van den oostmoesson te lijden heeft. Zeer fraaie exemplaren ziet
MELIACKAT. — 206 — CEDRELA.
men o.a. op Sinagar. Im 1877 werd in den Cultuurtuin een aan-
plant gemaakt, waarin de boomen op een onderlingen afstand van
3.6 M. staan. Zij ontwikkelden zich goed en hebben nu een hoogte
van 18 M. en een omvang van 0.68 M. In hun schaduw groeien
cacao, eenige Chavica-soorten, Smilax syphilitica en vanille. Men
vermenigvuldigt den soerian door zaden, die uitgezaaid worden op
overdekte kweekbedden, waarin men de aarde met wat klei vermengd
heeft, om het wegwaaien der lichte zaden te voorkomen. De kweek-
bedden moeten begoten worden. Als de plantjes 30 cM. hoog zijn
worden ze direct van de kweekbedden uitgeplant. Een jaar na het
uitplanten is de hoogte reeds 1.2—3.6 M., terwijl 2-jarige boomen
eene hoogte van 6 M. hebben. Als men de boomen topt, indien
ze reeds flink hoog zijn, krijgt men fraaie kronen. Voor reboisee-
ring op arme steenachtige gronden schijnt de soerian minder geschikt.”
Geogr. verspr.: „Voor-Indië; tot op 2600 Meter zeehoogte.”” (BRANprs)
„Sumatra. Op Java alleen gecultiveerd; echter in de laatste jaren op veel
plaatsen geplant vooral in W. Java. — „Bladafval: In Voor-Indië in Mei
korten tijd bladerloos. — Bloemen: in Voor-Indië in Mei-Juni en zaden in
Augustus. — Hout: Spint witachtig-geel, kernhout rood, met meer of
minder sterk aromatischen reuk. Kernhout iets lichter van kleur en met
grover porieën dan Cedrela Toona; daarop zeer gelijkend. — Gebruik:
Hout: Volgens Branpis in Voor-Indië algemeen gebezigd voor hoepels
van zeven; en ook voor bruggenbouw. „Weinig houtsoorten zijn zóó
bruikbaar voor allerlei doeleinden. Het hout is redelijk vast, fraai te
bewerken, mooi gevlamd, waardoor het voor gepolitoerde meubels gebruikt
kan worden, en duurzaam, mits niet blootgesteld aan de witte mieren. Ook
het spint-hout en dat van jongere boomen verschilt weinig van het oudere
kernhout. Zelfs voor bouwhout is het zeer voldoende sterk. Theekisten
van dit hout gemaakt laten niets te wenschen over. De groei van den
boom is evenwel nog niet snel genoeg. Op 3000 voet heeft hij on-
geveer 15 jaar noodig om een balk van 20 x 20 cM. te kunnen
leveren. Bij zeer gunstigen groei 25-—25 cM. Oudere boomen worden
dikwijls hol.” Deze mededeelingen zijn ontleend aan een artikel in
de 6e jaarg. van Teysmannia (1895) van de hand van een ervaren
theeplanter van de Preanger, den Heer A. B. KERKHOVEN. Schors,
bladeren, enz. Im Voor-Indië de jonge loten en bladeren voor vee-
voeder. — Cultuur: Om het hout aantebevelen. Voor schaduwboom
langs wegen minder geschikt, tenzij in streken, waar de invloed van den
oostmoesson minder sterk is; aangezien de boom alleen dáár (op Java)
niet lang bladerloos staat.— Inl. naam: Soerën-sabrang, j. in res. Sëma-
rang; d. w. z. de uitheemsche” Soerèn. — Habitus: Als C. febrifuga
Br. (Soerèn, j. s.) maar blaadjes gezaagd.
Arbor procera; habitu C. febrifugae Br. Folia longe petiolata Ys
CEDRELA. — 207 — MELIACEAF.
M. longa, 10—14-juga. Foliola oblongo-lanceolata vel oblongo-elliptica,
parum inaegwilatera basi obtusa vel rotunda vel subtruneata, apice longius-
cule obtuse acuminata, obiter sed saepius valde distincte serrulata (in specc.
Indieis fide CDC. interdum, in Javamieis nunquam in tegerrima) glaberrima,
in vivo intense obscure viridia, nervis pallidioribus; rhachi cum petiolulis
brevibus glabra saepe rubescenti. Paniculae parce breviter pubescentes foliis
longiores (1—5|, M.) ramis usque 0.5 M. longis, ramulis secundariis
brevibus (usque 130 mM.) paniculas teretes e cymis saepius T-floris pe-
duneulatis ecompositas efformantibus. Flores albido-rosei glaberrimi circ. 5
mM. longi, pedicellis fere aeqwilongis suffulti; calyx plane-cupularis, 5-fidus
lobis obtusis saepe ciliolatis, petala basi breviter carinata erecta, disci glan-
dula miniata glaberrima; antherae obtusae, ovarium oblongum, glaberrimum.
Capsula 20—30 mM. longa, loeulis oligo-(saepius 4-) spermis extus nigres-
cens, sublaevis vel minute verruculosa. Semina + 16 mM. longa, basi acuta,
sursum ad unum latus alata.
TERNSTROEMIACHAE, Znd/.
BENTHAM et Hooker Gen. Plant. r 177; — MrqveL Fl. 1. B. r
2 p. 468 et Ann. Mus. Lugd. Bat. rv p. 103; — Korrnars Ver-
hand. Natuurl. Geschied. — ScuerFreR in Natuurk. Tijdschr. N. I.
XXxI 15 et 362; xxxII 406; — Dyer in Hooker F. B. J. 1. 279;
— Kurz. For. Fl; — BrANDIS For. Fl; — ZoLr. Syst. Verz. 142; —
Do. in Mém. soe. ph. Gen. T. 1 (1822); — Crorsy, Mémoires. Ternstr.
in mém. Soc. ph. Genève T. 14 1858; — pr Vrimse Plant. Ind.
Or. Reinw. p. 27 (1856) — Pierre Flore Coch. t. 1138 —129 ; — Thea-
ceae Sysz. in ENeL. u. PRANTL. Nat. Pfl. D. mm. 6. p. 175.
„Bloemen tweeslachtig, zelden tweehuizig. Kelkbladen 5; zelden
41; vrij of weinig vergroeid; de binnenste dikwijls het grootst.
Bloembladen 5; zelden 4—9; vrij of van onderen vergroeid; in den
knop dakpanswijze dekkend of ineengedraaid. Meeldraden oo vrij of
vergroeid; gewoonlijk vergroeid met de basis der bloemkroon en
met deze afvallend; helmknoppen aan de basis vastgehecht of bewe-
gelijk, met spleten, zelden met eindelingsche poriën openspringende.
Eiërstok vrij, zelden half weggedoken in den bloembodem; zittend;
3 —5-, zelden meer-hokkig; stijlen evenveel, vrij of vergroeid; stempels
gewoonlijk klein; eitjes 2—oo in elk hokje, zelden slechts één,
anatroop, campylotroop of amphitroop. Bes of doosvrucht, zaden
weinig of talrijk. Zaadlijsten asstandig; kiemwit in geringe hoeveel-
heid of ontbrekend, zelden veel; kiem recht of hoefijzervormig.
Zaadlobben verschillend.”
„Heesters, zelden klimmende, of boomen. Bladeren afwisselend;
enkelvoudig; gaafrandig of gezaagd, gewoonlijk lederachtig; zonder
steunblaadjes. Bloemen zelden klein; meestal door 2 kelkbladachtige
schutbladen omgeven; okselstandig ten getale van 1 of 2; zelden in
zijdelingsche of eindelingsehe trossen of schermen.” (BOERLAGE)
— 209 — TERNSTROEMIACEAE.
„Aantal geslachten 32; soorten 260; meestal in tropisch Azië en Ame-
rika, zelden in Afrika” (Boer)
Aanm. In de Natürliche Pflanzenfamiliën van ENGLER und PRANTL. zijn de geslachten
Saurauja en Actinidia, die in vele opzichten een afwijkenden bouw vertoonen, van deze
familie naar de Dilleniaceae overgebracht. Wij hebben hier de familie der Ternstroe-
miaceae, evenals ook BOERLAGE in zijn Handleiding, in den omvang genomen, waarin zij
door BENTHAM en HookKER Gen. Plantarum worden opgevat.
Door BertH. et HookER worden een aantal onderfamilies onderscheiden, waarvan de
drie volgende op Java door boomen of boomheesters vertegenwoordigd zijn :
Tripus 1. Ternstroemieae, Bloemen alleenstaand. Kroon dakpanvormig. Meeldraden
aan de basis der króon verbonden; helmknoppen aan den voet bevestigd. Vrucht niet
openspringend (Bij de Aziatische geslachten) Zaden meestal in gering aantal; kiemwit
dun, soms ontbrekend; kiem gekromd; zaadlobben korter dan het worteltje.
1. Ternstroemia.
2. Adinandra.
3. Muryd.
TrrBus IL Sauraujeae. Bloemstelen vertakt. Kroonbladen dakpanvormig. Helmknop-
jes aan de rugzijde vastgehecht, bewegelijk. Vrucht meest vleezig. Zaden zeer klein
met veel kiemwit. Worteltje recht of zwakgebogen, langer dan de zaadlobben.
4, Actinidia,
5. Saurauja.
TriBus III Gordonieae. Bloemstelen één-bloemig; soms zeer kort. Kroonbladen dak-
panvormig. Helmknopjes bewegelijk. Vrucht hokverdeelend of niet openspringend. Wei-
nig of geen kiemwit. Zaadlobben verschillend. Worteltje kort,
6. Schima.
7. _Gordonia.
8. _Haemocharis.
9. Pyrenaria,
10. Camellia,
Uitslwitend gecultiveerd op Java:
Thea, L.
T. Assamica, Griff. — Assam-thee. — Vaderland Zuid-China en Achter-
Indië? Lage rijkvertakte boom. Tot dusver bijna alleen in de berg-
streken van West- en Midden-Java gecultiveerd om de jonge bladeren
(„thee””). — De sedert 1827 op Java (door ’s Lands-Plantentuin) ingevoerde
en vooral in West-Java met succes op groote schaal gekweekte gewone
thee (Thea Chinensis Sms.) is een lage heester en wordt nooit een boom.
Archytaea Marr.
A. Vahlii Crorsy. — Vaderland Sumatra, Borneo, Malakka, enz. — Zeer
fraaie, op zeer slechten grond nog goed groeiende boomheester. Aan te
bevelen als sierboom voor tuinen. Tot dusver op Java alleen in ’s Lands-
Plantentuin gecultiveerd.
Overzicht der geslachten.
sBloemenkeeuhuzig … AP ie «nn 2.
Bloemen tweeslachtig . 3
2. Stamper met talrijke stijlen; “helmknopjes | aan
de rugzijde bevestigd; besvrucht rijk aan slijm
IE!
TERNSTROEMIACEAE. =H
en kristalnaalden. …. 4, Actinidia.
Stamper met 2—5 stijlen, ‘helmknopjes a aan ‘den
voet bevestigd; besvrucht zonder slijm en kristal-
naalden : 3. Kurya.
3. Vrucht vleezig 4,
Vrucht droog, openspringend de
4, Helmknoppen met poriën openspringend. Boomen
of kleine heesters op Dillenia gelijkend, met
grove borstelige haren . 5. Sawrauja.
Helmknoppen in de lengte openspringend. Boomen
niet op Dillenia gelijkend, met zijdeachtige
bekaringin. Arns ende eee
5. Helmknopjes aan den voet bevestigd; zaden
hoefijzervormig gekromd met kleinen navel aan
EON Ops ee
Helmknopjes bewegelijk; zaden niet gekromd
met zijdelingschen, afgeschaafden navel … … 9. Pyrenaria.
6. Vrucht met één tot 4 zaden; met zeer harde
zaadhuid met vleezigen roodgekleurden wand. 1. Fernstroenia.
Vrucht met talrijke zaken; zaadhuid bros, van
buiten zwart. 2. Adinandra.
7. Alle meeldraden gelijk, aan den voet vergroeid;
zaden gevleugeld. . . 8.
Buitenste meeldraden tot een een ring vergroeid,
binnenste vrij; zaden dik, ongevleugeld. . . 10. Camellia.
8. Kelkbladen nagenoeg gelijk; zaden Ka den
omtrek kort gevleugeld. . . 6. Schima.
Keldbladen zeer ongelijk; zaden aan den top
lang gevleugeld. . . 9.
9. Stijlen tot aan den top vereenigd; stempel breed
gelobd.; 5 1. Gordonia.
Stijlen aan den top of geheel vrij df ontbrekend 8. Haemocharis.
l. TERNSTROEMIA, L.
Bloemen tweeslachtig of door mislukking polygaam. Kelkbladen
5, in knop dakpanvormig na den bloei blijvend. Bloembladen 5 aan
den voet vergroeid; in knop dakpanvormig. Meeldraden talrijk.
Helmknopjes zijdelings aan het helmbindsel vastgegroeid, recht
opstaand; helmbindsel meest in een punt uitloopend. Hierstok 2,
zeldzamer 3-hokkig met 1—5, meest 2 eitjes in elk hokje. Eitjes
van den top neerhangend, „halfgekromd met naar (?) binnen gekeerd
poortje en ‘dorsale raphe (BArLLoN Hist. plantes IV 256 en Adansonia
X 238). Vrucht niet openspringend; doch met vleezigen of onre-
gelmatig uiteenvallenden, kurkachtigen wand. Zaden niet talrijk,
met een vleezige buitenbekleeding, een stevige middelste en een
zeer dunne binnenzaadhuid met hoefijzervormige holte. Kiemwit ont-
TERNSTROEMIA. — 211 — TERNSTROEMIACEAE.
brekend of weinig (soms vleezig?) Kiem rolrond; hoefijzervormig
gebogen; met dikken vleezigen wortel en lange lijnvormige (T. Japo-
nica) of rudimentaire zaadlobben (7. macrocarpa en volgens PreRRE
T. Penangiand).
Altijdgroene boomen of heesters met leerachtige bladeren en al-
leenstaande, extra-axillair-, zeldzamer axillair-geplaatste bloemen.
Twee nagenoeg overstaande schutblaadjes vlak onder de bloem.—
Aantal soorten ongeveer 30; in tropisch Azië en Amerika; in Ned.
Indië een 7-tal, waarvan eenige vroeger onder den naam Reinwardtia
Korru beschreven zijn.
Aanm. Door MriqveL worden in de Fl, J. B. le. twee soorten voor Java opgegeven:
1. T. micrantha CHorsy en
2. T., gedehensis T. et B. welke voor SCHEFFER Obs, phyt.
14. Ons inziens terecht vereenigd zijn. SCHEFFER voegt nog een tweede soort daaraan
toe ; namelijk :
3. T. macrocarpa Scuerr. terwijl een derde soort, die zeer verwant aan 7. Japonica
Tuurs. in het Herb. Kps. vertegenwoordigd en hierdoor ons voor het eerst voor Java
beschreven is als:
4. TFT, Japonica Tuur. var. Javanica K. et V.
Men geeft algemeen op, dat het zaad bij sommige soorten een dikvleezig kiemwit heeft.
De soorten echter, waarbij dit het geval is, vonden wij nergens vermeld. Voorzoover het
berust op de afbeeldingen bij Korrm. en bij GRirr. is het onjuist. Door Pierrw is dit
voor 7. Penangiane het eerst aangetoond, en ons is gebleken, dat bij 7. macrocarpa,
SCHEFFER het kiemwit geheel ontbreekt en de zaadlobben uiterst klein zijn. De geheele
kiem bestaat dáár uit een rolrond hoefijzervormig gebogen lichaam (worteltje en hypoco-
tyle lid), dat aan den eenen top in het vegatatiepunt van den wortel, aan den anderen
top in dat van den stam eindigt. Het laatste is bedekt door twee nog geheel onontwik-
kelde en voor het bloote oog niet zichtbare cotyledonen. Korriuars heeft blijkens zijn
afbeelding (pl. 12 fig. 17) het centrale deel van dit worteltje met het hypocotyle lid er bij
voor den kiem aangezien. Hoe hij er echter toegekomen is, hieraan twee ontwikkelde
zaadlobben te teekenen, is ons niet duidelijk,
Flores hermaphroditi vel abortu polygami. Sepala 5 qwineuncialia, persis-
tentia. Petala 5 imbricata; basi connata. Stamina oo basi corollae adnata.
Antherae glabrae; basifivae; loculis adnatis, connectivo saepe apice exserto.
Ovarium 2—3-loeulare; ovulis 1—5; saepius 2 in loculis, ab apice pendu-
lis, sub-campylotropis; micropyle (2) introrsum supera. Fructus indehis-
cens; basi calyce minutus; pericarpio carnoso vel suberoso. Semina plerum-
que pauca, pendula; integumento triplo, externo baccaceo colorato, („sper-
”_Kortnars, „arillo,” Pierre et al.) medio („testa’”’) duro lig-
modermide,
noso, interno („tegmine”’) membranaceo; cavitate et nucleo hippocrepifor-
mibus. Albumen nullum vel tenue (interdum carnosum?);embryonis radi-
cula maxima, teres, hilo proxima; cotyledones nune minutissimae oculo nisi
TERNSTROEMIACEAE. —— DD — TERNSTROEMTA.
armato haud distinguendae (T. maecroearpa) nunc semiteretes, elongatae
(T. Japonica var. Javanica).
Arbores vel frutices sempervirentes. Folia coriacea integerrima vel ser-
rato-crenata. _Peduneuli wniflori, avillares vel laterales, solitarii vel sub-
fasciculati; sub flore 2-bracteolati.
1. Ternstroemia macrocarpa, Scuerr. Obs. phyt. 15 — T. Pe-
nangiana, Dyer Le. (non Cuorsy 281 quoad plantam Javanieam ; —
T. Houtsoortiana, Prerrr Coch. Adn. ad. tab. 123.
Hooge boom: H=25—30 M. bij D—=40—50 cM. Stam: zuil-
vormig; soms tot 15 of 20 M. boven den grond onvertakt. Zonder
wortellijsten. Zonder gleuven zonder knoesten. Primaire takken orde-
loos geplaatst; rijk vertakt. Uiterste twijgen dun. Kroon: Hoog
aangezet. Klein. Nogal dicht. Onregelmatig. Schors: Buitengewoon
dik: 25 mM. (bij een stamdiameter van 42 cM.). Hard. Buiten grauw;
nogal glad; weinig afschilferende, met weinig diepe barsten. Door-
snede bruinrood. Binnen vuil wit, spoedig donker oranje verkleu-
rend. Met enkele lenticellen. Zonder bijzonder sap. Zonder bladgroen.
Bladeren aan den top der twijgen eenigszins kransgewijs, 3— 6
bijeen gezeten, langwerpig of omgekeerd-ei-langwerpig, aan beide
uiteinden versmald; met toegespitsten top en in den bladsteel afloo-
penden voet; leerachtig; gaafrandig; geheel onbehaard, van boven
gewoon-groen met lichtergekleurde nerven; van onderen lichtergroen.
Zijnerven aan weerskanten ongeveer 5 (aan beide zijden zichtbaar)
vóór den rand boogvormig samenkomend, Bladeren 100—150 mM.
lang bij 530—55. Bladsteel 15—20 mM. Bloemen tweeslachtig
of door mislukking polygaam-mannelijk; extra-axillair; 1—3 bij
elkaar onder de hoogste bladeren, vrij groot; ongeveer 30 mM. in
middellijn. Bloemstelen 10—40 meest 25 mM. lang. Bloemen reuke-
loos; eerst vuil-wit; later vuil-roze. Kelkbladen breed-cirkelrond;
eerst vuil-purper; daarna vuil-groen. Bloembladen 2—3-maal zoolang
als de kelk, eerst wit, later vuildonkerroze. Helmdraden wit; vlee-
zig; afgeplat; zelden vertakt. Helmknoppen bijna even lang als
de helmdraden; opstaande met zijdelingsche hokjes en dik afgeknot
helmbindsel. Hierstok klein; kegelvormig; met breeden voet, met
TERNSTROEMIA. —= DD — TERNSTROEMIACEAE.
2-lobbigen, getanden, zittenden stempel, 2-hokkig ; met een eitje in elk
hokje, in de mann. bloemen steriel, zonder eitjes. Vrucht ellips-
vormig; vleezig; buiten fraai oranje; met wit vruchtvleesch ; 2-zadig
40 mM. lang bij 20—30 breed. Vruchtkelk niet in grootte toege-
nomen, aan den voet evenals de vruchtsteel sterk rimpelig. Zaden
aan een langen draadvormigen taaien navelstreng hangend ; afgeplat ;
omgekeerd eivormig; 20 mM. lang bij 12 breed; met oranjerood,
vleezig buitenbekleedsel, met houtachtige, vrij harde middelzaadhuid
(testa) en dunne geelbruine binnenste zaadhuid, die den rolronden
hoefijzervormig gebogen kiem omhult. Kiemwit ontbrekend. Wor-
teltje zeer groot; bijna den geheelen kern innemend; rolrond.
Zaadlobben niet ontwikkeld, slechts bij microskopisch onderzoek waar
te nemen; ruim 0.5 mM. lang boven het vegetatiepunt tegen elkaar
aangedrukt; afgeplat in de breedte-richting van het zaad.
Aanm. Beschrijving naar talrijke specimina van Herb. Kps
Authentiek exemplaar van SCHEFFER in Herb. Bog. en een boom in den Hort. Bog. vol-
gens SCHEFFER l.c. van den Goenoeng Pantjar bij Buitenzorg overgebracht door ons ook
onderzocht.
Volgens schriftelijke mededeeling van Dr. BoERrLAGE behoort een exemplaar in het Herb.
Lugd. Bat, door JuNGmHumoN op den Pèngalèngan (Preanger) verzameld tot dezelfde soort,
en is het dezelfde, die door Prirre als Ternstroemia Houtsoortiana is beschreven. (Naam
naar het in het Leidsche Herbarium bijgevoegde etiket Houtsoorten No. 199. Onze soort
is zeer verwant aan Ternstroemia Penangiana CLARKE (zie DYER l.c. 281) met welke zij
door Kurz in As Soc. Journ. 1870 IL 64 ten onrechte vereenigd is De laatste ver-
schilt o.a. door het bezit van twee eitjes in elk hokje van den eierstok, en van 4 zaden
in de vrucht. Dyer maakt echter ook melding van een éénzadige variëteit.
De exemplaren van Herb. Kps. zijn alle in Oost-Java verzameld; zij zijn echter
ongetwijfeld met de West-Javaansche van ScHerreRr identiek.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen op ééne plaats in Bësoeki
gevonden, n. l. in de afd. Panaroekan bij Pantjoer op 1000—1200 M.
zeehoogte op het Rahoen-Idjèn-gebergte. Door Scrnerrer op den Goenoeng
Pantjar bij Buitenzorg gevonden. Door JuremuuN op het Pèngalèngan-
plateau op (?) 1600 M. zeehoogte in de Preanger gevonden. Dus zoowel
in West- als in Oost-Java voorkomende. Bij Pantjoer een zeer algemeene
boom. Buiten Java: onbekend. — Standplaats: Bij Pantjoer in hoog-
stammig, schaduwrijk, altijdgroen, heterogeen oerwoud op constant nogal
vochtigen, vruchtbaren grond. — Voorkomen: Wel niet gezellig, maar
toch dikwijls talrijke individuen in hetzelfde bosch, naast een 150 tal
andere boomsoorten. — Bladaf val: Altijd groen. — Bloei-en vruch t-
tijd: Beide in November; vooral toen bij Pantjoer rijk vruchtdragend.
De boom trekt in den vruchttijd de aandacht door de talrijke op Sola-
num -vruchten gelijkende oranje vruchten, waaruit de fraaie oranjeroode
zaden neerhangen en welke duidelijk tegen het donkergroen van de kroon
afsteken. De grond onder den boom ligt dikwijls met de opengespleten
vruchten bezaaid, — Gebruik: Hout: In vrij groote afmetingen en
TERNSTROEMIACEAE. — ilk — TERNSTROEMIA.
vrij groote hoeveelheden (bij Pantjoer) de krijgen; volgens sommige inlan-
ders sterk en duurzaam; volgens andere niet duurzaam. Spint fijndradig,
hard; effen geelachtig wit; zeer gelijkend op Schima- (Poespa, s.) hout.
Schors, bladeren, enz: Bij Pantjoer geen gebruik bekend. Schors
reukeloos; met bitteren en in de keel prikkelenden smaak. Midden- en
buiten-vruchtwand van de rijpe vrucht reukeloos; sappig en eenigszins
bitter Kiem reukeloos; met zeer bitteren en scherp in de keel prik-
kelenden smaak — Cultuur: Aan te bevelen voor wegenbeplanting
in bergstreken en voor herbewouding van kale berghellingen. Is nog
niet op Java aangeplant. — Inl. namen: Bij Pantjoer (Bësoeki) con-
stant Nangpnangan, md. geheeten, naar de groote gelijkenis van de rijpe
(nog niet opengesprongen) vrucht met een Areca-noot (Penang, md.
Pinang, ml.) — Habitus: In vruchttijd in het oogvallend en eigenaardig
(zie boven). In bloei en blad, zoomede in stam echter zeer aan Poespa,
s. (Schima) herinnerende.
Arbor alta. Folia ad apices ramulorum 3—6 sub-verticellatim conferta ;
oblonga vel obovato-oblonga, apice acuminata, basi attenuata in petiolum
deeurrentia; integerrima; coriacea; glaberrima; supra viridia nervis pal-
lidioribus, nitidula; mervis utringue circ. 5; supra et subtus perspicuis,
ante marginem arcuatis; 100—152 mM. longa et 30—55 lata. Petiolus
15—20 mM. Flores (2) hermaphroditi vel abortu polygamo-masculi. Pe-
duneuli eztra-arillares 1—3-ni infra folia apicalia, 10-40 saepe circ. 25
mM. long. Flores majusculi circ. 30 mM. diametro. Sepala lato-rotun-
data; inaegualia; integerrima; purpurascenti-viridia. Petala sepalis 2—3
X longiora; primo alba, demum fusco-purpurea. Filamenta albida;
carnosula; complanata. Antherae filamentis sub-aequilongae; truncatae.
Ovarium e basi lata conicum; biloculare (an interdum (2) uniloculare)
loeulis und-ovulatis; in floribus +” loeulo obsoleto. Stigma sessile bilobum;
apice denticulatum. Fructus baccatus ellipsoideus; apice acutus ; flammeus ;
mesocarpio albo demum marcescens, irregulariter fissus dispermus; 40 mM.
longus; 20—30 latus. Calyx fructifer vir auctus; basi fructus multo
brevior; valde rugulosus. Semina complanato-obovoidea; e funiculo filifor-
mi pendentia; 20 mM. longa; 12 lata; spermodermide carnoso flammeo;
testa interna dura lignosa; tegmine avellaneo, nucleo tereti-hippocrepifor-
mi oleoso; radicula maxima, nucleum fere totum implente; cotyledonibus
obsoletis 0.6 mM. longis, supra punctum vegetationis sibi appressis com-
planatis.
2. Ternstroemia Japonica, Tuurs. in Trans Linn. Soc. kl. k. 335;
Dier Le. 280; Pierre Fl. Coch. t. 124 var. denticulata, — Cleyera
TERNSTROEMIA. — DI —= TERNSTROEMIACEAE.
gymnanthera, W. et A. Trw. Enum. 40; Bepp. Fl. sylv. t. 91;
Mrg. Ann. mm. 14 Wrenur, Ic. t. 47 (var. Wightiana).
var. Javanica K. et V.
Nogal hooge boom: H==20 M. bij D=25 ecM. (gemeten).
Stam: Nogal recht; zonder wortellijsten; zonder knoesten; zonder
gleuven. Kroon: Hoog aangezet. Onregelmatig. Dicht. Takken:
ordeloos geplaatst. Schors: 6 mM. dik. Bros. Buiten donker-
grauw; nogal glad; met veel fijne barsten, waarin de talrijke lenti-
cellen geplaatst zijn. Doorsnede en binnen vuil-wit doch snel tot
donker oranje verkleurend. Met een weinig bladgroen vlak onder
de barsten. Zonder bijzonder sap.
Bladeren lancetvormig met geleidelijk vrij spits-toegespitsen
top en in den bladsteel afloopenden voet; nagenoeg gaafrandig of
oppervlakkig zeer fijn gekarteld of getand, tandjes met het bloote
oog nauwelijks zichtbaar; leerachtig; van boven zeer donkergroen
en glimmend; van onderen bleekgroen en dof; 55-60-80 mM. lang
bij 25-20-26. Bladsteel + 10 mM., Bloemen geopend nog niet gezien ;
nabij de toppen der takken opeengehoopt; meest 3—7 zelden meer
bijeengezeten; meest zijdelings; soms bijna axillair; op 20-24 mM.
lange bloemstelen; polygaam-tweehuizig. Bracteolae spits-driehoekig
of eivormig; soms onder het vergrootglas zeer fijn gezaagd. Kelk-
bladen ongelijk; meest twee buitenste half zoo lang als de 3 binnenste ;
spits-eivormig; vleezig; met een zeer smallen vliezigen rand, nage-
noeg gaafrandig; veel eerder dan de bloembladen zich uitspreidend.
Bloembladen in knop sterk dakpansgewijs (?); grooter dan de kelk-
bladen. Meeldraden in & en # bloemen gelijk; in de laatste in
geringer aantal aanwezig; helmknopjes evenlang als de vleezige
eenigszins afgeplatte helmdraden; helmbindsel aan den top puntvor-
mig uitstekend. Stamper in de ©” bloemen priemvormig zonder holte,
in de tweehokkig met 2 eitjes in elk hokje van den eierstok,
stijl bijna even lang als de eierstok, met spitsen tweespletigen top,
aan weerskanten met een schildvormigen stempel. Vrucht eivor-
mig spits; in den korten blijvenden stijl uitloopend; met vleezigen
wand; halfgroen en halfroza; vruchtvleesch lichtgroen. Vrucht
ongeveer 15 mM. lang bij 12 breed; snavel 2—3 mM.; vruchtkelk
TERNSTROEMIACEAE. — 216 — TERNSTROEMIA.
breeder dan de vrucht. Zaad meest 1 of 2 in elk hokje; fraai
donkerroza; midden-zaadhuid zeer dik houtachtig; lang 6—9 mM.
bij 4—6 breed; kiemwit ontbreekt; worteltje naar den navel gekeerd.
Zaadlobben langer dan het worteltje; lijnvormig.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar eenige exemplaren in Herb. Kps. vergeleken met
een auth specimen van Trw. C N 778 van 7. Japonica var. Wightii meteen ander van
Kurz. uit Assam en met de afbeelding bij Wrieur. Ic. 47 derzelfde variëteit. Onze exem-
plaren wijken hoofdzakelijk af door de langere bloemstelen, die bij het exemplaar van
Kurz niet langer dan 8 en bij dat van Tmwarrtes circa 15 mM. lang zijn en door de
bladeren, die bij de onze veel langer en smaller zijn toegespitst. Daar echter de bladvorm
bij deze soort volgens MrqurL Ann. 1. c. zeer variecrt en klaarblijkelijk ook de lengte
der bloemstelen niet standvastig is; terwijl alle bijzonderheden bij onze exemplaren zeer
goed met de beschrijvingen en met de detailteekeningen van de variëteit denticulata, PIERRE
(Cochinchine 1. c.) overeenkomen, hebben wij hier waarschijnlijk een nog onbeschreven
variëteit van 7, Japonica voor ons. Van de var. denticulata PieRRE onderscheidt de onze
zich voornamelijk door de niet of bijna niet gezaagde kelkbladeren, en de smal-lancet-
vormige, fijn getande bladeren alsook doordat in de mannelijke bloemen een duidelijk
stamperrudiment aanwezig is. Bij een exemplaar van 7. Japonica Tuuns. uit het Herb.
Bogor, dat volgens de etiket door MönNicKE in Japan is verzameld, zijn de bladeren
obovaat-lancetvormig, daarentegen de bloemstelen even lang als in onze variëteit.
Geogr. verspreiding: Door ons uitsluitend op twee plaatsen ge-
vonden; n. l. op 1100 M. zeehoogte bij Takòka in het district Djampang-
wètan en op 1400 M. zeehoogte in het district Tjisòndari beide in de
Preanger; dus alleen in West-Java; zeldzame boom. — Standplaats: Uit-
sluitend in hoogstammig, altijdgroen, schaduwrijk, heterogeen oerwoud op
vruchtbaren, constant vochtigen grond. — Voorkomen: Enkele weinige
individuen verstrooid tusschen een 100 tal boomsoorten. — Bladafval:
Altijdgroen. — Hout: Spint verschgekapt vuil-wit, spoedig oranje ver-
kleurend; zeer op Poespa-hout (Schima) gelijkend; fijndradig, reukeloos. —
Gebruik van Hout, Schors, enz.: Aan alle door ons ondervraagde
inlanders evenzeer als de inl. naam geheel onbekend. Schors: reuke-
loos; met bitteren en in de keel prikkelenden smaak. Jonge vruchten
reukeloos; bitter en samentrekkend van smaak. Volwassen bladeren
reukeloos; bitter smakend. — Cultuur: Wellicht bruikbaar voor reboisatie
van kale berghellingen. — Inl. namen: geheel onbekend. Habitus:
In blad, schors, jonge vruchten en houtkleur zooveel op Poespa, s (Schima)
gelijkende, dat vele der door ons naar den naam ondervraagde inlanders
aanvankelijk abusievelijk dezen naam opgaven. Vooral door de rijpe
vruchten (zie boven) gemakkelijk van Poespa, s. te onderscheiden ; zoo-
mede door de niet-roode kleur van het jonge loof. In geen enkel
opzicht heeft de boom een in het oogvallenden habitus.
Arbor mediocris. Folia lanceolata; apice sensim acutiuscule acuminata,
basi attenuata, in petiolum producta; subintegra vel minute (oculo nudo
vir perspicue) denticulata ; coriacea ; supra intense viridia lucida; subtus
pallidiora 55—80 longa et 20—26 mM. lata. Petiolus + 10 mM. Flores
aperti nondum visi; prope apices ramulorum saepe 3—7-ni rarius plures
TERNSTROEMIA. — 217 — TERNSTROEMIACEAE.
conferti; laterales et sub-axvillares; polygamo-dioici. _Bracteolae acute
ovatae vel trigonae; subintegrae; varius sub lente minute serrulatae, Pedi-
celli 20—24 mM. longd. Sepala inaequalia, dua exteriora interioribus
dimidio breviora; ovata; acutiuscula; integra; ante petalorwm evolutionem
patentia. Petala valde imbricata; sepalis internis ante evolutionem vin
longiora. Stamina in floribus J numerosa, in É subuniserialia. Anthe-
rae filamentis carnosis subcomplanatis aequilongae, connectivo erserto.
Ovarium in &' subwlatum, carnosum in É oblongum, biloeulare ovulis 2 in
loculis Stylus ovario aequilongus, apice bifidus stigmatibus obliquis pel-
tatis. Fructus ovvideus acutus; stylo brevò mucronatus; pericarpio car-
noso partim viridi, partim rosaceo, mesocar pio albido-viridi; in sieco coriaceo-
lignoso; 15 mM. longus et 12 latus; rostellum 1—3 mM.; calyx fructifer
auctus basin fructus ampleetens _Semina in loculis 1—2, spermodermide
incarnato; testa ecrasse lignosa; albumen @) subnullum; cotyledones
radicula longiores, complanatae.
Adn. Foliis lanceolatis longiuseule acuminatis a. T. japonica var. denticu-
lata, var. Wightii et var, parvifolia diversa; pedicellis etiam longio-
ribus; ceteris chacacteribus cum T. japonica congruit.
3. Ternstroemia Gedehensis, T. et B. in Natuurk Tijdschr. v.
N. 1. mr 332; Trysm. et Binn. Kruidk. Arch. mr 407; ScrHerr.
in Observ. phyt 15; Mrq. Fl. IL. B. r 2 p. 470; — Ternstroemia
micrantha, Crois. in Zorn. Verz. 142 (teste ScHerrer); Mrq.
Le. 469; — Reinwardtia elongata, Korru. le. 103 tab. 12 fig. 2.
Kleine (2) boom. In Hort. Bogor: H==10 bij D—=25 ecM. Stam:
Nogal krom. Laag bij den grond onregelmatig vertakt. Zonder
wortellijsten. Zonder gleuven. Kroon: Nogal lang aangezet; nogal
ijl, onregelmatig. Schors: buiten grauw.
„Bladeren aan de toppen der takken kransgewijs bijeengeplaatst;
elliptisch-lang werpig ; met een meer of minder spits topverlengsel;
met spitsen voet; gaafrandig; stevig-leerachtig; van boven glanzig
en donkergroen; van onderen zwakglimmend en lichtergroen met
4 of 5 dunne, weinig zichtbare zijnerven aan weerskanten, die vóór
den rand boogvormig samenkomen, met vleezige, van boven gegroefde
bladsteel; 75—130 mM. lang bij 40—50; aan de bloeiende twijgen
14%
TERNSTROEMIACEAE. — 218 — TERNSTROEMIA.
meest kleiner. Bladsteel 12—15 mM. lang. Bloemen door mis-
lukking polygaam één- of? tweehuizig; alleenstaand, extra-axillair ;
meest 7—ll aan de 530—80 mM. lange geledingen tusschen twee
kransen van bladeren; klein; knoppen vóór het opengaan ongeveer
5 mM. in middellijn. Bloemstelen korter dan de bladstelen, 10—12 mM.
Schutblaadjes onder de kelk, klein spits. Kelkbladen afgerond, vlee-
zig, ongelijk van groote, ongeveer halfzoo groot als de kroonbladen.
Bloembladen ongeveer 6 mM. lang, langwerpig, afgerond. Helm-
draden alleen aan den voet verbonden; 2—3 maal langer dan de
stompe helmknopjes. Stamper in de mannelijke bloemen geheel (?)
ontbrekend. Hierstok in de tweeslachtige bloemen tweehokkig met
3—4 eitjes in elk hokje. Stijl rolrond. Stempel tweelobbig.”
(Scnerrer). Vrucht en zaad nog onbekend.
Aanm. Ontbreekt nog in Herb. Kps.
Beschrijving naar levend (? authentiek) materiaal van een boom in den Hort. Bogor.
(VI C 208) en naar ongenummerde authentieke? specimina in Herb. Hort. Bogor.
Zoowel twijgen met 7 als met { bloemen bevinden zich in het Herb. Bog. ScHerrer,
die haar uitvoeriger beschrijft dan TerIJSMAN en BINNENDIJK, betwijfelt of zij met de uit
Sumatra afkomstigen Reinwardtia elongata Kortn. synoniem is. Beschrijving en af beelding
bij Korruars passen overigens volmaakt op deze soort, behalve de eierstok, die bij de
Sumatraansche soms 3-hokkig is met een 3-lobbigen stempel. De Reinwardtia elongata
is zeer verwant met 7. Japonica var. Wigthii maar, zooals reeds door T. et B. is opge-
merkt, verschilt door de langere bladlooze tusschenruimten, waarlangs de bloemen in grooter
getale geplaatst zijn dan daar. Van 7. Japonica var. Javanica, K. et V verschilt zij door
den vorm en de grootte der bladeren en van beide door de meeldraden, waarvan de helm-
knopjes minder dan half zoo lang zijn als de draadvormige helmdraden en niet in een
stekelpuntje uitloopen; ook is het ons niet gelukt in «7 bloemen een eierstok-rudiment te
vinden.
Door TerIJSMANN en BINN. is in het Kruidk, Archief vermeld, dat de boom het geheele
jaar door bloeit. In Hort. Bogor. bloeide hij echter (VI C 208) in Maart en April niet. Boom
VI C 208 in Hort. Bogor heeft in 1893 de volgende afmetingen + H == 10 M. bij D.
=D NOME
Geogr. verspreiding: „Java op den berg Gëde (Preanger)” zonder
verdere aanwijzing volgens TerssmanN (Natuurk. Tijdschr. 1. e.) — Ge-
bruik. onbekend. Schors, enz.: Volwassen bladeren reukeloos, bitter
smakend. — Inl. namen onbekend. — Habitus: In blad, stam en kroon
zeer veel op Adinandra dumosa Jack. gelijkende.
Arbor parva, Folia ad apices ramulorum 3—4-na verticillatim dis-
posita elliptica vel elliptico-oblonga apice in acumen plus minusve acutum
producta; basi acuta; integerrima; rigide coriacea ; supra lucida et intense-
viridia; subtus nitidula et pallidiora, costulis via perspicuis utringue 4+—5,
ante marginem unitis, petiolo crasso antice anguste sulcato, 715—130
TERNSTROEMIA. — 219 — TERNSTROEMIACEAE.
mM. longo et 40—50 lato in ramulo florente vulgo minora. Flores
abortu polygamo-dioici (an (2) monoici) T—1ll-ni lateraliter ad internodia
30—80 mM. longa ; inter bina verticilla foliorum disposita ; parvuli (alabastris
fere apertis 5 mM. latis) pedicellis brevibus, 10—12 mM. longis teneribus
suffulta. Bracteolae parvae, ovatae. „Sepala subinaegualia rotundata carnosula
petalis fere dimidio inferiora. Petala cire 6 mM. longa; oblonga;
rotundata; refleza,” (Scuerrer). Filamenta basi connata antheris muticis
2—3 longiora. Pistillum in + nullum (2). Ovarium in É biloeulare ovulis
3—4 in loculis (in spec. Sumatrana auct. Korrmarns 3-loculare, ovulis
3—5 in loculis, stigmate 3-lobo). Stylus teres stigma subbilobum.
2. ADINANDRA, Jack.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5, aan de basis vergroeid. Meeldra-
den oo dikwijls 1—4-broederig, met toegespitste gewoonlijk behaar-
de helmknopjes. Bierstok onvolkomen 3—5-hokkig. Stijl ten slotte
verlengd, enkelvoudig of kort 3—4-spletig; eitjes in elk hokje tal-
rijk. Vrucht kogelrond. Zaden talrijk, kiemwit vleezig meest zeer
dun; kiem omgebogen. Zaadlobben halfcilindervormig, korter dan
het kiemworteltje.
Kleine, altijd groene boomen. Bloemstengels 1-bloemig oksel-
standig, alleenstaand, teruggebogen of zeer kort, met 2 schutblaadjes
nabij den top. Bloemen groot, soms zijdeachtig behaard.
Omstreeks 10 soorten, waarvan 1 in tropisch Afrika, de overige in
tropisch Azië. Eene soort werd door Korrmars o.a. wegens den eenigszins
verschillenden bouw van den eierstok als geslacht Sarcosanthera beschreven.
MrqverL (Adn. de Ternstr. in Ann. Mus.) behoudt dit als een sectie van
het geslacht, met een drietal soorten. Een er van A. Lamponga Mia.
komt ook op Java voor.
Aanm. De beide door MrqueL voor Java vermelde soorten zijn:
1. A. dumosa JACK.
2. A, Javanica Cuorsy.
Van de eerste dezer soorten ontbreekt elke opgave omtrent vindplaats of verzamelaar,
hetgeen doet veronderstellen, dat MrqvueL misschien een gecultiveerd exemplaar uit den
Hort. Bogor. heeft onderzocht, en de soort misschien niet wild op Java, wel in aequatoriaal-
Sumatra aanwezig.
Een derde soort:
3. A. Lamponga Mig, was tot dusver alleen voor Sumatra bekend; zij komt ons voor
identiek te zijn met A. macrantha T. et B, waarvan zich eenige exemplaren op Java
verzameld in Herb. Kps. bevinden.
TERNSTROEMIACHAE, — B) — ADINANDRA.
Sepala 5, valde imbricata. Petala 5, imbricata, basi connata. Stamina
oo corollae basi adnata et saepius 1—5-adelpha. Filamenta hirsuta vel
rarius glabra. Antherae basifivae, erectae, apiculatae, saepius hirsutae.
Ovarium imperfecte 3—5-loeulare. Stylus integer v. apice breviter 3—5-
fidus; ovula in loculis oo (20—100), placentis prominentibus affiza. Fruc-
tus indehiscens. Semina oo parva, albumen carnosum; embryo inflezus,
cotyledonibus semiteretibus, radicula brevioribus. s
Arbores sempervirentes,, habitu nunc Ternstroemiae nunc fere Gordoniae.
Peduneuli 1-flori avillares, solitarii, recurvi v. brevissimi; apice 2-bracte-
olati. Flores majusculi, glabri v. sericei.
Ll. Adinandra Lamponga, Mig. Sum. 479; Ann. Mus. rv 104.
— A. macrantha. T. et B. Natuurk. Tijdschrift Ned. Ind. xxv.
421; — an A. leiopetala Mriq. Ann. rv 104 satis diversa?
Hooge dikke boom: H = 25—33 M. en D == 40—50 cM. (ge-
meten). Stam: Nogal recht. Meestal nogal laag bij den grond met
dikke, ordeloos geplaatste, rijkverdeelde takken. Zonder wortellijs-
ten. Zonder gleuven. Kroon: Meestal nogal laag aangezet. Onregel-
matig. Nogal dicht Schors: 13 mM. dik. Buiten grauw. Doorsnede
en binnen oranjebruin. Met weinig lenticellen. Zonder bladgroen.
Bladeren zeer kortgesteeld langwerpig of elliptisch, aan den
top met een kort stomp puntje bij uitzondering afgerond, naar
beneden versmald en aan den voet saamgetrokken en eenigszins
oorvormig langs den steel afloopend; tot een vierde der
bladlengte van den voet gaafrandig, overigens oppervlakkig
gekarteld of gezaagd; met stompe of eenigszins stekelige zaagtan-
djes; vrij dun leerachtig; van boven donkergroen en glimmend;
van onderen groen en dof; volwassen geheel onbehaard; jong vrij
dun aanliggend behaard en aan de onderzijde (onder het vergroot-
glas) met fijne wimperharen; gedroogd licht vaalgroen, met vooral
aan de onderzijde licht roestkleurige hoofdnerf. Hoofdnerf van on-
deren sterk uitspringend van boven, evenals de bladsteel, gesleufd;
primaire aderen talrijk, evenwijdig, zeer dun, aan beide zijden goed
zichtbaar zoowel bij droge als bij versche bladeren. Bladknop rol-
rond spits zijdeachtig behaard. Bladeren gemiddeld 90—120 mM.
ÁDINANDRA. — Pl — TERNSTROEMIACEAE.
lang bij 40-50 Bladsteel 2—4 mM. Soms veel grooter (Herb. Kps.
1232 6): 150—180 mM. lang bij 65—70. Bloemen langgesteeld,
alleenstaand, wit; sterk welriekend. Bloemstelen evenals de vrucht-
stelen, rechtopstaand, aan den top eenigszins knikkend; onbehaard,
groenachtig wit; 30 —45 mM. lang. Schutblaadjes zeer klein, meest
één, dicht onder de bloem, niet tegen de kelk aangedrukt. Kelkbladen
in bloei uitgespreid, later opstaande, rond, leerachtig, geheel onbe-
haard, aan den rand zeer zwak gewimperd, zeer ongelijk, de twee
buitenste kleiner dan de binnenste; de grootste circa 8 mM. lang;
eerst wit later groen. Bloembladen omgekeerd-eivormig, stomp,
eenigszins vleezig, de buitenste grooter dan de binnenste, melkwit,
geheel onbehaard of van buiten vooral nabij den top met dunne
aanliggende haartjes, 15 —17 mM. lang, met teruggebogen randen;
gedurende den bloei wijd uitgespreid. Meeldraden 30—50, aan den
voet zeer oppervlakkig onderling en met de bloembladen verbonden in
1—3 rijen, in ongeveer 5 groepen van 6—10 vereenigd. Helmdraden
ongelijk van lengte in elke groep tot op het midden met elkaar
verbonden maar zeer gemakkelijk los te maken, vleezig, van buiten
aanliggend behaard, van binnen bijna onbehaard, wit. Helmknop-
pen langwerpig bruinachtig, geheel aanliggend behaard, helmbindsel
aan den top uitstekend met haarkwastje. Bierstok aan den top zijde-
achtig behaard of geheel onbehaard. (Bij het authentieke specim.
geheel behaard) tot over de helft volkomen driehokkig met dunne
tusschenschotten: nabij den top splitst zich de as in zes armen die
twee aan twee aan de tusschenschotten verbonden zijn en tot dicht
bij den wand der hokjes naar buiten en beneden buigen, eitjes 15
of meer in elk hokje horizontaal of opklimmend anatroop met naar
beneden gekeerde micropyle en zich achterwaarts krommende
vaphe. Stijl 1} maal zoo lang als de eierstok, iets langer dan de
meeldraden, aan den stempeldragenden top nagenoeg afgeknot,
na den bloei eerst in lengte toenemend. Vrucht bolvormig, 18
mM. in middellijn met 2 mM. dikken, vleezigen wand, en dunne
vliezige tusschenschotten 3-, soms door mislukking 2-hokkig.
Zaden 8 —6 in elk hokje, plat, bijna cirkelrond of langwerpig,
met hoefijzervormige holte; met weeken, glanzig-zwarten of brui-
nen buitenwand, korstachtige buiten- en dunne binnen-zaadhuid;
TERNSTROEMIACEAE. en ADINANDRA.
9 — 8 mM. in middellijnen 3 mM.dik. Kiem witgering, meelrijk.
Kiem in het midden van het kiemwit, rolrond; worteltje iets langer
dan de platte lijnvormige zaadlobben.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar Herb. Kps. Het levende authentieke ook door ons
onderzochte exemplaar van A. macrantha T. et B. (Hort. Bog. VI C. 6) is met de hier
beschreven exemplaren uit het Herb. Kops. volkomen identiek. Wij hebben onze soort met
A. Lamponga Mrq. vereenigd na vergelijking met een authentiek exemplaar uit Herb. Bog.
en met de beschrijving bij Mrq. l.e., waarmede zij ons voorkomt volmaakt overeen te
stemmen; alleen is bij het Sumatraansche exemplaar de eierstok geheel behaard, bij de
onze slechts aan den top. Eenige exemplaren uit Djampang-koelòn (Herb. Kps. 8159 2)
onderscheiden zich door een geheel onbehaarden eierstok en veel grootere vruchten:
vrucht 25 mM. in diam. 20 mM. hoog; vruchtwand 4 mM. dik. Wat de bladeren
betreft, komt de beschrijving van A. Zeiopetala Mig. Ann. 104 beter met onze soort
overeen dan die van A. Lemponga Mi. Bij het exemplaar van TeysM. in Herb. Hort.
Bog. zijn echter de bladeren overeenkomstig de beschrijving van A. leiopetala aan den
voet afloopend Beide soorten zijn overigens ten nauwste verwant aan A, Sarcosanthera
Mrq. = Sarcosanthera excelsa Korrtns.; (vergelijk Kortu. l.c. tab. 16).
Geogr. verspreiding: Uitsluitend in West-Java n. l. in Preanger
en Bantén. Ons slechts van 2 vindplaatsen bekend. Bij Takòka in
Djampang-wètan in afd. Tjiandjoer (Preanger) op 1000—1200 M.
zeehoogte; bij Sanggrawa in Djampang-koelòn in afdeeling Soekaboemi
op 500 M. zeehoogte en bij Tjömara in Z-W. Bantén op 100-200 M.
zeehoogte. Op beide punten nogal zeldzaam. Buiten Java: „In de Lam-
pongs (Sumatra)” Mrquer. — Standplaats: Uitsluitend op constant voch-
tigen vruchbaren grond in altijdgroen hoogstammig, schaduwrijk, hete-
rogeen oerwoud. — Voorkomen: Enkele boomen verstrooid tusschen een
paar honderd andere boomsoorten. — Bloei- en vruchttijd: Dezelfde
boom in Juni en Juli met bloemen en vruchten, doch in Maart alleen
met bladeren. Draagt niet rijk vrucht en bloeit meestal nogal arm. —
Bladafval: Altijdgroen. — Gebruik: Hout: Aan door ons in loco
ondervraagde inlanders geheel onbekend. Spint vuil-wit, reukeloos. Schors
enz.: Gebruik aan de inlanders onbekend. Schors reukeloos; nogal bitter
smakend. Bladeren reukeloos; eenigszins wrang smakend. Jonge vruch-
ten reukeloos; eenigszins bitter smakend. — Cultuur: Niet aan te be-
velen, tenzij tusschen andere soorten in reboisatie van kale berghellingen. —
Inl. namen: Aan bijna alle door ons ondervraagde inlanders evenzeer
in Bantön als Preanger onbekend. Bij Takòka soms Ki-kananga, s. ge-
heeten naar de overeenkomst in reuk van de bloemen met die van Cananga
odorata H. f. et Tm. (Kananga, s.). — Habitus: Niet in het oogvallend.
Arbor alta. Folia brevissime petiolata; oblonga vel elliptica breviter
obtuse apiculata; rarissime obtusissima; basi constricta et secus petiolum
subawriculato-decurrentia, prope basin + parte integerrima, sursum obsolete
submucronulato-serrulata vel crenulata, tenue-coriacea ; supra intense viridia
et nitidula, subtus viridias glaberrima; junioria subtus parce pubescentia,
margine ciliolatula. Costa media subtus prominens, siccitate ferruginea;
ADINANDRA. — ZA —= I'ERNSTROEMIACAE.
supra cum petiolo sulcata. Venae primariae utringue perspicuae prominulae.
Gemmae sericeae. Folia 90—180 mM. longa et 40—70 lata. Flores longe
peduneulati solitariù; peduneulis glabris suberectis, apice nutantibus; 30—40
mM. lonyis. Bracteolae minutae; altera calyei approximata, non appressa,
altera saepe remotiuseula. Sepala valde inaequalia, 2 externa internis duplo
breviora; glabra; margine swbeiliolata; majora 3 mM. longa. Petala obo-
vata; obtusa; carnosiuscula; glabriuscula vel prope apicem sericeo-pubera,
15 —17. mM. longa; anthesi late patentia; marginibus subrevolutis. Sta-
mina 30— 50; sub-1—B5-adelpha; filamentis extus sericeis; intus subglabris.
Antherae lato-oblongae breviter apiculatae; dorso sericeo-hirtae; apice pe-
nicillatae. Ovarium prope apicem sericeum, rarius glaberrimum, (in authen-
tico Sumatrano ommino sericeum), vin imperfecte 3-loculare. Stylus teres,
glaber, apice sub-truncatus. Fruectus globosus 3-locularis vel abortu bilo-
cularis, loeulis 3—6-spermis. Semina nitida, nigra; embryo in centro albu-
minis parci, farinosi.
2. Adinandra dumosa, Jack. in Hook. Comp. Bot Mag. 1. 153;
Croisy. Zorn. Cat. 143; Mig. Fl. 1. B. 2 p. 477; Ann. Mus. rv
108; Dyer le. 282; — A. Jackiana et trichocoryna, Kortn. Verh.
Natuurl. Gesch. Bat. 106, 107; — A. eyrtopoda, stylosa et glabra,
Mrg. FI. IL. B. Suppl. 1. 478, 479 ; — ? Ternstroemia dumosa, WaArr.
Cat. 2245 (ex Crorsy |. c); — ? Camellia Scottiana, Crois. L. c.
(haud. Warr. Herb.)
Nogal kleine boom: H==10—15 M. bij D= 30—35 eM. Stam:
Meestal krom; laag bij den grond en ordeloos vertakt. Zonder wor-
tellijsten. Zonder gleuven. Kroon: Laag aangezet. Onregelma-
tig. Nogal ijl. Schors: Buiten grauw.
Bladeren, langwerpig-elliptisch met spitsen of stompen voet,
niet bij den bladsteel afloopend, met duidelijk toegespitsten top bij
de jongste bladeren soms in een harig puntje uitloopend, bij de
andere meest uitgerand; gaafrandig; zeer stevig-leerachtig; met
bedekte aderen; geheel onbehaard; van boven glanzig-groen; van
onderen lichtgroen. Jonge bladeren bruinrood. Bladknoppen onbe-
haard. Bladeren 90—130 mM. lang bij 40—55. Bladsteel 6 —9
mM. Bloemen knikkend; middelmatig gesteeld (steel 20—25
mM.) kelk en kroon evenals de bloemstelen geheel onbehaard.
TERNSTROEMIACEAE. — DA ÄDINANDRA.
Schutblaadjes breedeirkelrond, uitgespreid tegen den kelk aangedrukt ;
2 mM. lang, bij 2—3 breed. Kelkbladen eivormig ; afgerond ; nage-
noeg gelijk; witachtig; 7—8 mM. lang Meeldraden 30—35, even
aan den voet verbonden; bovenste deel der helmdraden en helmbind-
sels lang behaard, uitstekende top der helmbindsels onbehaard. Bier-
stok geheel onbehaard; evenals de stijl; bijna volkomen 4 - 5-hok-
kig; met ver indringende, twee aan twee vergroeide zaadlijsten,
die zich tegen een verheven lijst aan den buitenwand der hokjes
aanleggen; daardoor schijnbaar 8—10-hokkig. Stijl stomp eindigend.
Vrucht (onrijp) bolrond met zeer talrijke zaden.
Aanm, Beschrijving uitsluitend naar een levend exemplaar uit den Hort. Bogor. VI
C. 206, dat volkomen overeenkomt met de beschrijving bij Mrquer en talrijke specimina
van Herb. Kps. in aequatoriaal Sumatra verzameld. De afkomst van dit exemplaar.
VI C. 206 is onbekend. Het oorspronkelijke voorkomen op Java is nog onzeker zie
boven.
Georg. verspreiding: „Java”’ (volgens Mrqver.) Buiten Java:
Achter-Indië, Malakka, Singapore, China, Sumatra, „Borneo”. (Dyer)
Voorkomen: In aequatoriaal Sumatra gezellig groeiend en geheele
wouden vormende, met een paar andere boomsoorten. Inl. namen:
onbekend. — Habitus: Als Pernstroemia Gedehensis T. et B. in den
Hort. Bogor.
Arbor medioeris. Folia breviuscule petiolata; oblongo-elliptica; apice
retuso-acuminata (in junioribus mucronulato-pilosa); basi acuta vel.obtusa;
valde coriacea; obtectinervia; supra viridia et nitidula; subtus vir palli-
diora; cum gemmis et foliis novellis glaberrima; margine obsolete crenulata;
90—130 mM. longa; 40—55 mM. lata; petiolo 6—9 mM. Flores albi
vel flavescentes solitariù vel gemini; peduneculis glabris, nutantibus 20—25
mM. longis suffulti. Bracteolae lato-rotundatae, patentes, oppositae, calyci
appressade, 2 mM. longae, 2—3 mM. latae. Sepala ovata, subaegualia, gla-
berrima, 1--8 mM. longa. Petala glaberrima (flores aperti nondum visi).
Stamina 30—35, filamentis superne antice et antheris imprimis dorso longe
pilosis connectivo breviter apiculato apice glabro.
Ovarium cum stylo glaberrimum, fere complete 4—5-loeulare, loeulis
placenti ramis retroflevis, parietes loeulorum attingentibus, subbipartitis, sty-
lus apice obtusus. Fructus polyspermus maturus nondum visus.
3. Adinandra Javanica, Croisy in Zoll. Cat. 143; Mig. T. J.
B. L. 2 p. 477. — comp. A. dasyantha Kortn.
ADINANDRA. — 225 — TERNSTROEMIACEAE.
Nogal kleine (?) boom: H—=10—12 M. en D=15—20 cM.
Stam: Nogal krom. Laag bij den grond, ordeloos rijkvertakt. Zon-
der wortellijsten. Kroon:Onregelmatig. Schors: Buiten grauw.
Jonge twijgen, onderzijde der jonge bladeren, knoppen, bladstelen
en bloemstelen zijdeachtig.
Bladeren elliptisch-lancetvormig, kort-gesteeld met toegespitsten
of spitsen, in den bladsteel afloopenden voet en spits- of stomp-toege-
spitsten, meest in een haarbosje eindigenden top, met onduidelijk of
zeer oppervlakkig, vrij scherp gezaagden gewimperden rand, leerachtig
of dun-leerachtig, bij jonge twijgen vliezig, met aan beide zijden
uitspringende primaire aderen, aan de onderzijde vooral langs de
middelnerf dun aanliggend behaard, in sicco eenkleurig grauwbruin
of geelgroen, zeer oude bladeren bijna onbehaard; 70—140 mM,
lang bij 35—50; bladsteel 4—6 mM. Bloemen geopend
nog niet gezien, sterk knikkend met circa 20 mM. lange stelen.
Schutblaadjes ei-lancetvormig 4—5 mM. lang, niet vlak onder
den kelk, het onderste op 5 mM. afstand van de bloem. Kelk-
bladen nagenoeg gelijk, eivormig, zeer stomp, 8—9 mM. lang, kort-
aanliggend-behaard met smallen vleezigen rand, bloembladen spits-
eivormig, van buiten in het midden dik-glanzig-behaard. Meeldraden
ongeveer 40, aan den voet verbonden; helmdraden onbehaard,
helmbindsels vooral van achteren lang behaard, zeer lang-toege-
spitst, aan den top onbehaard. Hierstok evenals de stijl lang glanzig
behaard, 3-hokkig. Vrucht en Zaad rijp nog niet gezien; vrucht
in jongen toestand met den langen stijl lang zijdeachtig behaard.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. 8130 3 en 14734 2 vergeleken met authentiek
specimen (Herb. Zorn. MAR. 2955). Volgens Crorsy zoude deze soort zich van A. dasyan-
tha Kru. hoofdzakelijk onderscheiden door de onbehaarde bloem-en bladstelen. In het
door ons onderzochte authenthieke specimen zijn echter blad en bloemstelen behaard en
worden eerst bij oude exemplaren gedeeltelijk kaal. Ofschoon dus dit verschil met A.
dasyantha wegvalt, hebben wij de twee soorten toch niet willen samenvoegen, daar in de
laatstgenoemde (authent. specimina in Herb. Bogor) de bladeren ongeveer het dubbel aan-
tal zijnerven van A. Javanica bezitten en smaller en veel minder toegespitst zijn. Ook
moet bij 4. dasyantha volgens Korrnaus de stijl onbehaard zijn.
Geogr. verspreiding: Slechts op één punt een paar boomen ge-
vonden, nl. op 1700 eM. zeehoogte op den top van Goenoeng Pöndil
op het Raoeng-ldjèn-gebergte in Bèösoeki. Buiten Java onbekend.—
Standplaats: Heterogeen en altijdgroen laagstammig schaduwrijk oer-
woud. — Voorkomen: Verstrooid tusschen een 20-tal andere boomsoor-
15
TERNSTROEMIACKAE. AO ÄDINANDRA.
ten: aan den zoom van een Cusuarind-woud. — Bloei-en vruchttijd:
Bloemen in Juni, jonge vruchten in November. — Inl. naam: aan geen
der door ons ondervraagde inlanders bekend. Habitus: Niet in het
oog vallend. Gelijkt op Adinandra dwmosa Jack.
Arbor parva. Ramuli ultimi, gemmae, pedunculi, flores, petioli et folia
junioria subtus sericeo-villosa. Folia lanceolato-elliptica vel lanceolata,
breviter petiolata, basi acuminata vel acuta in petiolum producta, apice
longiuscule acute acuminata piloso-mucronulata, margine leviter serrulata
mucronibus deciduis, ciliolata, tenui-coriacea, in sicco flavo-virescentia,
venis primariis utringue prominulis; subtus pilosula demum praeter costam
pilosulam glabrescentia, 100—140 mM. longa, 35-50 lata, petiolo 4—5 mM.
Flores aperti nondum visi. Pedunculi 15—20 mM. longi, valde nutantes.
Bracteolae ovato-lanceolatae; altera “calyce approximata, altera remotas
3—5 mM. longae. Sepala subaequalia ovata obtusissima 8—9 mM. longa,
coriacea, appresse-sericea margine membranaceo angusto. Petala in alabas-
tro sub-aperto sepatis haud longiora, ovata, extus dense longe sericea.
Stamina circ. 40, ima basi submonadelpha, filamentis glabris, antheris
dorso imprimis longe sericeo-hirtis apice longe subulato glabro. Ovarium
eum stylo longe sericeo hirtum subperfecte tri-loculare. Fructus immaturi
tantum visi eum mucrone longe sericeo-hirta.
Adn. Perperam Crorsy (Zorr. Cat. 143° pedunculos et petiolos glabros
in spec. dicit, authentico Herb. Zoun. et Mor. 2955 haud secus quam in A.
dasyantha eos pilosos vidimus; in ezsiccatis cum foliis demum glabres-
centes. Ab A. dasyantha species nostra tamen differe videtur foliis longius
acuminatis, nervis primariis dimidio paucioribus, stylo piloso.
3. EURYA Thunb.
Kelkbladen 5. Bloembladen 5; aan de basis vereenigd. Meel-
draden 15—18, zelden 5; helmknoppen kaal. Eierstok meer of
minder onvolkomen 2—5-hokkig; stijlen 2—5; bijna vrij of tot over
het midden vereenigd; eitjes vrij talrijk in twee rijen aan inspringende
placenta-takken in elk hokje. Besvrucht. Kiemwit vleezig.
Heesters. Bladeren meestal gekarteld-gezaagd. Bloemen klein,
tweehuizig, zelden éénhuizig (zie beneden blz. 44 aanm.) zittend of
kortgesteeld, in okselstandige bundels met blijvende schutblaadjes.
Aantal soorten volgens sommigen 30, volgens BeNrHaM en Hooker tot
10 terug te brengen, in Zuid- en Oost-Azië en op de eilanden van de
Stille-Zuidzee.
Eurya. — 227 — TERNSTROEMIACEAE.
Aanm. Voor de Ewrya-soorten van Java, kunnen wij met behulp van de bestaande
literatuur het volgende overzicht geven:
In het Museum Lugd. Bat. zijn door Buume in 1852 de volgende Murya-soorten voor
Java beschreven:
1. B. obovata Br.
2. B, coneocarpa Krus.
3. HW. phyllantoides Br.
4. HE. anceps Br.
5. HW. Hasseltii Br.
6. B. myrtifolia Br.
7. B. serrata BL.
8. HM. confinis Br,
9. B. angustifolia Br.
10. ZE. Blwmeana Krus.
11. ZE. clandestina Br.
12, ZE. glabra Br.
Al deze soorten zijn door MriqverL in de FI. IL. B. in 1859 overgenomen; en daaraan
toegevoegd de 2 volgende door Crorsy gedetermineerde door ZOLLINGER op Java gevonden
soorten:
13. B. grandis Cuorsy.
14. B. Zollingeri Cuorsv.
Later is in 1869 door Mrquer in de Annales Mus. Bot. Lugd. Bat. een gedeeltelijke
critiek geleverd op de bovengeciteerde 12 soorten van BLuMeE. Daarin heeft o. a. Mrquerr
als zijn meening te kennen gegeven, dat
le W. angustifolia Br. (No. 9) en MW. clandestina Bu. (No. 16) beide synoniem zijn
met MH. euprista, Krus.; een soort, die later door Dyer (in Hooker Fl. Br. [.) wederom
als synoniem met HE, acuminata DC. vereenigd is geworden (zie hieronder).
2e B. anceps Br. (No. 4) en E. myrtifolia Bu. (No. 6) beide symoniem zijn met
HK. nitida Krrs, welke later wederom door Dyer als variëteit van HE. Japonica Tus. be-
schouwd is geworden.
3e B. confinis Br. (No. 8) synoniem is met E. serrata Br. (No. 7), welke later weder
door Dyer als synoniem van W. acuminata DC. beschouwd is geworden.
Nu worden in Flora of British India (1875) van Hooker voor Java de volgende Hurrya-
soorten vermeld:
1. M. Japonica Tus.
var 1. Phubergi Tuw.
B. coneocarpa Krus.
var. 2, nitida, Kraus.
HE. nitida Krus.
var. 3. phyllantoides Buumew
B. phyllantoides Buume
2. HE. symplocina Br.
Deze soort door BLUuME in Mus. bot. L. B. alleen voor Nepal (niet voor Java)
vermeld.
3. E. aeuminata DO,
var. 1, euprista Dyer (Krus. spec.)
HE. serrata Br.
var. 2. Wallichiana StTEUD.
TERNSTROEMIACEAE. > Eurva.
Behalve de hierbovengenoemde soorten worden bovendien in den Index Kewensis van
1893 nog de volgende 2 niet door Miqver, BLUME of HookER vermelde Javaansche (?)
Eurya-soorten genoemd. e
1. B. rigida Cuorsy in MÉMorres 1855 Soc. Phys. Genève 14 p. 126.
2. HE. salicifolia Cuorsy (non BruMe) in Zorn. Catal. 143.
De laatstgenoemde soort is door MrqueL als twijfelachtig synoniem van de Sumatraansche
HE. virens BL. vermeld.
Resumeerende verkrijgen wij uit de literatuur de volgende Eurya-soorten voor Java:
1. B. Japonica Tus. Hooker. Fl. B. I. 1. 284.
var. 1. Thunbergii Tuw. (B. conescarpa, KorrtH.)
var. 2. nitida Krus. (B. myrtifolia et E. anceps Br.)
var. 3. phyllantoides, Br. (spec.)
2. B. symplocina Br. in Hooker 1. c. 842,
3. HW. acuminata Doe. in Hooker 1. e. 285.
var. 1. euprista, Krus. Spec. (E. serrata Br.)
var. 2. Wallichiana, Sreup. (spec.)
4. _H. obovata, Br. (Krns. in Brume Mus. bot. L. B. 1. 107.
5. HE. Hoasseltii, Br. 1. c. 112.
6. ZE. Blumeana, Krus. in BLuMe 1, c. 120.
7. HE. glabra, Br. 1. ce. 109.
8. B. grandis, Crorsy in Zorn. Syst. Verz. Ind. Archip. 147
9. B. Zollingeri, Crorsy in Zorn. 1. c. 143, 147.
10. ZE. rigida, Crorsy in Mém. Soc. Phys. Genèv. 14 (1855) p. 124. (nomen tantum.)
11. Z, salicifolia, Crorsy in ZoLu. 1. c. 143, 146.
Van de Ewryd-specimina van Java van Herb. Kps. konden wij slechts een gedeelte
met behulp der beschrijvingen en der authenthieke exemplaren tot eenige der bovenver-
melde soorten en variëteiten terugbrengen. Die exemplaren, waar dit niet met de noodige
zekerheid doenlijk was, hebben wij na de soorten, waarmee zij het meest verwant schenen,
telkens afzonderlijk beschreven. De door BruMe, Crorsy, Korru. vermelde soorten, die nog
niet in latere beschrijvingen als synoniemen zijn ingetrokken, hebben wij eenvoudig over-
genomen.
Wij moeten hierbij nog de opmerking voegen, ook reeds door Cuorsr 1. c. 124. en door
PieRRE gemaakt, dat zonder vergelijking van alle authenthieke exemplaren een nauwkeurige
bepaling der talrijke soorten of variëteiten van dit zeer vormenrijke geslacht niet goed
mogelijk is.
Flores dioeci rarissime monoeci. Sepala 5, valde imbricata. Petala 5,
imbricata, basi coalita. Stamina oo (18 v. infra), rarius 5; corollae basi
adnata. Antherae glabrae, basifirae, loeulis adnatis. Ovarium (fere Adi-
nandrae) subcomplete 2—5-loeulare; styli 2—5, fere a basi liberi v. fere
ad apicem econnati; ovula in loeulis 12—oo placentis prominulis biserialiter
affiza. Fructus baccatus. Seminum albumen carnosum; embryo curvatus,
cotyledonibus semiteretibus radicula brevioribus.
Fruticuli v. arbores. Folia saepius serrato-crenata et glabra. Flores
parvi, sessiles v. breviter peduneulati, ad avillas fascieulati v. rarius
solitarii. Bracteolae persistentes, saepe 2.
Eurv A. == Da) — TERNSTROEMIACEAE.
1. Eurya acuminata DC. Mém. Ternstr. 29; Dyer in Hook.
Le. 1 285; Kurz For. Fl. r 101; GAmBuE Man. 28; TRIMEN Cey.
lon r 160 — „Diospyros serrata Ham. in Don Prod. nep. 43. — Murya
euprista Kortn. Verh. 113; Mig. Fr. IL. B. 1. c. 474; ANN. Mus
105; Grirr. Ie. 604 f. 3; — HK. serrata Br. Flor. Jav. Praef. vir;
Mus. 1m 105; Mrgq. Il. ee; — H. rostrata, Br. e.; — H. confinis BL.
Le.; — HW. angustifolia. Bl MrQ. L e.— HE. hirsutula Mrq. Sum.
L 417; — B. clandestina Pr. Mig. Le; — H. salicifolia BL Le; — K.
angustifolia. Warr. cat. 1465; — HK. acuminata Royre HI. 127 t.
25; — B. multiflora De. Le. 25; — KH. Wallichiana Srrup. in Br.
Mus. le. — B. lucida Warr. eat. 1462 — H. fasciculata Ham.; —
H. acuminata WALL. cat. 1464 ex parte; — HK. bifaria WarL. Cat.
3721? — HW. membranacea, GARDN. in Cale. Journ.;— W. Japonica
B acuminata Trw.” (synn. teste Dyer).
Nogal lage boom: H == 10 — 15 M. bij D= 15 — 25 cM. Stam:
Veelal nogal recht en nogal hoog boven den grond vertakt. Zonder
wortellijsten. Zonder gleuven. Takken: Ordeloos aan den stam
geplaatst; bijzonder rijk en bijzonder fijn roedevormig vertakt. Ui-
terste twijgen hangend, lang en zeer dun. Kroon: Onregelmatig.
Soms nogal dicht. Nogal hoog aangezet. Schors. 3—4 mM. dik,
bros; buiten grauw en nogal glad; niet afschilferend; met weinig
barsten. Doorsnede en binnen roodbruin. Zonder bijzonder sap.
Met weinig lenticellen. Met weinig bladgroen.
Twijgen rolrond, de jongere meer of minder lang-zachtharig ;
bladknoppen zijdeachtig behaard. Bladeren duidelijk gesteeld,
langwerpig, of smal lancetvormig, dikwijls boven het midden iets
verbreed, met zeer spits-wigwormigen voet, naar boven versmald
en in een kort of lang, stomp of uitgerand verlengsel uitloopend,
met boven den voet (in sicco) omgekrulden bladrand, dun leerach-
tig of kruidachtig, van boven eenigszins glimmend groen, onbehaard,
met ingedrukte hoofdnerf, zwak-netvormig-geaderd; van onderen
licht groen, dof, met zeer fijne, vrij lange, aanliggende haren bedekt,
langs de middelnerf en den bladsteel dicht aanliggend behaard,
de oudere soms met uitzondering van de bladnerf kaal. Bladeren
met het 10 mM. lange topverlengsel 80 mM. lang bij 25 (breedste
TERNSTROEMIACEAE. — 230 — EuRrvaA.
vorm); 75 bij 15 (smalste vorm); andere 100 bij 25. Bladsteel
overal gemiddeld 4—6 mM; verlengsel varieërt van 10—20 mM., bij
een breedte van 3—15 mM. Bloemen 1—5, meest 2 of 3 inde
bladoksels, klein. Bloemsteeltjes behaard. Schutblaadjes eivormig,
op ongelijke hoogte nabij den kelk ingeplant, behaard, kleiner dan
het halve kelkblad. Kelkbladen breed-eivormig, ongelijk van grootte,
daardoor de witgespreide kelk eivormig; van buiten onbehaard of
de buitenste met eenige zeer fijne korte beharing aan den voet (bij het
authentieke, Sumatraansche specimen alle zeer fijn behaard), van
binnen uiterst fijn zijdeachtig behaard (bij 20 x vergrooting waar
te nemen) — 7 bloemen: uitgespreide kelk 5 a 6 mM. lang bij 3
breed. Meeldraden 15—20?; 3 mM. lang. Helmknoppen smal-
langwerpig met gegolfden rand, even lang als de helmdraden. —
2 bloemen; uitgespreide kelk 3 — 4 mM. lang bij 2 — 2.5 breed.
Eierstok eivormig, onbehaard, meest 4-hokkig. Stijlen meest 4 (3—5),
even aan den voet vergroeid, of één aan den top 4-spletige stijl.
Eitjes in twee rijen aan de ver in de hokjes indringende zaaddra-
gers. Vrucht bolvormig, iets afgeplat, breeder dan de kelk. Zaad
als bij het geslacht.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar exemplaren van Herb. Kps.; vergeleken met
auth. spec van KorHaArs uit Sumatra, (E. euprista Kortn.) en met E. angustifolia Mig,
op Java verzameld. Het eerstgenoemde wijkt. van al onze exemplaren of door den zeer
korten bladsteel, de kort toegespitste bladeren en de van buiten fijn behaarde kelkbladen.
Drer Le, die EZ. euprista met E. acuminata De. vereenigt, onderscheidt twee variëteiten ;
waarvan de eerste, var. euprista Dyer geheel vrije stijlen; de tweede, var. Wallichiana
Dyer, de stijlen tot één vereenigd zou hebben. Onze Q exemplaren behooren voor het
meerendeel tot de laatstgenoemde variëteit. Onder de exemplaren van Herb. Kps. zijn
echter ten minste vier verschillende vormen te onderscheiden; die alle van het Sumatraan-
sche verschillen. :
Geogr. verspreiding: Algemeen in geheel West-Java, nogal zeld-
zaam in Midaden-en Oost-Java. Uitsluitend boven 700 M. zeehoogte.
In Madioen op den G. Wilis niet beneden 1275 M. en niet boven 1600
Meter. In de Preanger vooral op 1000 M. doch dáár nog tot op 1600
M. algemeen. Deze Eurya (bepaaldelijk vorm 1 x en 1 3) is op 700—
1600 M. op vruchtbaren grond de meest algemeen voorkomende der
Eurya-soorten. Op Java nog niet beneden 700 M. waargenomen. Buiten
Java: In Equatoriaal Sumatra in de laagvlakte en op 100-200 M. alge-
meen. Gematigde en Subtropische Himalaya, op 1000—2000 M.; ooste-
lijke bergen van Bengalen, Assam, Malakka tot Penang; Ceylon; Suma-
tra ; Fidjieilanden Wxer Le.) — Standplaats: Alleen op constant
vochtigen vruchtbaren grond in altijdgroen hoogstammig heterogeen oer-
woud. — Voorkomen: Op Java alleen verstrooid tusschen een paar
honderd andere boomsoorten. In aequatoriaal Sumatra gezellig groeien-
Eurva. SOENS TERNSTROEMIACEAE.
de, — Bloei- en vrucht-tiijd: Bijna het geheele jaar door bloeiend
en rijk vrucht dragend. — Gebruik: Hout. Als te klein en hout te
weinig deugdzaam niet door de inlanders gebezigd. Schors, enz: niet
gebruikt. Schors reukeloos, nogal bitter smakend. Bladeren reukeloos;
jong eenigszins bitter, volwassen smakeloos. — Cultuur: Aantebevelen
voor reboisatie van kale berghellingen. — Inl. namen: Meestal òf zeer
locaal en van weinig waarde òf geheel onbekend. Sadan, j. in Bagëlèn
op den G. Sëöndârà en in Oost-Banjoemas op den G. Kapal. Ki-krèòsèt,
s. op den G. Gëde in de Preanger bij Tjibòdas, Ki-Sapoe, s. of Ki-watés,
s. bij Takòka in de Preanger. — Habitus: Eigenaardig door de roede-
vormige rijkvertakte hangende twijgen en de zeer smalle scherpgezaagde
kleine bladeren. Valt echter alleen op korten afstand in het oog, en
niet meer in den bloei- of vruchttijd dan in den tijd, dat de boom alleen
bladeren draagt.
vorm. «. — Bladeren vrij-breed-langwerpig, niet zeer lang toege-
spitst, nogal leerachtig. — & bloemknoppen spits; 4—5 stijlen in
de nog jonge bloemknoppen. Besvruchten vrij groot (in sicco 5 mM.
diam.), afgeplat.
Geogr. verspreiding: 8148 3 bij Takòka in de Preanger, op 1000
M. zeehoogte; 8175 3 bij Pringdmbä in Oost-Banjoemas op 700—1000
M. zeehoogte. Inl. namen: Bij Pringâmbà: Sadan, j. Bij Takòka soms
Ki-sapoe, s. Beide namen onzeker.
Aanm. Deze vorm nadert door den bladvorm het meest tot het Sumatraansche type.
vorm. 2. (var. angustifolia Mig.) Nogal hooge boom: H — (?)
20 M. bij D= 25 eM. Bladeren zeer smal, staartvormig-verlengd.
(verlengsel t/,—!/, der bladlengte) stijl kort.
Aamm. Beschrijving naar Herb. 8170 Kps. @; 8170 B; 8164 2; 13002 @. en 8151 2.
De beide laatste specimina van den zelfden boom verzameld.
Geogr. verspreiding: 8151 3 (en 13002 3) op 1450—1500 M.
zeehoogte bij Tjibòdas op den G. Gêde in de Preanger; 8164 3 op 1000
M. zeehoogte bij desa Kihoedjan in distr. Tjimanoek in Bantén op den
G. Poelasari; 8170 3 op (?) 1200 M. Op den G. Oengaran in Sömarang.
vorm. 7. — Nogal lage, slanke boom H —= 13—15 M. bij D == 26
cM. Bladeren smal; evenals de twijgen nogal sterk behaard, stijl
iets langer dan de eierstok; alleen aan den top gespleten.
Aanm. Beschrijving naar één specimen van Herb. Kds. 8173 2 en 8172. 2 Deze
vorm beantwoordt vrij goed aan de beschrijving van M, clandestina Bu.
EURYA. NE TERNSTROEMIACEAE.
Geogr. verspreiding enz. Op 1500 M. zeehoogte op de Noord-
helling van den G. Slamat in Tégal boven het dorp Simpar. Enkele
individuen verstrooid tusschen een paar honderd andere boomsoorten.
Niet beneden 1500 M. gevonden. — Inl. naam: locaal geheel onbe-
kend. — Habitus: Rijker en meer in het oog vallend bloeiend dan
de vormen « en £.
vorm ò. — Lage boom: H==6 M bij D=15 cM.
Twijgen rolrond, donzig-kortharig. Bladeren lancetvormig, bo-
ven het midden verbreed, staartvormig-toegespitst, nog al grof
gezaagd, bijna ongeaderd, van onderen met dunne aanliggende, moeilijk
zichtbare haren bedekt, ongeveer 68 mM. lang, 18 breed, verlengsel
10 mM.; bladsteel 5 mM.; lang.
Bloemen: & niet bekend — 2? bloemen: twee tot drie in de
bladoksels, zeer talrijk, melkwit. Bloemknoppen langwerpig, voor
het opengaan 6 mM. lang, steeltjes 3 mM. Schutblaadjes bijna over-
staande, spits, klein, behaard. Kelkblaadjes ongelijk, de twee bui-
tenste kleiner, dun behaard, de binnenste, kaal vliezig; omtrek der
kelk breed-eivormig, middellijn 5 en 6 mM. Kroonbladen langwer-
pig, aan den voet verbonden, kroon uitgelegd, bijna 10 mM. in
middellijn. Stamper 5 mM. lang, eierstok eivormig; stijlen 3—4,
bijna geheel vrij 3 mM. lang; eitjes 14—16 in elk hokje; aan ver
indringende takken der zaaddragers. Vrucht niet gezien.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. 8176 3.
De bladeren dezer vorm zijn bijna volkomen gelijk aan die van Z, aeuminata var.
angustifolia, waarvan zij zich voornamelijk door de 3—4 geheel vrije stijlen en de zeer
lange bloembladen onderscheidt; het laatste kenmerk onderscheidt haar tevens van alle
andere ons bekende Muryd’s. De beschrijving van M. confinis Bu. (Oost-Java), die door
MiQveL bij Z. serrata en met deze door Dyer weder bij WE. acuminata getrokken is,
past nauwkeurig op onze vorm, alleen worden daar 2—3 stijlen vermeld, terwijl van de
grootte der bloembladen geen melding is gemaakt.
Geogr. verspreiding enz. Bij Pringàmbâ in Oost-Banjoemas op
het Middangan-gebergte op 700—1000 M. zeehoogte. Habitus. Rij-
ker bloeiend dan vorm 1 « en 1 3 en door de grootte der bloemen
in het oog vallend,
Arbor mediocris. Ramuli teretes, juniores pubescentes, gemmae sericeae.
Folio petiolata, basi attenuato-cuneata oblonga vel lanceolata, saepe supra
TERNSTROEMIACEAE. — 233 — Euryva.
medium dilatata, aeumine lineari brevi vel saepius elongato, apice saepius
emarginello terminata; margine supra basin acutiusenle serrulata, prope
basin revoluta, tenwi-coriacea vel membranacea, supra glaberrima mitidula,
costa media canaliculata, utringue tenwiter retieulato-venosa, subtus pilis
elongatis, tenerrimis, dissitis, appressis obsita, denvum saepe, costa et petiolo
appresse pubescentibus exvceptis, glabrescentia; long. 80—75—100 mM.
lat. 25—15—25; petiolo 3—6 mM. Flores 1—5 conferti, parvi ; pedicellis
pilosis; _bracteolis suboppositis, altera saepe demissiore, altera calyci
approxvimata evilibus. Sepala inaequalia, exteriora duo minora, (calyx
patens inde ambitw ovalis) extus glabra, vel exteriora prope basin sub-
puberula (in spee. Sumatrano extus omnino puberula), intus sub lente
fortiore minutissime sericea. Fl. +: calyx patens 5—6 mM. longus, 3 mM.
latus, stamina 15 (—202), 3 mM. longa, antheris oblongis filamentis aequi-
longis. Fl. PQ: calyr 3—4 mM. longus, 2—2.5 latus; ovarium ovoideum
glabrum, 3—5- (saepius 4-) loculare, stylus supra basin 3—5-, plerumgue
4-partitus, vel 4-fidus. Ovula in loculis 12—16 biserialia, placentis promi-
nentibus affiva. Fructus depresso-globosus, mucronatus. _Semina generis.
Forma a. — Holia latiuscule oblonga, breviuscule acuminata, subcoriacea.
Alabastra 7 aeuta; styli 4—5 (flores aperti desunt). Baccae in sicco 5
mM. diam. depressae.
Forma 3 Folia anguste lanceolata, caudata. Stylus brevis.
Forma y.— Folia anguste lanceolata, swbtus cum ramulis pubescentia;
stylus ovario longior, apice fissus.
Forma ò.— Arbor parva. Ramuli teretes, breviter pubescentes. Folia (fere
B. angustifoliae Mia.) oblanceolata, subeaudato-acuminata (acumine 10 mM.
longo), supra basin serrulata, venis inconspicuis, subtus appresse-pilosula,
breviter petiolata (circ. 68 mM. longa, 18 lata, pet. 4—5 mM.) Flores
masculi non visi; feminei 2—3-fascieulati, nwmerosissimi, albidi, pro genere
magni. Alabastra oblonga, 6 mM. longa, pedicellis 3 mM. longis subgla-
bris. Bracteolae suboppositae, parvae, acutae , puberae. Sepala inaequalia,
exteriora 2 pubera, interiora membranacea, glabra; calyx explanatus am-
bitu ovalis, 6 mM. longus, 5 mM. latus. Petala oblonga basi connata,
corolla explanata fere 10 mM. diam. Pistillum 5 mM. longum, ovario
oblongo 3—4-loeulari, stylis 3—4 fere liberis, ovario longioribus; ovula
14—16 in singulo loeulo biserialia, inferiora pendentia superiora horizon-
talia, placentis prominentibus. Bacca? Forma (an species?) E. confinis Br.
valde affinis, floribus speeiosis notata.
15*
TERNSTROEMIACEAE. RE EuRryaA.
2. Eurya japonica Trurs. Fl. Jap. 191 t. 25; Dyer in Hook.
1e. 1284. Korz Bors Wilton. WOR ;
„Boom of heester, onbehaard, twijgen gestreept. Bloemen twee
bij een gezeten, met twee schutblaadjes. Kelkbladen onbehaard.”
(Dyer).
var. 1. Thunbergii, Trw. Enum. 41; — „E. tristyla, W.et A,
Prod. 86; KE. Wightiana, Wieurt II. 1 t. 38 (non Warr.); — £
coneocarpa, Kortn. Verh. nat gesch. Bot. 114; Brume Mus. l.c,
Mig. F. IL B.L. e. 471; Ann. Mus. rv 105; — E. elliptica, GARD.
in Calc, Journ. Nat. Hist. vir 443; — KE. japon'ca Bepp. Fl. sylv.
t. 92; — HK. witiensis, A. „GRAY. (Synonyma fide Dyer |. c.)
„Uiterste twijgen hoekig, onbehaard; bladeren wigvormig-
langwerpig of omgekeerd-eivormig of lancetvormig (32—60 mM.
lang, bij 18—25; bladsteel 1.5—58 mM.), stomp of meestal met een
korte uitgerande punt, fijn gezaagd, onbehaard, van onderen net-
vormig geaderd en langs den middelnerf somtijds fijn behaard.
Bloemen alleenstaand of twee bijeen, hoogstzelden meer, zeer
kort gesteeld. Schutblaadjes ongeveer half zoo groot als de kelk-
blaadjes, onderling gelijk, aan den top soms iets toegevouwen, van
buiten onbehaard. — & blm; Meeldraden 18, helmdraden van ongelijke
lengte, even lang of dubbel zoo lang als de eivormige helmknop-
jes. —® blm: BEierstok ellipsvormig, onvolkomen 4-, zeer zelden 5-
hokkig, stijlen 3—5 aan den voet vergroeid. Bes eivormig, bijna
voor de helft door de kelk omgeven: (Brume |. ec.)
Aanm. Beschrijving geheel naar BLuMe overgenomen. Eenige exemplaren van Herb,
Kps. 15165 2 enz., aan de noordzijde van den top van den Gèëde verzameld, behooren
ongetwijfeld tot deze soort. Hier zijn echter de bloemen somtijds éfnhwizig. Een 7
specimen uit Herb. Lugd. Bat. komt vrij goed met de beschrijving overeen, alleen zijn
daar 4 schutblaadjes onder den kelk van zeer ongelijke grootte, het grootste weinig klei-
ner dan de kelkblaadjes, alle blaadjes zijn zeer spits gekield en geheel onbehaard, de
vijf kelkblaadjes in grootte en vorm ongeveer gelijk. Er zijn 17 —19 meeldraden.
Van de bovenstaande beschrijving, wijkt de beschrijving bij DrYer eenigszins af: „Bla-
deren 75—130 mM. bij 25 —38, elliptisch of oblanceolaat meer of minder gezaagd,
toegespitst, bladsteel 6 mM., stijlen vrij.” (Dyer)
Geogr. verspreiding: Op den G. Gëde in de Preanger.
„Ramulis ultimis angulatis glabris; foliis cuneato-oblongis; v. obovatis lan-
EuryaA. =D — TERNSTROEMIACEAE.
ceolatisve (32—60 mM. longis 138—25 lat. 1.5—3 mM.) obtusis wv. plerunque
cum acumine brevi-retuso, serrulatis glabris subtus reticulatis et ad nervum
medium interdum puberulis; floribus solitariis vel geminis, rarissime
confertis subsesilibus; calycis foliolis paulo inaeguali bus lato-ovatis obtusis
apice subcomplicatis; stylis 3—5 brevibus fere ad basin usque distinctis;
baccis ovoideis glabris” (Korrm. E‚ coneocarpa).
var. 2 nitida Dyer Ll. e.; — E. nitida Kortn. 1. e. 115 t 17;
Brume Mus. mu 111 Mig. EF. I. B. 472; Ann Mus. rv 105; —
„B. myrtifola, Bu. Mus. mr 113; Mrq. 1. e. 4735 — K. anceps, Br.
L. e.; Mig. L. e.; — H. virens Br. Mr. 1. c.” (teste Miquer Ann. Mus.
Le); — „H. Roxburghii, Warr. Cat. 1465 p. p. — HK. systyla, MrQ.
in Herb. HorrNACKER — W. Wightiana Warr. Cat. 4662 — HK. fas-
ciculata, Warr.. Cat. 4399.” (teste Dyer 1. c.)
„Uiterste twijgen hoekig onbehaard ; bladeren lancetvormig- of lang-
werpig-elliptisch (25—84 mM. lang bij 13—30 mM.; bladsteel
1.5—3 mM.) spits of stomp toegespitst, fijn gezaagd, onbehaard, on-
der zeer onduidelijk geaderd. Bloemen alleenstaand of twee bij-
een kort gesteeld; schutblaadjes zeer klein onbehaard; kelkbladen
ongelijk; de twee buitenste eivormig-rond met stipvormig nerf-
spitsje; de drie binnenste dubbel zoo groot, breed, cirkelrond zonder
nerfspitsje, alle onbehaard ; — & bl 10—12 meeldr. helmknopjes langer
dan de helmdraden, met gegolfden rand; — @ bloemen; eierstok ei-
vormig 8—4-hokkig, stijlen 3—4, even lang als de eierstok, tot op
de helft tot een dikken hoekigen stijl vereenigd, eitjes 6—10 in elk
hokje niet tweerijig. Besvrucht ongeveer bolvormig” (Brummer en Kortu.)
Aamm. Beschrijving geheel overgenomen.
De vorm door BLuMe als B. anceps afgescheiden en door Mrquer hiermede vereenigd,
schijnt zich slechts door dunnere, meer kantige twijgen en sterker geaderde bladeren te
onderscheiden, het zou een hooge boom zijn uit de bergwouden van West-Java; EZ. myrtifolia
uit de hooge bergwouden, een heestertje van 3 à 4 Meter, zou zich voornamelijk door
de bijna tot aan den voet vrije stijlen en de smallere bladeren onderscheiden ; MiQqueu,
die het authenthieke specimen heeft onderzocht, geeft echter op dat de stijlen bijna tot
de helft vergroeid zijn.
DxeRr geeft als kenmerken der var. „nitida op: Stam S voet hoog, bladeren 38—63
mM. bij 13—25, smal elliptisch of oblanceolaat, van boven gezaagd, spits of kert toegespitst
bladsteel 4 mM., stijlen: tot boven het midden vereenigd,
Geogr. verspreiding: „Bergwouden van West-Java (BLuMe).
Ramulis ultimis angulatis glabris; foliis e basi acuta lanceolatis v.
TERNSTROEMIACEAE. — 236 — EuryA.
oblongo-ellipticis (25—84 mM. long. 13—30 mM. lat, petiolo vir 1.5—4.5
mM.) aeutis v. obtuse acuminatis serrulatis glabris subtus obsolete venulo-
sis; floribus solitariis geminisve breviter peduneulatis; calyeis foliolis in-
aegualibus, 2 exterioribus rotundato-ovatis, interioribus duplo majoribus
lato-rotundatis; stylus 3 rarius 4 fere usque ad apicem in stylum crassum
angulatum unitis; baccis subglobosus glabris” (Korrmars E nitida).
Wij voegen hierbij de beschrijving van een exemplaar uit Herb. Kps.
8161 f# dat misschien tot deze soort behoort, ofschoon de beschrijvingen
niet in: alle opzichten overeenstemmen :
E, Japonica Trurs. var. nitida Dyer.
Rijkvertakte boomheester. H == hoogstens 5—6 M. en D= 10—15
cM. Stam: zeer krom; laag bij den grond vertakt. Kroon: Nogal
dicht. Schors: 3 mM. dik. Bros. Buiten grauw (met moskussens
bedekt). Doorsnede vuil donkergeel. Binnen wit. Zonder bladgroen.
Zonder bijzonder sap, zonder lenticellen. Uiterste twijgen hoekig
heen- en weer gebogen, eenigszins scherp kantig, graphietkleurig,
onbehaard.
Bladeren lancetvormig, vrij spits toegespitst, met versmalden in
den bladsteel afloopenden voet, met zeer fijn gezaagden bladrand ; nabij
den voet gaafrandig, sterk omgekruld, stevig leerachtig, met uitzonde-
ring van den fijn aangedrukt-behaarden bladnerf nagenoeg onbehaard ;
alleen met zeer goede loupe een fijne, korte beharing der onderzijde
zichtbaar; van boven glimmeud donkergroen; van onderen gewoon
groen, dof. Jonge bladeren geheel geelbruin glimmend. Bladeren
gemiddeld 55 mM. lang, bij 16, bladsteel 5—6 mM. Bloemen:
— ontbreken —? bl. 1 of 2, zeldzamer 3 bijeen ; bloemknoppen eivor-
mig; schutblaadjes op ongelijke hoogte ingeplant, eenigszins gekield,
het bovenste bijna half zoo groot als het buitenste kelkblad, van
buiten behaard; kelkbladen nagenoeg gelijk, eivormig en cirkel-
rond; in de knoppen behaard, de buitenste met een onduidelijk
nerfspitsje; stamper onvolkomen wvijfhokkig; 5 stijlen iets korter
dan de eierstok, aan den voet vergroeid, eitjes hangende in twee
rijen aan korte placenta-takken, die niet ver in de hokjes indringen ;
6—10 in elk hokje. Bessen afgeplat; vruchtstelen neergebogen.
EuRYA. Ne TERNSTROEMIACEAE.
Aanm _ Beschrijving naar Herb. Kps. 8161 @.
Geogr. verspreiding: Op den 2230 M, hoogen top van het Kratjak-
Galoenggoeng-gebergte in de Preanger. — Standplaats: alpine (altijd-
groene) bosschen. — Voorkomen: Gezellig groeiend, met Wlacocarpus
(Acronodia), Agapetes, Photinia, enz. — Bloei- vruchttiijjd: Beide in
Januari rijk vruchtdragend. — Gebruik: Aan de inlanders geheel
onbekend. Schors en jonge kladeren reukeloos; eenigszins bitter. Vol-
wassen bladeren reukeloos en smakeloos. — Cultuur. Waarschijnlijk
bruikbaar voor reboisatie op groote zeehoogten of aan den bovenrand
„gordel-herbosschingen’’ rondom kale te reboiseeren bergen. — Inl.
namen: In loco onbekend — Habitus: Als gewone theeheester;
wat kroon, bladeren en vertakking aangaat, maar hooger en dikker en
veel kleiner bloemen.
Frutex arborescens ramosa. Folia lanceolata, acutiuscule acuminata
basi attenuata, minute serrulata, prope basin inteyro rigide coriacea, nervo
medio excepto subglabra (sub lente fortiore subtus appresse pubera, supra
nitida, 55 mM. longa, 16 lata, petiolo 5-6 mM. Flores 7 non visi — Q
parvi 1 vel 2, rarius 3 conferti; alabastra ovata; bracteolae subcarinatae,
alternae, extus puberae, superior sepalo externo fere dimidio minor ; sepala
fere aequalia ovata et rotunda, exteriora submucronulata in alabastris
puberula; ovarium incomplete 5-loeulare, styli 5 ima basi connati, ovula
in loculis 6—10 biserialia placentis parum prominulis. Baccae parvae
depressae pedunculis in sicco deflexis.
var. 3 phyllanthoides Dyer — B. phyllanthoides, Br. Mus 11 p. 110;
DE Vriese Pl. REiNw. p. 27; Mig. LI. B. 1. 2 p. 472; Ann Mus.
rv 105; — Phyllanthus nitida ReriNw. in sched;
Lage boom; soms (?) H—=10 M. en D.=—=15 cM. Stam krom
Kroon: dicht.
Twijgen bijna rolrond, de jongste twijgen en bladknoppen dun
behaard, bladeren langwerpig-lancetvormig (65—100 mM. lang,
bij 19—35, bladsteel 6—9 mM.), met versmalden voet en toegespit-
sten top, met fijn gezaagden rand, die soms naar beneden omge-
kruld is, leerachtig, onbehaard of langs de middelnerf aan de onder-
zijde ewak behaard; aderen van boven weinig zichtbaar en niet
uitspringend. Bloemen meest opeengehoopt, soms alleenstaand,
op ronde, 3—5 mM. lange behaarde steeltjes. Bloemknoppen bolrond.
Schutblaadjes eivormig afgerond, tegen den kelk aangedrukt, half
TERNSTROEMIACEAE. — 238 —= EURvA.
zoo lang als de kelkbladen; kelkbladen bijna rond, nagenoeg gelijk,
van buiten behaard, van binnen glad.— «7 bloemen: meeldraden 17
— 18, met eivormige oranje helmknopjes; @ bloemen : eierstok ei-bol-
vormig, onbehaard. Stijlen 3—5 aan den voet tot onder het midden
vergroeid. Bessen afgeplat bolvormig.” (Brume, Mrqver).
Aanm. Beschrijving van stam en kroon naar Herb. Kps. en de beschrijving der
overige deelen naar BrLuMeE Mus. le, en Mrg. Ann, 1, c.; authentiek exemplaar niet
gezien.
Volgens BLUME moet de boom 8—9 Meter hoog worden.
Volgens MrqveL zijn de bladeren meer elliptisch, korter toegespitst dan bij MW. glabra
Br. waarmee zij zeer nauw verwant is; uit de beschrijving bij Br. blijkt dit verschil
in bladvorm niet.
Door Dyer wordt deze soort als variëteit van ZE. Japonica beschouwd, hetgeen echter
door PrieRrRE ontkendt wordt, daar M. Japonica altijd 3 stijlen zou hebben ; deze soort echter
volgens BLUME en Mrq. meest 4—5. Overigens geeft Dyer als algemeen kenmerk voor
E. Japonica op, een onbehaarde kelk, terwijl bij E. phyllanthoides de kelk duidelijk
behaard is.
Naar alle waarschijnlijkheid behooren tot deze soort onze exemplaren Herb Kps. 11262 3
en 10926 f@ (Q ex.) uit Midden-Java; en 8160 @ (Q7 ex.) van Pangèntjòngan, terwijl ook
13884 B Q ex. van Pangèntjòngan wegens de 4 slechts even aan den voet vereenigde
stijlen nauwelijks kan gerekend worden te verschillen. Van de bladeren verdient op-
merking, dat bij alle de onderzijde bij oppervlakkige beschouwing met een gewone loupe
onbehaard schijnt te zijn, maar dat bij zeer nauwkeurig onderzoek met een sterke loupe
de geheele oppervlakte ook der volwassen bladeren met korte aanliggende haartjes blijkt
bedekt te zijn.
De onderstaande gegevens over geogr. verspreiding alleen naar Herb. Kps.
(8160 2; 10926 B; 11262 BZ en 13884 9).
Geogr. verspreiding en Standplaats: 8160 3 op 1700 M.
zeehoogte langs het pad van Pangèntjòngan naar het meer van Telaga-
bodas in de Preanger (afd. Limbangan) in hoogstammig, heterogeen, al-
tijdgroen oerwoud op vruchtbaren constant vochtigen grond; 13884 3
op dezelfde groeiplaats echter op 1300 M. zeehoogte ; 1262 3 op (?) 1800 M.
zeehoogte boven Soerdjä in Pökalòngan; 10926 @ op 1700 M. zeehoogte
boven de onderneming Bëdaka op de W.-helling van den Goenoeng
Kembang in Bagëlèn (afd. Wänäsäbâ) in hoogstammig, altijdgroen oerwoud
op vruchtbaren, constant vochtigen grond. „Bantèn (Brumr). Buiten
Java: „Khasia-gebergte Moulmein” Dyer. Voorkomen: Meestal (?)
min of meer gezelliggroeiend. — Bloei- en vruchttijd: Januari bloe-
men en Augustus vruchten in Preanger; vruchten in October bij Soerdjä.
— Gebruik: locaal onbekend. — Inl. namen: Bij Soerdjà in Pèka-
lòngan en bij Bëödaka in Bagtlèn vrij constant Sadan, j. Im Preanger
onbekend.
Arbor parva. Ramuli fere teretes, novelli cum innovationibus tenuiter
pilosi. Folia oblonga-lanceolata (65-100 mM. longa, 19—35 lata pet.
6—9 mM.) basi angustata, apice acuminata minute serrulata, margine
Eurya. — 239 — TERNSTROEMIACEAE.
saepe refleva, coriacea, glabra vel ad costam mediam subtus parce pilosa;
venis supra parum conspicwis hand prominulis. Flores plerumgue conferti,
rarius singuli, pedunculis teretibus 1—5 m.M. longis. Alabastra globosa
Bracteolae ovata-rotundatae, calyci appressae üisque dimidio minores.
Sepala subrotunda, subaequalia, extus pubescentia intus glabra. Stamina
17—18 antheris ovatis. Ovarium ovato-globosum, glabrum. Styli 3—5 basi
usque infra medium connati. Baccae depresso-globosae.” (Buur, Mrquer).
Wij voegen hier nog bij de beschrijving van één enkel eenigszins af-
wijkend exemplaar van G. Karang (Bantén); dat evenzeer met &, acumi-
nata als met E. phyllanthoides verwant schijnt te zijn:
Boomheester; hoogstens: H == 3—5 M en D = 10 cM.
Twijgen nagenoeg rolrond, uiterste twijgen eenigszins afgeplat,
gestreept.
Bladeren lancetvormig, met toegespitsten voet en lang-smaltoe-
gespitsten top, langgesteeld (60 — 80 mM. lang bij 20—24, bladsteel
6—8 mM.), boven !/, van den voet duidelijk fijn gezaagd van on-
deren fijn-netvormig-geaderd, jonge bladeren bij goede vergrooting
kort fijn-behaard, volwassen behalve langs den bladnerf bijna
onbehaard. Bladknoppen zijdeachtig behaard. Bloemen 1—2 bij-
een in de bladoksels; schutblaadjes iets kleiner dan de helft der
kelkbladen en evenals deze wan onderen zachtbehaard met zeer
onontwikkeld stekelpuntje, kelkbladen eivormig-rond, nagenoeg ge-
lijk; bloemknoppen eivormig. Vrucht verlengd-bolwormig, niet
afgeplat, door de 4 wergroeide stijlen gekromd, voor de helft door
den napvormigen kelk omgeven, vruchtstelen opgericht.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. 8165 2.
Onderscheidt zich van WE. acuminata vooral door den vrij grooten gelijkbladigen be-
haarden kelk en de veel kortere, nauw zichtbare beharing der bladonderzijde. Staat zeer
nabij WM. phyllanthoides Br.
Geogr. verspreiding: Top Goenoeng Karang in Bantèn; op
1770 M. zeehoogte, — Standplaats: Nogal dikke teelt-aarde-laag, op
een bergrug; in altijd groen, heterogeen, alpien-bosch. — Voorkomen:
? Gezelliggroeien. — Bloei en vruchttijd: Beide in Juni, — Gebruik
en inl, namen: locaal onbekend. — Cultuur: Waarschijnlijk bruik-
baar als de vorige soorten. — Alpine Habitus.
Fruter arborescens. Ramuli subteretes, prope apicem subeomplanati,
TERNSTROEMIACEAE. == DAD — Eurva.
striati. Folia lanceolata, basi acutata apice acumine longo angusto termi-
nata, longe petiolata; 60—80 mM. longa, 20—24 lata, pet. 6—8 mM. supra
|, a basi conspicue serrulata, subtus reticulato-venosa, juniora sub lente
fortiori breviter pubescentia, adulta nisi ad costam subglabra. Alabastra
sericea. Flores 1—2 conferti in amillis; bracteolae dimidio sepalorum bre-
viores et cum sepalis subtus sericeae obsolete mucronatae; sepala ovato-
rotundata, subaegualia alabastra ovata. Bacca oblongo-globosa, haud depres-
sa, stylis concretis mucronata, dimidio calyee cupulato circumdata. Pe-
duneuli erecti.
A. specim. jav. B. aeuminatae imprimis calyce maiore, pubescenti, aequali-
sepalo et foliis subtus subglabris distincta.
3. Eurya glabra, Br. Mus. Bat. 109 (Bijdr: 125 sub. Geeria);
Mig. le. 472; Korra. le, 114; de Vr.l.c. 28; — B. tristyla, W. et
A. Prodr. 1 86 (p. p;) Hassk. Cat. 209 (an et Crorsy in ZOLL.
Cat. 143); Mrq. Ann rv. 105.
Nogal lage boom, ongeveer H—=15 M. bij D=20M. Stam:
Nogal recht en hoog boven den grond, ordeloos vertakt zonder gleu-
ven; zonder wortellijsten, zonder knoesten. Kroon: Nogal hoog aan-
gezet; ijl. Onregelmatig. Schors:5 mM. dik. Bros. Buiten grauw en
met fijne overlangsche barsten. Doorsnede en binnen lichtroodbruin.
Met kleine lenticellen; zonder bladgroen. Zonder bijzonder sap.
Twijgen recht aan den top, eenigszins hoekig, evenals de knoppen
en jonge bladeren geheel onbehaard. Bladeren duidelijk gesteeld,
smal-elliptisch met versmalden voet naar boven toegespitst, niet
zelden met uitgeranden top, boven den voet ongelijk-eeltig-gezaagd,
dik leerachtig, van boven eenigszins glanzig, met ingedrukte mid-
delnerf; van onderen tot aan den voet goed zichtbaar, netvormig
geaderd, met recht uitstaande zijaderen, die ver van den rand boog-
vormig samenkomen. Bladeren (van spec. Kps. 12640 2.) lang-
werpig of lancetvormig, aan beide uiteinden versmald en in een
stompe, eenigszins uitgerande punt uitloopend, vele bijna tot aan de
helft gaafrandig, gewoon groen-glimmend, van onderen lichter, 65 — 90
mM. lang, bij 18—25 bladst. 6 mM. +” Bloemknoppen 3—5
mM. lang en breed, 2—6 bijeen in de bladoksels. Schutblaadjes
gekield, zeer zwak behaard, het bovenste ongeveer half zoo lang
EURYA. — 241 — TERNSTROEMIACEAE.
als het buitenste kelkblad, dit iets kleiner dan de overige kelkbla-
den. Kelkbladen geheel onbehaard. Helmknopjes korter dan de
helmdraden, eivormig, toegespitst, niet met gelobden rand. — ?
bloemen kort gesteeld in bundels van twee tot 3 (in het auth. spec.
van BLUME opeengehoopt). Schutblaadjes twee, leerachtig, stomp ellip-
tisch met gekielden rug, onder het vergrootglas gezien behaard
en zeer fijn gewimperd, bijna evengroot maar smaller dan de bui-
tenste kelkbladen. Buitenste kelkbladen bij de geopende bloemen
bijna onbehaard, eivormig met stomp wratje aan den top, de 3
binnenste rond-eivormig, van achteren aan den top behaard. Eier-
stok eivormig onbehaard, met 4 korte tot aan den voet vrije stijlen.
Vrucht eivormig.” (Mrq).
Aanm. Beschrijving van / bloemen stam, kroon en schors naar Herb. Kps. 8154
f£, 8155 B en 11640 2 (alle 3 specimina van den zelfden boom afkomstig) en beschrijving
van twijgen, bladeren en ® bloemen naar Mriq. Ann. mus IV 105 en vergeleken met
authentiek specimen door BLuME op Java verzameld.
De bladeren zijn dààr gemiddeld 75 mM. lang bij 24, bladsteel 4—5 mM. De bloemen
zijn dikwijls in kluwens van 5 geplaatst. De uitgespreide kelk heeft 5 — 6 mM.,
middellijn.
Volgens KorrHars 1, ce. wordt deze soort uitsluitend boven 2400 M. op den Gëde en
wel langs het zuidelijk en zuid oostelijk deel gevonden, en onderscheidt zij zich door de
grootte der kelkbladen van alle andere hem bekende soorten, en van MW. coneocarpa,
Korrr in het bijzonder, behalve door de langer gesteelde grootere bladeren, door de op-
een-gehoopte bloemen en de meer afgeplatte besjes
Ook MrqvreL noemt haar een species certa. Volgens hem zouden echter de bessen
eivormig zijn in tegenstelling met W. coneocarpa waar zij tolvormig zijn zouden. Dit is
bepaald in strijd met de beschrijving van BLUME en met een door hem zelf geëtiketteerd
exemplaar in Herb. Bog.
Volgens BLUME verschilt zij vooral van ME. phyllanthoides, behalve door het gemis van
beharing, door de langwerpige (niet bolronde) bloemknoppen en door de gekielde (niet
cirkelronde) kelkblaadjes.
Van dezelfde vindplaats bevindt zich een 7 spec. in Herb. Kps. (11640 3) dat wel
eenigszins van het authentieke afwijkt maar ons toch toeschijnt tot de zelfde soort te
behooren; naar deze is de beschrijving der mann. bloemen genomen; hiertoe behooren de
onderstaande gegevens.
Geogr. verspreiding en standplaats: In Preanger op den
G. Gëde bij Tjibòdas op ongeveer 1500 M. zeehoogte in altijdgroen hoog-
stammig oerwoud op constant vochtigen vruchtbaren grond. — Gebruik
en Inl. namen in loco onbekend. Habitus: als Ewrya acuminata Do.
„Arbor parva. Ramuli stricti apice subangulati, novelli eum alabastris
et foliis novellis glaberrimi. Folia petiolata anguste elliptica basi attenuata
apice acuminata, nonnungwam apice retusa, supra busin inaegualiter calloso-
serrata, crassa coriacea supra nîtidula costa depressa, subtus conspicue
16
TERNSTROEMIACEAE. SD Eurya.
reticulato-venosa, nervis primariis patenlibus a maryine remote arcuatis.
Folia 65—90 mM. longa, 18—25 lata pet. 6 mM.— 7 Alabastra 3—4
mM. longa et lata, 2—6 conferti. Bracteolae carinatae tenuiter puberae,
superior sepalo dimidio minor. Sepala glaberrima. Antherae filamentis
breviores, ovatae acuminatae.—g Flores brevissime pedunculati bini vel
terni vel (in spec. auth. Buumer) plures conferti. Bracteolae 2 coriaceae
obtusae dorso carinatae sub lente puberae et minute cilivlatae, sepalis
exterioribus fere aequilongae. Sepala exteriora in floribus apertis sub-
glabra, ovata apice callosa, interiora 3 rotundo-ovata extus ad apicem
puberula. Ovarium ovatum glabrum stylis 4 brevibus usque ad apicem
liberis. Bacca ovata.’ (Mrgq.)
4 Eurya obovata, Br. Fl. Jav. Praef. p. VII; Mrq. FI. J. B. IL.
2. p- 470; Ann. Mus. IV. 104; Korrn in Verh. Natuurl. Gesch.
Bot. 118. — EK. Celebica, Reinw. ap. DE Vriese Pl. Reinw. 27. —
H. glabra, Z. et M. Verz. 26. — Geeria obovata, Br. Bijdr. p.
125. — „B. glabra. BLuMe” (in indice Kewensi forsan errore huic
adducta) ; — W. reticulata Kortn. t. 17 fig. 3 teste Boume Mus bot.
107 hue pertinet quod MriqveL negat.
„Kleine, zeer vertakte boom; geheel onbehaard, met opstaande
dicht bijeen geplaatste bladeren. Uiterste twijgen scherpkantig;
bladeren omgekeerd-eivormig of elliptisch of langwerpig (26—45
mM. lang, 13—22 mM. breed, bladsteel 1.5—3 mM.) met wigvor-
migen voet en vrij stompen of uitgeranden top, boven het midden
gezaagd, leerachtig, onbehaard, aan beide zijden zeer onduidelijk net-
vormig geaderd. Bloemen 1—2-bijeen, kort maar duidelijk gesteeld.
Kelkbladen rond, met onduidelijk nerfpuntje, de twee buitenste
iets kleiner, de binnenste uitgerand meer vliezig; bloembladen obo-
vaat, uitgerand, eenigszins gekarteld — Ô: 138—18 meeldraden; helm-
knopjes korter dan de helmdraden, pijlvormig, hokjes met gegolfden
rand. — ? bloemen: eierstok eivormig 3—4-hokkig, stijlen 3—4,
zeer kort, niet vereenigd. Besvrucht kleiner dan een erwt, bijna
bolvormig, stijlen blijvend.” (BLuMe).
Aanm. Komt volgens BLUME op de toppen der bergen in Java, Celebes ete. voor.
. Korruars geeft bepaaldelijk den Gède en Pangerango als vindplaats op. Volgens hem
zijn de vruchten langer dan breed en de afmetingen der bladeren gering (20 mM. lang,
Eurya. == A TERNSTROEMIACEAE.
10 breed). Volgens Mrq. onderscheidt zij zich van MW. Japonica o. a, door de schutblaadjes,
waarvan het eene lager geplaatst is dan het andere. Een specimen van Herb. Kps.
8174 8 op den G. Wilis (Midden-Java) verzameld wijkt voornamelijk slechts door de
beharing af.
„Ramulis ultimis subancipitibus glabris; foliis e basi cuneata obovatis
v. ellipticis oblongisve (26—45 mM. long. 13—22 mM. lat, pet. viv 1.5—3
mM.) obtusiusculis v. retusis, serratis, obsolete retiewlato-venulosis ; floribus
solitariis geminisve breviter peduneulatis; ealyeis foliolis orbieularibus
rotundatis, interioribus obsolete retusis; stylis 3—4 brevissimis distinctis;
baccis subglobosis glabris”” Buuur.
Adn. Korruars baccas oblongas dicit, folia exigua 20 mM. longa, 10
lata. MrqurrL hane speciem ab E. japonica distinguenda habet bracteolis
non oppossitis, altera calyci appressa, altera demissiore.
Eurya obovata var. velutina K. et V.
Lage boom; soms ongeveer H —= 10 M en D == 25 cM.Stam:
Nogal recht. Nogal laag bij den grond, zeer rijk en ordeloos ver-
takt. Zonder wortellijsten. Zonder gleuven, Kroon: Dicht. Breed.
Onregelmatig. Schors: buiten donkergrauw.
Uiterste twijgen rolrond, vooral nabij de toppen donzigfluweelachtig-
behaard. Bladeren omgekeerd-eivormig, zeldzamer lang werpig-ellip-
tisch, met spitsen voet en stompen of vrij spitsen of stomp toegespitsten
top; boven het midden duidelijk gezaagd, met eenigszins eeltige
zaagtandjes; leerachtig, van boven onbehaard, van onderen fijn aan-
liggend-behaard, langs de bladnerf en bladsteel fluweelachtig-be-
haard, donkergroen van onderen meer of minder duidelijk netvormig
geaderd, 27 —40 mM. lang bij 11—17 mM., bladsteel 2 mM. Bloe-
men — &' onbekend. — 2 bl: 1 — 2 bijeen; schutblaadjes kleiner
dan de halve kelkbladen vrij spits, met nerfspitje, evenals de kelk-
bladen behaard. Kelk napvormig, middell. 4 mM., kelkbladen nage-
noeg gelijk. Eierstok bolvormig met 3 — 4 zeer korte, geheel
vrije stijlen, die op de vrucht achterblijven.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. 8174 3 Deze beantwoordt vrij nauwkeurig aan
HE. obovata Br. behalve de aderen die hier aan de onderzijde goed zichtbaar zijn en de
haarbekleeding .
Geogr. verspreiding: Van 1800 M. tot op bijna 2400 M, zee-
hoogte iets beneden den top van den Goenoeng Wilis in Madioen. —
TERNSTROEMIACEAE. — 244 — Eurya.
Standplaats: In altijd groene gemengde laagstammige (alpine) bos-
schen op steenachtigen, bijna constant waterarmen grond, op een rug
aan den zoom van Caswarina-bosch. — Voorkomen: Hier alleen ver-
strooid tusschen een 15-tal andere boomsoorten. Wordt beneden 1800 M.
op den G. Wilis door ME. acuminata De. vervangen. — Bloei- en
vrucht-tiijd: Beide in October. Weinig bloemen tegelijk open. Nogal
veel vruchten. — Bladafval: Altijdgroen. — Gebruik en inl. na-
men: Beide in loeo onbekend. — Cultuur: Wellicht aantebevelen
als de voorgaande soort. — Habitus: Alpine boomhabitus. Herinnert
aan HE. acuminata, Dc. der lagere bergstreken, maar heeft krommer en
(?) dikker stam en kleinere bladeren.
Arbor parva. Ramuli teretes, imprimis ad apices velutino-pubescentes.
Folia obovata rarius oblongo-elliptica, basi acuta, apice obtusa vel acutius-
cula vel obtuse acuminata; supra medium serrulata, dentibus subcallosis;
coriacea; supra glabra subtus appresso-puberula, secus costam et petiolum
velutino-pubescentia, saturate viridia, subtus plusminus conspicue reticulata,
27—40 mM. longa, 11—17 mM. lata, petiolo 2 mM. Flores ” ignoti. — 3:
1—2 conferti. Bracteolae dimidio sepalorum breviores, acutiusculae, mu-
cronulatae, puberae. Calyx circ. 4 mM. diametro; sepala subaegualia
pubera. Ovarium globosum stylis 3—4 brevissimis, liberis, persistentibus.
5. Eurya Hasseltii, Br. le. 112; Mrg. Le. 473.
„Uiterste twijgen hoekig, onbehaard, bladeren elliptisch of lan-
cetvormig (32 — 70 mm, bij 13 — 25, bladst. 2.5 — 3 mM), spits
of kort-stomp-toegespitst, niet duidelijk geaderd. Bloemen alleen-
staand of twee bijeen, zeer kort gesteeld; twee buitenste kelkbladen
eivormig-afgerond ; binnenste tweemaal zoo groot, rond ; — o’: 13—16
meeldraden ; helmknopjes langwerpig, langer dan de helmdraden, ondui-
delijk toegespitst, met gegolfden rand. —? bl: eierstok 5-hokkig
ei-bolvormig, stijlen 5, vrij lang tot over de helft vereenigd.
Vrucht afgeplat-bolvormig, zoo groot als een erwt.” (BLUME.)
Aanm. Door vaN HassELT op den top van den Poelasari gevonden, is volgens BLUME
zeer verwant aan E. nitida (E. Japonica Dyer) en daarvan vooral door de 5 vergroeide
stijlen onderscheiden, Miguel maakt van deze soort geen melding in zijn Adnotationes
ad Ternst. in Ann. Mus. 1. c. De bladeren zijn volgens BLUME in sicco wasgeel, van de
beharing wordt geen melding gemaakt.
„Ramulis ultimis angulatis glabris; foliis e basi acuta ellipticis lanceo-
latisve (32—70 mM. long) 13—25 lat, pet. vix. 2.5 —3 mM.) acut vis.
EuRryA. — 245 — TERNSTROEMIACEAE,
eum aecwmine brevi obtuso, serrwlatis, glabris, subtus obsolete venulosis;
floribus solitariis geminisve brevissime peduneulatis; calyeis foliolis inaequa-
libus, 2 ezterioribus subrotundo-ovatis; interioribus duplo majoribus orbi-
eularibus; stylis 5 ultra medium in stylum elongatum unitis; baccis sub-
globosis glabris (Buumr.)
Adn. Zeste Brumm ab E. nitida wie nisi stylis 5 connatis distinguenda ;
Mrguer ón adn. ad Ternstr. (Ann. Mus. lc.) de hae specie mentionem non
facit.
6. Eurya Blumeana, Korrm. Verh. lc. 119; Mig. Le. 475. —
Geeria serrata, var. sericea Bu. Bijdr. 124.
„Uiterste twijgen nagenoeg rond, zijdeachtig-fluweelachtig-behaard.
Bladeren lancetvormig of elliptisch-lancetvormig (45—78 mM. lang.
bij 22—38, bladsteel 3—6 mM.) met spitsen voet, stomp toegespitst
fijn gezaagd, van onderen vooral langs de middelnerf zeer fijn aange-
drukt behaard, netvormig-geaderd. Bloemen 1—3 bijeen, enkele
malen tweeslachtig. Bloemstelen rolrond, 2 mM. lang, behaard, schut-
blaadjes spits, zeer klein, behaard; kelkbladen zeer ongelijk van
grootte, de 2 buitenste eivormig half zoo groot als de binnenste,
deze bijna rond; alle behaard. Bloembladen bijna tweemaal zoo lang
als de kelkbladen — $ bloemen: 15 meeldraden (volgens BLUME:
17—19) helmknopjes lijnvormig met gegolfden rand ongeveer even
lang als de helmdraden — ? bloemen: eierstok onvolkomen 3—4-
hokkig, met ver in de hokjes indringende zaadlijsten; stijlen 3 —4
beneden het midden vereenigd. Besvrucht bolvormig.” (KORTHALS).
Aanm. Beschrijving geheel overgenomen uit KORTHALS.
Volgens BruMe is deze soort, die door vroegere botanici op de bergtoppen van West-
Java gevonden is G. Patoeha; Télaga-bòdas) zeer verwant aan ZE. serrata BL, waarvan
zij zich vooral door de minder diep gescheiden stijlen moet onderscheiden. Het is dus,
ook overeenkomstig de beschrijving, niet onwaarschijnlijk dat zij even als (volgens Dier)
EH. serrata tot de variëteiten van WE. acuminata zal blijken te behooren, ofschoon deze
overigens op Java gewoonlijk niet op zoo groote zeehoogte schijnen voor te komen.
De hierondervolgende gegevens over geogr. verspreiding enz. zijn naar een
specimen van Herb. Kps. (8158 3). dat wellicht tot deze twijfelachtige species behoort.
Geogr. verspreiding en standplaats: Specimen 8158 3 is een
boomheester, die gevonden is op 1700 M. zeehoogte aan den oever van
het aluinmeer Tèlaga-bodas op het Galoenggoeng-gebergte in de Preanger
op een rotsachtigen bodem, zeer dicht bij een paar werkzame fumarolen.
— Voorkomen: Gezelliggroeiend. — Gebruik en Inl. namen: in
loeo onbekend. — Alpine habitus.
TERNSTROEMIACEAE. — 246 — Eurya.
„Arbuseula 6 ad 8 metrorum; corona aperta, hemisphaerica. Rami
patentes, teretes, glabri, fusci. Ramuli alterni, subteretes vel compressi,
pubescentes. Gemmae elongatae, dense pubescentes. Folia aiterna, oblongo-
elliptiea, raro elliptica, obtuse acuminata, basi cuneata integerrima, supra
basin serrata, serraturis obtusis saepe mucronulatis; supra glabra, subtus
praesertim in mnervo medio pilosa, coriacea, 0,07 longa, 002 lata; petioli
semiteretes, supra plani, pubescentes, 0,003 longi. Flores uniseruales, raro
hermaphroditi, axillares, geminati vel solitarii. Pedunculi teretes, pubes-
centes, 0,002 longi. Flores masculi: .Calye bibracteolatus, pentasepalus,
persistens, aestivatione imbricata. _Bracteolae suboppositae, acutae, pubes-
centes, minutae. Sepala pubescentia, inaequalia: duo minora ovata, obtusa;
tria majora subrotunda, obtusissima, saepe emarginata. Corolla pentape-
tala, swbeampanulata, aestivatione imbricata. Petala oblonga, obtusa, in-
tegerrima, glabra, subearnosa. Stamina 15 uniserialia. Filamenta basi cohae-
rentia filiformia, basi incrassata, glabra. Antherae basi affixae, lineares,
basi subeordatae, biloculares, loeulis rimis longitudinalibus dehiscentibus,
connectivo in laminam acutam producto. _Pistilli rudimentum elongato-coni-
cum, glabrum. Floris feminei calyr et corolla eaedem ac floris masculi.
Ovarium globosum, attenuatum, glabrum, triloculare ; ovula 6—10 in singulo
loculo, superimposita, hippocrepiformi-complicata. Stylus subtrigonus, gla-
ber; stigmata tria, filiformia, patentia. Fructus pisiformis, subdepressus,
styli parte mucronatus, glaber. Fructus et seminis structura eadem ac
HEuryae serratae,” (Korrr).
7. Eurya grandis, Crorsy in Zorn. Cat. 147; Mig. Fl. IL. B. r.
2. p. 471.
„Boom of heester, twijgen rolrond onbehaard, bladeren kort
gesteeld, eivormig met versmalden voet, stomp toegespitst, leerachtig,
gezaagd, onbehaard, van boven in sicco groenachtig glanzig met inge-
drukte hoofdnerf, netvormig geaderd, van onderen lichter gekleurd
met uitspringende hoofdnerf, 75—100 mM. lang bij 25—50.
Bloemen 1 of 2 bijeen op 5 mM. lange steeltjes, schutblaadjes 2
tegen de bloem aangedrukt stomp, onbehaard, 2.5 mM lang; kelk-
bladen 5 stomp 4—5 mM. lang; verder onbekend.” (MrQ)
tel}
Aanm. Beschrijving overgenomen.
Geor. verspreiding: Java” (Mrqver) zonder nadere beschrijving
van de vindplaats.
Eurya. Dil — TERNSTROEMIACEAE.
„Arbor aut frutev, ramulis glabris corticosis teretibus foliosis. Folia
ovato-acuminata utringue attenuata coriacea margine tenwiter serrata acu-
mine obtusiuseulo, glabra, superne viridi-lucida, nervo intermedio canalieu-
lato venulis pinnato-retiewlatis, subtus dilutiora nervo prominulo; 15— 100
mM. longa, 25—50 mM. lata. Petiolus 5 —7.5 mM. longus. Flores
parvi in avillis foliorum solitarii aut gemini; peduneuli 5 mM. longi.
Bracteolae 2 flori adpressae, obtusae, glabrae 2.5 mM. longae. Sepala
5 obtusa 4—5 mM. longa. Cet. desunt.”’ (Cuorsy. 1. c. ev specimine Herb.
Junem. No. 90.)
Waarschijnlijk behooren tot deze soort eenige exemplaren van Herb.
Kps. waarvan wij hier de beschrijving laten volgen. Zij is wellicht al te
nabij verwant an M. phyllantoides Br:
Lage boom; soms (?) H=15 M. en D=20 cM.
Bladeren elliptisch, zeldzamer lancetvormig, met spitsen voet
en vrij lang en plotseling toegespitsten top, duidelijk gesteeld (70 —
100 — 115 mM. lang, bij 30 — 35 — 40, bladst. 3 — 5 mM. lang),
behalve nabij den bladvoet duidelijk gezaagd, dun leerachtig, onbe-
haard, behalve langs den middelnerf beneden, in sicco van boven
donkerbruin-olijfgroen van onderen licht-olijfgroen met zeer talrijke
rechtuitstaande zijaderen, duidelijk netvormij geaderd (ongeveer als
bij RB. glabra Br.) Bladknoppen zeer fijn zijdeachtig behaard. Bloe-
men: 2 alleenstaand of twee bijeen, zeer kort gesteeld. Schut-
blaadjes ongelijk, overstaand, kleiner dan het halve kelkblad, iets
behaard; kelkbladen gelijk, cirkelrond, van buiten fijn behaard, onge-
veer 2 á 3 mM. lang. Bloembladen omgekeerd-ei-langwerpig bijna
4 mM. lang. Bierstok met wijf bijna tot nabij den voet vrije stijien.
Vrucht afgeplat-bolvormig kortgesteeld.
Een ander specimen van dezelfde vindplaats 8180 3. heeft lang-
werpige, korter gesteelde, bij goede vergrooting van onderen geheel
kort-fijn-behaarde bladeren. Bloemen evenzoo.
Een ander specimen 8163 @ (van Poelasari Bantén), dat zeer waar-
schijnlijk hierbij behoort heeft iets kleinere fraai elliptische bladeren,
die bij goede vergrooting duidelijk aan de onderzijde behaard zijn
en onderscheidt zich overigens door 3 tot nabij den voet vrije stijlen
en minder afgeplatte vruchten.
Aanm. Beschrijving naar Herb, Kps. 8177 3 8178 9,
TERNSTROEMIACEAE. DU — Eurva.
Geogr. verspreiding: De beide specimina zijn van dezelfde vind-
plaats: op 1700 eM. zeehoogte in het Raoen-Idjèn-gebergte in Bösoeki
op den rug Oengoep-Oengoep. — Standplaats: Aan den zoom van
Casuarina-wouden in alpine bosschen. — Voorkomen: Verstrooid
tusschen andere boomen. — Bloei- en vruchttijd: Beide in Juni. —
Gebruik en Inl, namen: in loco onbekend.
Arbor parva. Folia elliptica, rarius lanceolata, basi acuta apice longius-
eulo aeumine terminata, petiolata, pro genere magna (10—100—115 mM.
longa, 30—40 lata, petiolo 3—5 mM.), basi excepta serrata, tenuiter coria-
cea, nisi ad costam subtus glabra vel in alio specimina minute pubescentia;
in sicco supra fusco-olivacea, subtus dilute olivacea, venis lateralibus nu-
merosis patentibus, conspicue reticulata (E. glabrae Brume valde similia)
Alabastra minute sericea. Flores Q: solitarii vel gemini, brevissime petiolati.
Bracteolae inaequales, oppositae dimidio sepali breviores subpuberae. Se-
pala aequalia, orbieularia, pubera circa 2—3 mM. longa. Petala obovato-
oblonga fere 4 mM. longa. Ovarium stylis 5 fere usque basin liberis.
Bacca depresso-globosa breviter pedunculata.
8 Eurya Zollingeri, Choisy le. 147; Mrq. Le. 471.
„Kleine heester; rolronde onbehaarde twijgen; bladeren kort-ge-
steeld, eivormig-versmald-toegespitst met spitsen voet, de jongste
lancetvormig, fijngezaagd van boven groenachtig ongeaderd, aan
de onderzijde netvormig geaderd, ongeveer 75 mM. lang, 38 mM.
breed. Bloemen: twee bijeen gezeten, zeer kort gesteeld; schut-
blaadjes zeer klein; kelkbladen onbehaard, elliptisch, vrij spits of
met een nerfspitsje, ongeveer 4-mM. lang; stijlen 3 tot bij den top
vereenigd. Besvrucht bolvormig.” (Mrq. Lc.)
Aanm. Naar de beschrijving te oordeelen schijnt deze soort nogal verwant aan Z.
nitida Kortn. of aan WE. coneocarpa.
Geogr. verspreiding: „Goenoeng Gède in de Preanger (Mrqver).
„Fruticuli; ramuli glabri teretes recti. Folia ovato-acuminata utringue
acuta, juniora lanceolata, 15 mM. longa, 38 mM. lata; margine tenuiter
serrata superne viridia avenia raro laevia subtus dilutiora reticulato-ve-
nosa nervo intermedio prominulo ; petiolus 10 mM. longus glaber teres crassus.
EurvA. — 249 — TERNSTROEMIACEAE.
Flores axillares gemini brevissime pedunculati. Sepala glabra ovato-
elliptica acutiuscula aut mucronulata 4 mM. longa. Bracteolae minimae,
Stylus unieus apice 3-partitus. Fructus globosus niger, — A praecedente
differt foliis arctioribns et basi acutis”” (Crorsy Lc.)
9. E,‚ salicifolia, Crorsy, Zou. Syst verz. II. 146.
„Heester met lange, in sieco zwarte, dicht bebladerde twijgen.
Twijgen recht, rolrond, glad. Bladeren lijn-lancetvormig, mu-
eronaat, kort-gesteeld, spits, fijngezaagd, boven glanzig, van onderen
helder goud-geel (in sicco?), 65 mM. lang, 17 breed, bladsteel 6—9
mM. Bloemen zeer klein; kelkbladen stomp, 1.5 mM. lang.” Crorsy.
Aanm. Volgens CHorsy is de soort verwant aan ME. acuminata WALL. waarvan zij
door steviger habitus, langer toegespitste bladeren, kleinere, langer gesteelde bloemen zou
verschillen. MrqueL noemt haar met vraagteeken als synoniem van HM. wvirens Br. (E.
nitida Kortn.)
„Ramulis rectis teretibus glabris, foliis lineari-lanceolatis mucronatis
breviter petiolatis argute serratis superne lucidi, subtus laete awreo-luteis,
floribus minimis, sepalis obtusis. — Frutex ramulis elongatis in sicco nigres-
centibus foliosis. Folia 65 mM. longa, 17 mM. lata, fere a basi tenuiter
serrata nervo intermedio superne canaliculato subtus prominulo venulis
lateralibus; petiolus 6—9 mM. longus; bracteae et sepala vie 1.5 mM.
longa. — Affiis HE. aeuminatae Warr. a qua differt toto habitu magis
rigido, foliis longius acuminatis, floribus minoribus paulo longius pedicel-
latis. Descr. e Javanensi specimine; Sumatrana nostra praebent folia
paulo latiora, etiam sed raro subovata.”’ (Crorsy 1. c.)
4. SAURAUJA Willd.
Bloemen tweeslachtig. Kelkbladen 5, sterk dakpansgewijs dekkend.
Bloembladen 5; aan de basis vergroeid. Meeldraden talrijk ; helm-
draden aan den voet met de kroonbladen vergroeid. Stuifmeel
uiterst klein, glad. Eierstok 3 —5-hokkig, stijlen even veel als hokjes,
vrij of aan den voet vergroeid. Eitjes zeer talrijk, anatroop, aan
dikke, uit den binnenhoek der hokjes hangende zaaddragers. Vrucht
besachtig, zelden droog en min of meer openspringend. Zaad talrijk,
zeer klein, met gegroefde zaadhuid in een slijmig moes, uit de
16%
TERNSTROEMIACEAE. — 250 — SAURAUJA.
buitenlaag der zaadhuid ontstaan, gelegen, Kiemwit aanwezig;
kiem axiel, aan de basis van het zaad, worteltje recht of licht gebogen,
zaadlobben moeilijk te onderscheiden.
Boomen of heesters met grove, schubachtige beharing. Bladeren
meest gezaagd, met evenwijdige zijnerven. Bloemen in axillaire
vertakte bijschermen of pluimen of alleenstaande. Weefsels rijk
aan buizen met slijm en raphiden.
Aantal soorten ongeveer 60 in tropisch- en subtropisch-Amerika en
Azië.
Aanm. MriqveL vermeldt in de Fl. 1. B. voor Java de volgende soorten:
. bracteosa Dc.
. leprosa Kortn.
„ distasosa KortH.
. lanceolata Dc.
mollis HAsskK.
Reinwardtiana Br.
bracteolata Dc. (?)
. pendula Br.
. Junghuhnii Crorsy.
. gigantea Dc.
. nudiflora De.
. Hasskarliana Mrq.
. rosed JUNGH.
‚ crenulata Dc.
. aesculifolia De VR.
. hirsuta Bu.
S. micrantha Bu.
S. Blumeana BENN.
S. grandifolia Zou. et Mor.
S. microphylla De Vr.
21. S. cauliflora Dc. 1)
Van deze 21 soorten is No. 3 naar de beschrijving niet van No. 2 te onderscheiden
(vergel. Crorsy in Zou, l.c, 147.
No. 4 is door ons als variëteit bij 8 S. pendula beschreven, met welke zij door over-
gangsvormen verbonden is.
No. 7 is een raadselachtige soort; volgens Crorsy die haar alleen uit de korte beschrij-
ving van Dec. kent, zoude zij aan S. Blumeana BiINN. en aan S. nudiflora Hassk. en
misschien aan S. micrantha Br. geliijk zijn. De drie genoemde synoniemen zijn echter
naar onze meening alle drie zeer duidelijk te onderscheiden soorten. Een exemplaar
van No. 7 uit Herb. Br. is naar onze meening niet soortelijk van No. S S. pendula
verschillend; daarentegen beschrijft Miq. zeer waarschijnlijk een andere soort dan de door
Dec. bedoelde, althans zijne beschrijving is met die van Dec. in strijd.
No. 14 is volgens Crorsy waarschijnlijk synoniem met 21,
No. 13 wordt door ons als variëteit van No. 21 beschouwd; evenzoo No. 15.
No. 16 ontbreekt nog in Herb. Kps.; de beschrijving van Mrq. is naar een exemplaar
uit Celebes; waarmede een exemplaar door JuNemumN op den Péngalèngan verzameld
en ook als S. hirsuta gedetermineerd, niet overeenkomt.
nrnmmmwunmwmnwmmmmmun
Ee jk
© DADA WINE SOAP RENE
Lo
>
ua
1) SrreuperL Nomencl. Ed. II 2 516 noemt nog een soort S. Blumia, die door Bruxe als Reinwardtia
Javanica Nees Syll. Ratisb. 1 (1824) p. 96 met een enkele regel beschreven is, maar die waarschijnlijk
niet tot dit geslacht behoort (N.B. gele bloemen volgens SPRENGEL).
SAURAUJA. — 251 — TERNSTROEMIACEAE.
No. 20 is synoniem met No. 18.
No. 5, 19, 10, 12 en 19 zijn ons onbekend.
Naar de beschrijving te oordeelen kan No. 5 zeer goed een jong exemplaar van No. 1 zijn.
No. 12 is nauwelijks van No. 6 te onderscheiden en No. 19 naar onze meening een
variëteit van 11.
Hierbeneden zijn 8 soorten beschreven, waarvan de determinatie volkomen vaststaat.
Een 5-tal andere, waarvan de determinatie minder zeker is. Het komt ons overbodig
voor de onvolledige beschrijvingen van Mrq. hier over te nemen. Wij hebben echter de
soort namen telkens vermeld, bij die soorten, waarmede zij o.i, de grootste verwantschap
vertoonen.
Flores vulgo hermaphroditi. Sepala 5, valde imbricata. Petala 5,
imbricata, basi connata v. rarius fere Vibera. Stamina oo, corollae basi
adhaerentia, antherae versatiles, dorsifivae, loculis apice poro v. rima brevi
introrsum dehiscentibus. Ovarium 3—5- loeulare; styli 3—5, apice stigma-
tosi, a basi distincti v. plus minus coaliti; ovula in loculis nwmerosa,
anatropa, placentae crassae ev angulo interno loeulorum affivae. Bacca
8—d-loeularis, rarius siccior et subdehiscens. _Semina mucilagine immersa,
parva; testa areolata; albwmen sat copiosum ; embryo axilis, rectus v. leviter
imeurvus, cotyledonibus brevibus.
Arbores fruticesve saepissime strigoso-pilosae v. squamatae. Folia vulgo
serrata, venis parallelis a costa divergentibus. Peduneuli axillares v. la-
terales, oo-flori, subpanieulati, v. rarius abbreviati pauciflori. _Bracteolae
vulgo parvae, a calyce remotae. _Cellulae mucilaginem et rhaphides gerentes
in omnibus partibus imprimis in seminibus et fructibus abundant.
1. Bloemen amillair of aan de twijgen, nooit aan den stam (soort 1—11).
A Bloeiwijzen axillair (bij witzondering aan de ontbladerde takken zie blz. 264)
(soort 1—7)
a bloeiwijzen wijdvertakt, veelbloemig, zoo lang als de helft der bladeren (soort 1 en 2).
a bladeren meest hartvormig, blad van onderen met grove borstels en dicht fijn
vilthaar bekleed. Schutblaadjes meest groot bladachtig.
1. Saurauja bracteosa, DC. in Mém. Soc. Genève 1 423 t. 6;
Mig. Fl. J. B. I. 2. p. 479; Horsr. Pl. Jav. rar. 170 t. 36; DE
Vriese. Pl. Reinw. 34; Zorn. Verz. 2. 144; — S. gigantea, Br. Bijdr.
129; Z. et M. Syst. Verz. 25. — (S. mollis, Hassk. Cat. bog. 210;
Mig. Le. 480?)
Nogal lage boom: H == 5—15 (?) M. ; meest 6—8 M., D == 10—40
eM. meest 15—25 eM. Stam: Krom en zeer laag onregelmatig
vertakt. Kroon: onregelmatig; dikwijls nogal iijl. Schors 6 mM,
dik; bros; nogal glad met veel ondiepe barsten, met enkele lenti-
TERNSTROEMIACEAE. ZEN SAURAUJA.
cellen; buiten aschgrauw; doorsnede wit, oranje-verkleurend ; binnen
vuilwit, iets oranje-verkleurend.
Twijgen heen en weer gebogen, nagenoeg rond, hier en daar met
lenticellen, jongste twijgen dicht met grove, kafachtige lange haren
bedekt. Bladeren obovaat- of langwerpig-elliptisch met eenigszins
hartvormigen voet en kort toegespitsten top, met fijn stekelig getan-
den rand (vooral de jongere); van boven onbehaard, van onderen
vooral langs de uitspringende hoofd-en zijnerven, met lange kafach-
tige, eenigszins aanliggende, in sicco zeer broze roestgele haren bedekt;
daartusschen geheel uiterst-fijn-(met een handloupe nauwelijks te
onderscheiden) dicht-viltig behaard; jonge bladeren aan beide zijden
zeer dicht, (in sicco) roestgeel, grof harig, versch fluweelachtig-purper.
Bladstelen vrij lang, met ruwe, zeer broze haren, vooral langs de
zijden bedekt. Bladeren 180—260 mM. lang, bij 80—100, bladst.
ongeveer 30 mM.; in de exemplaren van den Poentjak (Géde) dik-
wijls 360 mM. lang bij 185; bladsteel 80 mM. Bladeren van jonge
planten altijd zeer groot. Bloemen: Bloeiwijzen axillair roest-kleurig
kafachtig behaard, lang gesteeld. Hoofdsteel 80—120 mM. lang,
een saamgesteld bijscherm dragend, dat aan den voet door twee
groote, aan de gewone bladeren gelijke, dikwijls 30 mM. lange schut-
bladen omhuld is. Partieele hoofstelen ongelijk van lengte, 10—40
mM. lang, drie in getal, de middelste in een bloem eindigend.
Bijschermen driebloemig, bloemstelen ongelijk, 1—30 mM. lang met
schutbladen aan den voet; de twee buitenste met schutblaadjes, die
dikwijls uit de oksels weer bijschermen voortbrengen. Bloemen
wit middelmatig 18—22 mM. lang. Kelkbladen rond, vrij spits,
gewimperd, de 3 buitenste aanliggend-dicht-grof behaard; de twee
binnenste iets kleiner, vliezig, kaal, alleen in het midden fijn-viltig
behaard. Kroonbladen van onderen tot een 4—5 mM. lange buis
vergroeid, twee maal zoo lang als de kelk, omgekeerd-eivormig met
uitgeranden top. Meeldraden 30—50, alleen aan den voet ringvor-
mig verbonden, draadvormig, tweemaal zoo lang als de helmknopjes;
helmknopjes omgekeerd-eivormig, aan den top diep gespleten, in het
midden aan de rugzijde vastgehecht, aan den top met een korte
spleet zich openend. Eierstok dicht glanzig-viltig behaard, glanzig-
wit; stijlen 4—5, aan den voet verbonden, wit. Vrucht bolvormig,
SAURAUJA. A TERNSTROEMIACEAE.
door de kelk omsloten, ongeveer zoo groot als een erwt, roestkleurig
behaard, niet openspringend. Zaad zeer klein, talrijk, met een
dikke, bruine van buiten verslijmende zaadhuid.
In verschen toestand volwassen bladeren fraai donkergroen, van
onderen bruingrijs. Jonge bladeren prachtig fluweelig-purper. Blad-
stelen dikwijls donkerpurper. Bloemen eenigszins welriekend fraai
melkwit; helmknopjes lichtgeel.
Aanm, Beschrijving naar Herb. Kps., vergeleken met ex. uit Herb, JUNGHUHN, en
met de beschrijving en afbeelding in Horsr lc. Bij de laatste worden de kroonbladen op-
gegeven als tot nabij den voet vrij, bij de onze zijn zij tot op */, der lengte onderling
vergroeid. Bij het eenige exemplaar uit Oost-Java 8244 @, dat waarschijnlijk tot deze
soort behoort zijn alle kelkbladen van buiten geheel viltig.
Geogr. verspreiding: Geheel Java (behalve? in Bantën); vooral
in Midden-Java; o.a. op den Oengaran, Wilis, Söndärâ, Praoe,
vrij algemeen. In West-Java niet algemeen. Op 600 — 1450 Meter
in Bantén. Buiten Java: niet bekend, — Standplaats: Vooral in
jonge, secundaire bosschen en in lichte plekken van hoogstammig
heterogeen oerwoud. — Voorkomen: Nooit gezellig. — Bladafval:
Altijdgroen. — Bloei- en vruchttiijd: Het geheele jaar door tegelijk
bloeiend en vruchtdragend. — Vermenigvuldiging door zaden. Zoude
gestekt kunnen worden. — Gebruik: Hout zeer weinig duurzaam,
nogal bros en zeer klein van afmetingen; voor brandhout bruik-
baar. Spint wit; reukeloos. Geen kernhout. Bladeren, enz. Niet
door de inlanders gebezigd. — Cultuur: Niet aan te bevelen; tenzij
wellicht als sierplant. — Inlandsche namen: Evenals eenige andere
Sawrauja-soorten in Midden-Java constant Oembel-oembölan, j., Belbelan,
J. of Tjoewoet, j. De laatste naam op den Wilis in Madioen, de voorlaat-
ste op den Oengaran in Sëmarang. In Oost-Java met eenige andere Sau-
ranja-soorten Boeloe, (mad) geheeten en in West-Java Ki-lèho, j. Met
den naam Boeloe, j. s. elders geheel andere boomsoorten aangeduid. — Ha-
bitus: Van de andere javaansche Saurauja-soorten dadelijk te her-
kennen aan de groote, onder fraai zilvergrijze, volwassen bladeren en
aan de prachtig fluweel-purperen jonge bladeren.
Arbor parva. Ramuli flevuosi, nutantes, teretiusculi, cortice hinc
inde verrucoso; novelli dense paleaceo-hirsuti, paleis quandogue subspi-
nulosis, ferrugineis. Folia obovato- vel oblongo-elliptica, basi subcorda-
ta, apice breviter acuminata, margine spinulosa-denticulata; supra moz
glaberrima, infra praesertim in costa media et nervis primariis prominentibus,
farinoso-paleaceo-pubescentia, pilis subappressis ochraceis valde caducis
(in exsiccatis), inter venas ubique tomento denso minutissimo (sub lente
fortiore) induta; juniora utrinque ferrugineo-hirsutissima. _Petiolus
crassiusculus _palcaceo-pubescens, praesertim ad latera pilis paleaceis
TERNSTROEMIACEAE. — 254 — SAURAUJA.
longis patulis in sicco caducis obsitus. Folia 180—260 mM. longa 80—
100 lata, petiolo circ. 30 mM. in specim. gedehensi folia maiora usque,
360 longa, 185 lata, petiolo 80 mM. Inflorescentia azillaris tota ferru-
gineo-paleacea demum plus minus laevigata. Peduneulus communis 80—120
mM. longus; apice gerens umbellam plus minus compositam, basi bracteis
duabus saepe 30 mM. longis foliis similibus involueratam. Pedunculi
partiales subterni inaequales 10—40 mM. longi bracteati. Cymae triflorae,
pedicellis inaequalibus 1—30 mM. longis, 2 exterioribus bracteolatis; ex
bracteolarum awvillis saepe iterum eymigeris. Calycis sepala subrotunda
acutiuscula ciliolata; exteriora appresse hirsutissima, 2 interiora paullo
minora, membranaceae, medio tomentella, ceterum glabra, petala basi
in tubum 4—5 mM. longum connata, calycem duplo superantia, truncato-
obovata, apice emarginata. Stamina uniserialia 30—35, filamentis ima basi
connatis, filiformibus, 2/5 partem petalorum longitudinis fere attingentibus.
Antherae obovatae medio dorso affivae filamentis dimidio breviores, apice
bifidae loculis poro subrotundo suturam lateralem superius terminante
dehiscentibus. Ovarium dense sericeo-tomentosums styli 4—5, basi connati.
Capsula calyce persistente tecta subglobosa, magnitudine pisi, ferrugineo-
pubescens, subdehiscens.
B Bladeren met stompen voet, met grove borstels, zonder fijne vilthaarbekleeding.
2. Saurauja Junghuhnii? Crorsy in Zorn. Cat. 48; affinis S. brac-
teosae Do.; — S. bracteolata Mrq. Le. 480 (non Dc.) ? — (S. gigantea
Do. Prod. IL 526?)
Boomheester; soms H=—= 7 M. bij 15 cM.
Twijgen, bloeiwijzen en bladstelen met lange, kafachtige borstels
en kleine, spitse schubjes bedekt; bladstelen vooral aan eene zijde
lang-ruw-harig. Bladknoppen dicht bedekt met aanliggende bor-
stelharen. Bladeren elliptisch-langwerpig of obovaat-langwerpig
met stompen of afgeronden of spitsen voet en toegespitsten top,
ondiep borstelig-gezaagd; nogal leerachtig, van boven langs de
hoofd- en zijnerven met dicht aanliggende borstels, overigens onbe-
haard; van onderen met verspreide ruwe, deels aanliggende borstel-
haren, sterk uitspringend-netvormig geaderd, met 10 — 12 paar
boogvormig uitstaande zijnerven; 180 — 200 mM. lang bij 75; blad-
SAURAUJA. — Ohh TERNSTROEMIACHAE.
steel dik, 25 mM. lang. Bloemen in zeer lange, langgesteelde,
azillaire, twee of driemaal wvorksgewijs vertakte zeldzaam 3-stra-
lige bijschermen. Schutbladen en schutblaadjes op de bladeren gelij-
kend, lancetvormig, even lang of korter dan de blgemsteeltjes, 8 — 25
mM. lang. Bloemen vrij lang gesteeld. Kelkbladen groot 10 — 12
mM. lang, ongelijk, de twee buitenste breed-eivormig, spits, met
aanliggende borstels bedekt, de 3 binnenste cirkelrond, twee geheel
onbehaard, één half behaard. Kroonbladen bijna tot de helft ver-
groeid, met breeden tweelobbigen top met ronde lobben. Meeldraden
30— 35, helmknopjes 3 mM. lang, nagenoeg vrij. Mierstok dik wit-
viltig behaard; stijlen 5, aan den voet vergroeid. Vrucht...
Aanm. Beschrijving der bladeren en bloemen uitsluitend naar één specimen Herb.
Kps. 15529 7, uit West-Java.
Deze soort wijkt van S. bracteosa DC. af door den veel smalleren bladvoet, de kleinere
bladeren, de veel langere wijder uiteengespreide bloeiwijzen, en vooral ook door den
geheel anderen aard der beharing, daar de fijne, dichte haarbekleeding, die bij alle
exemplaren van S. bracteosa DC, de bladonderzijde tusschen en aan den voet der borstel-
haren bekleedt, hier geheel ontbreekt, en ook de kelkbladen met grove borstelschubben
bekleed zijn.
Met de hier beschrevene komen een groot aantal exemplaren uit Oost- en Midden-Java
14863 2 en 11361 B, overeen, die zich alleen door veel spitseren bladvoet onderscheiden;
van de laatsten zijn de bladeren der jonge loten bijzonder groot, en komen bovendien
door den hartvormigen voet met S. bracteosa overeen. Bladeren 175—270 mM. lang bij
60—100 mM. Bladsteel 30—50 mM. Bladeren van een jonge loot (14864 3) 480 mM,
lang bij 120.
Geogr. verspreiding: In Midden- en vooral in Oost-Java alge-
meen; in West-Java zeldzaam. In de Preanger door ons op 1300 M.
bij Sindanglaja gevonden; bij Klèdoeng op den Séndärâ op 1500 M. en
bij Pringämbá in Banjoemas op 700 — 1000 M. zeehoogte. Op den Sën-
darâ boven 1800 M. door andere Saurauia-soorten vervangen. Buiten Java:
niet bekend. — Cultuur: Bij Klèdoeng gestekt, veel voor levende omhei-
ningen gebezigd. Gebruik, enz. als bij S. bracteosa Dc. Van laatst-
genoemde o.m. te onderscheiden doordat de bladeren van onderen gewoon
groen zijn. De gelijkenis met deze soort is echter vrij groot.
Arbor frutescens v. parva. Ramuli et petiolì longe-paleaceo-hispidi et
sqwamulosi; innovutiones dense imbricato-strigosae. Folia elliptico-oblonga
vel. sub-obovato-oblonga 180-200 mM. longa. circ. 15 lata. petiolo 25 mM.;
basi saepius obtusa vel rotundata apice acuminata, margine leviter aristato-
serrulata, subeoriacea, supra ad costam et nervos strigulosa ceterum glabra,
subtus ubigue sparse strigoso-aspera valde reticulata, nervis primariis 12-14
arcuato-patulis utringue pertensa. Cymae longe pedunculatae axillares
TERNSTROEMIACEAE. — 256 — SAURAUJA.
bis terve dichotomae rarius trichotomae, foliis fere aeqwilongae; pedunculi 60,
tota inflorescentia 120 mM. longa. Bracteae et bracteolae foliaceae, lan-
ceolatae, pedicellos aequantes vel üis breviores, 8—20 mM. longae. Sepala
inaequalia, 2 exteriora ovata, acutissima, strigoso-aspera, B—10 mM. longa,
3 interiora orbicularia 10—12 mM. longa et lata, glabra, singulum semi-
glabrum, valde concava; petala fere ad medium connata, apice late biloba,
lobis rotundatis; 18 mM. longa. Stamina 30—35 ; antherae 3 mM. longae,
filamenta fere libera 5 mM. longa. Ovarium albido-tomentosum, styli 5
basi connati. Fructus. … … eee eee
Specimina Javae orientalis foliis basi attenuatis, acutis a specimine
occidentali, de qua descriptionem derivamus, parum recedunt, dum stirpes
juniores foliis maxvimis 480 mM. longis basi saepe subcordutis ad S. brac-
teosam, Dc, appropinguant.
b Hoofdstelen der bloeiwijzen 1—3-bloemig of bloemen schermvormig bijeen (soort
3—9).
a hoofdstelen vele malen langer dan de bladstelen, bloemen schermvormig bijeen,
bladeren onbehaard of met verstrooide schubjes.
3. Saurauja umbellata nov. spec.?, S. pendulae Br. affinis; — $.
bracteolata Do. (non Br. non Mrq.)?
Lage, dikwijls veelstammige boom; hoogstens H == 10 M. bij
D = 15 eM. Stam krom, laagvertakt. Kroon onregelmatig, lang-
aangezet.
Uiterste twijgen zwartachtig-bruin, rimpelig, met geelbruine klei-
ne, eivormige en ronde schubjes en met lange strooschubachtige
)
borstels, meer of minder dicht bedekt; knoppen en jongste blaren
dicht met schubjes en borstels bedekt. Bladeren lang-gesteeld,
elliptisch-lancetvormig of elliptisch-langwerpig meest met stompen,
of eenigszins afgeronden voet met spitsen of eenigszins toegespitsten
stekelpuntigen top, met zeer oppervlakkig fijn-eeltig gezaagden
rand; met 10—20 dunne boogvormig-uitstaande, van onderen sterk
uitspringende zijnerven, van onderen duidelijk netvormig geaderd;
volwassen geheel onbehaard of met enkele verstrooide schubjes, voor-
al langs hoofdnerf en bladsteel; 110—270 mM. lang bij 50—100;
bladsteel 25—40; gemiddeld 150 mM. lang. Bloemen in avillaire,
langgesteelde schermen; hoofdstelen stevig, nabij den top evenals
de bractaeën en partieele stelen dicht-geelachtig beschubd, 80—120
SAURAUJA. — Mi — TERNSTROEMIACEAE.
mM. lang. Partieele stelen twee tot driebloemig, dun, met de
bloemsteeltjes 30—40 mM. lang. Schutbladen en schutblaadjes lijn-
vormig of lancetvormig, 3 —10 mM. lang. Bloemen nogal klein;
kelkbladen ongelijk, de twee buitenste breed-eivormig stomp, 5 mM.
lang, met schubjes bedekt of kaal, de binnenste cirkelrond, 7—8
mM. lang, onbehaard; Bloembladen omgekeerd-eivormig, uitgerand,
14 mM. lang. Meeldraden 27—31, helmknopjes vlak boven het
midden bevestied, aan den top diep gelobd, met korte spleten open-
springend; helmdraden dubbel zoo lang als de helmknopjes (3—4
mM. lang). Bierstok lang-glanzig-behaard; 5 stijlen aan den voet
tot een 2 mM. langen stijl verbonden, 6 mM. lang
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. De soort is zeer verwant aan S. pendula Bu.
maar door de lange bladstelen, de schermvormige bloeiwijze en de beharing te onderscheiden.
Geogr. verspreiding: Alleen op het Raoeng-Idjèn-gebergte bij
Pantjoer op 1000—1800 M. vooral op 1500—1800 M. zeehoogte. Is
in die streek de eenige Saurauja soort die boven 1600 M. voorkomt.
Vooral langs beekoevers. In altijdgroen, doch niet al te gesloten oerwoud.
Op het Raoeng-ldjèn-plateau zeldzaam op 1000 M. en algemeen op
1500—1600 M. — Gebruik, Inl. namen, enz. als S. bracteosa Dc. —
Habitus: Precies S. pendula Br. Zie aanmerking hierboven.
Ramuli ultimi cortice rugoso fusco, cum innovationibus et foliis novellis
squamulis aliis ovatis vel swbrotundis, aliis paleaceo-setaceis ochraceis plus
minus dense obsiti. Folia longe petiolata elliptico-lanceolata vel elliptico-
oblonga, basi obtusa vel subrotundata rarius acuta apice acutissima vel sub-
acuminata mueronwlata, margine minute acutiuscule calloso-serrulata, ner-
vis primariis swbtus prominentibus, tenuibus, arcuato-patulis, 10—20 utrin-
que pertensa conspicue reticulato-venosa; adulta glaberrima vel subtus squa-
mulis minutis hine inde ad nervos adspersa; 110 —270 mM. longa, 50 —100
mM. lata; petiolus cire. 40 mM; saepius 150 mM. longa, 52 lata, pet. 26
mM. Peduneuli avillares elongati, saepe longissimi, folië dimidio longiores;
apice cum bracteis et pedicellis dense squamulosi, saepius trichotome umbel-
lati, peduneulis partialibus saepe trifloris. Bracteae et bracteolae lineares
vel lanceolatae, 5—10 mM. longae. Pedunculi communes 80—120 mM. longi,
partiales eumpedicellis 30— 40 mM. longa. Flores parvuli, sepala inaegyualia,
exteriora late ovata 5 mM. longa, obtusa vel rotundata syuamulosa vel gla-
brescentes, inferiora T—8 mM. longa orbieularia glaberrima. Petala obovata
14 mM. longa, apice emarginata. Stamina 27—31; antherae supra medium
affivae, apice subbifidae rimis brevibus dehiscentes, filamentis 3—4 mM.
17
TERNSTROEMIACEAE. RE == SAURAUJA.
longis, basi subconnatis fere duplo breviores. Ovarium sericeo-villosum,
stylis 5—6 mM. longis, basi in stylum crassum fere 2 mM. longum connati.
B Hoofdstelen niet langer dan de bladstelen. Bladonderzijde met mosachtig behaarde
borstels.
4. Saurauja leprosa, Kortn. in Verh. Nat. Gesch. Bot 131 ; Mrq.
Le. 479; Cuorsy in Zorn. Verz. m. 144;--S. Korthalsii, Z. et M.
Syst. Verz. 26. (teste Crorsy).
Lage boom of boomheester H: 5—6 soms 10—15 M?S tam enz.
als S. bracteosa Dc.
Twijgen eenigszins afgeplat, even als de bloem-en bladstelen
(deze vooral aan eene zijde), met lange grove borstelharen en fijne
schubjes en donshaar bekleed. Bladeren elliptisch of elliptisch-
langwerpig, of (in één specimen uit Pangèntjongan) lang werpig-
lancetvormig, vrij lang en spits toegespitst of kort toegespitst, op-
pervlakkig, fijn, min of meer borstelig-gezaagd, 150—240 mM.
lang 40—105 breed, leerachtig, van boven onbehaard, van onderen
langs de nerven met grove aanliggende bostels en donzige schubjes,
daartusschen met verspreide rolronde, onder het vergrootglas donzig-
behaarde, aanliggende borstels bedekt, netvormig geaderd, zijnerven
schuin uitstaande, secundaire aderen schuin, sterker dan de tertiaire ;
Veelbloemige gesteelde twilen in de oksels der bladeren, vooral nabij
de toppen der twijgen pluimvormig bijeenstaande, ongeveer even
lang als de bladstelen. Schutbladen en schutblaadjes Klein eivor-
mig. Bloemknoppen eivormig. Bloemen Klein, „licht rozerood”
(Korrrars) Kelkbladen weinig ongelijk, ongeveer 6 mM. lang, de
buitenste elliptisch even als de bloemsteeltjes grof-en fijn-beschubd ;
de binnenste cirkelrond onbehaard of met eenig fijn dons. Bloem-
bladen bij onze ex. 10—12 mM. lang (Korruars geeft op 6 mM.),
met breeden, gelobden top. Meeldraden 24—25, aan den voet even
verbonden; helmknopjes half zoo lang als de helmdraden, met
tweelobbigen top, met korte spleten aan den top openspringend.
Eierstok dicht-behaard, stijlen 4—5, vrij of aan den voet los ver-
bonden Vrucht
SAURAUJA. — Zi) — TERNSTROEMIACEAE.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps, (8235 2) met authenthiek exemplaar vergeleken.
Het exemplaar uit Pangéntjòngan (13971 2) wijkt af door de smalle bladeren.
Geor. verspreiding: Door ons Midden-en West-Java gevonden;
o. a. bij Pangëntjòngan in afd. Limbangan (Preanger) op 1300 M. en
bij Pringâmbâ in Banjoemas op 700—1000 M. zeehoogte. Volgens Mrqver
L. e. ook in Bantën op den Poelasari en in de Preanger op den Papan-
dajan. Buiten Java: niet bekend, — Standplaats, Gebruik, Inl.
namen, enz als Saurauja bracteosa De, — Habitus: Niet in het oog-
vallend.
Frutex arborescens v. arbuscula. Ramuli cwmpressi com petiolis et pedun-
eulis setis longiusculis et pube minuta saepe stellata dense obsita, in exsic-
catis hirsutie mop evanida. Folia e basi acuta vel obtusa elliptica vel
(in alio specimine) sublanceolato-oblonga longiuscule acute acuminata, minute
et distanter calloso-vel subaristato-serrulata (150—260 mM. longa, 40—85
lata, petiolo 20—35 mM.); coriacea, supra glabra, subtus nervis primariis
utringue circ. 12 pertensa, tenwiter reticulata, setis teretiusculis gracilibus
puberis imprimis ad nervos et venas obsita. Corymbi multiflori, peduneulati,
axillares, pedunculi petiolis aequilongi vel duplo breviores. Bracteae minutae,
ovatae, Alabastra ovoidea. Flores pro genere parvi, „laete rosei’” (KorTHALS).
Sepala parum inaequalia, 6 mM. longa, 2 eateriora elliptica, acuta vel obtusa
eum pedicellis dense sqwamulosa et leprosa, interiora rotundata glabra vel
glabiuseula. Petala sepalis duplo longiora, swbeampanulata, nune 10—12
mM. longa (6 mM. longa, teste Korrrars). Stamina 24—25, basi viv
cohaerentia, antherae supra medium affivae oblongae, apice subbilobae, rimis
apicalibus dehiscentes. Ovarium dense pilosum, styli 4—5 graciles, fere
ad basin usque liberi. Fructus.
y Hoofdstelen 2—vele malen langer dan de bladstelen.
Aa hoofdstelen meest 1-bloemig aan de toppen der twijgen, kelkbladen lang en dicht-
behaard of geschubd, eierstok onbehaard
1 netvormige aderen evenwijdig horizontaal, stijlen vrij.
5. Saurauja Reinwardtiana, Br. Bijdr. 123; Mrg. 1. c. 480, Ann.
Mus. le. 110; Hassk. Cat Bogor. 210; Korra. l.c. 134; pr VR.
Pl. Reinw. 44.
Boomheester of kleine boom, soms H—=10—12 M. D=15 cM.
Stam, enz. als S. bracteosa.
Uiterste twijgen evenals de bloemstelen, bladstelen en middelnerf
TERNSTROEMIACEAE. — 260 — SAURAUJA.
der bladonderzijde, met verspreide aanliggende borstelharen en daar-
tusschen met kleine vliezige schubjes dicht bedekt. Bladeren
vrij kort gesteeld (12-—20 mM.), meest langwerpig (140—230 mM.
lang, bij 40 —65); lang- en zeer spits-toegespitst, met ongelijk-afge-
ronden zeldzamer stompen of spitsen voet, met 12—15 paar van
onderen en van boven uitspringende boogvormige zijnerven, fraai
regelmatig door horizontaal, loodrecht op de middelnerf werloopende
dicht opeen geplaatste secundaire aderen verbonden, met ondiep —
borstelig-gezaagden rand, dun, leerachtig, van boven iets glim-
mend, alleen langs de hoofdnerf aanliggend behaard; van onderen
vooral langs nerven en aderen met grove min of meer aanliggende
aan den voet eenigszins donzige verspreide borstelharen bedekt,
eenigszins ruw of bijna onbehaard. Bijschermen gesteeld, in
de oksels der bladeren meest alleenstaand, zeldzamer 2 of 3 bijeen,
1—3- meest 1- bloemig. Hoofdstelen 2—4-maal zoolang als de
bladstelen, 20—60 mM., met twee elliptische of lancetvormige 10— 15
mM. lange schutbladen, die de bloemknoppen eerst insluiten;
bloemstelen 10—20 mM. lang, in het midden twee overstaande,
lancetvormige of spatelvormige schutblaadjes even lang of korter dan de
bloemsteeltjes. Bloemen wit, groot. Kelkbladen ongelijk, de twee
buitenste breed eivormig, spits, dicht-grof- langharig, 12 mM. lang,
10 breed, 2 binnenste langwerpig 14 mM. lang 5 breed, onbehaard,
stomp; één daartusschen half naakt half behaard. Kroonbladen
breed omgekeerd-eivormig, aan den top uitgerand, in de afgevallen
bloemen tot aan den voet vrij, 18 mM. lang, 15 breed. Meeldraden
20—25; helmdraden tot aan den voet vrij, 18 mM, lang, 15 breed;
helmknopjes ongeveer half zoolang als de helmdraden, boven het
midden vastgehecht, aan den top weinig uiteenwijkend. Eierstok
onbehaard; 4—5 stijlen tot aan den voet vrij. Vrucht door de
kelk ingesloten 8—12 mM. in middellijn.
In verschen toestand de bladeren boven donkergroen weinig
glimmend, onder groen. Jonge bladeren lichtgroen. Bloemen wit.
Aanm. Beschrijving naar exemplaaren van Herb. Kps. (8307 @ van Tjibòdas) en ver-
geleken met levend specimen uit Hort. Bog. VI C. 24 en met authenthieke specimina door
Brumr verzameld, en met een exemplaar door JUNGHUHN op den Salak verzameld. Deze
exemplaren zijn alle volkomen identiek.
Een exemplaar door ZOLLINGER als S. Reinwardtiana var. gedetermineerd, (Herb. Z.
SAURAUJA. — 261 — TERNSTROEMIACEAE.
et M. 1633 in Herb. Bogor.) in Klakka (Oost-Java) verzameld, zou licht-roode bloemen
hebben en verschilt door de nervatuur zeer aanzienlijk van de typische S. Reinwardtiand.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen in West- en Midden-Java;
niet oostelijker dan op den G. Slamat in Tëögal op 1300—1400 Meter
zeehoogte. In Bantën aan den voet van den G. Pajoeng op 100—200
M. zeehoogte en in de Preanger op 1000—1500 M. gevonden. In Mid-
den-Java nogal zeldzaam; in West-Java nogal algemeen.— Standplaats,
Gebruik, Inl. namen, enz. als Saurauja bracteosa Do — Habitus:
Bladeren herinneren aan Laportea erenulata Gau.
Frutex arborescens v. arbor parva. Ramuli ultimi eum petiolis pedun-
eulis, et costa media foliorum tomentoso-strigosi. Folia plerwmque oblonga
vel obovato-oblonga (140— 230 mM. longa, 40—65 lata); breviuseule petio-
lata (12—20 mM.) apice longiuscule acutissime acwminata, basi saepe
subinaequali-rotundata, obtusa vel acuta, nervis primariis supra et subtus
prominulis, arcuatis, utrinque circ. 12, wenis secundariis, horizontalibus,
parallelibus approximatis, eleganter reticulata; supra, costa media strigoswla
excepta, glaberrima, nitidula subtus praesertim, ad venationem setis sub-
appressis, basi puberis conspersa, subasperula vel demum glabrescentia.
Cymae 1—3-florae, axillares; pedunculi solitarii vel 2—3-fasciculati petio-
lum duplo usque quadruplo superantes, 25—60 mM. longi, apice bibrac-
teati, bracteis saepe ellipticis vel lanceolatis, 10—15 mM. longis foliis simi-
libus, alabastra vaginantibus, vel rarius lanceolatis vel linearibus parvulis
(in eodem specimine); pedicelli medio bibracteolati, bracteolis linearibus
vel lanceolatis, apice incrassati, 10 —20 mM. longi. Flores albi. Sepala
2 exteriora ovato-orbieularia acuta dense hirsuta, 12 mM. longa, 10 lata,
2 interiora oblonga 12 mM. langa 6 lata glabra, singulo intermedio dimi-
dio hirsuto dimidio glabro. Petala usque ad basin partita, obovata apice
biloba 18 mM. longa, corolla rotata 35 mM. diametro. Stamina 20—25
ima basi ‘connata; antherae supra medium affirae apice subintegrae vel
via bilobae. Ovarium glaberrimum, stylì 4—5 Uberi. Bacca glabra,
8—12 mM. crassa, pericarpio tenui (capsula subdehiscens herb. Kortn.)
5 b. Saurauja Reinwardtiana var. 3 asperula K. et V. (an
S. Hasskarliana MiQ.= S. nepaulensis HasskK Pl. Jav. 273?)
Boomheester. Bladeren lancetvormig of elliptisch-lancetvormig
met zeer ondiep, stomp gezaagden bladrand, vrij kortgesteeld, 100 —
220 mM. lang bij 30—65., bladst. 10—15 mM. aan de onderzijde
langs de vrij sterk uitspringende primaire en secundaire nerven met
TERNSTROEMIACEAE. — 262 — SAURAUJA.
korte schubachtige borstels van verschillende grootte bedekt, die in
sicco gemakkelijk afvallen. Bloemstelen anderhalf tot tweemaal
zoo lang als de bladsteel; alleenstaand, meest éénbloemig, met twee
bladachtige lancetvormige bracteae op eenigen afstand onder de bloem
of aan de voet van den steel.
Buitenste kelkbladen dicht met korte breede aanliggende borstels
bedekt, 2 binnenste langwerpig bloembladachtig met een rij van
borstelharen van buiten in het midden; het overige als bij het type.
Aanm. Beschrijving naar twee exemplaren uit Herb. Kps. 15301 92, en 15298 9,
beide uit Takòka. Zij onderscheiden zich van de authenthieke exemplaren van S. Rein-
wardtiana meer bij een oppervlakkige beschouwing dan bij nader onderzoek. Het verschil
bestaat hoofdzakelijk in den aard der beharing, en valt vooral bij de kelkbladen in het
oog. S. Hasskarliana Mrq. is naar de beschrijving bij HAssKARL 1, c zeer verwant, zoo
niet identiek met S. Reinwardtiana, daar ons geen andere soorten bekend zijn met onbe-
haarden eierstok en ruwharigen kelk. Hetzelfde geldt van S. Mirsuta JUNGH. (non
MiqverL waarvan wij een exemplaar uit Herb. L. Bat. konden onderzoeken dat zich onder-
scheidt door een buitengewoon sterke beharing aan beide zijden van het blad en langs
den bladrand.
Geogr. verspreiding: Alleen door ons op 1000 M. zeehoogte
bij Takòka in de Preanger gevonden.
Arbor frutescens. Folia lanceolata vel elliptico-lanceolata breviuscule
petiolata, 100—120 mM. longa, 30—65 lata, margine leviter obtuse-
serrulata; swubtus venis secundariis valde prominentibus reticulata, setis
squamulosis variae longitudinis in sicco valde caducis asperula. Pedun-
culi petiolum aequantes vel duplo longiores, solitarii, saepissime uniflori,
bracteolis foliaceis lanceolatis prope basin pedunculi; sepala exteriora squa-
mulis setosis brevibus sub-appressis, interiora extus medio hispida; cetera
genwinae.
2 netaderen niet evenwijdig, stijlen vergroeid, kelk zeer lang-dichtbehaard.
6. Saurauja trichocalyx K. et. V. nov. spec.
Boomheester of lage boom; hoogstens H —= 8—10 M. bij D =
25 eM. Kroon en Stam als S. bracteosa DC. Schors: 6 mM.
dik; buiten grauw met veel barsten; zeer bros; doorsnede en binnen
vuilwit en niet verkleurend
Twijgen, bladstelen, middelmerf der bladonderzijde en hoofdstelen
hd
SAURAUJA. — 263 — TERNSTROEMIACEAE.
der bloeiwijzen, met een zemelig vilt bekleed, met grove lange
haren doormengd. Bladeren elliptisch-lancetvormig, vrij stomp
toegespitst, met spitsen voet; bladrand duidelijk gezaagd, met afwisse-
lend korte en lange, in een krommen borstel eindigende zaagtandjes ;
zijnerven vrij talrijk (15—18), schuin uitstaande, onderling evenwijdig ;
secundaire en te tertiaire aderen van onderen uitspringend een adernet
vormend, bladeren aan beide zijden maar vooral aan de onderzijde
met gelijkmatig verspreide korte, zeer broze strooschubachtige borstels
bedekt, 155—210 mM. lang bij 60—85, bladsteel 25—50 mM.
Bloeiwijzen axillair. Hoofdstelen even lang of twee maal zoo lang
als de bladstelen en partieele hoofdstelen, 20—25 mM. lang. Brac-
teae en bracteolae smal lijnvormig 5—10 mM. lang, dichtbehaard.
Bloemen groot wit. Kelkbladen ongelijk; de 2 buitenste eivormig
spits, 15 mM. lang, zeer lang-en dicht-grof-behaard; het middelste
half behaard; 2 binnenste breed-langwerpig stomp, bloembladachtig,
met een rij van grove haren langs het midden. Bloembladen 25
mM. lang, gelobd, aan den voet (3—4 mM) vergroeid. Meeldraden
30—35, aan den voet vergroeid. Helmdraden breed, ongeveer even
lang als de helmknoppen; helmknoppen aan den top ondiep gelobd,
met spleetvormige poriën openspringend, nabij den top bevestigd,
van onderen meest sterk gekromd, 4 mM. lang. Stijlen 5, aan den
voet tot */, der lengte verbonden, omstreeks 8 mM. lang, eierstok
geheel onbehaard.
Aanm Beschrijving naar een enkel exemplaar uit Herb.-Kps. 8310 3. Een tweede
exemplaar van dezelfde vindplaats (8311 2) door habitus en beharing zeer op het eerste
gelijkend, hebben wij niet in de beschrijving opgenomen, daar het verschilt door zeer
spits toegespitste, min of meer obovate bladeren, bloemen met 25 meeldraden, waarvan
de helmdraden tot bijna aan den top samenhangen en een min of meer behaarden eierstok.
Eerst door het onderzoek van eenig meerder materiaal zal kunnen blijken of de beide
exemplaren bijeen gevoegd kunnen worden. Onze soort vertoont vooral door beharing,
vorm der bladeren en adernet eenige overeenkomst met S. Mirsuta Br. waarvan wij
exemplaren van TerysMAN en de Vrresp., op Celebes verzameld, konden vergelijken.
Zij verschilt echter door de smal-lijnvormige bracteën, den onbehaarden eierstok en de
vergroeide stijlen van de door Mrqvel beschreven soort (Ann Mus rv p. 111.). Van S.
Reinwardtiana verschilt zij hoofdzakelijk door het geheel ander verloop der secundaire
en tertiaire aderen, door de nog langer behaarde kelkbladeren, en de vergroeide stijlen.
Geogr. verspreiding: Alleen op één plaats; nl. bij Ngëbël op
het Wilis-gebergte in Madioen op 1300 M, in schaduwrijk hoogstammig
oerwoud en in jong bosch niet zeldzaam. Buiten Java: niet bekend. —
Gebruik, Inl. namen, enz. als S. bracteosa Du. — Habitus: Gelijkt
in blad, kroon en stam zeer op Saurauja Reinwardtiana Bu. Van de
TERNSTROEMIACEAE. SS Hi SAURAUJA.
andere javaansche Saurauja-soorten te herkennen door den eigenaardigen
kelk die van buiten zeer lang-dicht-grof-behaard is.
Arbor frutescens v. arbor parva. Ramuli, petioli, costa media foliorum,
pedunculi furfuraceo-tomentelli et paleaceo-hirsuti. Folia elliptico-lanceo-
lata, acutiuscule acuminata basi acuta; valde serrata, serraturis brevibus
et longiusculis uneinato-aristatis alternantibus; nervis primariis 15—18
utringue obligue patulis, parallelis, secundariis et tertiariis subtus prominu-
lis reticulatis; utraque pagina imprimis subtus setis paleaceis fragilibus
conspersa; 155—210 mM. longa, 60—85 lata, petiolo 25—50 mM. longo.
Peduneculi axillares petiolis aequilongi vel duplo longiores, 3—6-flori,
30—55 mM. longi. Peduneuli partiales et pedicelli 20—25 mM. longi.
Bracteae et bracteolae anguste lineares, 5—10 mM. longae, dense hirtae.
Flores speciosi, albi. Sepala inaequalia, 2 exteriora ovata acuta, 15 mM.
longa, longissime dense hispida, intermedium dimidio glaber ; interiora lato-
oblonga obtusa, medio extus hirta ceterum glabra, corollacea. Petala 25
mM. longa, basi usque 4 mM. connata, apice biloba. Stamina 30—35
basi connata. Filamenta linearia antheris aequilonga; antherae apice
bilobae rimis brevibus apice hiantes, prope apicem affivae basi saepius
valde curvutae, 4 mM. longae. Styli 5 basi usque +} longitudinis connati,
circiter 8 mM longi. Ovarium glaberrimum. Species S. Reinwardtianae
valde affinis floribus et inflorescentia; illa tamen venatione foliorum, sta-
minorum numero et stylis liberis recedit.
bb Moofdstelen lang, meest 1—3 bloemig, azillair of tevens aan de ontbladerde
taleken, kelkbladen onbehaard of nagenoeg, eierstok zijdeachtig behaard, stijlen aan den
voet vergroeid.
7 Saurauja pendula, Br. Bijdr. 127; Mig. le. 480; excl. synon;
Kortn. le. 126; MrQ. Ann. mus. IV 110;— S. bracteolata Do. in
Herb. BruMme, non Mrqurr; — S. cuneata BL.? Ziee. in Herb. Bog.
Boomheester of kleine boom soms H—=10—12 M. bij 25 eM.
Stam en Kroon als S. bracteosa Doc.
Twijgen rolrond, licht-grijs, uiterste twijgen min of meer hoekig-
saamgedrukt, (in sicco) zwart, evenals de bloem-en bladstelen met
eivormige spitse en priemvormig-toegespitste geelachtige harde schubjes
hier en daar bestrooid, overigens glad. Bladknoppen en jongste
bladeren aan weerszijden langs de nerven dichter beschubd. Blade-
SAURAUJA — 265 — TERNSTROEMIACEAE.
ren zeer verschillend in vorm, meestal min of meer obovaat-lang-
werpig, met spits-toegespitsten, stekelpuntigen top en versmalden,
spitsen of afgeronden voet, meer of minder grof, soms zeer opper-
vlakkig gezaagd met spitse, eeltige zaagtandjes, hoofd- en zijnerven
van onderen sterk uitspringend, de laatste boog vormig samenkomend,
secundaire en tertiaire aderen van onderen (dikwijls ook aan de
bovenzij) goed zichtbaar, bij de versche bladeren doorschijnend.
Bladeren langs de hoofdnerf der bovenzijde en langs hoofd- en zij-
nerven der onderzijde met enkele verspreide spitse schubies (de versche
bladeren eenigszins ruw), overigens-geheel onbehaard. Jonge bla-
deren bleekgroen. Bladsteel vleezig vrij kort. Bloemen in 1—3
(zelden meer)- bloemige langgesteelde, hangende bijschermen. Hoofd-
stelen axillair, alleenstaand; meest aan de toppen, ook wel aan de
reeds ontbladerde takken; zeer zelden twee of drie bundelsgewijs
aan de oudere takken of in de takoksels geplaatst (Alle drie kan
bij eenzelfde individu voorkomen. Herb. Kps. 8207 @). Schut-
bladen overstaande of bijna overstaande lancetvormig, middelmatig of
klein, 4—20 mM., schutblaadjes ongeveer in het midden der bloem-
stelen afwisselend geplaatst, bij de eindbloem meest ontbrekend.
Bloemen in grootte zeer verschillend, langgesteeld, met witte
kroon en witten of rozerooden kelk. Kelkbladen in vorm weinig
verschillend, bijna cirkelvormig; de twee buitenste meest iets kleiner
en spitser, meer leerachtig, de binnenste met breeden vliezigen rand,
alle onbehaard of de 2 of 3 buitenste met verspreide spitse aanlig-
gende schubben. Bloembladen bijna tot de helft vergroeid, bloem-
kroon klokvormig met omgeslagen slippen, later bijna radvormig.
Meeldraden 27—42, helmknopjes ongeveer even lang als de helm-
draden, vlak boven het midden vastgehecht, langwerpig ; top gelobd ;
lobben weinig uiteenwijkend, opening spleetvormig; helmdraden
aan den voet vergroeid. Eierstok glanzig-behaard, 5-hokkig ; stijlen
vijf, dicht bij den voet onderling vereenigd. Vrucht besachtig,
10—15 mM. dik, voor de helft door de kelk omgeven.
Aanm. Deze soort varieert buitengemeen in de grootte en vorm der bladeren, in de
grootte der bloemen, de lengte en stevigheid der algemeene en bijzondere bloems elen, het
aantal bloemen; de plaatsing der bloemstelen (aan de oudere takken of uit de bladoksels).
Verder nog in de grootte der bekleedende schubjes, het aantal meeldraden en de onder-
linge grootte der kelkbladen. Wij onderscheiden als 4 variëteiten een aantal der sterkst
uiteenwijkende vormen, die echter door overgangen verbonden zijn.
Iq
TERNSTROEMIACEAE. — AD — SAURAUJA.
var. « genuina. Bladeren obovaat-lang werpig of elliptisch-lang werpig,
80—200 mM. lang bij 30—80. Bloemstelen 1—3-bloemig, meest
axillair. Bloemen groot: middellijn der kroon 35 mM., kelkbladen
10—12 mM. lang, de buitenste weinig kleiner dan de binnenste,
helmknopjes 4—4.5 mM. lang. Twijgen nogal dik, schubjes 1—2
mM. lang, aan den voet 1 mM. breed.
subvar. 1. Bloemen langgesteeld, (55—60 mM.), talrijk, hoofd-
stelen dun, hangend; kelk rozerood, meeldraden 36—42; bladeren
lichtgroen.
subvar. 2. Bloemen minder langgesteeld (30 mM.) hoofdstelen
stevig rechtuitstaand, meeldraden 27—38, kelk wit of lichtroze,
bladeren groen met een blauwachtigen tint.
Aanm. Tot het type (var.e.) behooren o. a. het auth. exemplaar van BLuMe en an-
dere van de VrrESE en TEYsMANN. In Herb. Kps. 12588 2 en 10003 2 (beide tot subvar.
2) uit Tjibòdas in de Preanger.
Var. 3 cuneata Br. (spec) (?); — S. bracteolata DC. Herb. BLUME.
Bladeren meest obovaat-langwerpig. Bloeiwijzen meest axillair 1 —5-
bloemig, langgesteeld. Bloemen nog al klein, kelkbladen 6 —9 mM.
lang, nagenoeg gelijk of de buitenste kleiner ; kroon-diameter 22 mM.
Twijgen meest dunner, schubjes kleiner dan bij x aantal meeldraden
27—40. Hiertoe de meeste exemplaren van Herb. Kps.
Var. 7 ramiflora K. et V. Hoofdstelen der bloeiwijzen gedeel-
telijk bij de toppen der takken axillair, 1—3-bloemig ; meestal 2
tot 3 bundelsgewijs aan de oudere takken, meest 1-bloemig; kort
en dun, 25—30 mM. lang, bloemen nogal klein. Kelkbl. 6 mM.
lang, kroonbl. ongeveer 10 mM.; meeldraden 27.
subvar. 1. Bladeren omgekeerd-eivormig met stompen voet,
130 mM. lang bij 60.
subvar. 2. Bladeren lancetvormig 140 mM. lang bij 35.
Var. ò longifolia. Bladeren smal lancetvormig, zéér lang,
260—340 mM. bij 48—56, bladsteel 17 mM. Bloemstelen meest
lang (80 mM.), uit de oksels, enkele ook klein en dun (35 mM.
lang) aan de oudere takken. Bloemen nogal klein; kelkbladen
ongelijk. Jonge bladeren donkerroodbruin, sterk glimmend.
SAURAUJA- — 267 — TERNSTROEMIACEAE.
Aanm, Beschrijving naar Herb. Kps. vergeleken met auth. specimen van Herb. Br;
dit behoort tot onze var. « Een exemplaar uit Herb. Bog., door ZiPppeL1us verzameld
als S. cuneata BL.?, behoort tot onze var. . evenzoo een exemplaar uit Herb. BLUME
als S. bracteolata Dc, gedetermineerd. Tusschen al deze variëteiten zijn overgangsvormen
aanwezig.
Var B. zou misschien nog met recht in meerdere vormen kunnen gesplitst worden.
De var. ò wijkt door den eigenaardigen bladvorm het meest van de overige af en
zou misschien als soort kunnen onderscheiden worden, ook zijn de jonge bladeren donker
bruinrood, niet lichtgroen zooals bij de andere vormen.
Geogr. verspreiding. Midden- en West-Java. In West-Java zeer
algemeen. Dáár is het type alleen gevonden bij Tjibòdas in de Prean-
ger op 1000—1500 M. zeehoogte en de 3 variëten op de volgende plaat-
sen: Var B bij Pangèntjòngan op de Galoenggoeng op 1400—1500 M.
en bij Pringâmbâ in Banjoemas op 700—1000 M. zeehoogte. Var y alleen
bij Pangèntjongan in de Preanger op 1300—1500 M. zeehoogte. Var ò.
Bij Takòka in de Preanger op 1000 M. — Buiten Java: onbekend. — Stand-
plaats, Gebruik, Inl. namen, enz. als S. bracteosa DC.
Arbor parva v. arbor fructescens. Ramuli ultimi sub-angulati cum
petiolis et pedicellis laeves in sicco nigrescentes, squamulis ovatis acutis
et subulatis, parce conspersa. Folia breviter petiolata, saepius obovato-
oblonga deorsum attenuata, basi in petiolum producta vel rotundata, apice acu-
minata, mucronata; margine satis crasse calloso-serrata vel minute serrulata
(in eodem specimine); adulta fere glaberrima,juniora subtus in costis squa-
mulosa-setacea ; nervis primariis subtus prominentibus, secundariis et ter-
tiariis subtus conspicuis, reticulata; petiolo erasso. Pedunculi elongati
saepissime triflori, avillares; saepius prope apicem ramulorum, rarius
in axillis defoliatis; rarissime ad ramos et in alis 2—3-fascieulati
(omnia in eodem specimine interdum occurrit). Flores longe pedicellati,
penduli, corolla alba, calyce alba vel rosea. Sepala fere aequalia, orbi-
cularia, apice rotundata, glaberrima; vel duo exteriora parum breviora,
obtusa, sparse squúamulosa; corolla campanulato-rotata; petala fere usque
medium connata, apice retusa, sepalis duplo longiora. Stamina 27—42,
antherae supra medium affivae, oblongae apice bilobae, lobis divergentibus ;
filamenta antheris subaequilonga ima basi connata. Ovarium dense sericeo-
villosum, styli 5, basi pro $ parte connati. Fructus baccatus.
var. « genuina. Folia obovato-oblonga vel subelliptico- oblonga basi
saepius obtusa, 80—200 mM. longa, 30—80 lata. Pedunculi saepissime
axillares 1—3-flori. Flores magni (ús S. nudiflorae simillimi) sepala
10—12 mM. longa fere aequalia, corolla diam. 35 mM., antherae 4—4,5
mM. longae.
TERNSTROEMIACEAE. — 268 SAURAUJA.
Forma 1. Flores longe pedicellati (pedicelli 50—60 mM.); pedunculi
graciles penduli; sepala rosea; stamina 36—42; folia laete viridia.
Forma 2. Flores minus longe pedicellati (pedicelli circ. 30 mM.) pedun-
culi rigidi patentes, stamina 27—32; sepala albida vel albo-rosea; folia
subglaucescenti-viridia.
var. Jeuneata. Folia plerwmgue obovato-oblonga basi attenuata. Cymae
axillares 1—3- vel 5-florae, longe pedunculatae. Flores minores quam in v;
sepala 6—9 mM. longa, fere aequalia vel 2 exteriora conspicue breviora ;
corolla diam. 22—25 mM. Stamina 25—32.
var. 7 ramiflora. Pedunculi nunc ad apices ramulorum azillares 1—3-
florae, saepius ad ramulos vetustiores 2—3-fasciculati et uniflori, breves,
graciles, 25—30 mM. longi. Flores parvuli. Sepala 6 mM. longa, petala
circ. 10 mM. longa; stamina 27.
Forma 1. Folia obovata basi obtusa, 130 mM. longa, 60 mM. lata.
Forma 2. Folia lanceolata 140 mM. longa 35 lata.
var. ò longifolia.
Folia anguste lanceolata, longissima, 260—340 mM. longa, 48—56 lata
petiolo 17 mM. Pedunculi saepius longi (80 mM.) azillares, nonnulli brevio-
res (35 mM) graciles ad ramulos vetustiores. Flores parvuli, sepala 6—8
mM. longa, 2 eateriora saepius breviora, corollae diam. 22. Stamina circ.
30. Folia novella in vivo lateritia lucida.
B. Bloeiwijzen aan de ontbladerde takken (slechts bij uitzondering axillair) (soort
8—11).
a Bladeren onbehaard of met verspreide schubben, kelk onbehaard.
a bloemstelen 1—3-bloemig, 3—5 vrije stijlen.
8. Saurauja squamulosa K. et V. (affinis S. pendulae).
Boomheester ; soms 6 M. bij 10 cM. Stam en K roon als S. brac-
teosa DC. Schors 5 mM. dik, nogal ruw met overlangsche barsten,
van buiten licht bruin-grauw, doorsnede licht-groen en wit; met
groote lenticellen ; met zeer veel bladgroen.
Uiterste twijgen eenigszins afgeplat evenals de bladstelen en de jonge
blaadjes dicht bezet met zeer kleine eivormige en eilancetvormig spitse
SAURAUJA. — Mii TERNSTROEMIACEAE.
schubben. Bladeren langwerpig-lancetvormig met versmalden voet
en kort-toegespitsten top, ondiep-eeltachtig-fijn-gezaagd, van onderen
fijn netvormig geaderd, met 10—12 paar dunne zijnerven; vol-
wassen van boven onbehaard, van onderen langs de nerven met
kleine spitse schubjes, eindelijk nagenoeg kaal, 110—160 mM. lang,
bij 30—55, bladsteel 16 —25 mM. Bloemen wit, im 1—3-bloemige
langgesteelde bijschermen, bij bundels van 2— 4 aan de ontbladerde
twijgen. Hoofdstelen en bloemsteeltjes dun, ongeveer 15—20 mM.
lang, met schubjes bedekt. Schutbladen en schutblaadjes 2—10
mM. lang. Kelkbladen bijna gelijk, ongeveer rond, de twee
buitenste iets smaller, met enkele schubjes bedekt, de 3 binnenste
glad, alle gewimperd. Kroonbladen 12—14 mM. lang, voor ruim
een derde vergroeid. Meeldraden 22—26, in één rij, 3.5 mM. lang,
helmknopjes met gespleten top, in het midden vastgehecht, 15 mM.
lang. Eierstok dik-behaard; 3—5, meest 4, tot aan den voet vrije
stijlen. Besvrucht tot aan het midden door de kelk omsloten
met dikken vleezigen wand, eenigszins gelobd, zaden weinig
talrijk,
Aanm. Slechts één exemplaar bekend Herb. Kps. 8305 B; zeer verwant aan S. pendula,
maar o.a. door de dicht opeengedrongen schubjes aan de twijgen en door de volkomen
vrije stijlen daarvan onderscheiden.
Geogr. verspreiding: Alleen in de Preanger bij Tjibòdas op
1400—1500 M. zeehoogte in hoogstammig schaduwrijk oerwoud gevon-
den. Dáár zeldzaam. Buiten Java onbekend. — Gebruik, enz. als
Ss. bracteosa DC. Inl. naam: Loecaal van de andere soorten Ki-lèho, s.
(Saurauja spec. div.) onderscheiden onder den naam Ki-lèho-tjanting, s. —
Habitus: Zeer op S. pendula Br. gelijkend. Zie de aanmerking
hierboven.
Frutex arborescens. Ramuli juniores complanati cum petiolis et foliis
novellis utringue squamulis minutis ovatis et lanceolatis dense conspersa.
Folia oblongo-lanceolata basi attenuata, apice breviter acuminata, margine
leviter calloso-serrulata subtus tenwiter reticulata, nervis primarüis tenuibus
utringue 10—12; adulta supra glabra, subtus ad mnervos squamulosa,
demum glabrescentia, 110—160 mM. longa, 30— 55 lata, petiolo 16—25
mM. Peduneuli 1—3-flori; ad ramos in arillis defoliatis 2—4-fasciculati,
graciles, cum pedicellis squamulosi. Bracteae et bracteolae 2—10 mM.
longae. Pedunculi et pedicelli circa 15—20 mM. longi. Flores albi. Se-
TERNSTROEMIACEAE. ORS SAURAUJA.
pala fere aequalia, rotundata, subglabra, margine membranacea ciliolata, 2
exteriora parwm angustiora, acutiora, sparse squamulosa. Petala obovata
12—14 mM. longa, basi pro tertia parte connata stamina 22— 26 uniseria-
lia, 3—5 mM. longa, antherae apice bifidae, medio dorsi affizae, 1,5 mM.
longae; ovarium dense villosum, styli 3—5, saepius 4, usque basin liberi;
fructus glabrescens, diametro 10—12 mM. usque medium calyci inelusus,
pericarpio carnoso, lobato; semina haud numerosa.
B bloemstelen meest 1-bloemig, in bundels van 1 — 7, stijlen 5, vergroeid ; bladeren
dikwijls zeer groot.
9. Saurauja nudiflora, Do. le. 422; Mig. le. 484 — S. Noron-
hiana, Brume Bijdr. 126; Hassk. Pl. jav. 272.— S. rosea, JUNGH.
Tijdschr. nat. gesch. VIII 384; — S. aesculifolia, de Vr. p.l. Reinw.
p. 42. Mrg. le.? — S. grandifolia Zou. Mrq. le. 480.
Lage boom: H=10—12 M., D=20—30 cM. Stam en
Kroon als S. bracteosa DC. Schors: 6 mM. dik; bros, van bin-
nen kleverig; van buiten donkerbruin zwart. Doorsnede licht bruin-
achtig-rood, van binnen rose-wit; met lenticellen ; zonder bladgroen.
Twijgen evenals de bloem- en bladstelen met aanliggende korte,
stompe, ronde of vrij spitse, dikwijls eenigszins donzig behaarde
schubben bedekt. Bladeren omgekeerd-eivormig met stompen
of vrij spitsen, soms kort toegespitsten top, naar beneden versmald,
aan den voet meest afgerond of wigvormig met meest zeer opper-
vlakkig eeltig-gezaagden rand, nagenoeg onbehaard. Jonge bladeren
evenals de knoppen eerst dik beschubd, later langs de nerven en
over de oppervlakte aan beide zijden met regelmatig verspreide korte
of vrij lange behaarde borstels bedekt, in sicco daardoor geelachtig ge-
stippeld. Grootte zeer verschillend, gemiddeld 180 — 300 mM. lang,
bij 95—155; bladsteel 15—35 (soms 60). Bloemen meest groot,
wit of rose. Bloemstelen één-bloemig zeer zeldzaam bijna 3-bloemig
en dan aan de toppen der twijgen in de bladoksels geplaatst; meest
zijdelings aan de ontbladerde twijgen 1—T bundelsgewijs bijeen
gezeten. Sehutblaadjes 2 of 3 ongeveer in het midden der bloem-
stelen overstaand of afwisselend. Kelkbladen groot, nagenoeg gelijk ;
of de twee buitenste iets grooter, zeldzamer iets kleiner dan de twee
SAURAUJA. — Wilk == TERNSTROEMIACEAE.
binnenste, de laatste altijd meer vliezig, de eerste meer vliezig-
leerachtig, alle nagenoeg rond, 10-—-15 mM. lang, geheel onbehaard,
bloembladachtig. Kroonbladen bijna twee maal zoolang als de kelk-
bladen, aan den voet tot + of t vergroeid; eerst klokvormig, later
radvormig. Meeldraden 30—35 geheel vrij, helmknopjes in het
midden vastgehecht, langwerpig, aan den top gespleten, met spleet-
vormige poriën openspringend, korter dan de helmdraden. Eierstok
meer of minder behaard, stijlen 5, tot op £ van den voet af ver-
groeid, 8—9 mM. lang. Vrucht bolvormig, onbehaard, van onderen
of bijna geheel door den kelk omgeven; wand dun, bijna droog.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. vergeleken met exemplaren door BLuME (S. No-
ronhae), en door JUNGHUHN verzameld, als S. nudiflora en S. rosea gedetermineerd (Herb.
Lugd. Bat.) De laatste wijken in geen enkel opzicht van de eerste af. Ook in de be-
schrijving bij JUNGHUHN le. is de buitengewone grootte der bladeren en der bloemen
het eenige onderscheidingsteeken voor S. rosea.
In Herb. Kps. zijn eenige exemplaren, die aan dit kenmerk beantwoorden en ook wat
de standplaats betreft (op groote zeehoogte) met die van JUNGHUHN (tusschen den G,
Wajang en Malabar verzameld) overeenstemmen. Bij deze (15513 3 en 8216 2) zijn de
bladeren dikwijls */,—!/, M. lang bij 195—250, bladsteel 10—65. Bloemstelen 55—
80 mM. lang. Bijna rijpe vrucht 15 mM. lang en breed. Tusschen deze en den gewonen
vorm zijn echter allerlei overgangen.
Afwijkende vormen in Herb. Kps., die wij echter bij gemis van rijpe vruchten en open
bloemen nog niet als variëteiten kunnen beschrijven zijn verder:
Vorm 1.— 8218 ?, 8220 @ en 8221 2, waarschijnlijk ook 8215 2, van Bantén en
misschien ook 15297 @ en 15300 2 van Takòka. Bladeren 130—360 mM. lang, bij
70—190, bladsteel 20—55 mM.; bladrand zeer grof-gekarteld, met eeltige min of meer
doornige tandjes; bloemstelen 25 mM. lang; aantal meeldraden 35?, eierstok zéér dun-
behaard; bloemen waarschijnlijk niet zeer groot (geopend niet aanwezig). Deze exem-
plaren beantwoorden volkomen aan de exemplaren van S. Noronkhae BLUME in Herb. bog,
en Herb. L. B.
Vorm 2.— 14859 @. Bladeren obovaat-langwerpig, met wigvormigen voet, 350 mM.
lang bij 140, rand bijna gaaf. Bloemen groot, 35 meeldraden, eierstok dicht glanzig-
behaard. Jonge vruchten, nog door den kelk omgeven, 7 mM. in middellijn, eenigszins
behaard (eenig exemplaar van Oost-Java). Bij deze is de schors van binnen en op de
doorsnede melkwit.
Geogr. verspreiding: Geheel Java. Het type alleen in West- en
Midden-Java; niet verder oostwaarts gevonden dan op den G. Oengaran
op 1000 M.; in de Preanger zeer algemeen; dáár niet boven 1500 Meter;
in Bantën bij Tjëmara op 50 Meter boven zee. In Midden-Java nogal
zeldzaam. De vorm No. 1 alleen in de Preanger en Banten 50 — 1100
M. zeehoogte gevonden. De vorm No. 2 slechts op 2 punten gevonden.
In West-Java bij Tjigèntèng in de Preanger op 1300 M. zeehoogte en
in Oost-Java bij Pantjoer in Bësoeki op 1000 Meter. Buiten Java: „Perak
op 200 — 1000 Meter zeehoogte Sumatra’ (Kine). — Standplaats
Gebruik, enz. als S. bracteosa DC. — Habitus: Veelal zeer groote,
bladeren. Jong loof fraai bruinrood, in de verte de aandacht trekkende.
Naar deze beide eigenschappen noemen de Soendaneezen dezen boom soms
TERNSTROEMIACEAE. — 272 — SAURAUJA.
den rooden Ki-lèho-beureum, s. of Ki-lèho-badak, s. waarin bewreum rood
en badak groot beteekent. Van Saurauja bracteosa Do., waarop deze
soort wel eens gelijkt dadelijk te onderscheiden door dat de jonge bla-
deren wel rood, maar niet fluweelachtig zijn en doordat de volwassen bla-
deren van onderen nooit zilvergrijs zijn.
Arbor parva. Ramuli ultimi pedicellis et petiolis strigosa-squamulosa,
squamulis obtusis vel acutis saepius minute puberulis. Folia obovata, acu-
tiuscula vel obtusa vel breviter obtuse apiculata, basi rotundata vel cuneata
margine plerumgque callosa- vel setaceo- saepe fere obsolete serrulata, juni-
ora utringue strigoso-squamulosa, sqwamulis saepe rotundatis puberulis
ochraceis quasi punctata; adulta glabrescentia vel utringue secus nervos
setis mollibus conspersa. Innovationes dense ochraceo-strigoso-squamosa.
Pedicelli uniflori; (rarissime sub-triflori) circa medium bracteolis parvis
alternis vel oppositis mauniti, prope apicem ramulorum avillares, saepius
ad ramulos defoliatos 1—4-fascieulati. Flores magni albi vel rosei. Sepala
subaegualia rotundata 10—12 mM. longa et lata, 2 exteriora carnoso-
coriacea, interioribus margine tenwioribus nune parum majora nune sub-
minora, omnia glaberrima, corollacea. Petala basi pro 4 vel } partem,
in alabastris fere ad medium cohaecentia, campanulata, apice reflerxa,
demum subrotata. Stamina 30—35. ima basi cohaerentia; antherae oblon-
gae apice bifidae, medio dorsi afficae filamentis breviores. Ovarium seri-
ceum demum glabrescens, styli 5; 8—9 mM. longi, a basi pro tertia parte
connati. _Fructus glaber, ovoideus, 17 mM. longus, 15 latus, demidio in-
feriore calyei inclusus.
b bladeren van onderen ruwharig-geschubd, kelk bijna onbehaard, eierstok onbehaard,
4 vrije stijlen.
10. Saurauja Blumiana BENN. in Horsr. Pl. 1. var. 174 t. 37
(non SPRENG); Mrq. F. IL. B. le. 485 pr VR. le. 47. ZouL. Verz.
p. 143. Herb. 1930, 2201, teste ZorL.; — Saurauja microphylla Dr
Vriese Pl. Reinw. 49; Mrq. F. IL. B. Le. 486. (teste nobis.) — S,
micrantha? Z. et M. Verz. 26 (teste Zou. lc):
Dikke boomheester; hoogstens H == 4—6 M. bij D == 15—20 cM.
zeer krom. Schors bijzonder dik, ruw en kurkachtig; buiten don-
kergrauw, vol diepe overlangsche en dwarsche barsten.
„Iwijgen met een ruwe zwartachtige schors, aan de jonge toppen
SAURAUJA. — 273 — TERNSTROEMIACEAE.
met roestgele, stekelige, aangedrukte schubben en ruwe haren bekleed.
Bladeren langwerpig, met nogal stompen voet en spitsen stekel-
puntigen top, rand eeltig-stekelig gezaagd; wan boven onbehaard, van
onderen langs hoofd- en zijnerven ruwharig-geschubd; jonge bladen
aanliggend-grofharig. Bladsteel 25 mM. lang, bijna rond, eerst
lang-behaard, later glad wordend. Bloemstelen axillair of zijde-
lingsch aan de ontbladerde, meest aan de dunnere twijgen, 30 mM.
lang, weinig behaard, alleenstaand of in bundels van 2—4, één-
bloemig, met een of twee kleine schutblaadjes nabij den voet.
Bloemen: Kelkbladen bijna onbehaard; de twee buitenste ei-lan-
cetvormig, de 3 binnenste rond-eivormig, gewimperd. Kroonbladen
omgekeerd-eivormig, uitgerand, tweemaal zoo lang als de kelk.
Meeldraden ongeveer 25 in één rij, alleen aan den voet verbonden,
helmknopjes in het midden vastgehecht, aan den top uiteenwijkend-
gelobd. Mierstok onbehaard, 4-hokkig met 4£ vrije stijlen. Doos-
vrucht onbehaard met 4 vliezige tusschenschotten.” (BENNErT).
Aarm. Niettegenstaande de uitmuntende beschrijving en afbeelding bij BENNetrT l.c.
is deze soort toch met verschillende andere verward, MrqurL houdt haar voor S. pen-
dula Br, KortHAus voor S. Noronhiana Br. en S. nudiflora DC, terwijl Cuorsy haar
voor identiek houdt met S. nudiflora Hassk. (niet DC. volgens Cuorsy.) en met eenigen
twijfel ook met S. micrantha Br. en S. bracteolata DC. Van S. pendula Br. verschilt
zij o.a, door den aard der beharing en door de geheel vrije stijlen; van S. Noronhiana
Br. o a. door den onbehaarden eierstok en de vrije stijlen; van S. nudiflora HaAssk.
door de zelfde eigenschappen; terwijl zij met S. micrantha BL. een oppervlakkige gelijkenis
vertoont, maar door de reeds genoemde eigenschappen evenzeer verschilt. Wij houden haar
voor identiek met de soort door de Vriese als S. microphylla beschreven, waarvan wij
het authentieke exemplaar, door JUuNGHUHN. op den Dièng verzameld, konden vergelijken.
In Herb. Kps. komen exemplaren van drie standplaatsen voor, die nog weer eenige
afwijkingen vertoonen; zoodat wij 3 vormen meenen te moeten onderscheiden.
vorm «. (S. Blumiana BENN ). Bloemstelen eenbloemig of eenigermate vertakt, dikwijls
2—5-bloemig, axillair of aan de oudere twijgen nogal dicht opeengedrongen. Buitenste
kelkblaadjes 4 mM. lang, 2 breed, binnenste 4 mM. lang en breed, de buitenste soms
met enkele haren; kroonbladen 10 mM lang; meeldraden 18—20, aantal stijlen 4 -5.
Bladeren nogal breed langwerpig; volwassen bladeren aan de onderzijde blij vend ruwharig.
100—190 mM. lang bij 32—65. Herb. Kps, 8209 2 en 8212 B Galoenggoeng.
vorm 2. (S. microphylla De Vr.)
Bloemen axillair en bundelsgewijs aan de twijgen hangend. Buitenste kelkblaadjes
3 mM. lang, 1.5 breed, binnenste 5 mM. lang en breed; kroonbladen 8—10 mM. lang;
meeldraden 25, aantal stijlen (in de eenige door ons onderzochte bloem 3) 3—4. Bla-
deren lancetvormig-langwerpig; jonge bladeren slechts weinig behaard; grootste 130 mM.
lang bij 40. Herb. Kps. 11204 2, Dièng.
18
TERNSTROEMIACEAR. gl == SAURAUJA.
vorm /. glabra K. et V. Volwassen bladeren aan beide zijden geheel onbehaard
Herb. Kps. 8240 @. Wilis.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen in Midden- en West-Java
gevonden; o. a. in Madioen bij Ngëbël op het Wilisgebergte niet bene-
den 1600 M. en niet boven 2000 M. zeehoogte. In Bagëlèn op het Dièng-
plateau op 1700 M. Bij Klèdoeng in de Këdoe op den Séndârâ op 2200
Meter zeehoogte. Bij Pangèntjòngan in de Preanger op N. W. Galoeng-
goeng op 1600 en 1800 M. Overal nogal zeldzaam. — Standplaats:
Alpine heterogene bosschen. — Voorkomen: Nooit gezellig. — Gebruik,
Inl. namen, enz. als Saurauja bracteosa DC. — Habitus: Alpine
habitus. Deze soort vervangt in Midden- en West Java boven 1600 M.
de Saurauja’s der lagere bergstreken. Alpine habitus; dikwijls met dichte
mosbeddingen op stam en takken.
Fruterx arborescens; ramulis cortice tenui ruguloso nigrescenti vestitis;
novellis ferrugineo-paleaceo-hirsutis, paleis e lata basi subspinulosis, appres-
sis. Folia oblonga, basi obtusiuscula, apiee mucronato-acuta, antrorsum
per totum marginem calloso-spinuloso-dentieulata; supra glabra; infra in
nervo medio venisque primariis prominentibus paleaco-hispida ; novella stri-
goso-hirsuta. Petiolus + 25 mM. longus, teretiusculus, hirtus, demum
laevigatus. Pedunculi florum axillares vel lapsu foliorum laterales, sim-
plices, circa 25 mM. longi, glabriusculi, bini vel terni fasciculati vel raro
solitarii, prope basin bracteola una alterave, parva, ovato-lanceolata instruc-
ta. Sepala glabriuscula; 2 exteriora ovato-lanceolata; 3 interiora subro-
tundo-ovata, margine plus minus membranacea, ciliata. Petala obovata,
emarginata, calyce duplo longiora fere usque ad medium connata. Stamina
circiter 25, uniserialia, ima basi inter se et cum petalorum tubo coalita,
corollae medium fere attingentia; filamentis inaequalibus. Antherae medio
dorso affizae, oblongae, loculis superne discretis, poro obovato hiantibus.
Ovarium ovatum, glabrum, striatum, 4-loculare. Styli 4, ad basin usque
distincti. Capsula glabra, calyce persistente tecta, 4-locularis, seminibus
subrotundo-ovatis. Formae tres in diversis stationibus collectae in Hers. Kos.
subjiciunt.
a. Folia lato-oblonga, adulta subtus paleaceo-hispida 100—190 mM.
longa. Peduneuli uniflori vel subracemose vel cymose 3—4-florae saepe in
ramis fasciculati valde conferti; stamina 18—20, styli 4—5.
B. = S. mierophylla pe Vr.)
Folia lanceolata-oblonga, maiora 130 mM. longa, subtus parce squamulosa;
stamina 25, styli 3—4.
y. Folia sub-obovato-oblonga, adulta glaberrima.
SAURAUJA. == 25 — TERNSTROEMIACEAE.
€ bladeren aan beide zijden met borstelharen, kelk behaard, eierstole viltig behaard,
3—4 vrije stijlen.
11. Saurauja micrantha, Br! Bijdr. 127; Mig. Lc. 485.
Boomheester soms lage boom: H== 10 M. bij D= 20 cM. Stam
en Kroon als S. bracteosa DC. Schors, 4 mM. dik, nogal taai,
afschilferend, met fijne barsten, zonder lenticellen ; van buiten bruin,
op doorsnede bruinachtig-wit, van binnen lichtrose-wit.
Toppen der twijgen en jonge bladeren, bladstelen en middelnerf
der bladeren dicht bedekt met lange grove, gedeeltelijk aanliggende
roestgele haren. Bladeren vrij lang gesteeld (bladsteel 15—30
mM.), langwerpig-elliptisch of obovaat, langwerpig met vrij spitsen
of stompen of eenigszins afgeronden voet, en zeer spitsen of toe-
gespitsten top, 100—200 mM. lang, 30—75 breed, zeldzaam 245 bij
86 (van jonge twijgen); oppervlakkig-, eenigszins borstelig-gezaagd,
vooral de jongere sterk borstelig-gezaagd en gewimperd; aan beide
zijden langs en tusschen de aderen met verspreide, aanliggende borstel-
haren bedekt, zijnerven vrij talrijk, 15—18 aan weerskanten; van
onderen uitspringend, adernet van onderen duidelijk. Bloemen
in l—5-bloemige gesteelde, ongeveer 30 mM. lange bijschermen,
meestal bundelsgewijs aan de twijgen en oudere takken, zeldzaam
axillair nabij de toppen der takken. Hoofdstelen en bijzondere
stelen dun, grofbehaard. Schutbladen en schutblaadjes klein, lancet-
vormig. Bloemknoppen omgekeerd-eivormig. Bloemen klein, middel-
lijn 10 mM. Kelkbladen eivormig met afgeronden top, nagenoeg
gelijk, 4 mM. lang, 2.5 breed ; evenals de bloemsteeltjes grof-behaard,
gewimperd. Kroonbladen langwerpig 7—8 mM. lang, met uitge-
randen top, ongeveer tot 1/3 der lengte vergroeid. Meeldraden
ongeveer 20; helmknopjes elliptisch met gespleten top, in het
midden vastgehecht; helmdraden nagenoeg vrij, priemvormig, twee-
maal zoolang als de helmknopjes. Hierstok wiltig-behaard; stijlen
3—4, tot aan den voet vrij (ten onrechte (?) bij MrqveL F. 1. B.
Le. „5 aan den voet vergroeid’).
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. vergeleken met authenthiek exemplaar uit Herb.
-Eugd. Bat. : : - -— EAS
TERNSTROEMIACKAE. — 276 — SAURAUJA.
Geogr. verspreiding: Door ons alleen op een plaats gevonden,
nl. op 1400—1600 M. zeehoogte bij Tjibòdas in de Preanger in altijdgroen
hoogstammig oerwoud. Dáár zeldzaam. Buiten Java; niet bekend. —
Gebruik enz. als S, bracteosa DC, -— Habitus. Niet in het oogval-
lend. Van de andere Javaansche Sawraujd’s door de kleine bloemen te
onderscheiden.
Arbor frutescens. Ramuli ultimi eum peduneulis petiolis et costa media
foliorwm dense ferrugineo-strigosi et hispidi, demum glabrescentes. Folia
longiuscule petiolata (15—30 mM.) e basi acutiuscula vel subrotundata,
obovato-oblonga, vel oblonga, acuta vel acuminata (100—200 mM. longa,
30—65 lata) breviter aristato-serrata, utringue strigulosa, adultis supra
glabriusculis, nervis primariis supra subprominulis crebris parallelis, arcuato-
patulis, utringue 15—18; subtus conspicue reticulata. Pedunculi eymose
1—5-flori saepius ad ramos et ramulos fasciculati conferti; rarissime (in
specimine Herb. Lugd. B., TerysmannN 441) prope apicem ramulorum axzilla-
res subracemosi. Bracteae et bracteolae parvae lanceolatae. Alabastra
obovata. Flores parvi, (10 mM. diamet.). Sepala, subaequalia ovata
apice rotundata (4 mM longa, 2,5 lata) cum pedicellis parce hispido-
strigulosa, ciliolata. Petala oblonga 7—8 mM. longa, apice retusa, basi
usque } connata. Stamina circ. 20; antherae ellipticae apice bifidae, me-
dio affizae, filamentis fere liberis subulatis duplo breviores. Ovarium
tomentosum; styli 3—4 usque basin liberi („styli basi uniti’”’ Mrqver
Fl. IL. B. bl. ec.) Bacca non visa („capsula globosa 5-locularis”” Miq.).
A labastra rosea, flores albidi, antherae sulphureae.
II. Bloemen aan den stam, soms tevens amvillair of aan de takken, (soort 12 en 13).
A. Bladeren van onderen met grove borstelharen en fijn vilthaar; bloemen meest
alleen aan den stam; eierstok onbehaard; stijlen 3.
12. Saurauja cauliflora Dc. le. 425; prod. r 526; Mra. le. 486,
Adn. in Ann. Mus. rv 106; Br. Bijdr. 126; KortrHars lc. 126;
Hassk. Pl, Jav. rar. 273; — Marumia Rerxw. in Cat. bog. 79; —
Scapha cauliflora Noronu. Verh. Bat. Gen. v. 66; — Saurauja spadi-
cea Bru. Bijdr. 126; quoad speeim cult, in Herb. Bog. non MIQUEL. —
Saurauja crenulata DC.?, teste Cuorsy in ZoLrL. Verz. 143.
Veelstammige heester; niet grooter dan H=2—3 M bij D=
3—4 cM.
Jonge twijgen met verspreide, aanliggende, korte borstels, knoppen
SAURAUJA. — 21 — TERNSTROEMIACEAE.
en jongste bladeren dicht-glanzig-aanliggend-behaard. Bladeren
langwerpig of elliptisch-langwerpig, zeer spits toegespitst, met mees-
tal stompen voet, borstelig-gezaagd (vooral de jonge bladeren), van
boven onbehaard van onderen langs de nerven en aderen met lange,
grove, aanliggende haren bedekt, daar tusschen met een zeer dicht,
witerst fijn wollig vilt en met lange, roestgele, naar buiten gerichte
borstels bekleed, in sicco van boven donkerbruin, van onderen licht-
geelbruin of roestgeel, zijnerven 12—16 paar, boogvormig uitstaande,
van onderen uitspringend, zijnerven teer, niet regelmatig, meest
onder de haarbekleeding verbogen. Bladeren lang 140—300 mM.
bij 60—90. Bladsteel 20—40 mM. aan eene zijde met lange rechte
borstelharen bedekt, overigens bijna onbehaard, Bloemstelen enkel-
voudig of vooral aan den voet vertakt, 1—5-bloemig, met afwisselende
kleine schutblaadjes, met schubachtige, aanliggende haren bedekt, aan
den stam op knoestige verhevenheden laag bij den grond; in zeer groot
aantal opeengehoopt, onbehaard, met verdroogde stelen der afgevallen
bloemen. Bloemen middelmatig (22—25 mM. middellijn), onbehaard,
wit, van buiten aan de basis en bloemsteel rose. Kelkbladen ongelijk,
de binnenste cirkelvormig, wit, de twee buitenste smaller, licht-roze, alle
gewelfd, onbehaard, of de buitenste met eenige haartjes nabij den voet.
Kroon radvormig, wit, tot } van den voet gedeeld, slippen afgerond
aan den top uitgerand. Meeldraden ongeveer 20 of minder; helm-
knopjes aan den top 2-lobbig, ongeveer in het midden aan de naar
boven verbreede helmdraden vastgehecht, en daartegen aanliggend.
Bierstok onbehaard, min of meer driehoekig, stijlen 3, aan den voet
vergroeid. Besvrucht klein, geheel in den kelk ingesloten.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar Herb. Kps. (15306 #) uit Takòka. Vergeleken
met specimen van BruME in Bantén verzameld (zonder bloemen) en met eenige bloem-
dragende exemplaren uit Herb. Bog. volmaakt daarmede overeenstemmende; en met een
levend exemplaar in Hort. Bog. VI c. 36. Bij een der laatste zijn de bloemen gedeelte-
lijk aan de twijgen opeengehoopt, enkele axillair geplaatst (overeenkomstig de beschrij-
ving bij HAssKARL lc.) Hetzelfde is het geval met een onvolledig exemplaar uit Bantën,
(Herb. Kps. 8217 8), dat zich door zeer smalle bladeren, (230 mM. lang bij 45) en een
geringere beharing vooral van den bladsteel onderscheidt. Bij de exemplaren uit Takòka
komen de bloemen nooit uit de bladoksels voort.
Geograph. verspreiding: Door ons bij Tjibòdas in de Preanger
op 1400 M. en bij Takòka in de Preanger op 1000 M. zeehoogte, door
TERNSTROEMIACEAE. — 278 — SAURAUJA.
Brume in Bantön gevonden. Buiten Java: niet zeker bekend 1). —
Gebruik, Inl. namen, enz. als S. bracteosa DC. Zeer algemeen in jong
bosch, niet in schaduwrijk altijdgroen hoogstammig oerwoud. Habitus
als een soort van Semboeng j. (Vernonia), maar de bloemen allen laag
bij den grond aan kmoesten van den stam opeengehoopt en de bladeren
van onderen fraai kaneelbruin.
Fruter parvus, vel sub-arborescens, saepissime unicaulis. Ramuli juniores
parce breviter strigosi „innovationes eum foliis nondum evolutis, sericeo-
strigosae, ferrugineae. Folia elliptico-oblonga, vel oblonga, apice acute acu-
minata, basi saepius obtusa vel sub-rotundata, rarius acuta, juniora aris-
tato-serrulata, serraturis serius saepe obsoletioribus, supra glabra, subtus
in nervis venisque strigulosa, caeterum densissime minute tomentosa, et ubigue
setulis appressis extrorsis obsita, ferruginea, nervis primarüs arcuato-
patentibus, subtus prominulis, venis secundariis tenuibus; petiolus me-
diocris, uno latere pilis longis patulis obsitus, ceterum subglaber; demum
glabrescens. Folia longa 140—300 mM. lata 60—90, petiolus 20—40
mM. Pedunculi simplices vel sub-racemosi 1—5-flori, bracteolati, paleaceo-
hispiduli, in nodositates trunci nwmerosi conglobati pedunculis emarecidis
Persistentibus intermixti; rarius (in speciminibus Bantamensibus nostris,
in stirpibus juvenilibus teste Korru.) ad ramulos conglomerati vel azillares.
Flores mediocres albido-rosei, glabri. (Corolla expansa 22—25 mM. diam.)
Calycis sepala glabra concava, 2 eateriora elliptica basi interdum sub-
hispidula, interiora orbieularia glaberrima. Corolla rotata; petala basi
1, wel */, parte connata apice emarginata. Stamina circ. 20 vel pauciora ;
antherae apice biporose dehiscentes, filamentis apice dilatatis supra medium
affivae apice incumbentes, bifidae. Ovarium glaberrimum; styli 3, basi
laxe connati. Bacca (matura nondum visa) calyce vegeto fere tota inelusa.
B Bladeren alleen met grove borstelharen (zonder fijn vilthaar); bloemen zoowel
aan de takken als aan den stam; eierstok dicht behaard. Stijlen 3—4.
13. Saurauja ramiflora K. et V. nov. spec. =? S, cauliflora
Br. var. calycina King.
Boomheester.
Jonge twijgen, bladknoppen, bladstelen en bloemstelen met lange,
1). De door Kine beschreven soort uit Perak (SCORTECHINI no. 1614) schijnt ons naar
de beschrijving eerder tot de volgende soort te behooren.
SAURAUJA. — Pli == TERNSTROEMIACEAE.
borstelige schubben en fijne zemelige schubjes bedekt, de bladstelen
vooral aan eene zijde borstelig-beschubd.
Bladeren langwerpig en lancetvormig-langwerpig, vrij lang
gesteeld, met spitsen of ongelijk-afgeronden voet en toegespitsten,
stekelpuntigen top, zeer oppervlakkig fijn-eeltig-gezaagd, van on-
deren netvormig-geaderd, met 14—15 paar schuin-uitstaande, boog-
vormige, sterk uitspringende zijnerven, van boven eenigszins glanzig,
onbehaard; van onderen langs hoofd en zijnerven met aanliggende,
onder het vergrootglas donzig behaarde borstelharen en schubjes,
overigens glad, 135—330 mM. lang, bij 55—20, bladsteel 20—35.
Bloemschermen (tuilen) veelbloemig, ineengedrongen , korter
dan de bladstelen, kortgesteeld in de oksels der bladeren, en terens
zijdelings aan oudere takken en aan den stam in kluwens opeenge-
drongen. Hoofdstelen 8, bloemstelen 5—20 mM. lang, beide beschubd
en grof-behaard. Schutbladen en schutblaadjes klein, lijnvormig,
stomp. Bloemen klein. Kelkbladen eenigszins ongelijk, de bui-
tenste elliptisch, stomp, 5 mM. lang 4 breed, de binnenste breeder
dan lang, afgerond, 5 mM. lang 6 breed, alle met een fijn vilthaar
bekleed; bloembladen 10—12 mM. lang met afgeronden, even uit-
geranden top, aan den voet tot !/, vergroeid; meeldraden 25— 27,
aan den voet verbonden ; helmknopjes s-vormig, aan den top vereenigd,
ingesneden met ronde poriën openspringend, even boven het mid-
den vastgehecht. Eierstok lang-dicht-behaard met 3 —4 aan den voet
even verbonden of geheel vrije stijlen. Vrucht onbekend.
vorm. £. Bladeren elliptisch-langwerpig, aan de onderzijde op
de middelnerf, primaire zijnerven en in de vertakkingen der ade-
ren met dicht aanliggende borstelharen.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps 12295 2 uit Palaboehan. Waarschijnlijk is deze
soort nog niet beschreven, althans de beschrijving bij HasskARrL Pl. Jav. 273 schijnt
eerder op de eigenlijke S. cauliflora DC. betrekking te hebben. Van deze is zij in het
oog vallend verschillend, behalve door de beharing van kelk en eierstok, die dáár ont-
breekt, voornamelijk door het gemis der typische roestgeel-grijze vilthaarbekleeding der
bladeren, die aan deze soort eigen is.
Een tweede exemplaar dezer soort in Herb. Kps. 8239 2 en een derde uit Noesakamba-
ngan (vorm (3) verschilt door meer leerachtige, iets breedere bladeren, die niet alleen langs
hoofd- en zijnerven, maar ook over het geheele adernet der onderzijde verspreid met aan-
liggende borstelharen zijn bedekt.
TERNSTROEMIACEAE. A) — SAURAUJA.
Geogr. verspreiding: Midden-en West-Java slechts op 2 plaatsen
door ons gevonden en alleen op 0 —200 M. zeehoogte. Bij Tjilatjap op
het eiland Noesa-Kambangan (Banjoemas) en bij Pringâmbâ en voorts
bij Palaboehan aan de Zuidkust van de Preanger. Im hoogstammig,
schaduwrijk, altiijjdgroen oerwoud. Zeer zeldzaam. Buiten Java: onbe-
kend. — Gebruik, enz. als S. bracteosa DC. — Habitus: Eigenaardig
door de op knoesten van den stam gezeten bloeiwijzen. Van de eenige
andere stambloemige Saurauja-soort te onderscheiden door de beharing
(zie Aanm.), en doordat de bloemkluwens langs den geheelen stam en
ook aan de takken geplaatst zijn.
Arbor frutescens. Ramuli ultimi cum innovationibus, petiolis et pedun-
culis paleaceo-strigosi et leprosi, petiolis imprimis lateraliter hirsutis.
Folia oblonga et lanceolato-oblonga longiuseule petiolata, basi acuta vel
inaegquali-rotundata, apice acuminata mucronulata, obsolete calloso-serrulata,
subtus retiewlata, nervis primariis arcuato-patulis 14 —15 utringue pertensa ;
supra nitidula glabra, subtus secus costam et nervos sparse strigosa, setis
sub lente puberulis, cetera glaberrima, 135—320 longa, 55—90 lata; pet.
20—35 mM. Cymae aliae arillares multiflorae, confertae, breviter pedun-
culatae, petiolo breviores; aliae in nodositates trunci conglobatae; pedun-
culis 8 mM. longis cum pedicellis 3—20 mM. longis leproso-hirsutis. Brac-
teae et bracteolae lineares obtusae parvae. Flores parvi. Sepala inaequalia
exteriora late orbicwlaria 5 mM. longa, 6 lata; omnia tomentello-puberula.
Petala 10—12 mM. longa, rotundata, viv emarginata, basi pro */, parte
connatd. Stamina 25—27 basi leviter connata, antherae sigmoideae apice
vix bilobae poro rotundo hiantes, supra medium affivae. Ovarium tomen-
tello-villosum, stylis 38 —4 basi subeonnatis vel fere liberis.
Forma 3 Folia elliptico-oblonga, 200—270 mM. longa, 80—110 lata,
magis coriacea, subtus ad costam et nervos primarios et ubique ad venarum
angwlos setis appressis obsita, caetara genwinea.
5. ACTINIDIA, Lind/.
„Bloemen polygaam of tweehuizig, in axillaire bijschermen, zeld-
zaam alleenstaande. Kelkbladen 5, zeer weinig dakpanvormig ; aan
den voet even vergroeid. Bloembladen 5, eenigszins gedraaid-
imbricaat. Meeldraden talrijk; helmknopjes met lengtespleten zich
openend. Bierstok veelhoekig, stijlen evenveel als hokjes, uiteen wij-
kend en verlengd na den bloei. Vrucht besachtig. — Heesters, meestal
klimmend, met gaafrandige of gezaagde, vinnervige bladeren” (DYer.)
ÁCTINIDIA. — 281 — TERNSTROEMIACEAE.
Heesters, meestal klimmend, onbehaard of behaard. Bladeren gaaf-
randig of gezaagd, vinnervig. Axillaire oo-bloemige, zelden 1—10-
bloemige bijschermen. Ongeveer 8 soorten in den Himalaya, China,
Japan en op Java.
Aanm. Tot dusver zijn geene soorten van dit geslacht voor Java beschreven. Ons
zijn slechts twee op Java gevonden exemplaren bekend. Het eene bevindt zich in Herb.
L. B. is door KorrHavs verzameld en in manuscript Saurauja tomentosa benoemd.
Vindplaats niet nader aangeduid. Het tweede bevindt zich in Herb. Kps. 8210 3 en is
op den G. Galoenggoeng (Preanger) verzameld. Bij het eerste zijn de bladeren van
onderen viltig-behaard.
„Flores polygami v. dioici. Sepala 5, leviter imbricata, basi subconnata,
Petala 5, subeontorto-imbrieata. Stamina oo; antherae versatiles, loculis
rima dehiscentibus. Ovarium oo-loculare, ecarpellis interdum medio ad
axin vie attegentibus; styli tot quot ovariü loculi, a basi divergentes v.
interdum in carpellorum apices subdistinctos incrassati; placentae ev an=
gulo interno loeulorum oo-ovulatae. Bacca oo-locularis. _Semina pulpa
immersa, parva; albumen sat copiosum; embryo amilis, rectus, cotyledonibus
brevibus.
Frutices saepius volubiles, glabrae, strigosae v. tomentosae. Folia integra
v. serrata, saepius membranacea penninervia. Pedunculi axillares, corym-
bosae oo- flori v. rarius sub l-flori”’ (Benrmam et Hooker.) „Fructus
mucilaginem rhaphides gerentem continet” (Dyer).
1. Actinidia callosa Livor. Nat. Syst. dz, 459; Dyer l.c. 286;
— A. Kolomitka, Rurr. in Maxim. Amur. 63; Warr. Cat. 6634.
(syn. teste Dyrr).
Boomheester. Stam krom, laag, onregelmatig-vertakt. Schors:
buiten grauw; doorsnede en binnen fraai oranje.
Geheel onbehaard, twijgen hoekig, glad, lichtbruin, dicht bedekt met
langwerpige en streepvormige witte lenticellen. Bladeren breed-
elliptisch of eenigszins obovaat, met afgeronden voet en spits toe-
gespitsten top, borstelig gezaagd, met regelmatige horizontale, secundaire
aderen, aan de onderzijde uitspringend, daartusschen onder het vergroot-
glas fijngegroefd, langgesteeld ; lang 50—90 mM., bij 30—45, bladsteel
16—25 mM. Gesteelde schermvormige bijschermen, even lang als
de bladsteel. Bloemen: & wit met geel hart, klein (10—12 mM.
18*
TERNSTROEMIACEAE. — 282 — ACTINIDIA.
middellijn); kelk van binnen en van buiten dun-viltig-behaard.
„2 Bloemen gelijk aan de co”; stijlen knodsvormig: vrucht 20 mM.
lang, eivormig, met wratjes bestrooid.” (Dyer).
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. £210 @; vergeleken met exemplaren uit Herb.
Calcutta (Kurz Assam, Lister Sikkim etc). ® Bloemen en vrucht naar Dyer. Deze ont-
breken nog in Herb. Kps.
Geogr. verspreiding: Slechts één exemplaar gevonden; nl. in
de Preanger op 1500 M. bij Pangèntjòngan op constant vochtigen vrucht-
baren grond. Bloeitijd: Bloemen in Januari— Gebruik: Hout, enz,
niet benut.— Cultuur: Niet aantebevelen.—Inl. namen: locaal onbe-
kend.--Habitus: Henigszins op Saurauja micrantha Br. gelijkend.
Arbuseula. Glaberrima, ramuli angulati, laeves, lenticellis linearibus
albidis dense callosi. Folia late elliptiea vel obovata, basi rotundata, apice
acutissime acuminata aristata-serrulata, venis secundariis horizontalibus
regularibus prominentibus, inter venas sub lente foveolata ; longe petiolata ;
50—90 mM. longa, 30—45 lata, petiolo 16—25 mM. Cymae umbellatae
peduneulatae, petiolis aequilongae.
Flores 7 parvuli 10—12 mM. diam; sepala utringue tomentella, extus
saepius deglabrata. ® stylis clavatis. „Fructus 20 mM. longus, ovatus,
sparse verrucatus.’’ (Dyer).
6. SCHIMA, Reinw.
Kelkbladen 5, min of meer gelijk. Bloembladen 5, veel grooter
aan de basis vergroeid, de buitenste hol en min of meer kap-
vormig. Meeldraden talrijk, met de basis der bloembladen ver-
groeid. Helmknoppen bewegelijk. Eierstok 5- (zelden 4—6-) hokkig.
Stijl enkelvoudig of weinig gelobd aan den top met breede
uitstaande stempels; eitjes 2—4 (6) in elk hokje, zijdelings vastge-
hecht, min of meer hangend. Doosvrucht houtachtig neergedrukt-
bolvormig, hokverbrekend met eene blijvende korte as. Zaden
plat niervormig, ruggelings gevleugeld; navel in het midden van
de uitholling, Kiemwit gering; zaadlobben bladachtig, plat afge-
drukt; kiemworteltje naar beneden gericht, opgebogen, aanliggend.
Boomen met leerachtige, in droogen toestand vaak papierachtige
altijd groene bladeren. Bloemstengels gewoonlijk opgericht, oksel=
standig, alleenstaand of de hoogste in korte trossen; bloemen met 2
schutblaadjes aan den top van den bloemsteel.
SCHIMA. — 283 — TERNSTROEMIACEAE.
Aantal soorten omstreeks 9, in tropisch Azië.
Aam. Volgens Mrqver (F. I. B. en Ann. mus. 1,1. c.c.) komen 7 soorten in den Ma-
leischen Archipel voor; waarvan twee 1. Schima Noronhae, REINw. en 2. Schima rigida,
Mig. op Java. De laatste wordt door ons als een variëteit der eerste beschouwd ; hetgeen
ook de meening van BLuME was (mscr. in Herb. L. B.).
Sepala 5, parwm inaequalia. Petala 5, multo majora, basi connata,
valde imbricata, extimo concavo v. swbcucullato. Stamina ao, petalis basi
adnata; antherae versatiles. Ovarium 5- (rarius 4—6-) loewlare; stylus
simplex v. apice vin lobatus, stigmatibus latis patentibus; ovula in loculis
2—6, lateraliter affira, subpendula. Capsula lignosa, vulgo depresso-
globosa, loculicide dehiscens columella persistente. Semina plana, renifor-
mia, dorso ala circumdata, ventre exalato affiva; albwmen tenue; cotyledo-
nes foldaceae, planae v. corrugatae, radicula infera, sursum incurva,
accwmbens.
Arbores. Folia perennantia. Pedunculi 1-flori, saepe erecti, in awillis soli-
tarii v. superiores in racemum brevem conferti. Flores speciosi, 2-bracteolati.
1. Sehima Noronhae, Reimnw. in Bl. Bijdr. p. 129; Korru. Verh.
Natuurl. Geschr. Bot. 144 t. 29 fig. 29 fig 21—27; Mig. FL. B.r.
2. p. 492; Prerrw Le. in adnot. ad t‚ 121 ; — Gordonia Javanica, Hoor.
Bot. Mag. t. 4539. — Schima rigida, Mrq. Ann. Mus 1m 113.?
Zeer hooge, zeer dikke boom: H==40 M. en D==l27 cM. (geme-
ten); meestal H—=30 M. bij D—=80 cM. Stam: zuilvormig. De
onderste zware takken soms eerst 30 M. boven den grond. 1) Zonder
of met zeer kleine dikke wortellijsten. Zonder gleuven. Zonder
knoesten. Kroon: Zeer dicht; eivormig. Meestal nogal hoog aan-
gezet. Takken: Primaire takken ordeloos geplaatst; talrijk ; min
of meer schuinopwaarts; rijkvertakt. Uiterste twijgen dun. Schors:
10—15 mM. dik. Nogal hard en eenigzins bros. Buiten donkergrauw-
bruin; nogal ruw met talrijke diepe, breede, overlangsche barsten.
Doorsnede roodbruin van zeer licht tot donker. Binnen geelachtig
wit. Zonder lenticellen. Zonder bladgroen. Zonder bijzonder sap.
Bladeren elliptisch-lancetvormig of elliptisch met spitsen of
1) Soms o.a. in de Djampangs (Preanger) zijn de meeste boomen zeer kort-
stammig. Vergelijk JuNGHUHN Java Dl, Ll en hieronder bij onze variëteit serrata.
TERNSTROEMIACEAE. == Mil SCHIMA.
toegespitsten voet en toegespitsten, meestal in een haarfijne punt
uitloopenden top, alle gaafrandig of sommige, dikwijls aan een
zelfden tak, meer of minder duidelijk wijd en ondiep gezaagd, met
meest spitse zaagtandjes, dun leerachtig (in sieco nogal bros), van
boven glimmend donkergroen, onbehaard, van onderen licht- soms
geelachtig-groen, kaal of bij dem voet aan weerszijden van den
bladnerf uiterst fijn aanliggend behaard, met 8—10 paar nog al ver
uiteengeplaatste, schuin uitstaande, dunne zijnerven, soms vrij duide-
lijk netvormig geaderd, vrij lang gesteeld met onbehaarden bladsteel.
— Jonge bladeren aan de onderzijde evenals de jonge twijgen
meestal dun aanliggend behaard, zeldzamer reeds bij het ont-
plooien onbehaard, aan beide zijden glimmend paarsrood, somtijds
blauwgroen (8266 3 Kps). Bladkrnoppen zilverachtig be-
haard. — Bladeren 80—165; gemiddeld 100 mM. lang, bij 45 —75,
gemiddeld 30—30. Bladsteel 15—25 mM.— Bloemen alleen-
staand, zeer lang-gesteeld (bloemsteel 3—4 X de bladsteel) of aan de
toppen der takken eenigszins trosvormig bij eengezeten en dan dik-
wijls vrij kort gesteeld; bloemsteel evenlang of weinig langer dan
de bladsteel, gemiddeld 2 x de bladsteel; vrij groot, 25—40 mM.
middellijn. Bracteolae aan den voet van den kelk soms vrij
groot, bladachtig, lancetvormig gaafrandig of gezaagd 5—10 mM.
lang, soms rudimentair.— Kelkbladen nagenoeg cirkelrond, van
buiten onbehaard of (in enkele exemplaren) zilverachtig behaard,
van binnen en aan den rand lang-zijdeglanzig-behaard, groen. Bloem-
bladen geheel wit, onbehaard, in knop van buiten zijdeachtig
behaard; meeldraden geheel geel, eierstok vuilgroen; zijdeach-
tig behaard; meest 3 eitjes in elk hokje. — Vrucht met blij-
vende niet vergroote vruchtkelk, bolvormig, met kort stijloverblijf-
sel, meer of minder sterk afgeplat; van buiten zilvergrijs behaard,
later kaal wordend, donkerbruin. in middellijn afwisselend van 12—
22 mM; kleppen houtachtig, tusschenschot op het midden der klep
met een afgeronde lob; as van de opengesprongen vrucht ongeveer
half zoo lang deze, omgekeerd kegelvormig. — Zaad lichtbruin
T—12 mM. lang 4 breed, zaadhuid fijn gerimpeld.
Aanm. Authenthiek exemplaar niet gezien. Exemplaren uit Herb. Lugd. Bat. waar-
schijnlijk van den Hortus Bog. en van den Salak (Java) afkomstig behooren tot de door
SCHIMA. el == TERNSTROEMIACEAE.
ons als angustifolia afgezonderde variëteit. Door Korrmaus |. ec. is reeds op het ver-
schil in bladvorm tusschen dezen en den door hem als typisch beschouwden vorm gewe-
zen. -—- Deze soort varieert zeer sterk en de door ons als variëteiten onderscheiden vormen
zijn door talrijke overgangen met den gewonen vorm verbonden. — De exemplaren door
TEYSMANN en KOORDERS op Sumatra verzameld en wegens den bij alle bladeren duidelijk
gezaagden bladrand als S. crenata Korru. (teste Kurz) gedetermineerd onderscheiden
zich van onze var. serrata door den meer langwerpigen bladvorm en de talrijker minder
gebogen, meer opstaande zijnerven en de bij de volwassen bladeren blijvende fijne be-
haring der bladonderzijde.
Behalve in den bladrand komen variaties voor in de lengte en dikte der bloemstelen,
de grootte der bloemen, de beharing in het algemeen en in de kleur en beharing der
jonge bladeren. — Misschien veronderstelt Prerrel. ec. te recht, dat tusschen de verschillende
soorten in Eng. Indië en den Maleischen archipel voorkomende geen scherpe grenzen te trek-
ken zijn, en dat zij alle als variëteiten van S. Noronhae REINw. moeten beschouwd worden.
Geogr. verspreiding: Uitsluitend in West-Java. Dáár echter in
vele streken bijzonder algemeen. Meestal op 1300—1600 M.; soms bijv.
op den Goenoeng Galoenggoeng (Preanger) tot op 1850 M. (bovengrens)
en in het district Djampang-koelòn van de afd. Soekaboemi (Preanger)
nog op 250 M. zeehoogte (beneden-grens\. De hoogste en dikste Schima-
boomen door ons op ongeveer 1400 M. zeehoogte gevonden. Ontbreekt
reeds op G. Slamat. — De hier en daar in Midden- en Oost-Java staande
Schima-boomen, bleken ons dáár niet inheemsch, maar gecultiveerd te zijn.
Buiten Java: Niet bekend.—Standplaats: Alleen in constant voch-
tige streken in hoogstammig heterogeen altiijjdgroen oerwoud of zelf
bosschen vormende. Zelden in secundaire bosschen. — Voorkomen:
Dikwijls min of meer gezelliggroeiend, bijv. op den Goenoeng Galoeng-
goeng in de Preanger op 1600—1700 M., zoomede op 1000 cM. bij Takòka
in Djampang-wètan (Preanger, Soms verstrooid tusschen Cupuliferae,
Lauraceae, Engelhardtia en Altingia. Door zijn kenbaren habitus dikwijls
ook dan nog den stempel drukkende op de physiognomie van het bosch. —
Bladafval: Altijdgroen.— Ouderdom: Aanzienlijk. —Groeisnelheid:
Snelle groeier. Een 10 jarige geplante boom op afgespoelden, steen-
achtigen grond op 1750 M. zeehoogte op den G. Söndâräà in de Kädoe:
H—=13 en D—=16 cM. (gemeten.) — De dáár staande boomen hadden smal
kegelvormige, zeer laag aangezette, zeer dichte kronen, welke aan een
jongen spar deden denken. Een 28 jarige geplante boom op 1700 M.
zeehoogte op vruchtbaren grond op het Péngalèngan-plateau nabij de
pasanggrahan aldaar (Preanger): H—=24 M. bij D==50 eM.—Vermenig-
vuldiging: Alleen door zaad. Dit verliest volgens Houtvester K.
Torr snel het kiemvermogen, doch komt snel op, ingeval het spoedig na
het inzamelen wordt uitgezaaid. Vormt vele stronkuitslagen. Zaad gemak-
kelijk in groote hoeveelheden te krijgen.—Bloei- en vruchttiijd:
Bijna het geheele jaar. Zeer rijk bloeiend en nogal rijk vruchtdragend.
In de Preanger vooral Juni Augustus veel rijp te krijgen. De vruchten
blijven leeg nog maanden lang na het openspringen aan den boom zitten.
Bloeit reeds op zeer jongen leeftijd. Onder de 10 jarige op den Söndârà
geplante boomen waren uit het afgevallen zaad reeds talrijke 0.35 M.
hooge plantjes opgeschoten.—Hout (techn. eigensch. v. h.): „Spec. Gew.
== 0.7” (vaN Herpen). Spint reukeloos; fijn; vuil-wit; smal. Kernhout
geleidelijk in het spint overgaande. Effen lichtgeelbruin of vuil vleesch-
kleurig, dof, fijndradig. Poriën bijzonder talrijk, klein of zeer klein,
TERNSTROEMIACEAE. AH — SCHIMA.
gelijkmatig verspreid; ongedeeld. Mergstralen smal of zeer smal; ongeveer
even ver van elkander, zeer talrijk. Donkere en lichter gekleurde con-
centrische banden wisselen met elkander af, doch zijn meestal slechts
onduidelijk waar te nemen —Gebruik: Hout: In de Preanger en
Bantén algemeen hooggeschat om sterkte en duurzaamheid en veel voor
huisbouw en bruggen gebezigd. Voor planken naar het schijnt minder
geschikt dan voor stijlen en balken. Gemakkelijk in groot hoeveel-
heden en in groote afmetingen te krijgen: het laatste vooral in de op
circa 1400 M. gelegen bosschen. Dáár soms balken van 40 eM.
vierkant bij 15—18 M. lengte niet bijzonder zeldzaam. De inlanders in
de afdeeling Tjiandjoer (Preanger) onderscheiden twee variëteiten, den
Poespa-beureum, s en den Poespa-bòdas, s, waarvan de laatste lichter
gekleurd hout zou hebben. In de bloemen, vruchten en bladeren werden
door ons echter geene verschillen tusschen die „variëteiten’” gevonden.
Schors, bladeren enz.: Schors in de Djampangs (Preanger) voor het
bedwelmen van visschen gebezigd. Dit gebruik echter onbekend aan de
bergbewoners van Noord-Tjiandjoer (Preanger). Schors reukeloos; meestal
(niet altijd?) zeer bitter en wrang smakend. Jonge bladeren reukeloos;
dikwijls (maar niet altijd?) zeer bitter smakend. Volwassen bladeren
nagenoeg smakeloos en reukeloos, of eenigzins bitter. Bloemen eenigzins
bitter smakend. Volgens Dr. Boorsma worden de bloemen in geheel Java
in de inlandsche geneeskunde gebezigd en wel inwendig en vermengd
met talrijke andere „medicamenten”’—Cultuur: Sterk aan te bevelen,
zoowel voor reboisatie van kale berghellingen m.h.o. op irrigatie, als
voor schaduwboom langs groote wegen. Aanplant om het hout alleen
ook aanbevelenswaardig. Tot dusver door het Boschwezen op Java in
het groot nog niet aangeplant, behalve een paar hectaren op den Goenoeng
Sëändârâ. Groeit aldaar uitmuntend. — Inl. namen: Poespa, s. hetwelk
in het Sanskrietsch bloemen moet beteekenen, is de a gemeen bekende
uitsluitend aan deze soort (ook aan de hieronder genoemde variëteiten)
gegeven naam. Sommige inlanders onderscheiden nog naar de kleur van
het jonge loof, naar de kleur van het hout en van de schors-doorsnede
de volgende „variëteiten’”’ Poespa-mèrang, s., Poespa-bòdas, s. en Poespa-
beureum, s. Niet zelden wordt hierbij de eene naam voor den anderen
gebezigd. De bloemen, welke in gedroogden staat naar het schijnt bij de
meeste toekang-tjrakèn (verkoopers van inl. medicijnen) te krijgen zijn,
niet alleen Poespa, s. ml. of Poespd, j; maar volgens Dr. Boorsma ook
Tjangkok, j. genoemd. Im den regel beantwoordt de laatstgenoemde
naam in West-Java aan „marcotte” (aflegger). Weinig inlandsche boom-
namen zijn zoo vast als Poespa, s— Habitus; Eigenaardig. Zeer juist
door JuremvurN (Java L. 437) als volgt geschetst: „Zonder dat men den
blik opwaarts heft, laat het zich op den bodem van het woud
bespeuren of deze boom er in gevonden wordt, want allerwege, waar hij
groeit, is de bodem bedekt met een menigte groote, sneeuwwitte bloemen,
die in het rond verstrooid liggen (en bijzonder op theebloemen gelijken)
of men herkent hem aan zijne oneffene, gebarstene schors, terwijl hij
zich reeds in de verte ontwaren laat aan de donkerkleurige, dichtgegroeide
loof kroon, die zich op statigen, zuilvormig gegroeiden stam ter hoogte
van 20-30 M. verheft; de rozenkleurige tint van het jeugdige loof van
dezen boom doet hem reeds op een grooten afstand in het oog vallen.”
3 serrata, K. et V.
SCHIMA. — 287 — TERNSTROEMIACEAE.
Stam meestal zeer laag bij den grond in twee of meer recht-
opgaande rijkvertakte stammen verdeeld. Hoogte en stammiddellijn
meestal veel kleiner dan het type, meestal H=—=15—25 M. bij
30—40 cM.— Alle bladeren vrij regelmatig ondiep gezaagd overi-
gens in niets verschillend van den gewonen vorm met elliptisch-
lancetvormige bladeren.
_ Geogr. verspreiding: Aan ons slechts van ééne standplaats bekend;
nl. bij Takòka in Djampang-wètan (Preanger) 1100 M. zeehoogte in
altijdgroen heterogeen oerwoud. Gebruik, enz.: Als het type, echter
hout niet in zoo groote afmetingen te krijgen en stam bijna nooit (? nooit)
zuilvormig.
var. y angustifolia, K. et V.
H, D, Stam, enz, als het type. De meeste bladeren gaafrandig of
bijna gaafrandig, enkele ondiep gezaagd alle lancetvormig aan beide
uiteinden zeer toegespitst; ruim 4-maal langer dan breed. Jonge
twijgen, bladstelen en bladeren van onderen nabij den voet zijdeachtig
behaard. Bladeren 140-180 mM. bij 30—43 mM.
Geogr. verspreiding: Op eenige plaatsen in de Preanger en
Bantën, i.o.a. bij Tjibòdas op den G. Gëde in de Preanger op 1450 M.
zeehoogte in altijdgroen hoogstammig schaduwrijk oerwoud. — Inl, namen
en habitus: als type.
Ramuli teretes, laeves, glabri, novelli eum petiolis junioribus puberuli vel
glabriusculi. Gemmae conico-teretes argenteo-sericei. Folia elliptico-lanceo-
lata, rarius elliptica basi acuta vel attenuata apice acutissime, breviter, vel
saepius longissime acuminata, omnia integerrima, vel-saepius nonnulla
leviter et distanter serratula, serraturis acutis; tenuiter coriacea, (in sicco
papyracea) supra nitida glabra viridia, subtus pallide-, nonnunguam flaves-
centi-viridia, glabra vel prope basin secus costam minute pubera, nervis utrin-
que 8—10 sat dissitis patenti-ascendentibus plus minus conspicue reticulata,
petiolo longiusculo glabrato 15—25 mM. longo; long. 80—1715, vulgo
100 mM., lat. 45—75, vulgo 30—50 mM. Folia juniora saepe pallide-
purpurea, nonnunguam glaucescentia, pubera vel iam ab evolutione glaber-
rima. Flores solitarii maiusculi, 25—40 mM. diam. longe peduneculati,
nonnunguam ad apices ramulorwm subracemosi, pedunculis apice incrassatis
glabris petiolis 2—4 X (vulgo duplo) longioribus, rarius aeqwilongis. Brac-
teolae sub calyce nunc lanceolatae, integrae vel suberenatae, 5— 10 mM. lon-
gae, saepe obsoletae, cicatriculis suboppositis semper conspicuis. Sepala
TERNSTROEMIACEAE. — 288 — SCHIMA.
subrotunda, ertus glabra vel rarius argentea intus longe sericeo-lanata.
Petala in alabastris sericea demum glabrata, candida stamina citrina, ova-
rium sericeum, loeulis saepe 3-ovulatis. Capsula calyce peristente non aucto
suffulta, globosa, depressa, brevissime mucronata, argenteo-sericea glabrescens;
valvwlae lignosae, ad duas tertias disjunctae ; dissepimentum cwm lobo subro-
tundato, vel acutiuseulo; columella fructu dimidio brevior, obeonica superne
stellata. Semina saepe 3 in loculis, avellanea, T—12 mM. longa, 4—6 lata
testa extus rugulosa.
var. serrata, K. et V.
Foliis omnibus subaeqwidistanter laeviter crenato-serratis elliptico-lan-
ceolatis, glaberrimis, cetera formae genuinae simillima et multis gradationibus
illae conuncta.
var. angustifolia, K. et V.
Foliis lanceolatis, utringue valde acuminatis integris vel subintegris;
. . pe s
partibus novellis sericeis.
Z. GORDONIA Ellis.
„Kelkbladen meestal 5, ongelijk, van de schutblaadjes tot de
bloembladen trapswijze toenemend. Bloembladen vrij of dikwijls
een weinig aan de basis vergroeid, de binnenste het grootst. Meel-
draden 5-broederig of alle met elkander vergroeid, met de bloem-
bladen samenhangende. Eierstok 3—5 (zelden 6-) hokkig; stijl
enkelvoudig met een dikken gelobden stempel; eitjes 3—8 in elk
hokje, tweerijig, neerdalend. Doosvrucht langwerpig, houtachtig,
hokverbrekend, met eene blijvende as. Zaden plat of samengedrukt,
naar boven in een langwerpigen, slechts zelden weinig ontwikkelden
vleugel verlengd. Kiemwit ontbrekend; kiem bijna recht, met eironde,
platte of licht gegolfde gevouwen zaadlobben; kiemworteltje kort
naar boven gericht. — Boomen met altijd groene, gaafrandige of gekar-
telde bladeren. Bloemen meestal groot, bijna zittend, alleenstaand
in de oksels der bladeren of opeengedrongen aan de toppen der
takken, met 2—4 schutblaadjes aan den voet.” (BOERLAGE).
Aantal soorten omstreeks 10, waarvan 2 in Noord-Amerika en de
overigen in tropisch Azië, vooral in den Maleischen Archipel, voorkomen.
In de Flora van Mrqven waren de genoemde 10 soorten in twee geslach-
GORDONIA. — 289 — TERNSTROEMIACEAE.
ten gescheiden, elk met twee soorten: 1. Gordonia met een 5-hokkigen
eierstok en 5 stempels; 2. Polyspora met een 3—4-hokkigen eierstok en
3—4 stempels. De beide laatste soorten zijn niet op Java aangetroffen.
Van de beide eerstgenoemde: 1. Gordonia ervcelsa, Br.; 2. Gordonia
acuminata, Zorn. schijnt de tweede, door Zorringer verzameld (op de
bergen van Java) zich volgens de beschrijving alleen door de grootere
bladeren van de eerste te onderscheiden en is door SzyszyLowicz daar-
mede vereenigd (Nat. Pf. III. 6. p. 185).
Aanm. De door Rumeurus in Herb. Amb. tom. IIL p. 203 L. 130 beschreven en afge-
beelde (door hem) Caju lapia genoemde boomsoort is volgens TEYsMANN (in Hassk. Schlüs-
sel p. 209) Gordonia spec. Zoowel naar de plaat als naar de beschrijving schijnt ons
die meening waarschijnlijk toe. Welke species het is valt moeielijk te beslissen. — Dit
schijnt de eenige plant der familie van de Ternstroemiaceae, welke in Rumepnrus
beschreven is.
„Sepala saepius 5, inaequalia, a bractvolis ad petala subgradatim
aucta. Petala libera wv. basi leviter connata, valde ümbricata inte-
riora majora. Stamina op, basi saepius 5-adelpha v. in annulum con-
nata et petalis adnata; antherae versatiles. Ovarium 3—5- (rarius 6-)
loculare; stylus simple stigmate crassiusculo radiante; ovula in loculis
oo (4—8), pendula. Capsula lignosa, oblonga, loeulicide dehiscens colu-
mella persistente. Semina plana v. compressa in alam oblongam (nunc
minimam v.0.?) producta; albumen o; embryo fere rectus obliquus, cotyle-
donibus ovatis, planis wv. leviter undulato-plicatis, radicula brevi supera.””
„Arbores. Folia sempervirentia, integra v. crenata. Pedunculi 1-flori,
nunc brevissimi, in axillis solitarii v. ad apices ramorum conferti. Flores
saepe speciosi, 2—4-bracteolati”. (B. et H.).
1. Gordonia excelsa, Br. Bijdr. p. 130; Hooker, F1. B. I. 1 291 ;
Mrq. F. 1. B. 12. p. 489; — G. Singaporiana, WALL. Cat. 1457 (p.p-) ; —
Antheischima excelsa, Korrtu. Verh. Nat. Gesch. Bat. 138, t. 27; —
? Schima excelsa Bu. cat. Buitenz. p. 80; — Dipterospermae spec. GRIFF.
Notul. rv. 564; — G. acuminata, Zoun. teste SzyszyLowicz (?).
Zeer hooge (?) of hooge boom: H==25 M. en D=—=50 cM.
Stam: Recht; geheel zonder wortellijsten ; zonder gleuven, zonder
knoesten. Kroon: Hoogaangezet. Onregelmatig. Nogal ijl. Takken:
Ongeveer 13 M. boven den grond de eerste primaire takken; deze
dik, schuin opwaarts en rijkverdeeld. Schors: 8 mM. dik. Bros.
Buiten geelbruinachtig, eenigzins koperkleurig, nogal sterk in dunne
onregelmatig langwerpige stukken afschilferend. Doorsnede en binnen
19
TERNSTROEMIACEAE. —= ZN — GORDONIA.
donker bruinrood. Zonder lenticellen. Met een weinig kleurloos,
zeer kleverig gomachtig sap. Zonder bladgroen. Twijgen vooral aan
de toppen evenals de bladstelen dicht aanliggend behaard.
Bladeren elliptisch-lancetvormig of lang werpig-lancetvormig, soms
eenigszins omgekeerd-ei-lancetvormig naar beide uiteinden versmald,
naar boven min of meer toegespitst met stompen, soms fijn-uitgeranden
top, met meest zeer ondiep gezaagden rand, papierachtig of dun
leerachtig, van boven eenigzins glimmend-lichtgroen, van onderen
dof lichtgroen, van boven geheel onbehaard, van onderen op de
hoofdnerf en over een breede strook aan weerskanten van de hoofd-
nerf in lengterichting aanliggend-behaard, kort gesteeld met talrijke
dicht bijeengeplaatste, weinig zichtbare, nogal rechte zijaderen,
die zieh vóór den rand vorksgewijs vertakken, 75—180 mM. lang
bij 30-50, bij niet bloeiende takken soms 250 mM. lang bij 75
breed; met mucronate zaagtanden. Bladsteel 3—5 mM. Knoppen
rolrond, toegespitst, dicht zijdeachtig behaard. Bloemen alleenstaand,
in de bladoksels kortgesteeld, groot, „roza.” (1) (KorruHars |. c.) „wel-
riekend’”’ (Dyer). Kerk driebladig; kelkbladen ongelijk, rond, min
of meer gekarteld, leerachtig, van binnen onbehaard, van buiten
zijdeachtig behaard. Kroonbladen 6, breed cirkelrond, uitgerand
of uitgesneden, naar onderen wigvormig versmald, kort genageld,
van binnen aan den voet, van buiten geheel zijdeachtig behaard,
eenigszins vleezig met vleezigen rand, 25 mM. lang, 20 breed.
Helmdraden talrijk, éénbroederig, helmknopjes ‘dorsifix, bewegelijk,
eivormig of langwerpig. Eierstok nagenoeg bolrond, dicht zijdeach-
tig behaard, 5-hokkig met 3—7 eitjes in elk hokje; stijl vijfkantig
gegroefd, bijna even lang als de eierstok, aan den voet behaard,
stempel vijflobbig’” (KorrHars l.c). — V rue ht langwerpig-eivormig,
vijfhoekig, spits behaard; kleppen houtachtig, aan de rugzijde meest
uitgehold, van binnen glanzig, geheel grauwbruin; zaden 3—5,
glanzig bruin 25—30 mM. lang.
Aanm. Beschrijving naar een niet bloeiend levend exemplaar uit den Hort. Bog. VI
C. 7, en vergeleken met een exemplaar uit het Herb. Lugd. B. Beschrijving van bloemen
en vruchten naar Korrmars l.c. Het exemplaar uit den Hort. Bog. is ongetwijfeld zoo-
goed als authentiek, echter onderscheidt het zich van de beschrijving van KORTHALS
(Ll Volgens de afbeelding echter bijna wit, ook volgens BLUME.
GORDONIA. — 291 — TERNSTROEMIACEAE.
doordat de boom een nogal ijle kroon heeft, terwijl Korrnaus die beschrijft als zeer dicht.
De specimina uit Britsch-Indië, door Dyer gedetermineerd, wijken van de onze af door
de grootere elliptische, meer plotseling en langer toegespitste leerachtige bladeren, die
evenals de twijgen en bladstelen geheel onbehaard zijn. — Exemplaren uit West-Java
ontbreken nog in Herb. Kps. Het eenige exemplaar 14735 @B is uit Oost-Java en onder-
scheidt zich nog in enkele bijzonderheden, weshalve wij het afzonderlijk als variëteit
beschrijven. — In GAMBLE l.c. wordt deze species in Britsch Indië voorkomende wel ge-
noemd, maar niet beschreven. Nader onderzoek naar deze soort blijft zeer gewenscht;
vooral herbarium van den op den Salak door de inlanders Ki-mangal, s. of (?) Ki-
mandjël, s. genoemden boom.
Geogr. verspreiding. Door Brume en Korrnars alleen (?) op
den Goenoeng Salak in West-Java gevonden. Nader is de vindplaats
door hen niet omschreven. — Hout: Volgens Korrm. „fijndradig en
roodachtig van kleur.” Bij boom VII C. 7 in Hort. Bog. Spint vuil
wit; kernhout der dikkere takken roodachtig als G. integerrima T. et B.
.
Arbor alta. Ramuli teretes dense appresse pilosuli. Folia elliptico-lan-
ceolata vel oblonga-lanceolata interdum subobverse-lanceolata, utringue
attenuata, versus apicem subacuminata, apice obtusa vel minute retusa,
margine leviter serrata, swbeoriacea, in sicco papyracea, supra laete viridia
nitidula, subtus via pallidiora, supra glaberrima, subtus ad costam mediam
et prope costam mediam strigoso-pilosa, breviter petiolata, venis lateralibus
approximatis haud valde conspicwis, ante marginem bifurcatis pertensa, long.
15—180; lat. 30—50 mM;— Gemmae teteres acwminatae dense sericeae.
Alabastra globosa. Flores axillares solitarii breviter pedunculati, magni,
rosei (teste KorrHars, in eiusdem icone tamen albi). „Calyx trisepalus, se-
palis inaequalibus, rotundis, suberenulatis, coriaceis, intus glabris extus seri-
ceis. Petala 6 (an semper?), late rotundata breviter unguiculata intus
ad basin et extus sericea, subcarnosa, margine membranacea, 25 mM.
longa, 20 lata. Filamenta basi monadelpha, antheris dorsifiis vacillantibus
ovoideis vel oblongis. Ovarium subglobosum, dense sericeo-pubescens, 5-lo-
culare, loculis 3—T-ovulatis, stylus pentagonus 5-suleus ovario subaegqwilon-
gus, basi pubescens. Stigma 8-lobum. Fructus oblongo-ovoideus, pentagonus,
acutus, puberus, valvis lignosis dorso saepe evcavatis, intus nitidulus fuscus;
Semina 3—5” (Flores et fructus fide Kortuars, 1. c.)
la G. excelsa, BrLuMe, var. macrocarpa, K. et V
Zeer hooge boom: H—=40 M. hij D=—=65 eM. (gemeten) Stam:
Zuilvormig. Zonder wortellijsten. Zonder gleuven. Zonder knoesten ;
tot op 20 M. boven den grond onvertakt. Kroon. Hoog-aangezet.
TERNSTROEMIACEAE. A GORDONIA.
Onregelmatig. Nogal iijl. Primaire takken: krom; ordeloos om
den stam geplaatst; herhaaldelijk verdeeld. Uiterste twijgen dun.
Schors: 12 mM. dik. Bros. Buiten eenigszins koperkleurig-grauw
en sterk (eigenaardig in dunne lagen) afschilferend ; doch nogalglad;
met enkele barsten. Doorsneden bruinrood. Binnen bruinachtig
wit. Met veel waterachtig sap. Zonder lenticellen. Met weinig
bladgroen.
Twijgen onbehaard, evenals de bladknoppen; die alleen aan
den top zwakbehaard zijn. Bladeren meest elliptisch lancetvor-
mig, aan den voet versmald, aan den top kort en vrij stomp toe-
gespitst met zwak gekartelden stomp-gezaag-den rand; in verschen-
toestand stevig leerachtig, van boven glimmend, donkergroen,
onbehaard; van onderen dof lichtgroen, langs de middelnerf en
in de nabijheid daarvan in zeer geringe mate behaard; jong zeer
licht groengeel 80—110 mM. lang bij 38—48 breed. Bloemen
groot, middellijn meer dan 40 mM., welriekend. Kelkbladen
5 (?), lichtgroen, van binnen vuilwit. Kroonbladen 5, zeldzamer
6, meest de drie buitenste grooter dan de overige, roomkleurig
wit, van binnen tot op de helft behaard. Eierstok zijdeachtig
behaard, lichtgroen; 5-, zeldzamer 4-hokkig. Stijl even lang als de
eierstok, met breeden, schildvormig, vijflobbigen stempel. Vrucht
4—5- hoekig, langwerpig eivormig, in jongen toestand toegespitst,
overigens als bij G. excelsa, maar veel grooter, 40 —50 mM. lang.
Aanm. Beschrijving uitsluitend naar Herb. Kps. 14735 8.
Geogr. verspreiding en standplaats: Slechts op één standplaats
en wel slechts één boom voor ons gevonden; n.l. op den bergrug Kön-
dëng van het Rahoen-Idjèn-gebergte in Bèsoeki boven Pantjoer op 1700
M. zeehoogte in hoogstammig heterogeen schaduwrijk altijdgroen oerwoud
op vruchtbaren constant vochtigen grond. Buit-n Java: Niet bekend. —
Voorkomen. Verstrooid tusschen een 100 tal andere boomsoorten als
Lauraceae, . Cupuliferae en Coniferae. — Bladafval: Altijdgroen —
Bloei- en vruchttiijd: Beide in November; echter in die maand
hoofdzakelijk bloeiend. De grond onder den boom lag met leege vruchten
en verdroogde bloemen, die bedriegelijk op Schima- (Poespa, s.)- bloemen
gelijken, bezaaid, — Hout: Spint vuil wit, nogal fijndradig; reukeloos;
nogal hard; voelt ruw aan; glinstert eenigszins, gelijk op Poespa-hout.—
Gebruik: Aan de door ons ondervraagde inlanders geheel onbekend,
niettegenstaande de o, i. waarschijnlijk deugdzame eigenschappen van
het hout. Sehors: reukeloos; sterk samentrekkend en bitter, echter niet
scherp smakend. Volwassen bladeren reukeloos en smakeloos. —C ultuur:
GORDONIA. — 293 — TERNSTROEMIACEAE.
Aan te bevelen in herbosschingen van kale berghellingen, zoomede voor
wegenbeplanting, en wellicht ook om het hout. — Inl. namen: Im loco
geheel onbekend. — Habitus: Nogal eigenaardig; o. m. door de eenigs-
zins koperkleurige schors; de talrijke op Poespa, s. (Schima) gelijkende
bloemen, de. aan de Adinandra Lamponga Mrq. herinnerende bladeren
en vooral ook door de vruchten (zie boven). Stam en schors doen zeer
denken aan Ganophyllum falcatum Br. (Mangir, j.) een boom, die echter
op Java nooit op zoo groote zeehoogte voorkomt als deze Gordonid.
Arbor altissima. Ramuli teretes glaberrimi, gemmae apice via puberae
Folia saepe elliptico-lanceolata, breviter obtuse acuminata, basi attenuata,
margine leviter crenulata vel obtusa, subglanduloso-serrata, coriacea, supra
nitida laete viridia glabra, subtus ad nervum pilosula prope nervum pilis
appressis parcis conspersa, pallidora, juvenilia pallide viridescentia, Flores
magni (erxsiccati 40 mM. diam.), odorati albì. Sepala 5? Petalu 5—6,
inaequalia, 3 eateriora majora, intus bast usque medium sericea, ovarium inter-
dum 4-loeulare, stigma discoideum, 5-lobum. Fructus 4—5-gonus, imma-
turus apiculatus, illì G. exeelsae multo major, 40—50 mM. longus.
2. Gordonia acuminata, Zorr. Cat. p. 144; Mrq. FI. 1. B. 1. 2. p. 489.
„Verschilt van de vorige (volgens Crorsy) door de grootere, aan
den voet versmalde, aan den top toegespitste, onbehaarde bladeren
met omgekrulde randen” (Mrq. Lc.)
Aanm. Volgens ZOrLLINGER moet deze soort voorkomen in de bergwouden van Java,
en in het Herb. Hort, Bogor. Henige exemplaren eener Gordonia spec., die zich thans
in genoemd herbarium bevinden, beantworden vrij goed aan deze beschrijving. Wij hou-
den haar echter niet voor soortelijk verschillend van G. excelsa Br. zie boven.
Differt a praccedente (teste Cuorsy) „foliis majoribus basi attenuatis
apice acuminatis margine revolutis glabris.”
8. HAEMOCHARIS, Salisb.
Kenmerken dezelfde als van Gordonia, maar de stijlen meestal
vrij of ontbrekend, zeldzamer van onderen tot een buisvormigen
stijl vereenigd, stempels draadvormig, vrij.
Boomen of heesters, behaard of glad.
Aantal soorten ongeveer 12, de meeste in tropisch Amerika.
TERNSTROEMIACEAE. PL HAEMOCHARIS.
Aanm. Mrquer (Ann. Mus. IV. 113), noemt voor Java een soort Laplacea integerrima ;
een tweede daarvan o.a. door den niet geheel gaven bladrand afwijkende, bevindt zich in
Herb. Kps. 8202,
Characteres Gordoniae sed styli liberi vel subliberi vel nulli, stigmata
filiformia divergentia.
1. Haemocharis integerrima (Trysm., Mrq.) K. et V.; — Laplacea
integerrima, Mrq. Ann. Mus. IV. 1138; — Gordonia integerrima.
TrysM. et BiNN. Cat. Hort. bog. 254.
Hooge boom: H=—=28 cM. bij D= 71 cM. (volwassen?) Stam:
zuilvormig. Zonder wortellijsten. Tot vrij hoog boven den grond
onvertakt. Kroon: Hoog-aangezet. Nogal iijl Schors: 10—13
mM. dik. Hard. Buiten grauw. Doorsnede roodbruin. Binnen vuil-
wit. Met weinig barsten. Zonder lenticellen. Zonder bladgroen.
Zonder bijzonder sap.
Jonge twijgen rolrond, volmaakt onbehaard, evenals de knoppen.
Bladeren langwerpig of smal-lancetvormig, naar beide uiteinden
versmald, met zeer stompen top, met in den bladsteel afloopenden
voet, gaafrandig, bijna zittend; dik-stevig-leerachtig ; van boven nogal
donkergroen; van onderen gewoon groen; geheel onbehaard, met van
onderen sterk uitspringende, van boven diep-gegroefde middelnerf
en bijna niet zichtbare aderen; 70—145 mM. lang bij 22—36;
bladsteel 1—2 mM. Bloemen: axillair, meest eenige dicht bij
elkaar, aan de toppen der takken, middelmatig (uitgespreid in
sicco 18 mM. middellijn). Kelkbladen 5, nagenoeg gelijk, bleek-
groen. Kroon leliewit. Helmdraden wit. Helmknoppen lichtgeel.
Eierstok behaard, evenals de stijl bleekgroen. Hokjes bij den jongen
eierstok van binnen behaard. Stijl uit vijf aan den top uiteen-
wijkende stijlen saamgesteld, niet behaard, stempels niet verdikt,
fraai lichtgroen. Vrucht bij een exemplaar uit Herb. Bog. 24
mM. lang; tot nabij den voet gespleten; kleppen vrij stomp, van
buiten zeer zwak-behaard.
Aanm. Beschrijving naar Herb. Kps. 10018 3, vergeleken met een authenthiek spe-
cimen in Herb. Hort. Bog. zonder nadere vindplaats. Een levende boom VI C 87 in
den Hort. Bogor. (als Gordonia spec.) gelijkt veel op deze soort, doch de bladeren zijn
niet alle gaatrandig en smaken bitter,
Door de van den voet af tot op de helft vergroeide stijlen met stompen stempel, ver-
eenigt deze soort de kenmerken der geslachten Gordonia en Haemocharis. (Laplacea).
HAEMOCHARIS. — 295 — TERNSTROEMIACEAR.
Geogr. verspreiding: Alleen in West-Java in de Preanger. Bij
Takòka in Djampang-koelòn en Djampang-wètan op 1000 M. zeehoogte.
Geen ander vindplaats aan ons bekend. Dáár buitengewoon zeldzaam,
en om het fraaie hout bijna uitgeroeid. — Standplaats: Hoogstam-
mig, heterogeen, schaduwrijk, altijdgroen oerwoud. — Voorkomen:
Verstrooid tusschen een 200-tal andere boomsoorten. — Bloei- en
vruchttijd: Im Maart bloeiend, toen slechts zeer weinige vruchten
dragend. — Hout: Spint zeer smal en zeer licht bruinrood; kernhout
van gewoon bruinrood tot donkerbruinrood tot bloedrood varieerende,
gevlamd; onmerkbaar in het spint overgaande en zeer breed. Op
de theeonderneming Boenga-mëloer bij Takòka zagen wij gave kern-
houtplanken van 40 eM. breedte bij 10 M. lengte. Kernhout:
Poriën klein; zeer talrijk; gelijkmatig verspreid; ongedeeld. Merg-
stralen smal; zeer talrijk; onderling ongeveer even ver van elkander.
Concentrische lichter en donker gekleurde landen, die op jaarringen ge-
gelijken, zijn met het bloote oog zichtbaar. — Gebruik: Hout: Door
de inlanders bijzonder hooggeschat voor meubels en om sterkte en duur-
zaamheid algemeen geroemd. Volwassen boomen dezer fraaie meubel-
houtsoort zoo zeldzaam, dat de enkele door den bijl gespaard gebleven
exemplaren (althans bij Takòka) te tellen zijn. — Schors: reukeloos;
bitter en samentrekkend smakend. Volwassen bladeren reukeloos en
smakeloos. — Cultuur: Om het hout zeer aan te bevelen. Tot dusver
nog niet in het groot aangeplant. Van een door ons genummerden boom
kan waarschijnlijk reeds spoedig zaad verkregen worden. — Inl. namen:
Kimandjel, s.; soms ook Hoeroe-mandjel, s. of Hoeroe-kömandjel, s. Bij Ta-
kòka zeer vaste namen; daar wel is waar slechts aan weinige inlanders
bekend, doch dáár uitsluitend aan deze kenbare boomsoort gegeven. —
Habitus: Het bruinroode gevlamde (reukelooze) hout zeer eigenaardig.
Bloemen herinneren aan Poespa, s. (Schima) maar zijn kleiner. Bla-
deren zeer gelijkend op Ardisia Javanica DC.
Arbor alta. Ramuli juniores cum gemis glaberrimi. Folia oblonga vel
lanceolata, utringue attenuata apice rotundata, basi in petiolum brevissimum
producta, omnia integerrima margine subrevoluto, crasse coriacea, supra
dense viridia subtus subpallidiora; utraque facie cum petiolo glaberrima ;
nervo medio subtus prominente supra sulcato venis viv conspicuis; long.
10—145, lat. 12—36 mM. pet. 1—2 mM. Flores amillares solitarii ad
apices ramorum saepe 1—6 conferti, mediocres; diam. in sicco 18 mM.;
calyce 10 mM. Sepala subaegualia extus sericeo-pubera. Petala 5 extus
sericeo-pubera intus glabra. Ovarium sericeo-pubescens loculis (in alabas-
tris) intus pubescentibus; styli dimidio inferiori subconnati, apice stigma-
toso haud dilatato divergentes. Fructus long. 24 mM. fere Gordonia
excelsae; valwis usque ad basin dehiscentibus, obtusis, puberulis.
Adn. Stylis fere dimidio leviter connatis, apice obtusis divergentibus,
haec species demarcationes inter genera Gordonia et Laplacea (Haemocha-
ris) fere plane aufert.
TERNSTROEMIACEAE. — 296 — HAEMOCHARIS.
2. Haemocharis serrata, K. et V. n. spec.
Boom H=10 M. bij D=20 cM. (jonge boom?).
Bladeren smal-lancetvormig, zeer spits toegespitst, bijna onge-
steeld, met gaven of bijna gaven, nabij den top ondiep gezaagden
rand, evenals de twijgen geheel onbehaard, lang, 50 mM. bij 32;
bladsteel 3 mM. Bloemen alleenstaand, middelmatig ; middellijn bijna
30 mM. Bloembladen 6, het buitenste klein. Eierstok dicht-bebaard,
evenals de stijlen. Deze evenals bij de vorige tot één enkelen zuil-
vormigen stijl losverbonden, aan de toppen uiteenwijkend, stempels
stomp, driehoehig, schuinopgericht.
Aanm. Beschrijving naar één enkel exemplaar uit Herb. Kps. 8202 2 Verschilt van
de vorige door de dunnere, niet geheel gaafrandige bladeren, de grootere bloem en den
behaarden stijl.
Geogr. verspreiding en Standplaats: Door ons uitsluitend op
én plaats en wel slechts één boom gevonden: op den aan de noordhelling
van den G. Poelasari in Bantén boven het gehucht K%-hoedjan op 1050 M.
zeehoogte in altijdgroen, hoogstammig, schaduwrijk, heterogeen oerwoud
op constant vochtigen, vruchtbaren grond. — Bloeitijd: Juni. — Ge-
„bruik en inl. namen: Beide aan de dáár ons ondervraagde inlanders
onbekend.
Arbor. Folia anguste lanceolata valde acuta acuminata, basi in petio-
lum brevissimum producta, margine nunc integra tum leviter imprimis prope
apicem serrata; coriacea, glaberrima. Flores solitarii, petalis 6 inaequa-
libus intus subglabris; ovario cum stylo pubescente; stylà 5 basi connati
apice stigmatoso, obtusiusculi, swberecti.
9. PYRBENARIA Bl.
Kelkbladen meestal 5, ongelijk, trapsgewijze van schutbladen in
bloembladen overgaande. Bloembladen aan de basis vergroeid.
Meeldraden zeer talrijk, meestal vergroeid, samenhangende met de
basis der bloembladen ; helmknopjes langwerpig bewegelijk. Eierstok
S-hokkig; stijlen 5, vrij of gedeeltelijk vereenigd, eitjes 2 in elk
hokje, zijdelings vastgehecht. Vleezige, niet openspringende vrucht.
Zaden langwerpig, dik, zonder vleugels met eene dikke, houtachtige
zaadhuid en zijdelingsche afgeschaafde navel; kiemwit ontbrekend,
zaadlobben groot, ineengekreukt of dubbel gevouwen kiemworteltje
naar beneden gericht omgebogen.
PYRENARIA. — 297 — TERNSTROEMIACEAE.
Heesters of boomen. Bladeren gezaagd, groot en min of meer
vliezig. Bloemen nagenoeg zittend, okselstandig, opgericht of knik-
kend, met schutblaadjes aan den voet der kelkbladen.
e
Aantal soorten 7 of 8, in tropisch Azië, in den Maleischen Archipel
komen 5 soorten voor.
Aanm. MrqueL F, I. B. noemt voor Java:
1. _Pyrenaria serrata BL.
2. Pyrenaria oidocarpa Kortn.
3. Pyrenaria lasiocarpa Kortn.
Voorts beschrijven TeysM. en BiNN. nog in Nat. Tijdschr, XXVII,
4, Pyrenaria lanceolata T. et B.
Sepala saepius 5, inaequalia, a bracteolis ad petala subgradatim
aucta. _Petala basi connata, valde imbricata. Stamina oo, omnia v.
exteriora connata, basi petalis adnata; antherae versatiles, oblongae.
Ovarium B-loeulare; styli 5, liberi v. plus minus coaliti; ovula in loculis
2, lateraliter affira. Fructus drupaceus indehiscens. Semina oblonga,
crassa, evalata testa dwra; albumen o; cotyledones magnae, corrugato-
plicatae v. conduplicatae ; radieula infera, inflexa.
Arbores. Folia serrata, saepe villosa ampla et submenbranacea. Flores
subsessiles, axvillares, erectae v. nutantes.
1. Pyrenaria serrata Br. Bijdr. p. 1120; Korru. Verh. p. 146
t. 30; MrqveL F. I. B. r 2 p. 4983.
Lage boom; hoogstens H —= 5—8 M. bij D= 20—25ecM, Stam:
Nogal recht; rolrond; zonder gleuven; zonder wortellijsten ; nogal
laag bij den grond met ordeloos om den stam geplaatste, rijkver-
deelde dikke takken. Uiterste twijgen dun. Kroon: Dicht; min
of meer eivormig, nogal laag aangezet. Schors: Bros. Buiten
donkergrauw, niet bijzonder ruw ; met fijne overlangsche en dwarsche
barsten. Doorsnede oranjebruin. Binnen vuil-wit. Met waterach-
tig sap. Zonder bladgroen. Zonder reuk; smaak bitter.
„Iwijgen saamgedrukt, de jonge somtijds gegroefd, min of meer
behaard. Knoppen kegelvormig, dicht-zijdeachtig-behaard. Blad e-
ren afwisselend, elliptisch-langwerpig, kort-toegespitst, spits-gezaagd,
aan den voet gaafrandig, geheel onbehaard. Bladstelen halfrond,
gegroefd. Bloemen alleenstaand, axillair; bloemstelen nogal rond
EES
TERNSTROEMIACEAE. — 2985 PYRENARIA.
behaard; twee schutbladen vlak bij de kelk halvemaanvormig; stomp.
Bloemknop bolvormig, dicht-zijdeachtig-behaard. Kelk 5-bladig,
blijvend; buitenste kelkbladen klein, afgerond, stomp. Kroon 5-bladig
of -deelig; bloembladen eivormig-stomp, vleezig, met vliezigen rand,
van buiten behaard. Helmdraden van onderen onderling en met de
bloembladen vergroeid; helmknoppen onder het midden bewegelijk
bevestigd, eivormig. Stuifmeel bolvormig. Eierstok half bolvormig,
zijdeachtig behaard, 5-hokkig, met vergroeide stijlen, stempels 5 knop-
vormig. Vrucht bolvormig, met 10 onduidelijke groeven, onbehaard ;
buitenwand leerachtig, middelvruchtwand vleezig, binnen vruchtwand
perkamentachtig, 5- of door mislukking 3—4-hokkig. Zaden 2 in elk
hokje, boven elkaar, langwerpig, afgeplat, donkerbruin ; navel onder het
poortje puntvormig zaadhuid beenhard, nogal dik; zaadnerf tusschen
de buitenste en de binnenste vliezige zaadhuid vertakt.” (KoRTHALS).
Bladeren bij eenige exemplaren van Herb. Kps. nogal vari-
eerend in vorm, meestal obovaat-langwerpig, kort-stomp-toegespitst
met spitsen min of meer afloopenden voet, 100—150 mM. lang bij
40 tot 60; of 30 bij 65, ook niet zelden obovaat-lancetvormig of
lancetvormig, 160—180 mM. lang bij 55. Bloem ongeveer 20
mM. in diam. Vrucht 45 mM. diam. 35 hoog; bij andere exem-
plaren (uit Midden-Java) hoogstens 30 mM. diam, 20— 25 hoog.
Jonge bladeren: geheel glimmend donkerroza, reukeloos, iets
bitter. Volwassen bladeren boven fraai donkergroen, onder bleek-
groen; boven sterkglimmend, reuk zonder ; smaak iets bitter. Bloe-
men wit met oranjegeel „hart”, zeer op Schima-bloemen gelijken-
de; reukeloos, smakeloos. Kelk geheel lichtgroen. Bloembladen
geheel groenachtig wit. Helmdraden wit, helmknoppen oranjegeel.
Eierstok stijl vuilwit; stempel lichtgroen. Vruchten zeer op een
onrijpe appel gelijkende, vooral ook op dwarsdoorsnede. Buiten-
wand lichtgroen. Midden vruchtwand sappig en wit, doch na sniij-
den spoedig tot oranje verkleurende. Binnenwand wit, droog-perka-
mentachtig. Rijpe vrucht reukeloos, met zuurbitteren en sterk in
de keel prikkelenden smaak. Zaden buiten gitzwart. Zaadhuid
binnen donkerbruin. Embryo reukeloos, smakeloos. — Als de vrucht
eenigen tijd onder den boom heeft gelegen, dan wordt de kleur van
buiten fraai lichtgeel tot strooigeel en de smaak intens bitter.
PYRENARIA. — 299 == TERNSTROEMIACEAE.
Aanm. Beschrijving naar KoRrTHALS overgenomen en aangevuld met opmerkingen naar
verschillende exemplaren van Herb. Kps. (exsiccata en tevens met boombeschrijving en
waarnemingen in loco aan de levende exemplaren gedaan; deze laatste in hoofdzaak naar
specimen Herb. Kps. 8186 2 van Pangèntjòngan. Kijna al onze exemplaren wijken van
de beschrijving en afbeelding bij KorrmHars af door de bijna altijd boven het midden
verbreede bladeren. De Midden-Javaansche exemplaren onderscheiden zich door kleinere
vruchten van de overige.
Geogr. verspreiding: Door ons uitsluitend in West- en Midden-
Java en niet oostelijker dan residentie Banjoemas gevonden op 200— 1600
M., vooral op 1300—1600 M. zeehoogte. In de Preanger bij Pangèntjòngan
niet zeldzaam. Bwiten Java: onbekend. — Standplaats:als P. lasiocarpa
Korrn. (zie hieronder soort No. 3). — Voorkomen: Niet gezellig. —
Bloei- en vruchttiijd: het geheele jaar met bloemen en vruchten.
Rijk vruchtdragend. — Bladafval: Altijdgroen. — Gebruik: als P.
lasiocarpa Kortu. — Cultuur: Deze soort is reeds als onderhout gebezigd
in een nu 30-jarige reboisatie m,h. oog grondverbetering aangelegd bij
Pangèntjòngan in de Preanger. — Inl, namen: Op geen der vijf bekende
vindplaatsen (Takòka en Pangèntjòngan in de Preanger; Tjëmara en G.
Poelasarie in Bantön; Pringâmbâ in Banjoemas) aan door ons ondervraagde
inlanders de naam dezer boomsoort bekend. — Habitus: Kleine boom
met bladeren en bloemen, die zeer aan Assemthee herinneren en vruchten,
die veel op onrijpe appels gelijken en meestal in grooten getale op den
grond onder den boom liggen.
„HFolüis ovali-oblongis serratis, bracteis obtusis, fructubus sphaeroideis.”
„Arbor 15—20 metrorum; truncus, cylindricus, cortiee longitudinaliter
rimoso tectus; rami patentes, teretes, fusci, glabri; Ramuli compressi, —
novelli saepe compressi, sulcati, subpubescentes. Gemmae conicae, dense
sericeae, foliis equitantibus, apice conduplicatis, intus glabriusculis. Folia
alterna, oval oblongo, breviter acuminata, serrata, serratwris argutis, basi
integerrima, utrinque glabra, 0,15 longa, 0,05 lata, corriacea; petioli se-
miteretes, supra swlcati, glabri, 0,01 longs. Flores awillares, solitarii;
peduneuli subteretes, pubescentes, 0.05 longi; bracteae duae calyci approvi-
matae, Vunulutae, obtusae, subtus sericeae, supra glabriusculae. _Alabastra
subgloboswm, dense sericeum. Calyx pentasepalus, parsistens, aestivatione
ümbricatâ; sepala imaegualia, (duo exteriora minora, rotundata, obtusa ;
tria interiora majora, semi-orbiculata, obtusissima) supra glabra, subtus
dense sericea. Corolla pentapentala vel qwinguepartita, tubo brevissimo,
aestivatione imbricatâ; petala subaeqgualia, ovata, obtusa, intus glabra,
extus piloso-sericea, carnosa, margine membranacea. Stamina numerosa ;
filamenta monadelpha petalis adnata, linearia, glabra; antherae infra me-
dium affivae, vacillantes, ovatae, biloeulares, longitudinaliter dehiscentes.
Pollen sphaericum. Ovarium suphemisphaericum, sericeo-pilosum, quin-
gueloeulare; ovula geminata, angulo interno loculi affira, superimposita,
TERNSTROEMIACEAE. — 300 — PYRENARIA.
hemisphaerica, anatropa. Styli 5, coüliti; stigmata capitellata. _Pomum
sphaeroideum, obsolete deeemsulcatum, glabrum, epicarpio coriaceo, meso-
carpio carnoso, chartaceo, qgwinque- ‚abortu tri-vel quadriloculare. Semina
2 in singulo loeulo, angulo interno loculi affiva, superposita, oblonga,
compressa, fusca; hilum infra mieropylam punctiformem; testa ossea, sat
crassa; raphe ramificans intra testam et tegmen membranaceum, ad cha-
lazam basilarem hilogue contrariam procurrens. Albumen nullum vel
tenue. Embryo longitudinalis, erectus; radicula cylindrica; cotyledones
contortuplicatae, foliaceae.”” (Korrrars).
Folia in speciminibus herb. Kps. forma satis varia, saepissime obovato-
lanceolata breviter obtuse acuminata 100—150 mM. longa 42—60 lata
alia 130 longa 65 lata, alia 160—180 longa 55 lata. Flores 20 mM.
diam. Fructus 45 mM. diam, 35 alt.; in alio spec. fructus 30 mM, diam.
20—25 alt.
2. Pyrenaria oidocarpa, Kortn. Verhand. Natuurl. Gesch. 147;
Mig. Fl. IL. B. 1. 2 p. 493.
„Bladeren langwerpig-elliptisch, scherp-gezaagd; buitenste kelk-
bladen eivormig spits; vrucht eivormig’ (KoRTHALS).
Aanm. Beschrijving overgenomen. Deze soort is volgens KortHaALs wellicht slechts
een variëteit of vorm van de voorgaande soort en Kortn. zegt. „Behalve door de
eivormige vrucht, is de P. oidoearpa van de P. serrata door den vorm van de schut-
blaadjes en buitenste kelkbladen onderscheiden, zijnde de laatsten bij de eerste soort ovaal,
min of meer puntig, en de schutblaadjes soms tot langwerpige, puntige blaadjes uitgegroeid.
Bij de vroeger plaats gehad hebbende bewerking der familie, had ik deze en de beide
volgende met P. serrata vereenigd en allen als verscheidenheden van haar aangemerkt.”
Wij zijn er nog niet in geslaagd deze kwestie der eventueele identiteit van P. serrata
Kortn en P. oidocarpa KorrtH. uittemaken, doordat in Herb. Kps. van sommige exem-
plaren van P, serrata nog rijpe vruchten ontbreken.
„Folia oblongo-elliptica, argute serrata; bracteolae et sepala externa
ovata, acuta, fructus ovoideus.” (Kortru.)
Haeec species teste Kortrmaus forsitan nonnisi forma Pyr. serratae consti-
twit sed ultra ingwirendum.
3. Pyrenaria lasiocarpa, Korru. lc. 147; Mrq. lc. 493.
Nogal lage boom H==10—15 M. bij D=25—35 cM. Stam
en Kroon als Pyrenaria serrata Kortn.
PYRENARIA. — 301 — TERNSTROEMIACEAE.
Jonge twijgen en bladstelen lang-zacht-behaard. Knoppen langgeel-
wit behaard. Bladeren langwerpig-lancetvormig, zeldzamer ellip-
tisch-lancetvormig of eenigszins obovaat-lancetvormig, smal-, nogal
lang-toegespitst, met spitsen voet, scherp-gezaagd met 8—12 dunne,
ver van den rand boogvormig samenkomende zijnerven, van onderen
geheel niet zeer dicht, lang-zacht-behaard. Bloemen als bij P,
serrata. Vrucht omgekeerd-eivormig met versmalden voet, veel
langer dan breed, dun-lang-behaard, kaal wordend. Bladeren 125—140
mM. lang bij 35—45 mM. Vrucht (rijp?) in sicco 45 mM. lang, 30
in diam.
Aanm. Beschrijving naar eenige exemplaren van Herb. Kps. Bladeren smaller dan met
de beschrijving bij KorrHaLs overeenkomst, en altijd lang-toegespitst.
Geogr. verspreiding en standplaats: Door ons alleen gevon-
den bij Pangèntjòngan op 1300—1600 M. zeehoogte in hoogstammig,
altijdgroen, heterogeen, schaduwrijk oerwoud op constant vochtigen,
vruchtbaren grond. Buiten Java: onbekend. — Voorkomen: niet
gezellig. — Bloei- en vruchttijd: In Januari door ons vruchten; in
Aug. tegelijkertijd bloemen en vruchten. Nogal rijk vruchtdragend. —
Gebruik: Hout: Als te klein en te krom en hout niet deugdzaam niet
gebezigd. Schors, enz.: niet gebruikt. — Inl. namen: aan alle door
ons ondervraagde inlanders bij Pangèntjòngan onbekend. — Cultuur:
In reboisatie van kale berghellingen waarschijnlijk bruikbaar als onder-
hout. — Habitus: als Pyrenaria serrata, maar bladeren van onderen en
rijpe vruchten dicht-behaard.
Arbor 10—15 metralis, trunco 25—35 ecM. diam., habitu P. serratae,
foliis lanceolatis anguste acuminatis, cum partibus junioribus et petiolis,
subtus parce vel dense molliter villosis. Flores P. serratae. Fructus
obovoideus basi attenuatus multo longior quam latus, pilosus, demum
glabrescens. Folia 125—140 mM. longa 35—45 lata. Fructus 45 mM.
long, 30 diam.
4. Pyrenaria lanceolata T. et B. Nat. Tijdschr. N.I. 27 (1864)
p. 40.
„Iwijgen hoekig, donkerbruin, onbehaard; bladeren lancetvormig,
lang toegespitst, gezaagd, aan den voet versmald en gaafrandig,
onbehaard, van boven glimmend. Bloemknoppen dun-behaard;
TERNSTROEMIACEAE. — 302 PYRENARIA.
schutblaadjes onder de kelk eivormig, spits; overigens als P. serrata
Br.” (TerysM. et Binn.)
Aanm. Beschrijving naar TeysM. l.c. De meer uitvoerige beschrijving (l.c.) komt in
alles behalve het boven genoemde met P. serrata Br. overeen. Bij het bloemdragend
exemplaar in Herb. Bogor. zijn de bladeren tot 200 mM. lang bij 35, en naar onderen
zeer smal toeloopend. Hiermede overeenkomende exemplaren ontbeken in Herb. Kps.
De soort door TEYsMANN op den Salak gevonden, moet misschien als een vorm of varië-
teit van P. serrata worden beschouwd. 7
Ramuli angulati; folia lanceolata, longe acuminata, basi valde attenuata,
basi integerrima exvcepta serrata, glaberrima, supra lucida, bracteae ovatae
acutae. _Alabastra puberula. Cetera P. serratae. (omnia ex T.et B. 1. c.).
Folia in specimine culto Herb. Bogor. folia usque 220 mM. longa 55 lata
habet.
10. CAMELLIA, L.
„Kelkbladen 5—6, ongelijk, trapswijze van de schutblaadjes tot
de bloembladen toenemend. Bloembladen licht samenhangend aan
de basis. Meeldraden talrijk, in vele rijen, de buitenste aan den
voet of tot aan den top der helmdraden vereenigd, samenhangende
met de bloembladeren, de binnenste 5—12 geheel of nagenoeg vrij.
Helmknoppen bewegelijk. Hierstok 3—12-hokkig; stijlen tot aan
de basis vrij of min of meer vereenigd ; zelden één stijl (Calpandria)
eitjes 4—5 in elk hokje, hangend. Houtachtige, meestal korte,
hokverbrekende doosvrucht. Zaden meestal slechts één in elk hokje,
ongevleugeld; kiemwit ontbrekend; kiem recht, zaadlobben dik, wor-
teltje kort, naar boven gericht.”
„Boomen of heesters. Altijdgroene, lederachtige of vliezige, ge-
zaagde bladeren. Bloemen okselstandig, alleenstaand of meerdere
bijeen, zittend of kort gesteeld, dikwijls groot” (BOERLAGE.)
„Aantal soorten omstreeks 14, in tropisch en Oost-Azië.
De beide soorten van den Maleischen Archipel werden onder dan naam
Calpandria beschreven. De theeplant en hare verwanten, door LiNNAEUS
tot een afzonderlijk geslacht Thea gebracht, werden ook door SEEMANN
van Camellia gescheiden, omdat de binnenste meeldraden vrij zijn en in
hetzelfde aantal als de bloembladen en niet éénbroederig en in het
dubbele aantal, zooals bij de soortep van Camellia in engeren zin. Bij
Berrnam en Hooker vormen ze echter eene sectie van Camellia. De
CAMELLIA. — BOD — TERNSTROEMIACEAE.
C. theifera Grier. (Thea chinensis, Linn.), ofschoon op Java niet in het
wild groeiende, behoort daar tot de belangrijkste cultuurgewassen.”
(Borrzaae, 1, c.).
Aanm. MIiQveL noemt voor Java :
1. C. (Calpandria) lanceolata, Br.
Ze » gqwiscosaurd, KoRTH.
Wij hebben deze twee soorten vereenigd, daar het ons waarschijnlijk voorkomt, dat de
laatstgenoemde, de eigenlijke C, lanceolata, Br. is terwijl de door Korrmars als C, lan-
ceolata, Br. beschrevene (naar materiaal uit Borneo) misschien een andere soort kan
zijn. (Zie Aamm, beneden op blz. 300).
„Sepala 4—6, inaequalia, a bracteolis ad petala subgradatim aucta.
‘Petala basi breviter cohaerentia valde imbricata. Stamina oo, exteriora
8-seriata, breviter v. fere ad apicem monadelpha et petalis basi adhaeren-
tia, interiora 5—12 libera; antherae versatiles. Ovarium 3—5-loculare;
styli fere a basi liberi wv. plus minus coaliti; rarius stylus unicus (Cal-
pandria); ovula in loeulis 4—5, pendula. Capsula lignosa, saepius brevis
et acutiuscula, loculicide dehiscens. Semina in loculis saepius solitaria,
crassiuscula, exalata; albumen o; embryo rectus cotyledonibus crassis ra-
dicuta brevi supera.— Arbores v. frutices. Folia sempervirentia et coriacea
v. membranacea, serrata. Flores axillares, solitarii v. aggregati, sessiles
v. breviter pedicellati, saepe speciosi”” (B, et H. l.c.)
1. Camellia lanceolata, (Br.) Srem. Trans. Lim. Soc. XXII 345;—
_ Calpandria lanceolata, Bu. Bijdr. 178; (? Kortn. l.c. 148 t. 31);
Apr. Juss. in Mem. Mus. XIX t. 20 f. 23; Mrq. FI. J. B. 1. 492,—
Calpandria qwiscosaura, Kortn. le. 149; Crois. in Zorn. Cat. 144;
Mig. 1. e. 493;— Thea lanceolata et quiscosaura, Pierre Coor;
Szysz. in Ener. Pr. Nat. Pfl. mr 6.183.
Boomheester; hoogstens H—=5 -6 M. bij D= 10—12ecM.Stam:
zeer krom, laag en ordeloos-rijkvertakt. Kroon: Onregelmatig en
laagaangezet. Schors 5 mM. dik. Taai, buiten grauw, glad. Veel
bladgroen. Zonder lenticellen.
Uiterste twijgen rolrond, (in sicco zeer licht grijs). Jonge twij-
gen en onderzijde der jonge bladeren, vooral langs de middelnerf
kort- of lang-dun-zacht-behaard. Bladknoppen zijdeharig. Blad e-
ren elliptisch-lancetvormig, of elliptisch-langwerpig met spitsen
voet en vrij spitsen of kort- of lang-toegespitsten top met duide-
TERNSTROEMIACEAE. == B —= CAMELLIA.
lijk- of zeer ondiep-gezaagden of zeldzamer gekartelden rand, leer-
achtig, geheel onbehaard (soms met uitzondering van de middelnerf),
van boven donkergroen sterk glimmend, van onderen. nogal donker-
groen (West-Javaansche) of zeer lichtgroen (Midden-Javaansche), dof,
met uitstaande, van onderen uitspringende, ver van den rand boog-
vormende dunne zijnerven, onduidelijk netvormig geaderd. 85—135
mM. lang, bij 30—50 (bij uitzondering 85 bij 45); bladsteel 4—6
mM. lang, behaard. Bloemen (slechts van 1 exemplaar onderzocht)
alleenstaand of bij twee, zittend aan den top van korte, behaarde,
met litteekens voorziene axillaire stelen, met 1—2 afvallende schut-
blaadjes aan den voet. Kelkbladen 4—5, zeer ongelijk, van buiten
aan den voet min of meer behaard, lichtgroen. Kroon uitgespreid
ruim 15 mM. in middellijn, wit, bijna reukeloos ; kroonbladen 5, aan
den voet onderling en met de meeldraden verbonden, langwerpig,
uitgespreid met naar beneden gekrulde randen. Meeldraden + 25;
de 5 (volgens Korrmars 10) binnenste even lang als de eierstok,
vrij, met dunne draadvormige helmdraden en eivormige, basi-dorsi-
fixe, bewegelijke, geelachtige, eironde helmknopjes; de overige met
zeer korte priemvormige helmdraadjes, die op ongelijke hoogte aan
de binnenzijde en den bovenrand eener van boven afgeknotte of
onregelmatig getande vleezige buis zijn bevestigd. Stamper 7 mM.
lang. Bierstok volkomen driehokkig, langwerpig, lang-grof behaard ;
stijl even lang als de eierstok; behalve aan den voet onbehaard
(„behaard”’ Kortmars), aan den top 3-lobbig; eitjes 5 in elk hokje,
in twee rijen aan den binnenhoek bevestigd, anatroop horizontaal,
met de zaadnerven tegen elkaar. „Doosvrucht driehoekig spits,
houtachtig, schotverdeelend, driekleppig openspringend; kleppen
tot nabij het midden loslatende, een deel van het tusschenschot
meenemende; binnenwand leerachtig, axiele zuil driehoekig, dik.
Zaden 2—3 in elk hokje, hoekig, rimpelig ; poortje nabij den navel,
zaadhuid beenhard. Kiem opstaand, zaadlobben bladachtig, bijna
rond, worteltje rolrond” (KorrHars).
Aanm. Beschrijving (met uitzondering der vrucht) naar exemplaren van Herb. Kps.,
vergeleken met authenthiek exemplaar van BLUME, waarmede zij volkomen overeenstem-
men. De bloem door ons slechts van één specimen onderzocht; wijkt nogal af van de
teekening en beschrijving bij Kortn. door het bezit van slechts 5 vrije meeldraden, en
van een verlengden onbehaarden stijl. Het behoort dus waarschijnlijk tot de soort door
CAMELLIA. — 305 — TERNSTROEMIACEAE.
KorrHALs als Calpandria guiscosaura afgescheiden, maar schijnt ons niet voldoende van
„het specimen van BLUuME te verschillen om het als soort af te zonderen. Vooral moet
in aanmerking genomen worden, dat zoowel teekening als beschrijving der C, lanceolata
bij KorrmarLs naar exemplaren uit Borneo is genomen; terwijl het authenthieke exemplaar
door BruMmwe op Java (op den Salak bij Buitenzorg) is verzameld,
Geogr. verspreiding: Door ons nog slechts van drie plaatsen op
Java gevonden: 16. bij Takòka in Djampang-wètan (Preanger) op 1000 —
1200 M. zeehoogte; 2°. bij Sanggrawa in, Djampang-koelòn (Preanger)
op 400 M.; 3°. bij Pringämbà op het Midangan-gebergte (Banjoemas)
op 1000 M. zeehoogte. Overal zeldzaam. Door Brumr op den G. Salak bij
Buitenzorg. „G. Tjikoraj” (Mrquer'. Buiten Java: (?, „ Borneo” (Mrq.). —
Standplaats: Altijdgroen, heterogeen, hoogstam mig oerwoud op constant
vochtigen grond. — Voorkomen: Enkele individuen verstrooid tusschen
een paar honderd boomsoorten. — Bladafval: Altijdgroen, — Bloei- en
vruchttijd: Beide in Juli; echter vruchten ook in November gevonden.
Nogal rijk bloeiend. — Gebruik: Hout: als te klein en te weinig
deugdzaam niet gebezigd. Spint fijndradig; geelachtig wit, reukeloos.
Schors enz: niet gebruikt. Schors bijna reukeloos; zeer bitter smakend.
Bladeren reukeloos en (?) smakeloos. — Cultuur: Niet aan te bevelen. —
Inl. namen: Zeer locaal en zeer onzeker; nagenoeg waardeloos. Bij
Sanggrawa soms Pè-òr, s. evenals een paar F'icus-soorten. Bij Pringämbâ
nu eens Woeroe, j. evenals vele Lauraceae, dan weder T'ipis-koelit, j.
evenals een paar boomsoorten uit andere familiën. — Habitus: In blad
volstrekt niet in het oogvallend. Im bloei eenigszins aan Keömoening, j.
(Murraya exotica Linn.) herinnerend, daarvan echter dadelijk door de
enkelvoudige bladeren te onderscheiden.
Arbuseula. Ramuli ultimi teretes cinerascentes, juniores cum pagina in-
feriore foliorwm juniorum pubescentes vel parce villosuli. Gemmae sericeae.
Folia elliptico-oblonga, vel elliptico-lanceolata 85 —135 longa; 30 —50 lata,
petiolus 4—6 mM.; basi acuta, apice acutiuseula vel acuminata, margine
leviter vel alfius serrulata vel crenulata coriacea, glabra (costa media subtus
cum petiolo saepe pilosa excepta), vel glaberrima, supra lucida, obscure
viridia, subtus pallidiora, nervis primariis dissitis, patentibus a margine
remote arcuato-conniventibus. Flores albi, fere inodori singuli vel gemini,
sessiles, pedunculi avillares breves, cicatriculati, pubescentes. Bracteae valde
deeiduae. Calye 4 -—B-sepalus, valde inaequalibus, evtus basi pubescentibus
demum glabratis. Corollae tubus brevissimus laciniae oblongae, patentes,
margine revolutae. Stamina ecirciter 25, interiora 5 libera, ovario aequi-
longa, filamentis subulatis, antheris ovatis dorso prope basin affivis, vacil-
lantibus, introrsis; exteriora in tubum carnosulum apice irregulariter crenu-
latum connata; antherae ad marginem et faciem interiorem tubi filamentis
brevissimis subulatis affirae vel sessiles. Pistillum T mM. longum. Ovarium
3-loculare oblongum dense hirsutum, stylus unicus, ovario aeqwilongus apice
3-lobus, glaber (Korrm. in spec. Borneënsi pubescens) ovwla in loculis 5
20
TERNSTROEMIACEAE. =D — CAMELLIA.
angulo interno affiva, anatropa, horizontalia, biserialia, raphe contigua
„Capsula trigona, acuta, loeulicida, trivalwis; valvulae lignosae, endocarpio
coriaceo, ad medium usque disjunctae partem septorum ferentes, columella
trigona, crassa; semina 2—3 in singulo loeulo, angulata, rugulosa, micro-
pyle hilo approvimata, testa ossea. Embryo erectus, radicula brevi tereti,
cotyledonibus foliaceis”” (Fructus ex Korrnars).
AFKORTINGEN DER LITERATUUR.
ABBREVIATIONES TITULORUM.
SUPPLEMENTUM 1
Puber:
Barron (H.), Histoire des plantes. Paris. 1867—1896 — Baillon Hist. pl.
CaNpoLLE (ArpH. et Cas. pe), Suites au Prodomus Systematis Naturalis
regni vegetabilis — Monographiae phanerogamarum — De Cand.
Monogr. Phaner,. — De C. Monogr. Phan,
CANDOLLE (Cas. pe), Mélactes in Der CANp. Monogr. Phaner. — Cas.
De C, Le. —= Cas. de Cand. Monographie.
Crorsy, Mémoire sur la famille des Ternstroemiactes in Mémoires de la so-
ciété de Genève 1858 — Choisy Mém. — Choisy Mém. Fernstr.
Descourrinz (M.E), Flore médicale des Antilles ou traité des plantes
usuelles des colonies francaises, anglaises, espagnoles et portu-
gaises. Paris 1821—1829 — Descourt. Flor. Ant,
Don (D.), Prodromus Florae Nepalensis sive enumeratio vegetabilium quae
in itinere per Nepaliam proprie dictam et regiones conterminas
a. 1802—1803 detexit atque legit Fr. HamrroN (olim Bucma-
NAN). Londini 1825 = Don Prod. nep.
Epwarps (S.), and Lrinprey. == The botanical register. London 1815—
1847 — Bot. Reg.
GARDNER (G.), in The Calcutta Journal = Gardn. Calc. Journ.
Jackson et Hooker, Index Kewensis plantarum phanerogamarum. Oxford
1893 —1895 — Ind. Kew. —= Index Kew.
(1) Alleen de door ons geciteerde en in deel L en IL door ons nog niet vermelde
literatuur is hier opgenomen.
— 308 —
Jussirv (A), Mémoire sur la Groupe des Méliactes in Mémoires Musée —
Hist — Nat. XIX. 1130 =— Juss. Mém. Hist. Nat. — Jussieu
Mém.
Kine (G), Materials for a flora of the Malayan Peninsula. Calcutta
1889 1896 (wordt voortgezet) — King Fl. Mal. — King Ma-
lacca — King Materials — King Mal.
Maxrmowiez (K. J.), Primitiae Florae Amurensis Leipzig. 1859 — Maxim.
Amur.
Rormer (J. J.), Caroli a Linné. Equitis Systema vegetabilium secundum
classes, ordines, genera, spec. Fditio nova. Curantibus J. J.
Roemer et J. A. Schultes. Stuttgardiae, Cotta 1817 —1830 —
Roem. et Schultes Syst.
Roemer (M. J.), Familiarum naturalium regni vegetabilis synopses mono-
graphicae, Wimariae, 1846—1847 Tasc. 1—IV — Roem. Syn.
Romruren (P. van), Aanteekeningen over de in den Cultuurtuin te Tji-
keumeuh gekweekte gewassen ('s Lands Plantentuin te Buiten-
zorg) Batavia 1892 — v. Romb. Cultuurtuin.
ScuerFER (R. H. C. C.), Observationes phytographicae. 1868-1872 in
Natuurkundig Tijdschr. v. Ned. Indië dl. 31—32 — Scheffer
Observ. phyt.
TrysuanN (J. B.) et BiNNENpiJK (S.) Catalogus plantarum quae in horto
Botanico Bogoriensi coluntur Ed. IIL Batavia 1866 — T. et B.
Cat. hort. bog.
Trunseren. (C. P.). Flora Japonica. Lipsiae 1784 — Thunb. Flora Jap.
Trixen (H), A handbook to the Flora of Ceylon. London 1893 —1896—
Trimen Ceylon —= Trimen Handb. —= Trimen F1. Ceylon.
Vriese (W. H. pe), Plantae Indiae Batavae Orientalis, quas in itinere
per insulas Archipelago Indici Javam, Amboinam, Celebem, Ter-
natam, aliisque, annis 1815 —1821 exploravit G. G. C. ReiNwarpr,
Lugduni 1856 — de Vriese Plant Ind. Reinw.
— 309 —
II Periodiea:
Annals of the Royal Botanic Garden, Calcutta 1888—1896 (wordt voort-
gezet) — Ann. R. Garden. Calc.
Bulletin de l'Herbier Borssier sous la direction de M. Eucùre Aurran,
Genève 1893—1896 (wordt voortgezet) — Bull. Herb. Boiss.
Bulletins de la Société de Botanique de France, Paris 1854—1886 —
Bull. Soc. bot. Fr.
Mémoires de la société de Physique et d'Histoire naturelle. Genève.
1866—1885 — Mèm. Soc. Gen. — Mémoires Société Genève
1858.
INDEX DER INLANDSCHE NAMEN.
(INDEX ALPHABETICUS NOMINUM INDIGENORUM).
Ampheuloeh, md. 44.
Bangsòl, md. 165.
Bawangan, j. 44; 82.
Bèlbëlan, j. 253.
Beuroeh, md. 202.
Bidjitan, s. 181; 182.
Bintaòs, j. 71.
Bintawòs, j. 71.
Boedëng, j. 131.
Boeloe, j. s. 253.
Brasan, j. 78.
Daoe, md. s. 109; 116; 124.
Djangkòk, j. 286.
Djombo, j. 192.
Doekoe, ml. j. s. 122; 181; 182.
Doerèn, j. 163.
Doerenan, j. 163; 165.
Doerian, ml. 167.
Dojà, j. 60; 88.
Garoe, j. 44.
Gëgëntëlan, s. 102.
Gendis, j. 109; 121.
Gendis-Emprit, j. 102; 118.
Goela-Emprit, j. 102.
Goelä, j. 60; 109; 121.
Gringging, j. 16.
Haroeman-tjai, s. 78.
| Hoeroe-këmandjël, s. 295.
Hoeroe-mandjël, s. 295.
Janmènjanan, md. 71.
Kadapan, j. 121.
Kadjëng-gëndis, j. 109.
Kadjoeh-khoeleuh, md. 121.
Kajoe-goelà, j. 60; 109; 121.
Kajoe-sapi, j. 83.
Kajoe-sémoet, j. 153.
Kakëra-kikri, j. 17.
Kananga, s. 222.
Kanthoedjeuh, md. 109; 113.
Kapinangò, s. 45; 60; 102; 109.
Kapòtrèn, md. 37.
Këdojâ, j. 37; 60; 88; 116; 121.
Kèdoja, s. 88.
Kèdojä-sapi, j. 121.
Kémiri, j. 192.
Këthoedjeuh, md. 88; 102; 109; 113.
Këtjapi, s. 29.
Kétjapi-mònjèt, s. 29.
Kheuroeh, md. 44,
Ki-bawang, s. 50; 60.
Ki-beureum, s. 203.
Ki-boerandoel, s. 68.
Ki-damar, s. 158.
Ki-gëgoela, s. 60.
Aangezien Dr. BRANDES niet in alle drukproeven de correcties in de schrijfwijze der
inlandsche namen heeft kunnen aanbrengen, komen eventueele taalfouten in de schrijfwijze
der inl. namen van den tekst van dit 3e deel geheel voor onze rekening.
In dezen inder zijn daarentegen alle inlandsche namen persoonlijk door Dr. BRANDES
gecorrigeerd conform de door dezen taalkundige in de inleiding van onze Bijdrage No 1
gegeven aanwijzingen.
Hierdoor is elk lezer in staat gesteld de noodige correcties in de
schrijfwijze der inlandsche namen in den tekst aantebrengen.
— 312 —
Ki-hadji, s. 71.
Ki-kananga, s. 222.
Ki-krèsèt, s. 231.
Ki-lèhò, j. s. 253; 269.
Ki-lèhò-badak, s. 272.
Ki-lèhò-beureum, s. 272.
Ki-lèhò-tjanting, s. 269.
Ki-lilin, s. 158.
Ki-sapoe, s. 231.
Ki-siloewar, s. 172.
Ki-mandjël, s. 291; 295.
Ki-mangal, s. 291.
Ki-tai, s. 88.
Ki-tjarirang, s. 60.
Ki-walirang, s. 71.
Ki-warirang, s. 60.
Ki-watös, s. 231.
Kòkòsan, s. 131; 145; 181; 182.
Kòkòsan-kònèng, s. 182,
Kòkòsan-leuweung, s. 37.
Kòkòsan-poetih, s. 182,
Kraminan, j. 37; 44; 66.
Langsat, j. 131; 145; 181; 182.
Langsatan, j. 145.
Langsat-loetoeng, j. 131; 134; 141.
Langsëp, j. 131; 181; 182,
Langsöp-alas, j. 37.
Langsëöp-re, j. 37; 39.
Langsëp-wöre, j. 37.
Lengsar, j. 163.
Leungsir, s. 202.
Loetoeng, j. 181.
Lolohan, j. 37.
Lolowan, j. 36.
Lòtòng, md. 131.
Lòtòng-pòtè, md. 131.
Mahagonie, holl. 7.
Mahoni, ml. j. 7.
Mala, s. 82.
Mangir, s.; j. 37; 293.
Marangnginang, s. 40; 45; 102.
Mèmpheuh, md. 23.
Méntaòs, j. 71.
Mimba, ml. 23.
Mimbâ, j. 23.
Mindi, s. j. ml. 11; 14; 16; 19.
Miri, s. j. 192.
Nangpènangan, md. 214,
Narap, j. 62; 66.
Niri, s. j. 192; 195.
Njirih, j. 192; 195.
Njirih-abang, j. 188; 192.
Njirih-goedig, j. 188; 195.
Njoeroeh, j. 188; 195.
Oembél-oembélan, j. 253.
Pantjal-kidang, j. 137; 151; 152.
Patjar-goenoeng, j. 131.
Patjar-tjinà, j. 5.
Patjar-tjina, ml. 5; 137.
Pènang, md. 214,
Pikòpijan, md. 152.
Pinang, ml. 214,
Pingkoe, s. 40; 44; 45; 60; 96;
102.
Pisitan-mònjèt, s. 45; 50; 93.
Poespâ, j. 286.
Poespa, s. ml. 214; 216; 286; 292;
293; 295.
Poespa-beureum, s. 286.
Poespa-bòdas, s. 286
Poespa-mèrang, 286.
Pohòn-kira-kira, ml. 192.
Pòtrèn, md. 116.
? Raoe, md. 66.
Rasamala, s. 82.
Rèdani, j. 205.
Sadan, j. 231; 238.
Sapi, j. 83; 121.
Satlòtòng, md. 131.
Selang, j. 163.
?Sömbir, j. 102.
Semboeng, j. 278.
Söntoel, j. 29; 113; 114.
Söntòl, md. 29.
EN ae mede eden zake trek
— 313 —
Siloewar, s. 169.
Soerèn, s. j. ml. 202; 203; 203.
203; 203; 206.
Soerèn-kapas, s. 203.
Soerèn-sabrang, j. 203; 206.
Soerèn-tandoek ss. 202.
P Sòlò, md. 102.
Sòrèn, md. 202
Fanglar, 8. j. 37; 40; 60; 141:
155; 166.
Tanglar-goenoeng, s. 166.
? Tanglar-moending, s. 109.
Tanglar-peutjang, s. 172.
Tanglar-wèrak, j. 163.
Teki, j. 82.
Tipis-koelit, j. 184.
Tjangkòk, j. 286.
Tjarirang, s. 68.
Tjëlëring, j. 182.
Tjëloring, j. 181; 182.
Tjémpâgâ, j. 43; 44.
Tjëpäga, j. 44.
Tjémpagan, j. 37.
Tjémpâkä, j. 44.
Tjikrä-tjikri, j. 17.
Tjikra-tjikri, ml. 17.
Tjlorèng, j. 182.
Tjoelang, s. 5.
Tjoewoet, j. 253.
Troes-goenoeng, s. j. 60; 102.
? Walahan, j. 98.
? Walang-stbëre, j. 93.
? Walikangin, j. 165.
? Wangsoel-hirëng, j. 116.
Welahan, j. 31; 45.
Wêre, j. 37.
? Woeroe-tjëlirang, j. 44.
Wòng-khoenòng, md. 1183.
20%
INDEX DER LATIJNSCHE NAMEN.
(INDEX ALPHABETICUS NOMINUM SYSTEMATICORUM).
Aectinidia Linpr. 280.
callosa Lrnpr. 281.
Kolomitka Rurr. 281.
Adinandra Jack. 219.
eyrtopoda Mrq. 223.
glabra Mio. 223.
dasyantha Kort. 224,
dumosa Jack. 223.
glabra Mrq. 223.
Jackiana Kortn. 225.
Javanica CHorsy 224.
stylosa Mrq. 223.
leiopetala Mrq. 220.
Lamponga Mra. 220.
macrantha T. et B. 220.
trichocoryna Kortm. 2253.
Aglaia Lour. 125.
acida R. et V. 143.
acuminatissima T. et B. 175.
acuminatissima var. £@ Kam-
bangana Mrq. 176.
angustifolia Mig. 173.
angustifolia var. (3 Horsfieldiana
GRDE RTS:
argentea Br. 160.
argentea Br. genuina Mrg. 161,
argentea (Br.) Mig. genuina pro-
parte 165.
argentea var. microphylla Mra.
166.
argentea var. cordulata C. DC.
161.
argentea var. multijuga K. et V.
165.
argentea var. angustata Mrg. 164.
argentea var. splendens K. et V.
166.
aspera Teysm. et BiNNENp. 170.
aspera var. 5 Horsfieldiana C. DC.
173.
barbatula K. et V. 167,
Diepenhorstii Mrq. 148; 155.
elaeagnoidea Berru. 135; 147.
elliptica Br. 154.
Eusideroxylon K. et V. 128.
Ganggo Mrq. 156.
glabrata C. DC. 76.
Halmaheirae Mig. 76.
heptandra K. et V. 132.
hypoleuca Mig. 161.
imaequalis T. et B. 154.
latifolia Mrq. 138.
latifolia var. Teysmanni K. et V.
140,
lepidota Mrq. 135; 147.
longifolia Teysm. et Binn. 174.
mueronulata C. DC. 138; 142.
odorata Lour. 5.
odoratissima Berru. 135.
odoratissima Brume. 148.
odoratissima var. (? parvifolia K.
et V. 150.
odoratissima var. y pauciflora K.
etl 0E
— 316 —
ovata Trysm. et Binn. 154.
polyphylla Mr. 175.
pyrrholepis Mia. 156.
Roxburghiana Mia. 135; 147.
Roxburghiana Hiern. 148,
sp. Teysm. 147.
speciosa Br. 159.
speciosa Trrsm. et Binn. 161.
speciosa (et var. hepatica) T. et
B. 160.
subgrisea Mra. 176.
Sulingi Br. 146.
Teysmanniana C. DC. 132.
Zollingeri C. DC. 177.
Alangium sundanum Mig. 3.
Amoora Roxp. 117.
Aphanamixis Roem. 119,
grandifolia (Brume) C, DC. 119.
lanceolata HrerN. 123.
timoriensis Mrq. 119.
trichanthera K. et V. 123.
Antheischima excelsa Korrm. 289.
Aphanamixis grandifolia Br. 119.
Archytaea Marr. 209.
Azadirachta A. Juss. 20.
indica Juss. 21.
Calpandria lanceolata Br. 303.
Calpandria quiscosaura Kortn. 303.
Camellia L. 302.
lanceolata (Br.) Srem. 303.
Scottiana Crois. 223.
Carapa AusL. 187.
indica A. Juss. 193.
Molucecensis HrerN. 189.
Moluceensis Lam. 193.
Molucecensis var. elliptica K. et V.
194,
obovata Br. 189,
Cedrela L. 196.
febrifuga Br. 197,
febrifuga var. 3 glabrior C. DC.
199.
inodora et Teysmanni Hassk. 198.
odorata L. 3.
serrata Royrr 4; 204.
serrulata Mrq. 4; 204.
sessilis Vern. 4.
Toona Mrqver. 197.
Toona Hrern. 204.
Chisocheton Br. 97.
barbatus C. DC. 103.
divergens Br. 99.
erythrocarpus Hrery. 111.
patens Br. 99.
maecrophyllus Kixe. 106.
microcarpus K. et V. 115.
sandoricocarpus K. et V. 111.
Vrieseanus C. DC. 105.
Choroxylon Swietenia C. DC. 4.
Cleyera gymnanthera W. et A.
Turn. 215.
Didymocheton _Leschenaultianum
Juss. 94.
Didymochiton Leschenaultii Hort.
Bog. non Juss. 91.
nutans Br. 90.
Diospyros serrata Ham. 229.
Dipterospermae spec. Grrr. 289.
Dysoxylum (== Dysoxylon) Bu. 31.
acuminatissimum Br. 47.
alliaceum Br. 47; 53.
alliaceum var. ò lanceolata K. et
Nol
alliaceum var. 3 laxiflora C. DC.
50.
alliaceum pauciflora K. et V.
50.
amooroïides Mra. 84.
amooroides # typica Mia. 86.
amooroides var. 3 otophora K.
et. V. 86.
amooroides var. pubescens K. et
Me a8:
arboreseens Mrq. 76.
— 317 —
biloeulare K. et V.
nov. sp. 95.
Blumei Mig. 73.
Blumei « typica (Dysoxylum
Lobbii C. DC.) 74.
Blumei var. (3 grandiflora K, et
Nen tE.
caulostachyum Mia. 34.
densiflorum Mrq. 41,
densiflorum var. minor K. et V.
44,
excelsum Br. 56.
exeelsum var. glaberrimum C. DC.
47,
excelsum Br. var. glabriflorum
Mig. 47.
excelsum var. y parvifolia K. et
NAO,
excelsum var. z genuina K. et V.
60.
excelsum var.
64,
excelsum var. 3 pedicellata K.
et: V-61.
fraternum Mira. 54.
glabrum C. DC. 53.
Halmaheirae C. DC. 76.
Hasseltii K. et V. 64.
Lampongum Mrq. 76.
laxitlorum Br. 47.
Leschenaultianum (Jussreu) K.
et V. 94.
Lobbii C, Dc. 73.
longifolium Br. 47,
macrocarpum Br. 69.
macrophyllum T. et B. 86.
macrocarpum 3 Sumatrana Mrq.
69.
macrophyllum T. et B. 88.
maecrophyllum T, et B. 84,
maecrothyrsum Mrq. 56.
mollissimum Br. 80,
Hasseltii Mrq.
mollissimum var. (3 Sumatrana
Mia. 82.
mollissimum var. ” Teysmanni
Gi NG eere
Nagelianum C. DC. 55.
nutans Mrg. 90.
nutans (3 tomentosum Mrg. 92.
othophorum Mra. 84.
pubescens T. et B. 88.
proceerum HrerN. 56.
ramiflorum Mrq. 39,
simile Br. 67.
Teysmannii C. DC. 80.
trichostylum Mro. 41.
Vrieseanum C. DC, 72.
Epicharis altissima Br. 41.
densiflora Br. 41.
Eurya Truns. 226.
acuminata C. DC. 229.
acuminata Royrr. 229.
acuminata Warr. 229.
acuminata var. angustifolia Mra.
23%
anceps Br. 235.
angustifolia Br. 229.
angustifolia Warr. 229.
bifaria WarrL. 229.
Blumeana Korrum. 245.
Celebica Rrinw. 242.
clandestina Br. 229,
coneocarpa Kortn. 284.
confinis Br. 229.
elliptica Garp. 234.
euprista Kortn. 229.
fasciculata Ham. 229.
fasciculata Warr. 235.
glabra Br. 240; 242.
glabra Z. et M. 242,
grandis Cuorsy 246.
Hasselt Br. 244.
hirsutula Mrg. 229.
Japonica Brepp. 234.
— 318 —
Japonica Tnuns. 234.
Japonica Truns. var. nitida Dyer
236.
Japonica (3 acuminata Trw. 229. |
Japonica var. 1. Thunbergii Tuw.
234.
Japonica var. 2. nitida Dyer 235.
Japonica var. 3. phyllanthoides
Dyer 237.
lucida Warr. 229,
membranacea GARDN. 229,
multiflora DC. 229.
myrtifolia Bu. 235.
nitida Kortn. 235.
obovata Br. 242.
obovata var. velutina K.et V. 243.
phyllanthoides Br. 237.
reticulata Kortn. 242,
rostrata Br. 229.
Roxburghii Warr. 235.
salieifolia Br. 229.
salicifolia Crorsy. 249.
serrata Br. 229.
systyla Mra. 235.
tristyla W. et A. 234; 240.
virens Br. 235.
Vitiensis A. Gray. 234.
Wallichiana Sreup. 229.
Wightiana Warr. 235.
Wightiana Wrieunr, 234.
Zollingeri Crorsy. 248.
Flindersia Amboinensis Por. 5.
Geeria obovata Br. 242.
serrata var. sericea Bu. 245.
Gonioeheton arborescens Br. 76.
Gordonia Erris 288.
acuminata Zorn. 289,
acuminata ZouL. 293.
excelsa Br. 289.
excelsa var. macrocarpa K. et V.
291.
integerrima Teysm. et Binn. 294.
Javanica Hook. 283.
Javanica var. (3 serrata K. et V.
286.
Javanica var. angustifolia K. et
V. 287.
Singaporiana Warr. 289.
Guarea alliacea Br. 47.
altissima SPRENG. 41.
axillaris mss. in Herb. L. B. 67.
densiflora SPreNG. 41.
Haemocharis SarisB. 293.
Haemocharis integerrima (Terysm.
et Mrq.) K. et V. 294.
serrata K. et V. 296.
Hartighsea acuminata Mrq. 76.
angustifolia Mrq. 173.
excelsa A. Juss. 56.
Forsteri Treysa. 47.
mollissima A. Juss. 80,
Hearnia elliptica C. DC. 154.
Heynea multijuga Br. 73.
Sumatrana Mirq. 4.
Lansium Ruxru. 178.
aqueum Jack. 180.
cinereum Hrern. 183.
domestieum Jack. 5; 180.
domestieum var. (3 pubescens K.
et V. 180.
humile Hassk. 183.
Javaniceum Roem. 180.
‚ Laplacea integerrima Mirq. 294,
Maerochiton excelsum Rorm. 56.
mollissimum Roem. 80.
Marumia Rrixw. 276.
Melia L. 7.
Azadarach 3 sambuecina Mra. 17.
Azadirachta Linn. 21.
Azedarach Linn. 12.
Azedarach var. ò Javanica K. et
BAAREN
Azedarach var. ” squamulosa
C. DC. 13.
— 819 —
Bambolo Werw. 9.
Bogoriensis K. et V. 5; 18.
composita Wip. 9.
dubia Hrern. 9.
indica BRAND. 21,
pendula Reinw. 99.
pubescens Reimnw. 91.
robusta H. B. Carc. 9.
sambucina Br. 17.
sempervirens Sw. 12,
sempervirens Horr. 17.
superba Roxs. 9.
Meliaceae 1.
Milmea argentea Rreinw. 160.
montana T. et B. 176.
Roxburghiana Wriecur. 136.
Roxburghiana Warr. 147,
Sulingi T. et B. 146.
Nemedra elaeagnoidea A. Juss. 135.
Phyllanthus nitida Rreinw. 237.
Prasoxylon alliaceum Roem. 47,
Pyrenaria Br. 296.
lanceolata T. et B. 301.
lasiocarpa Kort. 300.
oidocarpa Korrm. 300.
serrata Br. 297.
Reinwardtia elongata Korru. 217,
Sandorieum Cav. 24.
Borneënse C. DC. 30.
glaberrimum HasskK. 30.
Indieum Cav. 27.
Maingayi HrerN. 30.
nervosum Br. 50.
Saurauja Wip. 249.
aesculifolia pe Vr. 270.
Blumiana Bern. 272.
bracteolata Mrq. 254.
bracteolata C. DC. 256; 264.
Saurauja bracteosa C. DC, 251 ; 254;
264.
cauliflora C. DC. 276.
cauliflora Br. 278,
erenulata C. DC. 276,
cuneata Br. 264.
gigantea Br. 251.
gigantea DC. 254,
graudifolia Zorn. 270.
Hasskarliana Mrq. 261.
Junghuhnii? Cuorsy 254.
Korthalsii Z. et M. 258.
leprosa Korru. 258.
micrantha Z. et M. 272.
micrantha Br. 275.
microphylla De Vr. 272,
mollis Hassk. 251.
nepaulensis Hassk. 261.
Noronhiana Brumr 270.
nudiflora C. DC. 270.
pendula Br. 256; 264.
pendula x genuina 266.
pendula var. (3 cuneata Br. 266.
pendula var. y ramiflora K. et
Mi. 266:
pendula var. ò longifolia 266.
ramiflora K. et V. 278.
ramiflora var. calycina Kine 278.
Reinwardtiana Br. 259.
Reinwardtiana var. (3 asperula
K. et V. 261.
rosea JurcH. 270.
spadicea Br. 276.
squamulosa K.et V. 268.
trichocalyx K. et V. 262.
umbellata K. et V. 256.
Scapha canliflora Noronn. 276,
Schima Rerinw. 282.
excelsa Br. 289.
Noronhae Rrivw. 283.
Noronhae var. (3 serrata K. et V.
286.
Noronhae var. 7 angustifolia K.
et V. 287.
rigida Mrg. 283.
Swietenia macrophylla 5.
— 320 —
Mahagoni L. 5.
Ternstroemia L. 210.
dumosa Warr. 223.
Gedehensis T. et B. 217.
Houtsoortiana Pierre 212,
Japonica Tuur. 214,
Japonica var. denticulata 214,
Japonica var. Javanica K. et V.
215.
Japonica var. Wightiana 215.
macrocarpa Scuprr. 212,
miecrantha Crois. 217.
Penangiana Dyer 212,
Chinensis Sims. 209.
lanceolata Pierre 303.
quiscosaura PrerrE 303.
Toona febrifuga Roem. 198.
Toona serrata Rorm. 204.
Trichilia alliacea SPreNG. 47.
arborescens SPRENG. 76.
excelsa SPRENG. 56.
hexandra Br. 99.
mollissima SPreNe. 80.
rufinervis Buume 132.
Walsura Roxs. 185.
pinnata HasskK. 186.
Xylocarpus Forstenii Mig. 193.
Granatum Wirrp. 193.
obovatus Juss. 189.
Ternstroemiaceae 208.
Thea L. 209.
Assamica Grrirr. 209.
APEN
De